De monumenten van den Girnar De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 3

Chapter 33,962 wordsPublic domain

De Sardar Bagh, die buiten de muren der stad is gelegen, is een heerlijk doel voor een wandeling. Sardar khan, gouverneur van Sorath, liet het huis in 1681 bouwen en richtte er zijn graf op; maar hij stierf in Sind, waar zijn lijk is gebleven. De tuinen zijn met zeldzame boomen beplant en versierd met vijvers en paviljoens, waar de menschen de koelte gaan zoeken; maar de grootste aantrekkelijkheid van Sardar Bagh is de menagerie. Er is daar te zien de eenige soort van leeuwen, die nog in Indië bestaat en die in wezen blijft in de bosschen van den Gir, waar enkele paren zich vermenigvuldigen. De tijd is voorbij, toen de vorsten op de jacht naar groote roofdieren gingen.

Dat bosch van den Gir is bijna honderd kilometer lang bij 32 breed, terwijl het grootste deel der oppervlakte in Junagadh ligt. Er liggen ook dorpen en gehuchten in. In den regentijd worden de dieren in de vette weiden gestuurd, die aan de waterloopen liggen.

Hier moet ik nog eens gewagen van de rooverijen, die zoo lang Kathiawar berucht hebben gemaakt. De Gir diende tot toevlucht voor de stoutmoedigste Kathihoofden; als ze hun rooftochten hadden gedaan en hun veediefstallen en moorden volbracht, tartten ze daar de justitie en de weerwraak van huns gelijken. In het begin van de vorige eeuw verschool een Kathihoofdman, die in zijn erfrecht was gekrenkt, zich er met zijn bende. In 1820 maakte hij zich van kapitein Grant meester, een marineofficier in dienst van vorst van Baroda, en hield hem vier maanden gevangen. De ongelukkige kapitein heeft interessante aanteekeningen over zijn gevangenschap uitgegeven. Twee maanden lang werd hij nacht en dag blootgesteld aan alle weêr in het slechte jaargetijde en steeds bewaakt door twee mannen met den degen in de vuist. De vrouwen in de dorpen kozen ten laatste zijn partij en verweten den vorst zijn wreedheid.

Met geweld gedwongen door de roovers, om aan hun barbaarsche gebruiken deel te nemen, kon hij als ooggetuige verklaren, dat ze in de dorpen der vijanden hun komst aankondigden door de kinderen, die voor de huizen speelden, het hoofd af te snijden. De jonge Kathi's spraken over niets anders dan over de moorden, die ze reeds hadden begaan, terwijl de grijsaards en wijzen en notabelen nachtelijke samenkomsten hielden, waarin ze uitmaakten dat de mensch het dier is, dat het moeilijkst is te dooden, want dat men nooit zeker is van zijn dood, als niet het hoofd aan den eenen kant ligt en het lijf aan den anderen. Sombere vergaderingen in den tijd, dat de leeuwen buiten brulden en om de kampen slopen.

Dikwijls ging Bawavala, dronken van opium, bij zijn gevangene zitten en vroeg hem, hoeveel slagen er, naar hij dacht, noodig zouden zijn, om hem te dooden. Dan antwoordde de ongelukkige, die geheel uitgeput was, nauwelijks verstaanbaar, dat een enkele slag wel voldoende zou wezen. Maar het monster wenschte niet den dood van zijn slachtoffer; hij wilde enkel de uitlevering van zijn bezittingen als losgeld. Het was een afschuwelijk leven van die roovers, altijd de wacht houdend, slapend naast hun paarden met den teugel om den arm, gereed om in den zadel te springen bij de eerste beweging van het dier. Hun voornaamste bezigheid was het uitplunderen van rijke reizigers, die hun werden aangewezen.

Kapitein Grant werd gered door tusschenkomst der Engelschen, die van den Nabab van Junagadh gedaan kregen de teruggave aan Bawavala van de goederen, die het andere Kathihoofd had geroofd; maar hij bleef zijn geheele leven ziek en verloor het geheugen. Om een denkbeeld te geven van de moderne zeden, diene, dat de vrouwen nog den lof zingen van Bawavala, den Robin Hood van Kathiawar. Wij zouden nog meer staaltjes van lateren tijd kunnen melden, maar wat met kapitein Grant is gebeurd, heeft min of meer een officiëelen stempel, en men kan ons dan niet van overdrijving beschuldigen.

Een heele litteratuur is verbonden aan de heldendaden van de bendehoofden. De heer C. A. Kincaid heeft onlangs een belangwekkenden bundel het licht doen zien van oudere en nieuwere balladen, die op hun heldenstukken betrekking hebben. Men kan er den geest uit leeren kennen, die al sinds onheugelijke tijden in het land heerschte onder de menschen, die geneigd waren de rechten van het individu te doen voorgaan boven die der gemeenschap en tegen het gezag, welk dat ook was. Ondanks zijn misdaden was de misdadiger sympathiek aan de massa. Naast hem treedt dan het paard op, door de nationale dichters niet minder goed behandeld dan zijn meester. Het is de blanke merrie met de vlokkige, wapperende manen, die met wijd geopende neusgaten de ruimte verslindt, in één sprong over de muren van dorpen springt en zoo snel en licht zich beweegt, dat de vogels zich niet met haar meten kunnen.

Thans is de Gir gastvrijer geworden. Men kan er veilig zich bewegen, vooral als men vergezeld is door Engelsche ambtenaren. Sasan op den zuidelijken oever van de rivier Hiran is de residentie van den inspecteur van het boschwezen. Daar was ook het kamp van Lord Curzon gevestigd. Vroeger was die plaats zeer ongezond en had zelfs aan die ongezondheid zijn naam te danken, want Sasan wil in het Sanskriet zeggen "straf", omdat men er de staatsgevangenen heen zond, opdat ze spoedig zouden sterven door de slechte hoedanigheid van het water ter plaatse.

De leeuw, die oudtijds de glorie van Pendsjab en Hindostan was, is teruggedrongen naar deze boschrijke streek. Hij is niet de mindere van zijn soortgenoot uit Afrika, noch wat grootte betreft, noch wat den moed aangaat; de manen zijn zwart, bruin of geel, al naar gelang van den leeftijd. Hij zal zelden een mensch aanvallen; maar er worden gevallen vermeld, waarin hij een of meer slachtoffers heeft gemaakt. In de menagerie van Sardar Bagh worden de groote, welgeluchte kooien goed onderhouden, en de dieren zien er niet zoo ellendig uit als in Europa. Ze worden ook niet vaak door bezoekers lastig gevallen; en een knippen met de oogen of een gegrom is het eenige, dat de bewaker erlangt, als hij ze wil doen opstaan. Met die visite aan de leeuwen eindigde ons bezoek aan Junagadh.

De ruïnen van den Uperkot of de citadel van Junagadh liggen links van den weg, die naar den Girnar leidt; wij kozen het eind van een schoonen dag, om ze te bezoeken. Zij zijn begrepen in den stadsmuur en bevinden zich op een soort van platform van natuurlijken aard tusschen de stad en den berg; de muren, omringd door een diepe gracht, zijn bijna zeventig voet hoog. Men komt er binnen door twee poorten; volgens oude kronieken waren er drie en 84 torens. Het grootste deel van het terrein is al lang ingenomen door de jungle, maar men is onlangs begonnen met de ontgraving, en nu is de citadel in het geheel niet meer in den deplorabelen toestand, dien Tod in 1822 beschrijft. Door een gunstbewijs, dat nog door geen enkel Europeaan was verkregen, had de moedige reiziger kunnen binnendringen. Hoewel het geen oorlog was, hield men er goed de wacht en de poorten werden slechts ten halve geopend voor den reiziger. Overal zag hij verval en verlatenheid. Het is nog een imposant monument van de militaire mohammedaansche bouwwijze, die men terugvindt in vele vestingen uit denzelfden tijd.

Het rijtuig bracht ons tot op de wallen; bij den ingang viel ons het gewelf boven de deur op, dat een merkwaardig voorbeeld was van de oude rajpoetische architectuur. Het is moeilijk den tijd van ontstaan vast te stellen; maar als die poort van vroegeren datum is dan de herstellingen, in de 15de eeuw aangebracht, zooals een opschrift aangeeft, toch klimt ze niet hooger op dan de 18de eeuw.

In een sankrietsch werk uit de elfde eeuw van iemand, geboortig van Goedsjerat, wordt gezegd, dat de vierde vorst uit het geslacht der Chudasama's in de tiende eeuw overwonnen en gevangen genomen werd en daarna weer in vrijheid gesteld door een vorst uit Goedsjerat, dat hij vervolgens Vanthali verliet, dat zijn hoofdstad was, om zich te Junagadh te vestigen, waar hij de citadel liet bouwen, hetgeen verklaard wordt door de noodzakelijkheid, waarin de Chudasama's waren, om zich te beschermen tegen de invallen van hun machtige en oorlogzuchtige buren.

Een beslissend getuigenis brengt steun aan dat bericht uit de elfde eeuw. De boeddhistische pelgrim Hioeën Thsang, die in de zevende eeuw reisde en die zoo minitieus de steden, bergen en oude grotten van Saurasthra heeft beschreven, maakt geen melding van den Uperkot, bewijs, dat de citadel niet bestond toen hij in de plaats was. In de elfde eeuw begint de geschiedenis van de belegeringen, die zij had te doorstaan, eerst van de Hindoevorsten, dan van de Muzelmannen. Overigens mag het fort ondanks de herhaalde capitulaties trotsch zijn op zijn lang verleden. Het heeft dapper de aanvallen weerstaan der veroveraars, die het op zijn bestaan voorzien hadden. Na de opneming van Sorath in het mongoolsche rijk treedt de vesting in de schaduw. In de 18de eeuw maakten de geldzuchtige Arabieren, wien men achterstallige soldij schuldig was, zich er herhaaldelijk meester van, en ze konden er slechts met moeite uit verdreven worden. Van dien tijd af hebben de gevangenissen, die het bevatte, slechts gediend voor de vorsten of de opstandelingen, van wie men zich wilde ontdoen.

Het monument, dat het eerst de aandacht trekt, is de moskee, een groot gebouw van 136 bij 103 voet. Het uitwendige heeft niet veel stijl; het is zwaar en lomp met de vier granieten zuilen op de hoeken; maar het inwendige biedt een verrassing; er staan 140 zuilen in verschillende rijen. Die der drie eerste, van den gevel af naar binnen, zijn dikker, evenals die van de vijfde en tiende rij overdwars en zijn door bogen samen verbonden, zoodat ze, als ze waren voortgezet, het gebouw zouden hebben verdeeld in drie hoofdschepen in het midden en twee zijschepen van de helft der grootte. De preekstoel ligt elf treden boven den beganen grond, en de deuren zijn van prachtig bewerkt marmer.

De moskee, die onder Mahmoed Bigaré werd begonnen, is waarschijnlijk nooit voltooid. Op de wallen staan twee zware kanonnen op de stad gericht en beroemd in de geschiedenis van Junagadh. Het grootste is bekend onder den naam van Nilam tope, het blauwe kanon; er staat een arabisch opschrift op, dat er aan herinnert, hoe het stuk in Egypte werd gegoten op bevel van sultan Soleiman, zoon van Selim Khan, koning van Arabië en Perzië, om de vijanden van den godsdienst te verdelgen en die van den staat,--dat waren de Portugeezen,--legers toen de steden van Indië bezetten.

Achter de moskee ziet men aan den noordkant een merkwaardig staal van den bouw in de rotsen, namelijk de zalen, die in 1879 ter gelegenheid van het bezoek van Burgess werden ontdekt.

De opgravingen brachten twee rijen van in de rots uitgehouwen woningen aan het licht, van een nog niet nader omschreven karakter. Onze onderaardsche wandeling was zeer interessant; door de groote openingen voor licht en lucht, die door de oorspronkelijke aanleggers zijn uitgespaard, kan men de gidsen volgen, zonder vrees van in de duisternis te verdwalen en door gebrek aan lucht te stikken.

Op de eerste verdieping was een groot réservoir, misschien een vischvijver, aan drie zijden omgeven door een veranda, die overdekt was. Aan den westkant is er een soort van platform, gelijk aan die, waar men in tempels de beelden plaatst. Burgess denkt, dat de menschen er hun kleederen neerlegden, als ze zich baadden, en men kan nog sporen vinden van een buizenstelsel, dat het water aanvoerde uit een put in de buurt naar een kleinen regenbak aan den ingang, opdat het gezuiverd zou wezen, voordat het in het réservoir kwam.

Het vertrek boven de baden, als men ze zoo mag noemen, ligt open en aan den kant, van waar het licht komt, staat een laag muurtje, zoodat door een wijde opening dat licht binnenstroomt. De gang aan den zuidkant vertoont twee zuilen met achtkantigen voet, welker kapiteelen met bloemen zijn versierd en met andere versieringen, die alle ongelukkig in zeer slechten staat zijn. Wij toefden lang in de zaal der baden, vóór we heengingen.

Men kan deze rotswoningen niet beschouwen als bij een klooster behoorend; eerder doet de nabijheid van een oud paleis, het Khengar Mehal, vermoeden, dat ze een dépendance waren van dat huis, dat, in de jungle gelegen, overgeleverd is aan de moderne exploiteerders van een steengroeve. Het was nog te herkennen aan den 250 meter langen gevel in de rots uitgehouwen en gesteund door massieve pilaren, en bestond uit een doolhof van zalen, gangen en trappen. God behoede mij ervoor, daarmee den lezer lastig te vallen. Liever wil ik bij u de herinnering wekken aan de bewoners van die onderaardsche woningen, die zeer zeker aangename verblijven waren in den tijd van groote warmte, maar die in geen enkel opzicht gelijken op de kloosters en de lichte, sierlijke bouwwerken, over de heuvels van den Girnar verspreid.

In den Uperkot of de vesting vinden wij twee groote putten, die uit den tijd der Chudasama's dagteekenen. De eene, de Adi Sjadi, werd aangelegd door twee slavenmeisjes van een der vorsten dier dynastie, en men daalt erheen af langs steenen trappen; de andere, de Noghan, klimt op tot de elfde eeuw. Een gang van tien voet breed, in een spiraal in de rots gehouwen, leidt langs 235 treden in de diepte, namelijk tot ongeveer 120 voet. Ze wordt verlicht door openingen in de rots; aan den eenen kant is een soort van balkon, waar een bedwelmende drank werd bereid in een grooten bak, dien men nog herkennen kan. Er wordt verteld, dat het hof er bacchantische feesten kwam vieren.

Duiven vlogen rond boven een der putten, die door gebladerte overschaduwd werd. Ik wilde er in afdalen, maar de vochtigheid en vooral de stank van het erin staand water noodzaakten mij terug te gaan. Maar wel had ik er genoeg van gezien, om mij rekenschap te geven van die soort van putten, die zoo nuttig moeten zijn geweest. Want is niet het water een groote weldaad voor het Oosten? Hij, die het zijne bijdroeg tot de bewaring en verspreiding van een zoo nuttige stof, deed een gezegend werk, en werken van irrigatie hebben al van de oudheid af de regeerders van deze streken beziggehouden. Wij zullen daarvan ook een bewijs vinden aan den voet van den Girnar. Ook moderne werken van dien aard zijn in den Uperkot uitgevoerd.

De vesting zag er in het roode licht van den vallenden avond schilderachtig uit; de ruïnen en de met boomen bedekte heuvels boeiden het oog; op een ouden muur vertoonden pauwen hun prachtig gevederte, en van de wallen overzag men de stad en de vlakte, al in schemering gedompeld, terwijl links zich de majestueuse top van den Girnar verhief.

Boeddhistische grotten en holen komen er veel voor in Junagadh; Hioen Thsang heeft ze ook vermeld.

Er waren in zijn tijd meer dan 50 kloosters en bijna 3000 monniken, en daarbij honderden tempels, waar monniken van verschillende secten in vrede leefden. Ondanks de verwoestingen door den tijd aangericht, en ondanks 400 jaren van mohammedaansche overheersching, treft men nog belangwekkende sporen van het boeddhistisch tijdperk aan. De reizigers, die van het land spreken, zeggen, dat de streek letterlijk met cellen was overdekt.

Dat kluizenaarsleven is een der karakteristieke eigenaardigheden van het Boeddhisme. Ieder mocht gaan wonen in de bosschen of de grotten van het bergland, en als de regentijd daar was, kon de heremiet zich voegen bij zijn collega's, die in de kloosters of vihara's woonden. Die kloosters bestonden, schijnt het, uit een plein, omringd door cellen, met galerijen, die versierd waren. De cellen in de open lucht zijn verdwenen en enkel die zijn overgebleven, die in de rotsen waren uitgehouwen. De oudste inrichting schijnt te zijn geweest, dat de kleine cellen op rijen lagen met een veranda, die op pilaren rustte. Aan de westzijde is er aan het bouwwerk meer zorg besteed dan aan het beeldhouwwerk. Het dak wordt door zuilen gedragen, en een zuilengalerij geeft toegang tot een diepe zaal, waar de monniken dienst hielden en hun Boeddha's aanbaden. Aan den oostkant van den Uperkot bij het klooster Bawa Pyara vindt men ook van die onderaardsche woningen; maar hoe een denkbeeld te geven van dien overvloed van gangen en zalen en cellen? Er bestaat trouwens geen twijfel aan de bestemming van de bouwwerken.

Hoe opgestapeld de aarde en het puin ook zijn in die zalen, de kenners hebben er de inrichting van een vihara in herkend. Ik mocht er niet binnentreden, en ik had ook inderdaad genoeg aan het uitwendige; de verbeelding stelde mij in staat, mij het leven van de monniken voor te stellen. Een opschrift leert, dat de holen ingericht waren voor de Dsjaina's door de koningen van Saurasthra op het eind van de tweede eeuw der christelijke jaartelling, of dat ze hun geschonken waren toen de Boeddhisten er geen gebruik meer van maakten. Het kloosterleven der Dsjaina's gelijkt, zooals bekend is, veel op dat der Boeddhisten.

Verder in de jungle, te Maï Godesji, waren onder een ouden Hindoetempel, die in een moskee is veranderd, andere kamers; die behoorden waarschijnlijk niet bij een klooster, maar ze werden zeker gebruikt als die in den Uperkot.

Van alle overblijfselen van den boeddhistischen godsdienst in Saurasthra is er geen enkel zoo belangrijk als de opschriften op den Asokasteen. Wij wijdden daaraan een morgen. Men verlaat dan de stad door de Wagheswaripoort in het Zuidoosten, en laat den Uperkot links liggen. Het is tevens de weg naar den Girnar. Vroeger hadden de reizigers, die naar de tempels gingen, te kiezen tusschen een wandeling en een draagstoel; thans leidt een rijweg naar den voet van den berg, en ons rijtuig reed een smal dal binnen, beplant met teak- en ebbenhoutboomen.

In het begin der 19e eeuw legde de rijke paardenkoopman Sundarji, van Junagadh uit, een weg aan, waar hij boomen met rijk gebladerte langs liet zetten, opdat de pelgrims in de schaduw zouden kunnen uitrusten, zoodat men aan hen de ontdekking van den Asokasteen te danken heeft, want zonder dit voorbereidingswerk zou het monument nog verborgen wezen in de onontwarbare acaciaboschjes, die het omringen.

De eerste, die er melding van maakt, kolonel Tod, heeft een levendig verhaal gegeven van zijn ontdekking in December 1822. Bij de samenkomst van de door Sundarji geplante laan en de Sonarekh, een der talrijke riviertjes, die den voet van den Girnar besproeien, komt een breede weg, evenwijdig aan de laan, uit bij een brug met drie bogen en voorzien van een leuning. Voordat die brug gebouwd was, liepen de pelgrims in den regentijd gevaar, door het water der rivier te worden meegesleurd, en veel ongelukken gebeurden er.

Nadat men den weg heeft verlaten en naar rechts is gegaan, bereikt men den Asokasteen. Tod heeft hem beschreven als "een zware massa in den vorm van een halven cirkel van zwart graniet, die als een wrat op het menschelijk lichaam de schors van onze moeder aarde had doorboord, zonder een spleet of scheur te maken."

De oppervlakte, die de steen besloeg, was 10 voet. De steen was in afdeelingen verdeeld of parallelogrammen, die opschriften in antiek schrift bevatten. Tod begreep, dat hij zich in de tegenwoordigheid bevond van een nog niet leesbare bladzijde der historie; hij bepaalde zich er toe, zijn secretaris te verzoeken twee der opschriften en een deel van het derde af te schrijven. En er werd in dertien jaren niets meer gedaan.

In 1835 onderzocht Dr. Wilson, die tegen het vallen van den avond van den Girnar daalde, de opschriften, nog steeds onontcijferbaar geacht, ofschoon ze reeds de aandacht van de geleerde wereld hadden getrokken. Hij liet er afdrukken van nemen in 1837 en trachtte tot het begrip er van te komen, maar Prinsep was hem in 1838 voor met het vinden van den sleutel tot het nieuwe letterschrift. Door een gelukkig samentreffen had luitenant Kittoe te Dhauli een lang opschrift ontdekt, dat bijna identiek was aan dat te Junagadh, en kapitein Birtes liet een opschrift overnemen, dat gegraveerd was op een rots dicht bij het dorp Sjah-baz-garhi, 36 mijlen ten noorden van Peshawar, ook identiek met die van Girnar en Dhauli.

Het was voor diegenen, die zich aan de bestudeering van de teksten wijdden, noodig correcte copieën te hebben en welverzorgde afdrukken van al die figuren. In 1838 werd luitenant Postans door het bestuur van Bombay naar Junagadh gezonden, om de opschriften te copiëeren en Burgess kwam in 1869 afdrukken maken. De steen was in die dagen door een kluizenaar bezet, die er zich een soort van hut naast had gebouwd en hout rondom had opgestapeld. De regeering van Bombay, van die feiten op de hoogte gebracht, richtte vertoogen tot den eersten minister van Junagadh, die over den steen een dak liet bouwen. Dat werd later vervangen door een soliede en fraai gebouwtje, waarin wij het genoegen hadden, eenige oogenblikken te rusten. Wij zullen de geleerden niet volgen in hun ontcijferingswerk en in hun verklaringen der opschriften. De opschriften zijn van het hoogste belang; men heeft ze terecht vergeleken met den steen van Rosette, met de opschriften op rotsen te Bisitoen, en met de steenbibliotheken van Assurbanipal.

Een enkel woord over den vorst, van wien ze uitgingen. Asoka Biyadasi, koning van Magadha of Behar, die in de derde eeuw vóór Christus regeerde en tot het Boeddhisme werd bekeerd, legde er zich met ijver op toe, zijn godsdienstige denkbeelden te verspreiden. Er wordt gezegd, dat hij 64.000 priesters onderhield en kloosters stichtte in zoo groot aantal, dat zijn land nog het land der kloosters wordt genoemd, der vihara of behars. Hij maakte het Boeddhisme tot staatsgodsdienst, stelde een raad in, om de geloofsartikelen te verklaren, verspreidde zedelessen, benoemde een ministerie, om de zuiverheid der leer te handhaven en gaf bevel tot een herziening van den kanon der boeddhistische geschriften.

Terzelfder tijd verspreidden legioenen van zendelingen zijn leer tot in de verste streken, en zijn wereldlijke macht zette kracht bij aan het prestige zijner boodschappers.

Het monument is niet het eenige van zijn soort; veertien opschriften op rotsen in Indië verspreid, geven dezelfde voorschriften. Deze steen van Asoka telt veertien edicten of wetsbepalingen van Asoka en twee opschriften, die betrekking hebben op de herstelling van een oud réservoir, de Soedarsana.

Men kan de voorschriften van Asoka aldus samenvatten:

Ten eerste werd verboden dieren te dooden, om ze te eten of te offeren.

Ten tweede werden voorschriften gegeven omtrent geneeskundige hulp voor menschen en dieren, omtrent aanplantingen en putten aan den kant der wegen.

Ten derde werd bevolen, zich alle vijf jaren aan een boete te onderwerpen en opnieuw de groote zedelijke waarheden van het boeddhistisch geloof te publiceeren.

Ten vierde werd een vergelijking getrokken tusschen den ouden staat van zaken en de nieuwe richting van den koning.

Ten vijfde moesten er zendelingen worden benoemd, om de leer in vreemde landen te gaan verkondigen.

Ten zesde werd de gelofte verplicht gesteld, dat men gelijkheid van rang en stand zou handhaven.

Ten zevende werd de aanstelling van zederechters verplicht gesteld.

Ten achtste werd op het verschil gewezen tusschen de materiëele genoegens van de voorgangers van den koning en zijn eigene.

Ten negende werd een uiteenzetting gegeven van het ware geluk, dat slechts in deugd te vinden is, waardoor de zegeningen des hemels den mensch te beurt vallen.

Ten tiende werd een vergelijking gemaakt tusschen den vergankelijken roem dezer wereld en de hemelsche zegeningen, waar de koning naar haakt.

Ten elfde werd een verklaring gegeven van de stelling, dat de grootste van alle gaven, die men aan zijn medemensch kan schenken, is hem de deugd te leeren.

Ten twaalfde wordt een woord tot de geloovigen gericht.

Om eenig denkbeeld te geven van de voorschriften en van den stijl des koning-schrijvers, kiezen we het achtste, dat de bekeering van den koning tot het Boeddhisme inhoudt.