De monumenten van den Girnar De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Het schoolrégime heeft den jongeling goed gedaan; met zijn laarzen en sporen, de karwats in de hand, zag hij er onberispelijk uit, een sierlijk ruiter!
Den 6den November 1900 had Lord Curzon in de zaal, waar wij ons bevonden, de prijsuitdeeling bijgewoond. Het was de eerste maal, dat een onderkoning aan die plechtigheid deelnam. Het bleek een schitterende bijeenkomst; de jonge prinsen, alle in hun officieel costuum, leverden een kleurig schouwspel op. Lord Curzon sprak zeer goed over de noodzakelijkheid voor de vorsten, om ontwikkeling te erlangen, niet om jonge Engelschen te worden, maar om goede indische vorsten te zijn voor indische onderdanen.
"De hoofden", sprak hij, "zijn niet, zooals men het graag voorstelt, een bevoorrechte klasse. God heeft hun het land niet ten geschenke gegeven; de staat is niet hun eigendom en de inkomsten komen hun niet persoonlijk toe. Zij moeten leven voor het welzijn van hun onderdanen; de onderdanen zijn er niet voor hen."
Schoone woorden en moedige woorden in een gezelschap, dat gewend is geweest, altijd den staat te beschouwen als het eigendom van den vorst.
De heer Waddington noodigde ons uit, de thee te gebruiken in gezelschap van een hoog personnage, dat ook juist de school bezocht te Rajkot, namelijk den nabab van Sikkim, en daarna naar het poloveld te gaan, waar de leerlingen aan het spelen waren.
Helaas, onze rouw belet ons, aan het schitterend onthaal deel te nemen, en wij gaan met ons rijtuig staan onder de boomen van de laan, van waar we de spelen wel kunnen zien.
Daar komen de jonge prinsen aan! Wat zien ze er knap uit! De grootsten zijn volmaakte ruiters; de jongsten kijken onbetaalbaar ernstig onder hun gestreepte tulbanden en worden braaf geschud door hun edele paarden van kathiawaarsch ras, maar blijven vast in den zadel.
Het sein wordt gegeven, en het spel begint. De directeur zelf nam er met groote ambitie aan deel, en hij is niet de minst handige, noch de minst vurige.
In Rajkumar College krijgt men inderdaad een goeden indruk van het succes der engelsche methode in zake opvoeding aan vorstenzonen, zooals men ook in Kathiawar het best de resultaten kan waarnemen van de wijze van bestuur en de vreedzame inlijving der inboorlingenstaten. Dat komt, dat hier het veld van waarneming betrekkelijk klein is, en de bevolking nog al homogeen.
Ieder onpartijdig reiziger zal toegeven, dat de veiligheid nu niets te wenschen overlaat, en dat de staten beter worden bestuurd en het volk er gelukkiger is.
Wat de vorsten aangaat, onder invloed van de in het College verkregen opvoeding, zijn ze belangstelling gaan gevoelen voor de stichting van nuttige instellingen in hun landen, voor den bouw van scholen en de verfraaiing van hun hoofdsteden, zonder dat daarom het godsdienstige leven of de sociale instellingen zijn veranderd. En ik moest denken aan de mannen, die aldus zich wijdden aan de opvoeding van het volk in een achterland van Goedsjerat en hen vergelijken met Johnston, Mountstuart Elphinstone en andere Engelschen uit die school. Van den laatste is bekend, dat hij eens zeide, dat als ooit deze volken zich van Engeland vrij maakten, het dan nog beter was, dat Engeland als buren een ontwikkeld volk had dan een barbaarsch. Dat alles overdacht ik, terwijl ik met mijn moeder en mijn secretaris naar de spelen keek...
Het spel is afgeloopen; de prinsen vormen weer een rij en defileeren in galop door de laan, mij beleefde groeten toezendend.
De nabab van Sikkim ging met de anderen weg; hij werd gevolgd door zijn gezelschap, en wij brachten verder den dag door bij onze Parsi-vrienden.
Met hoeveel genoegen we ook te Rajkot waren, we moesten denken over onze verdere reis naar Junagadh. Onze goede vrienden, de Parsi's stelden zich niet tevreden met ons naar het station te vergezellen; zij stegen mee in den waggon en brachten ons tot het volgend station. Ik heb aan hun ontvangst de aangenaamste herinnering en wij gingen weg met veel kostbare geschenken en heerlijke, welriekende rozen, die even goed in ons oude Frankrijk hadden kunnen bloeien als in Ispahan; maar Rajkot is niet het land der rozen, en in Kathiawar zijn de Gloire de Dijon en de Maréchal Niel zeldzaamheden. De liefhebber, die ze heeft gekweekt, deed te mijner eer een groote opoffering, die ik zeer op prijs stel.
Wij reisden nu snel naar het Zuiden. Het was een rustig landschap, en het zacht golvend terrein was zeer vruchtbaar. Wij zijn op het gebied van Gondal, een staatje van den tweeden rang, van 150.000 inwoners. Er wordt koren verbouwd en katoen. De vorst, die Thakore heet, is tegelijk schatplichtig aan Engeland, aan Rajkot en aan Junagadh. De stichter van het vorstengeslacht, de tweede kleinzoon van Vibhaji van Rajkot, had twintig dorpen geërfd, waarbij het gouvernement van Ahmedabad ter belooning van bewezen diensten nog later Gondal voegde, dat tot hoofdstad werd verheven in de 17de eeuw. Zijn opvolgers vergrootten het gebied nog. De Thakore Bagvat Sjingji, een schitterend leerling van Rajkumar College, heeft te Edinburg zijn medische studiën voltooid en schreef een werk over de geneeskunde in Indië en een reisverhaal van zijn bezoek aan Europa.
Zijn hoofdstad aan den oever van de rivier Gonduli heeft mooie gebouwen, moderne huizen, een hospitaal en een school voor adellijken. Bij onze nadering beschreef de trein, die den vorst na een afwezigheid van eenigen tijd in zijn staten terugvoerde, een bocht, om hem voor de deur van zijn paleis af te zetten, en de rookwolk van de locomotief drong tusschen de boomen van het vorstelijk park. De minister van Gondal, de heer Damri, de heer J. N. Unwalla en een perzisch reiziger wachtten ons op het perron. Onze gastheer uit Bombay, de heer Malabari, heeft de goede gedachte gehad, ons overal in Kathiawar zulke verrassingen te bereiden.
De minister noodigde ons uit, den dag bij hem door te brengen; maar wij hadden geen tijd om in deze stad te blijven, die de hoofdstad moet zijn van wat een modelstaat wordt genoemd. Wij konden alleen een praatje houden over gemeenschappelijke bekenden, o. a. over den opvolger van mijn vader aan de academie van de opschriften, den heer Sénart.
Na Gondal werd het terrein bergachtiger. De warme, weldadige zon gaf mij nieuwe krachten en ik gevoelde, dat ik genoegzaam hersteld was voor den tocht naar den Girnar. Het was in die mooie Februaridagen een heerlijke reis. Rust en kalmte heerschten hier in deze streken, alleen aan de stations afgebroken door enkele luidruchtige inboorlingen, die op transport van hun bagage toezien of voor hun koopwaar zorgen.
Eindelijk zijn wij te Junagadh; de schoonzoon van den minister, de heer K. Ch. Dhru, is ons tegemoet gereisd en brengt ons in den landauer van den Nabab Sahib naar een villa, even buiten de stad gelegen tegenover den Girnar. Wij hoorden, dat de officiëele wereld naar een naburigen staat was gegaan, om het huwelijk van den vorst bij te wonen.
Wij zullen dus kunnen uitrusten. Lal Bagh is een der geriefelijkste woningen, die we in Indië hebben gehad, althans in de provincie, en het is, of ik er mijn kamer uit Bandora terugvind. Het huis werd gebouwd door den Parsi Sir Ph. Mehta, in den tijd van zijn verblijf in Junagadh; het was elegant gemeubeld en ik zal nooit vergeten met hoeveel attenties het dienstpersoneel mij omringde.
Vanaf het terras had men een prachtig uitzicht op het bergland van den Girnar. Een lichtende wolk scheen om de vijf toppen te hangen en ze samen tot een volmaakten kegel te maken. Het is een heilige berg, vroeger woonplaats der goden, en sinds onheugelijke tijden trekken de pelgrims er heen. In de rotsflanken hebben kluizenaars zich cellen ter bewoning gekozen; op de bloeiende hellingen hebben de geloovigen tempels gebouwd voor hun beschermgoden, en op de toppen kan men de voetstappen vinden van de gelukkige stervelingen, die op het punt waren, de zaligheid van het Nirwana deelachtig te worden.
Men kan de stad Junagadh niet bezoeken, zonder een blik te slaan op haar verleden. De vorsten uit de tegenwoordige regeerende dynastie der afghaansche Babi's hebben tallooze voorgangers gehad; maar men moet tot de rajpoetische dynastie opklimmen van de Chudasama's, om den oorsprong te vinden van de vele sagen en verhalen, die in omloop zijn. In de 15de eeuw verscheen de geduchte vijand voor de vorsten van Goedsjerat en Sorath, de Islam. Ra Mandik III was de laatste Hindoevorst, die in dien tijd over Junagadh regeerde. Het heet, dat de vorst de vrouw van zijn minister verleidde en dat deze, om wraak te nemen, zijn vorst verried aan Mahmoed, sultan van Ahmedabad. De overwonnene werd gedwongen, den Islam aan te nemen en verkreeg onder den naam Khan Djehan een roep van heiligheid.
Mahmoed vond veel behagen in de mooie provincie Sorath, vestigde er zich en veranderde zelfs den naam van Junagadh in dien van Moestafabad. Hij legde de versterkingen aan van de stad en bouwde de moskee bij het fort. Zijn edelen volgden hem; hij gaf hun ambten en gunstbewijzen en bracht den Islam er tot bloei. Sedert de bezetting door Mahmoed werd Junagadh bestuurd door een uit Ahmedabad gezonden ambtenaar, en de sultan stond aan den zoon van den onttroonden koning een eeretitel toe en land te Sil Bayarda aan het strand der zee.
Het geslacht der Chudasama's heeft zijn invloed nog behouden in het land en in de regeerende familie hecht men nog waarde aan de verwantschap met de afstammelingen der oude koningen.
De laatste der Foedjaren of gouverneurs, Sehr khan Babi, maakte in de 18de eeuw gebruik van het verval van het Rijk, om den titel van Nabab van Junagadh aan te nemen. Daar hij een bekwaam en moedig man was, hief hij een schatting van alle vorsten van Kathiawar, een heffing, die nu nog voortduurt en die door tusschenkomst der Engelschen wordt geheven sinds 1821.
De geschiedenis van het vorstengeslacht der Babi's levert een merkwaardig voorbeeld van de intriges aan de kleine inlandsche hoven, intriges van vrouwen dikwijls. In het begin der 19de eeuw verschijnen de Engelschen ten tooneele en slagen er langzamerhand in de Mohammedanen te vervangen, en van de helft dier eeuw dagteekent de bloeitijd van den staat. Bahadoer Khandji, broeder en voorganger van Z. H. Rasoel Khandji, die thans regeert, ontving van den onderkoning van Indië een vlag met de wapens van Junagadh en verscheen met staatsie op den durbar te Delhi.
De Nabab Sahib heeft te Rajkumar College zijn opvoeding gekregen; hij is zeer vroom en zeer liefdadig. Te Rajkot hebben wij het hospitaal gezien, dat hij had laten bouwen; in zijn staten heeft men hem voor veel andere nuttige instellingen te danken. Groote sommen heeft hij besteed voor een betere waterverdeeling en hij heeft den spoorweg van Junagadh naar de haven Veraval laten aanleggen, alsook dien van Junagadh naar Rajkot.
Evenals de vorsten van zijn familie is ook de vermoedelijke troonopvolger te Rajkumar College opgevoed. Hij, Z. H. Cherzeme Khandji, is in 1889 getrouwd. Hij was het, die bij het bezoek van den onderkoning het woord nam, om den hoogen bezoeker te antwoorden, en hij heeft het met groote waardigheid gedaan.
Men moet niet denken, dat het bestuur der inlandsche staten aan het toeval wordt overgelaten; in het residentschap Bombay heeft elke staat, klein of groot, afzonderlijke diensten voor de uitvoerende macht, de financiën, de justitie, openbare werken, kadaster, geneeskundigen dienst, douane, politie enz.
De uitvoerende macht berust bij den vorst, die haar overdraagt aan zijn eersten minister of diwan, wiens plichten zeer verscheiden zijn. Hij heeft alle ambtenaren onder zijn bevelen, moet toezicht houden op de rechtspraak, het onderwijs regelen, toezien op de bescherming der arbeidende klassen, zorgen voor het onderhoud der wegen, de irrigatiewerken en zoo meer. Hij mag dus wel een practisch man zijn.
De vorst is vrij in de keuze van zijn eersten minister, maar de keuze moet worden goedgekeurd door de plaatselijke regeering. Oudtijds was de betrekking erfelijk.
Sedert bijna een halve eeuw zijn de regeeringsaangelegenheden in Junagadh in handen geweest van bekwame mannen. De eerste staatsman ten tijde van ons bezoek was de vizier Sjeik Mohammed Bahauddin Hasambhai, aan de regeerende familie vermaagschapt door het huwelijk van zijn zuster Laddi Bibi met wijlen Mahabat Khandji. Zeer jong in staatsdienst getreden, was de vizier eerst commandant van de lijfwacht of Lal Risalda. Hij is vooral zijn hooge positie verschuldigd aan den steun, dien hij aan den Nabab verleende in den strijd tegen de koningin-moeder, een heerschzuchtige vrouw, die haar zoon buiten de zaken wilde houden.
Daar hij in financiëele aangelegenheden uiterst bekwaam was, bestuurde de vizier de bezittingen van den staat met groote bekwaamheid, en daarbij gaf hij blijk van zeldzame energie in de onderdrukking van de rooverijen. In 1882 maakte hij zich meester van den hoofdman Janji Makrani, den schrik van den omtrek, en het volgend jaar van den bandiet Jasla, die voor de monding van een kanon werd gebonden, waardoor de rust van het land verzekerd was. Eindelijk roeide hij in 1889 de laatste rooverbenden uit, en sinds dien heerschte veiligheid in het land.
De vizier hield zich veel bezig met het onderwijs, dat hij aanmoedigde door beurzen en door de oprichting van scholen. De armen hebben aan hem slaaphuizen te danken en de pelgrims een weg naar Dattar. Als wijs en gematigd man weet hij de goede verstandhouding te bewaren tusschen hindoesche en mohammedaansche gemeenten.
Sir Charles Ollivant verklaarde in 1892, dat aan den vizier en den diwan Haridas de welvaart van den staat Junagadh te danken was. Die laatste trouwe medewerker van den mohammedaanschen vizier behoorde tot een familie van Ksjatria's uit Pendsjab. Zijn voorvaderen hadden geschitterd aan de hoven van de Groot Mogols; zij bewezen diensten aan de Mahratten, eindelijk aan de Engelschen, wien de vader van den heer Haridas Viharidas getrouw bleef in het vreeselijke jaar van den opstand.
De heer Haridas Viharidas, die in het midden der vorige eeuw geboren was, had in zijn provincie Madras studiën gemaakt over de cultuur van tabak. Daarna trad hij in staatsdienst en werd in verscheiden inboorlingenstaten benoemd, tot hij in 1883 in Junagadh minister werd, welke betrekking hij twaalf jaar bekleedde. Op zijn initiatief werd de stad verfraaid. Hij stierf in 1895 en werd vervangen door zijn broeder, den heer Behechardas Viharidas, oud-lid van den wetgevenden Raad te Bombay. Deze ondernam groote irrigatiewerken.
Ik wil hier terloops opmerken, dat geen van die verdienstelijke ambtenaren in Engeland is geweest. Die dure en vaak zoo weinig nuttige reis is dus voor jonge lieden niet noodig ter voorbereiding van een rol van beteekenis in Indië.
Ofschoon de stad Junagadh in de vlakte ligt, ziet zij er ondanks de moderne gebouwen en de rechte straten schilderachtig uit. Als men de oogen opslaat, ziet men de kanteelen van het fort en de toppen van den Girnar, die een indrukwekkenden achtergrond vormen en belangwekkende historische herinneringen oproepen.
Tijdens ons verblijf werd er over niets anders gesproken dan over het verblijf van Lord Curzon, dat een waar succes was geweest. Er was veel troepenvertoon geweest; er waren eerebogen opgericht en een optocht van olifanten, geleid door ruiters op rhinocerossen. Des avonds had een prachtige illuminatie de bevolking verheugd. Wat Lord Curzon vooral genoegen deed, was het zien van de velden, die het einde van den hongersnood aankondigden en daarmee tevens den terugkeer van overvloed, want vele streken zijn zoo vruchtbaar, dat men er driemaal in het jaar kan oogsten.
De oorsprong van Junagadh verliest zich in den nacht der tijden. Met de Chudasama's als heeren van het land, komt men bij de historische tijden; zij brachten een beschaving, waarvan de kunst nog sporen heeft nagelaten op de rotsen van den Girnar.
In de 16de eeuw na hun val vernemen wij, dat Sorath in den tijd van Akbar in negen afdeelingen was verdeeld, elk door een anderen stam bewoond. De eerste, het nieuwe Sorath, was lang onbekend gebleven door de vele bosschen en de ontoegankelijke bergen. Er was, zoo vertelt een geschiedschrijver, een fort, dat Junagadh of Uperkot heette en dat vroeger door sultan Mahmoed veroverd werd, die aan den voet van het fort Moestafabad de moderne stad oprichtte. De gewoonte, om haar enkel aan te duiden door het woord durg of gadh, dat is vesting, dateert al uit zeer vroege oudheid. Daaruit blijkt, dat dit het fort bij uitnemendheid was.
In het begin der vorige eeuw, in 1822, bezocht kolonel Tod Junagadh, dat nog door wouden was ingesloten over een uitgestrektheid van verscheidene mijlen, wouden zoo dicht, dat men er alleen in kon binnendringen door de lanen, uitgespaard, om met de naburige plaatsen gemeenschap te onderhouden.
De bevolking bestond uit dezelfde bestanddeelen als tegenwoordig, Brahmanen, Mohammedanen, landbouwers als Ahirs, Koli's enz. en Rajpoeten. Er waren niet meer dan een paar duizend inwoners, en nu zijn er niet minder dan dertig duizend. Wat den vorst aangaat, hij had geringe inkomsten en weinig eerzucht.
De groote monumenten, moskeeën, paleizen en graven zijn modern.
De stad heeft de muren behouden, waarmee Mahmoed haar begiftigd had en daarbinnen ontwikkelt zij zich nog. Rondom de citadel is een verlaten en onbebouwd gedeelte, waar men veel ruïnen vindt. Het strekt zich uit tot aan den voet der muren; maar daarachter begint het vrije veld met mooie woningen, o. a. die van den vizier. De tuinen bij die villa's en de vruchten, die men er oogst, zijn vermaard.
Het aanzien van de straten wijst op welvaart; de bazars zijn goed voorzien en leveren alle mogelijke producten der plaatselijke industrie. Het zou eigenlijk het aardigst wezen, naar Junagadh te gaan in den tijd der bedevaarten, die jaarlijks uit alle deelen van Indië er bijna honderd duizend geloovigen doen samenstroomen. De menigte kampeert vaak in de open lucht en bij den Girnar worden logeerhuizen voor de armen ingericht, waar de menschen ook kosteloos worden gevoed. De bedelaars van beroep, de sadhoes, schuilen waar ze maar kunnen, dikwijls tusschen de ruïnen. De bedevaarten hebben altijd plaats in den winter; dan is het klimaat zeer gezond, vooral in Januari en Februari; maar het wordt ongunstig in den warmen tijd, wanneer dan ook de bevolking naar de bergen trekt, en dat wel al van de maand Mei af.
Aan den Girnar zijn in de buurt van de tempels hôtels gebouwd, maar het schijnt dat het er niet gezond is. De weinige Europeanen, die hier wonen, gaan liever naar de zee, naar Veraval, dat vroeger een eenvoudige inschepingsplaats was voor de Mohammedanen, die zich naar Mekka begaven, en nu een stad is van meer dan 12.000 inwoners, met een spoorweg verbonden aan Junagadh en station voor de stoombooten, die geregeld dienst doen tusschen Bombay en Kathiawar.
Het paleis van den Nabab ligt in de hoofdstraat van Junagadh; daar Z. H. afwezig was, konden wij er niet worden toegelaten, ik heb er alleen van kunnen zien den mooien gevel van stuc en de terrassen; maar ik weet, dat het inwendige weelderig is ingericht, misschien wel al te modern. Het is een ongelukkige neiging van de indische vorsten, dat ze onze europeesche producten stellen boven die van hun eigen industrie. Zoo is het mooie Lal Bagh een echt anglo-indisch huis; men waardeert wel het comfort, dat men er geniet, maar de inlandsche handwerkslieden hebben niet veel verdiend aan de meubileering.
Ten noordwesten van de stad heeft het graf der eerste Nababs van Junagadh tot model gediend voor dat van de moeder van den Nabab Bahadoer Khandji, dat een uitstekend voorbeeld is van den localen bouwtrant. Het werd gebouwd door de vorstin, die de vervaardiging toevertrouwde aan een kunstenaar uit de streek. Deze had den goeden smaak zich te laten inspireeren door een oud kunstwerk; maar daar hij over groote ruimte kon beschikken, vergrootte hij zijn bouwwerk. Op een voetstuk van 38 voet in het vierkant staat een platform, waar twintig zuilen de veranda dragen, die het graf omringt. Die zuilen, rijk versierd, zijn achthoekig, met kleinere pilaren eromheen en de voetstukken zijn met het prachtigst beeldhouwwerk getooid. Al kan men misschien van eenige overlading spreken, het is toch veel aantrekkelijker, zoo naar oude tradities terug te keeren, dan te jagen naar nabootsing van vreemde architectuur, zooals uit zooveel indische gebouwen blijkt.
Naast het graf van de moeder van den Nabab vindt men een rij graven van twaalf mohammedaansche heiligen, wier namen onbekend zijn; allen broeders, naar het heet, en gesneuveld in hetzelfde gevecht.
De architecten van de graven der laatste Nababs en van den vizier hebben op hun beurt het graf van de vorstin tot voorbeeld genomen. Men treft hier overal den strijd tusschen het artistiek gevoel, dat inlandsen werk verkiest, en de aanhangers van westersche motieven.
Een mooi gebouw van moderne en westersche bestemming is het Bahauddin Arts College, gebouwd en bestemd om de herinnering aan den vizier levendig te houden. Het was kort vóór ons bezoek ingewijd door Lord Curzon. "Waar", zoo had de onderkoning gezegd, "vindt men een schitterender bewijs voor de veranderingen, die in Junagadh hebben plaats gehad, en voor zijn tegenwoordige welvaart, dan deze school, die de industrieën moet doen herleven, waar de indische kunstenaars hun roem aan te danken hebben? Het is opgetrokken bij de muren van een antiek fort in het hart van een staat, die eeuwen lang ten prooi was aan oorlog en plundering".
De reiziger wordt vooral getroffen door de groote hoeveelheid steenen, die noodig zijn geweest voor de oprichting van al die huizen van vele verdiepingen, die paleizen, bazars, alles zoo stevig en toch zoo decoratief. Men zou denken, dat steenen overvloedig zijn in Kathiawar, en dat is ook inderdaad zoo, want de menschen hebben de ruïnen eenvoudig als steengroeven gebruikt.
In 1875 zag Burgess systematisch een gebouw afbreken, en hoeveel oostersche steden zijn niet opgetrokken met de resten van hun voorgangsters!
Alle godsdiensten en alle rassen leven vriendschappelijk in Junagadh; Brahmanen, Mohammedanen en de talrijke secten, die zich alle tot de Hindoes rekenen. Onder die laatste is die van Swami Narayen in het bezit van een mooien tempel. Ik had dien van Surate gezien, en later zou ik dien van Ahmedabad nog te zien krijgen.
De secte van Swami Narayen telt een groot aantal aanhangers in Goedsjerat, waar ze zich vooral schijnt te hebben gevestigd; de stichter, een brahmaansch asceet uit Cudh, ging in 1800 ongeveer tot het Vischnoeïsme over en verliet zijn vaderland, om een eindelooze reeks van pelgrimstochten te gaan ondernemen. Hij stelde zich onder de bescherming van een goeroe of meester en woonde met hem te Ahmedabad en te Junagadh; daarna stichtte hij de nieuwe leer, gegrond op sommige leerstellingen van Krisjna. Dadelijk bij zijn komst in Goedsjerat was hij geschokt geworden door de praktijken van een visjnoeïtische secte uit de 16de eeuw, en daartegenover preekte hij een reiner leven en gaf een voorbeeld van matigheid en kuischheid. Narayen stierf in 1830. De gemeente is nog bloeiend en telt ongeveer 200.000 aanhangers, terwijl nog elk jaar nieuwe toetreden, want het is de regel, dat ieder lid zes nieuwelingen moet aanbrengen.
Evenals in elke Hindoesecte zijn er twee afdeelingen, de gezinshoofden en de bedelaars; de laatste doen een gelofte van het celibaat, dragen het gele kleed der asceten en gaan twee aan twee uit om te preeken. Aan het eind van hun tournée worden ze opgenomen in kloosters, die bij de tempels behooren. Dat van Junagadh wordt onderhouden door de leden van het genootschap, dat vooral veel aanhangers wint onder de timmerlieden, de steenhouwers en de smeden.