Chapter 5
Uit mijn kindertijd herinner ik mij dikwijls te hebben hooren vertellen van eene vrouw die door haar huwelijk haar stille ouderlijke woning in het bosch had moeten verwisselen voor de onvermijdelijke drukte van eene uitgebreide huishouding in een groote stad. Die verandering speet haar zeer, tot zij op den inval kwam om elken morgen, een half uur lang, alleen stil te gaan zitten met een groenen doek over haar hoofd. Op die wijze droomde zij, dat zij weer in de stille éenzaamheid van haar bosch zat en verzamelde zij hare gedachten genoegzaam om daarna kalm en gelijkmatig de bemoeiingen van den dag tegen te gaan.
Indien ieder van ons haar eigen groenen doek had, zouden wij niet zoo licht geprikkeld en prikkelend zijn; wij zouden dan niet de gejaagde, ongedurige, onbeduidende slaven der vormen en gebruiken wezen, die wij nu maar al te vaak zijn!
Van welken aard nu dit beschermende omhulsel werd,--dit zou voor een gedeelte door het toeval worden beslist, maar soms ook zoude juist het eigenaardige karakter blijken van ieder die zulk een haven zocht uit de keuze van dat stille plekje, en van den doek.
In roomsch-katholieke landen kan men zulk een rustig toevluchtsoord vinden onder ieder kerkgewelf. Geleund tegen de pilaren van een gothischen tempel, kan men te midden eener drukke wereldstad, droomen in een verafgelegen bosch te zijn--hoewel Nietzsche gelijk heeft als hij zegt, dat modern denkende menschen aan een geheel nieuwe architectuur, als lijst voor hunne overpeinzingen, de voorkeur zouden geven.
Voor velen schept de muziek eene verrukkelijke eenzaamheid, vooral wanneer die thuis genoten wordt en niet in het publiek, waar zoo vele verscheidene indrukken afleiding geven en waar ons gemoed nauwelijks de wanklanken uit het dagelijksch leven begint te vergeten, als dat akelige handgeklap er ons op nieuw aan komt herinneren. Want een bewijs te geven van gevoel voor het schoone, door volkomen stille zijn--dit wacht nog op een meer veredelden staat van fijne beschaving, dan waarop wij in onze eeuw bogen kunnen!
Voor anderen is misschien zulk een rustig gesprek met het eigen gemoed te vinden in een museum van kunstvoorwerpen, of onder het lezen van een uitmuntend boek, een oud boek vooral, waarover nu geen besprekingen meer de ronde doen. En in de groote steden bereiden de openlijke leesinrichtingen den boekenvrienden het vredige stille plekje, waarnaar zij tehuis dikwijls te vergeefs hadden uitgezien.
Maar de stilte die het gemakkelijkste verkregen wordt is toch die in de natuur. Nu gaan de meesten echter niet naar buiten om daar alleen te zwijgen, of om er te zwijgen met een vriend--deze grootste en fijnste toets van echte vriendschap. Integendeel, zij zoeken er eenige kennissen, met wie zij de vraagstukken van den dag kunnen bespreken; en als zij zich dan warm en moe geredeneerd hebben, keeren zij naar huis terug, niet van een stille plaats maar uit nieuwe drukte.
Och, zij hebben hunne ziel niet gemaakt tot een kalmen spiegel voor de indrukken der schoone natuur; neen, deze is op de bewogen golven blijven zweven, waar het niet mogelijk is een duidelijk en helder lichtbeeld op te nemen.
Wie inderdaad in de natuur de éenzaamheid zoekt, moet leeren om van zeer nabij die grootsche natuur gade te slaan; zich oefenen in het uit het hart verwijderen van alle onbeduidende indrukken, om hierdoor de degelijke niet te verhinderen er in door te dringen; eene kunst waarin de wijsgeerige Montaigne ons menige behartenswaardige les gegeven heeft. "Wij overvoeren ons gemoed met te veel verschillende dingen tegelijk" zeide hij, reeds voor driehonderd jaren geleden. "Wij moeten onzen geest oefenen om enkele dingen vluchtig te zien, andere beter te monsteren; maar eigenlijk in ons opnemen moeten wij alleen die woorden, voorwerpen of gedachten die met onze eigene overeenstemmen, die op denzelfden grond zijn gebouwd als deze, zoodat zij ons, als het ware, zelf raken. Want ons gemoed behoort eigenlijk alleen van eigen middelen te leven.... Nu zijn wij allen, althans de meesten van ons, rijker begaafd dan wij zelf denken; maar wij worden er bij opgevoed om van anderen te leenen, om eens anders goed liever te gebruiken dan eigen goed...." Dat wij zoo zelden tot de kennismaking met onze lang niet geringe middelen komen, is het gevolg ervan, dat wij slechts bij uitzondering, ons met hart en ziel wijden aan hetgeen wij hebben ondernomen.
"Als ik dans," zegt Montaigne, "dan dans ik; als ik slaap dan slaap ik; als ik alleen wandel in een mooien tuin en ik betrap mijne gedachten op afwegen, dan breng ik ze dadelijk weer terug naar den tuin, tot het genot der éenzaamheid en tot mijzelf."
Dit opzettelijk streven om aan elke daad en aan alles wat wij zijn, ons persoonlijk geheel te geven en zoodoende uit elken toestand den geheelen inhoud te persen, is in een ruimen zin belangrijk voor elke ontwikkeling; zoowel voor ons vermogen om te denken en te arbeiden, als om te genieten en te rusten.
Maar het is een eigenaardig teeken van onzen tijd steeds een nog sterker graad van zenuwspanning te verlangen om zich geheel aan het oogenblik te kunnen geven.
Daarom is ook sport de groote aantrekkingskracht geworden, die de menschen naar buiten lokt; maar niet om te rusten en kalmte te zoeken. Integendeel, de wedstrijden op elk gebied en het "africhten" daarvoor, heeft zelfs de beweging in de vrije frissche lucht tot een koorts, tot een nieuwen vorm van jagen en stormen, gemaakt. Sport kan voorzeker een middel zijn om veel van de natuur te genieten, om spoediger buiten te komen. De riemen waarmede men tusschen de begroeide oevers eener rivier voortglijdt; de sneeuwschoenen waarop men diep in de winterstilte van het bosch doordringt; het rijwiel dat zijn eigenaar vlug naar nieuwe plantsoenen, of naar landelijke eenzaamheid overbrengt; deze en nog verscheidene andere dingen die tot vermaak en nut beoefend worden, als zeilen, rijden en zwemmen, brengen inderdaad bij velen eene hartelijke vereeniging met de natuur tot stand.
Maar de roeier of de ruiter, de schaatsenrijder of de cyklist, die aan elken indruk van een schoon landschap voorbijvliegt in dolle woede om zich te bekwamen tot mededingen in den wedstrijd, komt door zijne voorliefde tot beweging in de buitenlucht hoe langer hoe verder buiten de natuur en buiten zichzelf. Dit soort van sport ontwikkelt alleen het lichaam maar niet den geest. Men zal binnen korten tijd geheel vergeten hebben, dat er een eenvoudiger manier bestaat om van de natuur te genieten: er van te genieten met lichaam en ziel, tot nut en genoegen voor beide.
Als wij de meisjestype aan het einde onzer eeuw--dat is te zeggen, eene jonge dame die geen uitstapje naar buiten maakt anders dan op haar rijwiel of schaatsen, met het tennis-racket, òf een roeispaan in de hand,--vergelijkt met het jonge meisjestype van het einde der vorige eeuw, dan valt die vergelijking niet bepaald gunstig voor onze dagen uit. Ik denk hierbij onwillekeurig aan de beminnelijke vriendin van Goethe, de jonge Bettina Brentano, die als een ree van het buitenleven genoot; die de hoogste bergen beklom om zich daar in het gouden zonnelicht te baden; die zich niet ontzag om door wind en regen te loopen, of een onweersbui te laten overtrekken, staande onder een bloeiende linde, tusschen wier bladeren zij witte bliksemstralen flikkeren zag; die aan het strand lag, door kabbelende golven omstuwd; of hoog op de takken zat van een reusachtigen kastanjeboom, te midden van groen licht en groene schaduwen; of op het grasperk van den grooten tuin, uitgestrekt, zich vergastte aan de geuren van mos, taxus en roode anjelieren, zelfs met een paar bloeiende heestertakjes in den mond, om de nijvere bij tot zich te lokken; die op avonden als de maan scheen, tusschen de hagen van den wijngaard, onder de doorschijnende, lichtgroene trossen wandelde, en soms den geheelen zomernacht buiten bleef, insluimerend onder het nachtlied van merels en nachtegalen, om niet eer dan door het morgenlicht te worden gewekt....
Behalve deze dichterlijke wijze om van het buitenleven te genieten is er ook nog de natuur-wetenschappelijke, die echter evenzoo als de eerste, tamelijk naar den achtergrond wordt gedrongen door sport. Van dit gezichtspunt beschouwd is het aangenamer knapen tegen te komen een kruiden-doos aan een band om den hals dragende, dan knapen op rijwielen.
Van welken aard de reeds vroeg ontwikkelde zucht naar kennismaking met de natuur wezen moge, altijd verschaft dit onderzoek den beoefenaar dezer wetenschap een zekere vertrouwelijkheid met de natuur, een vriendschappelijke, hartelijke genegenheid, die onmogelijk kan ontstaan tusschen de natuur en een, haar op zijne velocipède voorbijvliegend, sportliefhebber.
Wat eenigszins vergoelijkend omtrent deze type van de tegenwoordige jeugd werkt, is het feit, dat velen, die door geen ander middel naar buiten gelokt zouden worden, nu ten minste, dank zij sport, eenig vermoeden van de schoonheid der natuur ontvangen en dat die oefeningen van heden--nadat de overdrijving hare offers zal hebben ontvangen--zullen bijdragen tot de ontwikkeling van eene lichamelijk--gezonder en krachtiger generatie, die dan waarschijnlijk beter dan ons tegenwoordig geslacht, bestand wezen zal tegen vermoeienis; die op eene edeler wijze het natuurgenot zal smaken en wier kernspreuk zal zijn "sport te gebruiken als niet misbruikende."
Het gewone dagelijksche rust-uurtje, dat de meesten van ons met een ernstigen wil kunnen vinden, vervangt intusschen niet de diepe stilte, die eene wandeling vroeg in den morgen, of het zich terugtrekken naar een verborgen plekje van de aarde,--zoo mogelijk in een vreemd land en aan de grenzen der beschaafde wereld gelegen--in staat is ons te bieden. Maar voor de meeste hoofden van huisgezinnen is het gemakkelijker gezegd dan gedaan, zulk een schuilhoekje te vinden. Zelfs de alleenstaande en hierdoor meer onafhankelijke mensch, heeft vaak een groote mate van ernst in zijne behoefte aan éenzaamheid en veel wilskracht om andere, minder noodzakelijke dingen te laten, noodig, als hij er toe komen zal een paar weken van volkomen ongestoorde rust te kunnen genieten. Daarenboven wordt het verlangen naar afzondering van een lid van het huisgezin dikwijls tegengewerkt door het vooroordeel, dat de éenzaamheid een erg soort van égoïsme vertegenwoordigt. Want de meesten die de groote winst van eene tijdelijke afzondering voor henzelve inzien,--begrijpen nog niet hoezeer hun huisgezin hierdoor tegelijkertijd wordt gebaat.
Een korte scheiding heeft namelijk een buitengewone macht om ons nadenken te wekken en hierdoor ons beter verstaan en ons gevoel van billijkheid. Wij komen er gemakkelijker toe met een helder oog de belangrijke dingen in ons op te nemen en de kleinigheden tot hare wezenlijke onbeduidendheid terug te leiden, als wij een poos van elkander af zijn. Het eenzame overleg ontwart soms met vlugge hand de meest ingewikkelde draden en het alleenzijn geeft vaak aan onze blijdschap een vroolijker, aan onze smart een minder droevige tint. Volbrengt men den een of anderen arbeid alleen zittende, dan valt die bijna altijd oneindig beter uit, dan wanneer anderen erbij tegenwoordig zijn. De boeken die men leest en overpeinst in het dichte bosch; met de eeuwigschoone sneeuw vóor zich, of op de bloeiende heide, onder het geruisch van eik en den, verschaffen den rijksten oogst aan denkbeelden; en de indrukken der natuur die men onder zulke rustpoozen in zich opneemt, zijn krachtiger en langer van duur dan andere. Want men geeft zich nimmer zoo geheel en al aan de natuur als wanneer zulke éenzame dagen een parelsnoer vormen, waarvan een dag tamelijk gelijk is aan den anderen, maar waarvan toch elke dag op zichzelf een afgerond geheel vormt, en een aangenaam geheel ook.
Zij die tegen het alleenzijn opzien omdat zij vreezen zich dan nog meer eenzaam en verlaten te gevoelen hebben in zekeren zin gelijk en ongelijk. Want juist van menschen omringd, kan het gebeuren dat men door de omstandigheden, of door zijn bijzondere stemming, mijlenver van hen verwijderd is; in de door menschen bevolkte woestijn hangt, meer dan elders, zwaarmoedigheid in de lucht. Maar tegenover de natuur en den dood--de grootste eenzaamheid en de onwrikbaarste noodzakelijkheid--worden wij gedwongen afstand te doen, niet alleen van de bezorgingen en drukten van den dag, maar ook van de bezorgdheid omtrent ons lot en leven. De grondlijnen waarop ons wezen gebouwd is worden breeder, maar de vertakkingen dier lijnen worden minder duidelijk zichtbaar, evenzoo als dit het geval is met een landschap dat men van een aanzienlijke hoogte af, in de diepte ziet liggen. Het meer of minder aan lief en leed, waarmede het leven onze dagen vult; het meer of minder belangrijke werk dat aan ons bestaan inhoud gaf--tot dit alles keeren wij van zulke eenzame overpeinzingen terug met een zachten, medelijdenden glimlach.
Het valt ons nu niet meer zoo moeilijk het doove oor te keeren naar die stemmen, welke ons trachten mede te voeren in de beslommeringen van den dag en die ons trachten wijs te maken dat wij daarbij hoognoodig zijn. Wij worden nu minder hevig ontroerd door de pijnlijke kreten uit ons eigen gemoed opgaande, dan door die van onze medemenschen. Want wij hebben het leeren inzien, dat de grootste smart niets meer is dan een druppeltje in den grooten oceaan, evenzoo als het grootste geluk slechts het vluchtig licht is, dat zulk een kleine druppel doet glinsteren.
De ziel, die in stilte en eenzaamheid den moed vond om tot zichzelf in te keeren en haar eigen kracht te meten, weet, dat er slechts éen groote en wezenlijk belangrijke taak ons leven beheerscht: grooter te worden. En dat doel kunnen wij bereiken in onze smart en onze vreugde, in onze dwaasheid en in ons verstand. Groeien kunnen wij door onze nederlagen, zoowel als door onze overwinningen; door onze rust, zoowel als door onzen arbeid.
Toch is het hem of haar die de éenzaamheid zoekt aanteraden dit te doen, zonder een bepaalden eisch aan dat "stille zijn" vooraf te laten gaan. Want het gebeurt vaak, dat die afzondering juist iets geheel anders oplevert dan men verwacht had. Hij die rust zocht, vindt allicht een nieuwen prikkel tot arbeiden; hem die hoopte troost te vinden, kan zij nieuwe wonden slaan. Hoe het zij: de éenzaamheid schenkt toch altijd moed- en krachtbesef waarvan men zich niet bewust was. Maar alleen hij kan hiervan nut trekken die weet, wat de overigens tamelijk luchthartige Romeinen reeds wisten:
Dat de Éenzaamheid eene godin is wier geheiligde bosschen geen sterveling nadert met grootspraak, maar met een nederige bede op de lippen en van wie men met rijke gaven bedeeld terugkeert, indien men de taal harer ernstige oogen heeft leeren verstaan, die ons 't geheim van het éene noodige verraden:
"Stille zijn in eigen hart."
DE VROUW DER TOEKOMST.
Er zijn woorden die ons aantrekken als een lied. Een dezer woorden is: "De vrouw der toekomst."
Dit lied klinkt voor mij als de poézie van een Dichter, van een Dichter en Ziener tegelijk; van éen, wiens naam thans schittert in het licht der morgenster, maar die, toen hij in het land der levenden verkeerde, dien naam hoorde door het slijk sleuren--als de naam van den godsloochenaar en oproerkraaier--terwijl de lichtstralen van zijn genius op de vooroordeelen zijner tijdgenooten werkten als angstwekkende bliksemflitsen,--uit de verte.
Zijn profetische dichtergeest liet hem een blik slaan in een tijd waarin de vrouw zoude zijn:
".... frank, beautiful and kind As the free heaven, which rains fresh light and dew On the wide earth.... From customs evil taint exempt and pure; Speaking the wisdom once they could not think, Looking emotions once they feared to feel, And, changed to all which once they dared not be Yet being now, made earth like heaven...." [2].
Dit visioen der vrouw in de toekomst, door Shelley in zulke schoone omtrekken geschetst, zweefde mij voor den geest, toen ik mij voornam haar beeld in eenige meer vaste trekken te schilderen.
Zeer waarschijnlijk zal de Sturm-und-Drang-tijd der vrouwen en de hiermede samenhangende sociale hervorming, tot ver in de volgende eeuw aanhouden. Dit tijdperk, vervuld met twistvragen en botsingen van allerhande soort, zal niet eer eindigen, dan wanneer de vrouw, in en buiten het huwelijk, voor de wet gelijkstelling met den man zal hebben verkregen; wanneer zulk eene herschepping in de samenleving zal hebben plaats gegrepen, dat hierdoor aan de hatelijke mededinging tusschen de beide seksen op eene, voor beide partijen bevredigende wijze, een einde werd gemaakt; en wanneer de arbeid, zoowel het bedrijf tot eigen onderhoud als de arbeid in de huishouding, minder zwaar op de vrouw zal drukken dan op heden het geval is.
Het is best mogelijk dat eerst tegen het laatst der twintigste eeuw het vrouwentype onzer dagen tot het onhoudbare zal zijn gestegen en een nieuw type der vrouw uit dien toestand zal geboren worden. Mijn idéaal der toekomstige vrouw--en als men zich in een droombeeld verdiept mag men zeer ver dwalen in het rijk der fantasie!--is, dat zij zal worden een wezen van groote tegenstrijdigheden die tot een harmonisch akkoord worden vereenigd. Zij zal zich doen kennen als zeer veelzijdig, maar tevens als een gesloten geheel; als een rijke schat en volmaakte eenvoud; als een zeer beschaafd, flink ontwikkeld wezen en toch oorspronkelijk; als eene sterk sprekende, echt menschelijke persoonlijkheid en eene volkomen openbaring van het innig vrouwelijke.
Deze vrouw zal in staat zijn den ernst van den arbeid op wetenschappelijk gebied te verstaan in een streng onderzoek naar de waarheid, in een vrijen gedachtenloop, in een artistieke schepping.
Zij zal de noodzakelijkheid inzien van de wetten der natuur en de daardoor te voorschijn geroepene ontwikkelingen; zij zal bij een sterk gevoel van solidariteit belang stellen in hetgeen dient tot het algemeene nut.
Omdat zij meer weet en helderder denkt dan de vrouw in onze dagen, zal zij ook rechtvaardiger oordeelen; omdat zij krachtiger is zal zij beter zijn; omdat zij verstandiger is, zal zij zachtzinniger wezen. Zij kan de dingen breeder opvatten, ze in den samenhang met het groot geheel beschouwen; het gevolg hiervan is, dat zij langzamerhand verscheidene vooroordeelen, die men heden vrouwelijke deugden noemt, laat varen.
Zij is en blijft de ontwerpster der zeden, die zij adelt. Maar daarbij steunt zij niet op de in de samenleving nu eenmaal gebruikelijke vormen, maar op de wetten en geboden in eigen hart.
Zij heeft den moed haar eigen gedachten over menig vraagstuk te hebben; ook dien om de nieuwe denkbeelden van haar tijd ernstig te onderzoeken en te toetsen. Zij durft niet alleen te kennen, maar ook te bekennen--gewaarwordingen die zij thans onderdrukt of verbergt. Hare volkomen vrijheid van beweging en veelzijdige ontwikkeling als zelfstandig persoon, maken voor haar moeilijke ondernemingen mogelijk, het wilskrachtig streven naar een bestaan, dat in evenredigheid tot haar eigen kunnen blijken zal een hooger doel te beoogen: Een zoodanig doel zal zij met een scherper instinct dan zij nu bezit, weten te vinden. Zij heeft geleerd beter te werken, krachtiger zich te verblijden over eenvoudige, voor de hand liggende onderwerpen en op haar tijd behoorlijk en volkomen te rusten, beter dan de vrouw in onze dagen dit kan.
Op deze wijze wordt het levensbewustzijn der nieuwe vrouw verhoogd; hare ervaring wint aan diepte; haar gemoedsleven, haar zin voor het schoone, haar talenten worden ontwikkeld en fijner beschaafd. Zij wordt allengs meer gevoelig voor indrukken; zij voelt en gevoelt levendiger en smaakt meer genot maar lijdt ook meer en heviger smart, dan de vrouw van heden genieten en lijden kan.
Ten gevolge van dit alles zal de vrouw der toekomst de waarde verhoogen der onderlinge samenleving, de waarde van de kunst, van wetenschap en letterkunde.
Maar de grootste beteekenis op het gebied der cultuur zal toch voor haar altijd daarin bestaan, dat zij door het raadselachtige en oorspronkelijke, het profetische en voor indrukken gevoelige in haar wezen, het menschdom beschermt tegen het ernstige gevaar van overbeschaving.
Tegenover hetgeen wij weten kunnen stelt zij eerlijk datgene wat ons nog niet is geopenbaard; tegenover verstandig redeneeren--het gevoel; tegenover de nuchtere werkelijkheid, mogelijkheden; en tegenover de ontleding, haar indruk van 't geheel.
Het is in de eerste plaats het streven der vrouw, om het hart te veredelen--dat van den man, het verstand te ontwikkelen; aan haar, het gebied der poézie te verwijden--aan hem meer ruimte te verwerven voor de vruchten van geest en vernuft. Zij vertegenwoordigt en verheft de teederheid--hij de rechtvaardigheid. Hij behaalt menige overwinning door overmoedigheid--zij door moed.
De vrouw der toekomst zal niet alleen veel hebben geleerd, zij zal ook zeer veel hebben vergeten, vooral van de hedendaagsche feministische en antifeministische dwaasheden.
Zij zal met alles wat in haar is trachten het geluk der liefde te vinden en te verhoogen.
Zij is kuisch, niet omdat zij koel, maar omdat zij hartstochtelijk is. Zij is teer, niet omdat zij bleek is, maar omdat zij zooveel en zoo warm stroomend bloed in hare aderen heeft. Zij is geestdriftig en daarom ook zinnelijk; zij is trotsch en daarom eerlijk, oprecht en waarheidslievend. Zij eischt een sterke liefde, omdat zij zich bewust is zelve nog onverdeelder en met een nog grooter liefde te kunnen beminnen. Het erotische problema is door haar verfijnd idéalisme vaak zeer geheimzinnig en moeilijk op te lossen.
Hier tegenover staat, dat het geluk der liefde, als zij deze eenmaal schenkt en gevoelt, rijker, dieper en waarachtiger is, dan alles wat men ooit geluk had genoemd; eene nog ongekende zaligheid.
Het is niet onmogelijk, het is zelfs te verwachten, dat een aantal hoedanigheden en trekjes die onzen echtgenooten en huismoeders eigen zijn, bij de vrouw der toekomst te vergeefs zullen worden gezocht.
De eerstgenoemde wil altijd de geliefde blijven en alleen als de zoodanige wil zij moeder worden. Aan den grootschen maar moeilijken plicht om geliefde en moeder te gelijkertijd te zijn wijdt de laatste haar beste krachten; het wordt haar godsdienst, om met alles wat in haar is, 's levens genot tot zaligheid te verheffen. Juist omdat zij de groote voorrechten van schoonheid en gezondheid kent en op hoogen prijs stelt, op geestelijk en lichamelijk gebied, zal zij met meer ernst en door een dieper gevoel van verantwoordelijkheid geleid worden, bij de keuze van den vader harer kinderen. Zij zal aan gezonde, krachtige menschen het leven geven en dezen naar haar beste weten voeden, verzorgen, opvoeden, en daarbij zal zij zelf hare bekoorlijkheid en hare jeugd langer behouden dan de vrouw in onze dagen.
Zij wil haar geheele leven door behagen, omdat het altijd haar wensch is het leven schoon en aantrekkelijk te maken. Maar zij wenscht alleen te behagen door op elken leeftijd zich te toonen zooals zij, daarmede in overeenstemming, is; haar hoogste bekoorlijkheid, hare eeuwige jeugd, openbaart zij uitsluitend aan hem dien zij bemint. Zij weet dat de bekoorlijkheid des geestes de diepste gevoelens opwekt en uit de volheid van haar rijk gemoed put zij bestendige hernieuwing van die bevalligheid; telkens onverwacht en in, tot het oneindige afwisselende, schakeeringen van hare persoonlijke gratie.
Eenvoudig door haar bijzijn verjaagt zij de dwaze en zinledige vormen, den dwang der gewoonten en vervangt deze door van haar oorspronkelijk uitgaande en door haar zielenadel verfijnde, manieren en uitingen, zoowel in de samenleving als in het huisgezin, en in den vertrouwelijken vriendenkring.
Waarschijnlijk zal zij veel minder redeneeren dan de vrouw in onze dagen, maar haar stilzwijgen en haar glimlach zal welsprekender zijn, dan lange voordrachten en debatten in de vergaderingen door de hedendaagsche vrouwenbeweging belegd.