De monumenten van den Girnar De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
DE MONUMENTEN VAN DEN GIRNAR. [1]
Naar het Fransch van Mlle D. Menant.
Ahmedabad is een stad in Voor-Indië, die ik meermalen heb mogen bezoeken. Het eerst kwam ik er in Februari 1901 op weg naar het schiereiland Kathiawar of Goedsjerat. Ik was toen van ziekte herstellende en het was mijn eerste uitgang na het verlaten van het hospitaal te Surate, waar een ongeluk met een rijtuig, dat mij te Baroda was overkomen, mij de geheele maand Januari had vastgehouden.
Ik was naar Indië gegaan, om mijn studiën te voltooien over de Parsi-gemeenten in het Presidentschap Bombay, en mijn reis door Goedsjerat was er door afgebroken. Voordat ik die nu vervolgde, maakte ik van het verlof der geneesheeren gebruik, om de mooie tempels te gaan bewonderen op den Girnar en den Açokasteen, interessante monumenten van Hindoes en Dsjain, de secte, wier leerstellingen zooveel op die van het Hindoeïsme lijken. Die tocht was een aangename afleiding na de sombere overpeinzingen, waaraan ik mij in mijn hospitaalkamer had overgegeven.
Ahmedabad ligt 300 mijlen ten noorden van Bombay aan den spoorweg Bombay-Baroda en Centraal-Indië. Het is het kruispunt van de lijnen uit Rajpoetana, en de reizigers voor den Aboeberg, en voor Agra en Delhi veranderen er van trein.
Wij kwamen in den vroegen morgen aan in het reusachtig station, vol met inlandsche arbeiders, die in de zalen heen en weer liepen en op het perron, waar ze den nacht hadden doorgebracht, ineengedoken onder hun dekens, luidruchtig wakker werden.
Wij zouden in groote verlegenheid zijn geweest zonder de hulp van een vriend, den heer Ginwalla, die ons kwam zeggen, dat de _Travellers' Quarters_ bezet waren door de leden van de Hongersnoodcommissie en dat hij ons ten zijnent gastvrijheid aanbood, een uitnoodiging, die wij met de grootste dankbaarheid aanvaardden.
Wij konden slechts over een enkelen dag beschikken, daar we den volgenden te Rajkot werden verwacht; dus was de tijd al spoedig gevuld. De stad, die in de 15de eeuw door sultan Ahmed is gesticht, bloeide in de eerste eeuwen van haar bestaan en wordt door historieschrijvers en reizigers om het zeerst geprezen om haar citadel, haar moskeeën, haar paleizen en tuinen, waar fonteinen sprongen, en haar breede straten, waar tien rijtuigen elkaar konden passeeren in een enkele rij.
De heerschappij der Mahratten in de 17de en 18de eeuw heeft haar geen goed gedaan, en eerst onder engelschen invloed is Ahmedabad weer meer vooruitgegaan. Wij brachten het eerst een bezoek aan het fort, het grootste van geheel Indië, bijna als een stad op zich zelf. Aan den eenen kant worden de muren bespoeld door de rivier Sabarmati en aan den anderen strekt zich een wijde vlakte uit. Van de terrassen heeft men een prachtig uitzicht.
De moskee Djamé Mesdjisj was in de hoofdstraat. De nauwe ingang werd nog versperd door bedelaars, en een rondtrekkend koopman had zijn pijpen uitgestald op de treden van de trap; maar als men, na zijn schoenen te hebben uitgetrokken, binnen is gegaan, komt men in een nieuwe wereld en verdwaalt bijna tusschen de massa hooge zuilen. Vol schroom doolden wij te midden van de oostersche pracht, waarvan de bijzonderheden niet te onderscheiden waren in het halfdonker, dat met een zacht, blauwachtig waas was doortrokken. De moskee neemt den westkant in van een groot plein en heeft haar vijf koepels behouden, maar de minarets, die in 1819 bij een aardbeving zijn verwoest, zijn, jammer genoeg, niet herbouwd.
Wij zetten onze wandeling langs verlaten kloosters voort in de brandende middagzon, die op de steenen brandde, en waaraan we ons haastten te ontkomen door een poort, leidend naar het praalgraf van Ahmed. Het was een massief gebouw met een koepel, verlicht door vensters met prachtige opengewerkte kozijnen, zooals we ook elders in Goedsjerat zagen en voor welk werk de kunstenaars uit die streek beroemd waren. Op het graf worden op sommige gedenkdagen door Hindoes en Mohammedanen, getrouw aan de nagedachtenis van hun roemrijken vorst, bloemen gebracht, en op den dag van ons bezoek lagen er verwelkte rozen op het marmer. Naast den souverein slapen zijn zoons en kleinzoons, en iets verder zijn vrouwen. Door een kloostergang, een soort van gaanderij met wanden van opengewerkt marmer komt men bij de graven van de beide vrouwen Moghalaï Bibi in een sarcofaag van wit marmer, en de andere, Moerki Bibi in een prachtgraf van zwart marmer, met parelmoer ingelegd. Daar dicht bij hadden andere, minder begunstigde echtgenooten eenvoudiger rustplaatsen. Het was een bekoorlijk plekje vol licht en glans, waar de gedachte aan dood en sterven aan niets sombers verbonden was, zoo geheel anders dan bij de lijkentorens van de Parsi's en de brandstapels der Hindoes.
Tegen den avond gingen we een bezoek afleggen bij den commissioner general, den heer Lely en Mevrouw Lely. Wij vernamen, dat Mevrouw reeds vertrokken was naar de Parsifamilie, waar ook wij genoodigd waren tot het bijwonen van het huwelijk van den zoon, en onze gastheer geleidde ons toen naar de Kankariya, het kunstmatige meer op drie mijlen afstands van Ahmedabad. Alleen onmiddellijk aan het meer vindt men eenigen plantengroei, waar troepen apen ons nieuwsgierig, maar zonder wantrouwen, aangluurden.
De Kankariya is een der grootste waterréservoirs in Indië; het beslaat meer dan 62 acres en is veelhoekig, met 34 zijden, elk van 190 voet. Het werd in 1451 voltooid en is door steenen trappen omgeven met koepels op verscheiden kanten en een sluis. In het midden is een eilandje, aan den wal verbonden door een brug van 48 bogen, en met een zomerpaleis en tuin voor den onderkoning van Ahmedabad. De reizigers spreken met bewondering over de Kankariya, en reeds voor Pietro della Valle was dit het schoonste plekje ter wereld. Maar op het eind der 18de eeuw lag alles, paleis, waterleiding, sluis, in puin, en eerst in 1872 heeft de regeering zich de zaak der restauratie aangetrokken. Aan de oevers werd bosch aangeplant, en het meer werd uitgediept. Men kan er nu rondwandelen, maar de omgeving is nog allermelancholiekst. Men zou er kunnen schreien, en ten overvloede liet zich een klagende muziek hooren, terwijl ik er vertoefde.
Toen ik bij ons rijtuig terug keerde, waren mijn moeder en de vrienden aan het luisteren naar de garba's of balladen van een ouden muzikant. Dat was de oorzaak van mijn ontroering. Op den terugweg lieten wij rechts liggen de armenische en hollandsche graven, die we voor een later bezoek bewaren, en het was avond toen we thuis kwamen. De mist was dik, die ijzige mist van Ahmedabad, die zoo eigenaardig onaangenaam ruikt naar roet. Niet lang daarna traden wij een dier groote tenten binnen, die in Indië sjamiana heeten; ze was schitterend verlicht, en er was een elegante menigte bijeen, want er werd het huwelijk gevierd van een jongen Parsi.
In het midden van een tuin, waar een onmetelijk velum over was uitgespreid, werden op een estrade, half verborgen achter een gordijn van bloemen, vooral rozen en jasmijn, de kerkelijke plechtigheden voltrokken door de mobeds of priesters. Ze zongen psalmen en ter afwisseling lieten zich inlandsche en europeesche orkesten hooren. Het was een mooi gezicht. De heer en mevrouw Lely waren in gezelschap van den luitenant-gouverneur der Noordwestelijke provinciën, Sir Antony Mac Donnell. Er werd te Ahmedabad vol lof gesproken over de wijze, waarop die hooge ambtenaar zich kweet van zijn taak, de enquêtecommissie voor den hongersnood te presideeren. Den volgenden morgen al vroeg namen wij afscheid van onze vriendelijke gastheeren en vertrokken naar Kathiawar.
Dat is een vierkant schiereiland, dat in de Arabische Zee uitsteekt tusschen Katsj en de kust van Goedsjerat, en zoo genoemd is naar den stam der Kathi's, die er als kolonisten kwamen tusschen de 13de en de 15de eeuw. De Mahratten pasten den naam op het geheele schiereiland toe, en in navolging van hen doen de Europeanen dat ook.
Hoe afgelegen het ook is, toch heeft het schiereiland gedeeld in de lotgevallen van Indië. In overoude tijden stond het onder de heerschappij van Asoka en zijn opvolgers en werd door vice-gouverneurs bestuurd tot op den tijd, dat de gouverneurs zich onafhankelijk maakten. Van dien tijd af ontmoet men er zuiver hindoesche dynastieën; daarna kwamen de Mohammedanen, dan de invallen der Mahratten en eindelijk de suzereiniteit van Engeland, waarmee een nieuwe periode van orde en vooruitgang wordt geopend.
Wat landschappelijk schoon betreft, is Kathiawar zeer ongelijk; in het Westen en het Oosten vindt men er zandwoestijnen, met cactussen bedekt, waarop de bosschen van den Gir volgen, vol van klare beekjes en groene velden. In het Noorden heeft men de verlaten oorden van den Ran, dan naar den kant van het Zuidwesten het lachende land met zijn tuinen en goed bebouwde velden en eindelijk meer binnenwaarts in Sorath het massieve granietgebergte, de Girnar, welks toppen majestueus boven den staat Junagadh oprijzen. Wij begeven ons daarheen.
Tusschen Ahmedabad en Wadhwan namen we de gevolgen der droogte waar en van den ellendigen hongersnood; overal zagen we kale velden en weiden met mager vee. Wat een armoedig gezicht, die magere, stoffige buffels, die niet van hetzelfde ras lijken als onze glanzige en vette dieren der hoeven in Bandora! Nergens heeft de hongersnood wreeder sporen achtergelaten dan in Kathiawar. In 1899/1900 waren de beide oogsten, die van den herfst en die van het voorjaar mislukt, op een enkele uitzondering na, die van Palitana, en God weet, hoeveel de arme drommels, gewend om van den eenen dag op den anderen te leven, hadden geleden, te meer daar er ook gebrek aan water bij kwam, waardoor een deel der kudden verloren was gegaan. De dorpshoofden konden niet helpen. Wel stond de regeering hun aanzienlijke sommen toe, waarmee in verscheiden staten in den dadelijk en nood werd voorzien; maar tijdens de hitte brak de cholera uit en deed de sterfte op onrustbarende wijze toenemen. Volgens de statistieken verloor het schiereiland in tien jaren meer dan een zevende zijner bevolking.
Toen kwam de tweede hongersnood van 1900/1901. De moesson was slechts met veel moeite doorgekomen, en eerst in Juli was er regen gevallen, maar toen zoo hevig, dat hij in plaats van zachtkens in den grond te dringen, het gezaaide had vernield, terwijl de regen in het najaar totaal was weggebleven, en er tot overmaat van ramp een koortsepidemie uitbrak. Zulk een staat van zaken heeft intusschen niets abnormaals; de lijst der hongersnooden is lang in Kathiawar, vanaf dien van 1559, den eersten, waaraan de herinnering is bewaard gebleven.
Te Wadhwan moesten we van trein veranderen voor Rajkot; reizigers, ossen, karren, bagage, alle krioelen in vreeselijke wanorde dooreen. Daar ontdekte ik het vriendelijke gezicht van Dr. Thakordass Kikhabhai Dalal. Nu behoefde ik mij niet meer om de dingen te bekommeren, want nu was alles geregeld en in orde.
Ik ben tweemaal te Wadhwan geweest; de eerste maal slechts enkele uren; maar de indrukken van die bezoeken vat ik hier samen. Allereerst die van het zoogenaamde kamp, waar de engelsche dienst is georganiseerd. Er wordt daar een belangrijke markt gehouden, en men vindt er kantoren van de regeering, een hospitaal, een gevangenis en een mooien klokketoren. Ook dient gelet op de interessante school, waar de zoons van de kleine grondeigenaars worden opgevoed. Die bezitters of girasia's vormen een talrijke en weinig ontwikkelde klasse en zij is vaak overgeleverd aan inhalige en onwetende intendanten. In hun belang werd in 1881 door kolonel Stace deze school gesticht, waar het onderwijs de leerlingen brengt tot het toelatingsexamen voor de universiteit van Bombay en waar veel tijd aan lichaamsoefeningen wordt besteed. De jongelui hebben er ieder een eigen kamer en worden door hun eigen bedienden bediend; ze mogen paarden houden, als ze willen. De school staat onder rechtstreeksch engelsch toezicht. De resultaten waren in het begin gering, want er kwamen haast geen leerlingen, en eerst op den duur leerden de ouders inzien, dat de stichters gelijk hadden en dat het veel waard was, in het land grondbezitters te krijgen die hun land tot zijn recht konden doen komen.
Het ernstigste bezwaar leverde het vrouwelijke element der gezinnen op, dat er zich tegen verzette dat de jongens het ouderlijk huis zouden verlaten, om door Westerlingen te worden opgevoed. De tegenstand is van dien kant nu nog zoo sterk, dat ik girasia's ken, die liever hun land hebben willen verlaten, om hun zoons te kunnen opvoeden naar hun eigen smaak.
Maar veel girasia's blijven niet wonen op hun goederen, maar bekleeden bestuursambten. Wij zullen weldra te Rajkot bemerken, dat die scholen deel uitmaken van een uitgebreid stelsel van onderwijs, dat alle standen omvat.
De stad ligt drie mijlen van het engelsche "kamp", en is omringd door versterkingen bij het paleis van het hoofd.
De enkele oogenblikken, die ik met Dr. Thakordass doorbracht, werden prettig gevuld met het bespreken van onze reis door Kathiawar en met eer te doen aan een lunch van uitgelezen Hindoesche gerechten, dat ons in een wachtkamer werd voorgezet.
Weer zaten we in den trein, nu niet meer aan de groote lijn, hetgeen we gauw genoeg bespeurden aan het langzame rijden. Het land zag er nog even verlaten uit. Hier en daar zagen beesten den trein met verbazing passeeren. Plotseling werd er tusschen Mull en Dholia gestopt; er was iets niet in orde met de machine en er moest een andere worden gehaald van het naburig station. De tijd verliep; de zon daalde langzaam achter den horizon met roode tinten de lucht en de vlakte overgietend; binnen enkele oogenblikken zal het donker wezen en reeds verschijnen de sterren. Zal men nu eindelijk weggaan? Ja, daar is de locomotief, en we rijden snel om den verloren tijd in te halen.... Toen ik te Rajkot uitstapte, waaide er een ijskoude wind. Het station was slecht verlicht, en bijna kon ik in de schemering de groep personen niet herkennen, bij wie ik was aanbevolen en die tot de notabele Parsi's uit de plaats behoorden. Ze begroetten ons met oostersche beleefdheid en verzochten, dat wij ons gedurende ons verblijf in Rajkot geheel als hun gasten zouden beschouwen. Geen middel om die uitnoodiging af te slaan! Dus moesten we bedanken voor de gastvrijheid, die de heeren Kincaid en Seddon ons aanboden vanwege den Political-Agent, luitenant-kolonel W. F. Kennedy.
Na in het halfduister gezocht te hebben naar onze bagage te midden van karren en afgespannen ossen, die lui bleven liggen, stapte ik eindelijk in een rijtuig met mijn moeder en mijn secretaris en daar reden we in den donkeren mist naar de Travellers' Quarters. Een tusschen de boomen schitterend licht leidde ons naar een groot gebouw, waar de hôtelier, een Portugees uit Goa, ons een welverdiend diner voorzette, zooals hem was opgedragen door onze Parsi-vrienden.
Den daarop volgenden dag begaf ik mij te voet naar het Residentiegebouw, dat maar een paar minuten van het hôtel was verwijderd, waardoor ik ook hier het "kamp" in oogenschouw kon nemen, dat het mooiste en grootste is van Kathiawar. Breede wegen tusschen prachtige boomen waren omzoomd door aardige villa's. Alle openbare diensten zijn goed gehuisvest, zoowel de post als de telegraaf, de douane en het politiecommissariaat. De inlandsche vorsten droegen ijverig bij in de kosten.
Mijne eenzame wandeling was een genot. Het was zachter weêr geworden, al bleef het koel en de zon scheen. Het klimaat van Rajkot moet gezond zijn voor de Europeanen.
Na het ontbijt kwamen onze Parsi's ons voor een bezoek aan de stad afhalen. Rajkot aan de oevers van de Aji is omringd door versterkingen en door een weg met het engelsche gedeelte verbonden. Vergeleken bij andere plaatsen in Kathiawar, is het zindelijk en de steenen huizen zijn stevig genoeg, om een beleg te doorstaan. Gezien van af de Kaiser-i-Hind, de groote brug over de Aji, ziet het er schilderachtig uit. Toen wij er door gingen, staken de torens en muren af tegen een helderen hemel, en de rivier stroomde kalm over haar rotsachtige bedding; maar in den regentijd wordt het een bruisend water, dat tegen de stadsmuren slaat. De brug heeft dan ook niet minder dan 16 bogen.
Aan de oude, slechte gebruiken van de Rajpoeten, o. a. aan den kindermoord op kinderen van het vrouwelijk geslacht, heeft het engelsch bestuur het eerst in Rajkot een eind gemaakt. Toen Dr. Wilson er in 1835 kwam, was het plaatselijk hoofd juist de moordenaar van zijn dochter geweest. Sir J. P. Willoughby deed de oude reglementen van kolonel Walker uit 1807 herleven en had zich aan de spits gesteld van een humanitaire beweging, waardoor hij de hoofden van de Jadeja's had overgehaald, zich schriftelijk te verbinden, die gewoonte niet meer te volgen, er geen vergunning voor te geven en straf op te leggen aan diegenen, die het bevel overtraden. Die maatregel heeft de gewoonte in het geheele schiereiland uitgeroeid.
De Parsi's zijn niet talrijk in Kathiawar, zoo ongeveer een duizendtal zijn er; zij zijn niet de afstammelingen van de eerste groep emigranten, die in de 7de eeuw uit Perzië uitweken en vijftien jaren lang gevestigd waren te Diu, voordat ze aan de westkust van Goedsjerat kwamen. Diegenen, die nu te Diu wonen, kunnen zelfs niet op die afkomst bogen. Eerst op het eind der 18de eeuw kwamen Parsi's uit Surate zich voor zaken vestigen in Kathiawar. Een der eerste was Koyajee Cuverjee, een rijke koopman in parels en edelgesteenten, grootvader van den tegenwoordigen leider der gemeente; hij stierf jong, na veel te hebben gereisd; hij was in Engeland geweest met zijn zoon, die later gouverneur werd van de jonge prinsen te Baroda. Het tegenwoordige hoofd der gemeente, de heer Koyajee, een bekend advocaat, is diwan of eerste minister geweest in den staat Dhrangadra.
De Parsi's zijn in de meeste gevallen winkeliers; maar soms hebben zij een betrekking bij de Agency, en enkelen van hen worden ministers in inboorlingenstaten. Te Rajkot hebben ze zich gevestigd, toen de Engelschen er hun "kamp" hebben gesticht. Zij bezitten er een agyari of vuurtempel, gebouwd in 1875 en die bediend wordt door drie priesters, verder een school en een hôtel. Het was een groot genoegen voor ons, onder die beminnelijke menschen te vertoeven. Ik was uitgenoodigd, de plechtigheid der inwijding van een nieuwen toren des zwijgens bij te wonen; maar tot mijn grooten spijt hadden omstandigheden mij te Bombay doen blijven. De Toren van het Zwijgen is, naar men weet, het ronde gebouw, waarin de Parsi's hun dooden brengen op een platform, waar ze een prooi der gieren worden...
Daar er geen dooden waren, mochten wij naderen en zelfs werd de deur voor ons geopend. De Parsi's maakten hier nog gebruik van het kerkhof sedert hun vestiging aan deze plaats, maar dat was voor hen een wreede noodzakelijkheid. Inderdaad heeft elke kolonie van Parsi's een tempel, waar het heilige vuur wordt onderhouden en een toren, waar de dooden worden neergelegd. Het bezoek aan het kerkhof wekte mijn levendige belangstelling, want het was het eerste, dat ik in Indië zag; enkele met koepels gekroonde gebouwen wezen de plaats van verscheiden graven aan.
Na een gezellige lunch bij de heeren Kincaid en Seddon gingen we naar Rajkumar College, het mooiste gebouw uit het kamp, groot en met twee vleugels, ieder met twintig kamers voor de leerlingen, en de villa voor den directeur en den onderdirecteur.
Alles was omringd door een muur van zes voet hoog. Achter de vleugels zijn de keukens, de stallen voor de paarden der leerlingen, de tuinen en de bijgebouwen.
De engelsche vlag, teeken van Engelands suzereiniteit over de kleine staten van Kathiawar, staat op het centrale paviljoen. Feitelijk gelijkt de school zoowel op een kasteel als op een kazerne. Deze stichting beantwoordt aan een ernstige behoefte, zooals de geschiedenis leert.
Omstreeks 1842 was de onwetendheid in Kathiawar nog ontzettend groot. Weinig hoofden konden schrijven; hun agenten en secretarissen kenden er juist zooveel van, om de zaken slecht te leiden. De regeering besloot toen, pandits of geletterden te beloonen voor onderwijs, dat zij aan het volk zouden geven. De zendelingen van hun kant openden enkele klassen voor jongere en oudere leerlingen, en toen de belangstelling eenmaal gewekt was, werden de vorsten er toe gebracht, scholen te stichten, waar zoowel Engelsch als de landstalen werden onderwezen.
Het kostte moeite, de vorsten over te halen, hun paleizen te verlaten en aan het openbare leven deel te nemen. Toen de eerste universiteiten werden geopend, sprak Lord Canning zijn hoop uit, dat de adel en de hoogere standen hun plicht zouden inzien, om hun kinderen hooger onderwijs te verstrekken. Maar de hoofden en de leiders hechtten in het geheel geen waarde aan het onderwijs; zij wenschten dat niet voor hun kroost en weigerden, de kinderen naar scholen te zenden in sociale besmetting. Dus werd het dringend noodig, eigen scholen op te richten voor de zoons van den adel. Kolonel Keatinge begon zich daarmee ernstig bezig te houden en beproefde de hoofden te overtuigen van het belang, dat in de zaak gelegen was, maar hem viel niet de eer te beurt der oprichting. Kolonel Anderson vatte de taak op en had succes.
In 1670 werd het College gesticht door de hoofden in de provincie, onder de auspiciën van de regeering. Charles Macnaghten was de eerste leider en bleef 26 jaar directeur der onderneming. De eerste leerling was Takore Sahib uit Bhaunagar, en de anderen volgden spoedig. Het was nog een veelbewogen tijd, en elken avond werd de wacht betrokken vóór de vertrekken der prinsen.
De ouders konden niet meer protesteeren, nu de leiding der zaak in hun handen was en de kinderen met huns gelijken samen waren.
Op Rajkumar College worden inderdaad alleen toegelaten Patvi kumars, Fantaya kumars en Bhayats. De eerste zijn vermoedelijke erfgenamen, die altijd verwend worden door de ministers van hun vaders, omdat ze in hen de toekomstige heerschers zien, die gevleid moeten worden als uitdeelers van gunsten en gaven. De tweede, een jongere zoon, is minder in aanzien, want voor hem is slechts een saghir weggelegd, dat is het inkomen van bepaalde goederen, al heeft hij uit materiëel oogpunt genoeg, om te studeeren en te reizen. De Bhayat behoort tot de zijlinies der familie en heeft een niet juist benijbare positie, en men kan gerust zeggen, dat het in Indië niet altijd een voordeel is, tot een vorstelijke familie te behooren.
Dat waren en dat zijn nog de jongelieden, die door de edelmoedige mannen, onder wier leiding ze zijn gesteld, moeten worden opgevoed, verzacht en onder tucht gebracht, opdat ze zullen worden tot mannen, die geen geleerden zijn, maar energieke hoofden, verlicht en goed in staat, hun gebied te administreeren.
Voor den jeugdigen prins is er een groot verschil tusschen het leven, dat hij thuis in het vaderlijk paleis leidde en dat, hetwelk hij leidt in het College, waar hij niet langer meester en gebieder is, maar moet gehoorzamen en een soldaat is onder velen.
Reeds om zes uur in den morgen stijgt hij te paard, om aan de oefeningen deel te nemen en daarna volgen de lessen, die behalve Engelsch, de wiskunde, de algebra, aardrijkskunde, geschiedenis en de taal van Goedsjerat, het Goedsjeratti, omvatten. Onder de leeraren zijn evenveel Engelschen als inlanders. Tusschen de lessen worden ijverig spelen beoefend, tennis, cricket, voetbal en golf.
De hall, waar de directeur, de heer Waddington, ons ontving, werd door groote vensters verlicht en aan de wanden hingen de portretten van indische vorsten naast die van koningin Victoria en de hertog en hertogin van Connaught. Wij bezochten de klassen, waar op dat oogenblik geen leerlingen in waren, maar op de zwarte borden stonden nog de sporen van het pas gedane werk. Op ons verzoek liet de directeur den jongen nabab van Sachin roepen, en wij konden hem de groeten brengen van zijn broers, die we onlangs te Surate hadden gesproken.