De moedige vrouw

Chapter 4

Chapter 43,748 wordsPublic domain

Dit verklaart hoe het gevoel van schuld, in den christelijken zin, moet ophouden wanneer de menschen niet langer copiën vormen van hun voorbeeld: den Christus. Toch ligt hierin volstrekt geen aanleiding tot bandeloosheid. De vrijheid in denken en handelen van den individualist onderscheidt zich van teugelloosheid, evenzoo als de krachtsvertooningen van den atleet, verschillend zijn van de luchtsprongen en duikelpartijtjes onzer kinderen. De eerstgenoemde heeft zijne vrijheid met groote inspanning en na ernstig worstelen, gewonnen. Maar tot belooning is ook zijne vrijheid edeler, vertrouwbaarder, "natuurlijker" zelfs, dan die "vanzelf ontstaande." Het menschdom nadert op deze wijze een ander tijdperk van onschuld; het herwint een Paradijs, waar Adam en Eva zich mogen verzadigen aan de vruchten van den boom der kennis van goed en kwaad--en daarbij kalm kunnen bouwen en wonen onder den boom des levens, aangezien de strenge wachter bij de poort van Eden, glimlachend, zijn zwaard, waarmede hij alleen uit de verte gedreigd had, aan hunne voeten heeft neergelegd.

Wanneer eenmaal het grondbeginsel der persoonlijke vrijheid geheel tot ons zal zijn doorgedrongen; wanneer het zal zijn vleesch van ons vleesch en bloed van ons bloed, dan zullen ouders en opvoeders er evenzoo ijverig naar streven oorspronkelijke wezens te vormen, als zij tegenwoordig trachten zedelijke menschen op te voeden. Een volkomen "zoet kind", zal dan een even zoo onaangenaam en treurig gezicht opleveren als een mismaakt schepsel. Men moet bij een kind vooral zijn natuurlijke wilskracht beschermen, maar deze trachten op te leiden voor de groote taak, een beschaafd mensch te worden, zijne bijdrage te leveren, tot de algemeene cultuur in de wereld der menschheid.

En de wilskracht van het kind kan bewaard blijven als het zijne neigingen en hartstochten mag behouden, maar daarbij leert--uit eerbied voor den mensch die in hem leeft,--den tijger te temmen en den aap te tuchtigen--die ook in hem leven.

Daarom kan met de opvoeding van het kind niet te vroeg worden begonnen; reeds aan de borst der moeder moet daarmede een aanvang worden gemaakt; en dan moet zij worden voortgezet in eene lijnrechte tegenstelling met de tegenwoordig gevolgde methode.

In de opvoeding mag niets verplichtend worden geacht, dan het verwerven van die eenvoudige kundigheden, die, als het ware, mes en vork bij den feestmaaltijd der wetenschap vertegenwoordigen. Later zal deze hun worden aangeboden, ieder persoonlijk, volgens een menu van uitgezochte, krachtige spijzen, waaruit door oordeelkundige opvoeders voor elk der kinderen eene keuze zal worden gedaan, overeenkomstig ieders aard en gestel. Na eenige generaties van aldus opgevoede individualisten zal men eerst in staat zijn te begrijpen, wat de gedachte der persoonlijke vrijheid van de menschelijke natuur maken kan.

Het was natuurlijk te verwachten, dat deze idée, in een geheel onvoorbereid geslacht tot handeling omgezet, een aantal afschrikkende gevolgen zoude vertoonen. Zijn eigen ik te believen; zijn eigen leven te leven; gehoorzaam te zijn aan zijn temperament--deze roepstemmen werden, gericht tot in leeftijd en gemoed onrijpe menschen, of tot dezulken voor wie alleen de zinnelijkheid beteekenis en inhoud aan hun bestaan geeft, vaak misbruikte wachtwoorden.

Voor sterke, levendig gevoelende persoonlijkheden, werd de verzoeking van een anderen aard, om gesteund door den in een dieperen zin waren levensregel: "Alle Schaffenden sind hart", ruwheid en hardvochtigheid te verdedigen; zelfgenoegzaamheid of koelheid, listen en driften uit zijne bloedsmenging voortkomende, te gaan beschouwen als een belangrijk gedeelte van hunne persoonlijkheid; een woeste grond, die niet mag worden ontgonnen, maar die er, in tegendeel, voor bewaard worden moet misschien zijn oorspronkelijke wilskracht te verliezen, of zijne scheppings- en daadkracht te dòen verminderen.

Deze beide soorten van zichzelf verheffende menschen, maken nu gebruik van Nietzsche, als den verdediger hunner teugelloosheid, of laagheid, van hunne zelfzucht en hun gemis aan ontzag voor anderen. Van alle dingen kan misbruik gemaakt worden; waartoe heeft het christendom al niet tot voorwendsel gediend!? Nietzsche had een voorgevoel van hetgeen hem te wachten stond, toen hij een doornenhaag rondom zijn tuin liet zetten, opdat het vee daar niet in zou kunnen dringen!

Voor iederen ernstigen lezer van Nietzsche is het, ondanks zijne onbewust elkander tegensprekende gezegden en zijne met opzet gebruikte paradoxen, toch zeer duidelijk wat een zijner biografen zegt: dat de grondgedachte waarop Nietzsche zijne stellingen heeft gebouwd:--dat ieder persoonlijk met geheel de kracht van zijn lichaam en geest, met inspanning van al zijne gaven en vermogens, moet streven naar veredeling, en daarnaar, éenmaal het hoogste punt der menschelijke volmaking te bereiken,--dat die gedachte niet alleen het individu, maar het geheele menschdom ten goede zal komen en dat zij dus geen zelfzuchtig maar wel degelijk een altruïstisch doel beoogt. En hoe Nietzsche zelf zijne leer van den veredelden mensch in practijk heeft gebracht, hieromtrent weten wij nu althans zooveel, dat het voor goed uit moest zijn met dat onzinnig gepraat over Nietzsche als den profeet der teugelloosheid; over hem, die uit zijnen aard en aanleg bezield was met eene onwrikbare liefde voor de waarheid, met eene bijzondere neiging voor beleefde en waardige vormen in de samenleving; met een groote behoefte aan vriendschap en sympathie; met eene opgewektheid, die hem onder de eenvoudigste omstandigheden vroolijk en tevreden deed zijn; met eene zelfstandigheid, die hem leerde anderen te ontzien; met een zeldzame gave om zichzelf te beheerschen!

De zedeleer van het christendom was hem tot een tweede natuur geworden; zijn gevoel voor alles wat schoon is en welluidt, maakte iedere leelijke of ruwe handeling voor hem tot een onmogelijkheid.

Al misbruiken de "gewone menschen" uit onwetendheid de leer van dezen Meester, toch zal dit misbruik op den langen duur niet veel kwaad doen. Want vroeg of laat komen dezen toch in botsing met de grens hunner eigen persoonlijkheid: de individualiteit van anderen. De ruwe, koele, zelfgenoegzame zal hierom ten laatste alleen staan; tegelijk daalt hiermede zijne persoonlijkheid en tevens de waarde van zijne betrekking in de maatschappij, waarvoor hij zijne ruwe wilskracht had willen bewaren. De zinnelijke, laagstaande mensch ontmoet zijn tuchtmeester in den tegenstand der samenleving en van dien der op een hooger standpunt van beschaving gekomene, enkele personen in zijn kring.

Ook de aanhanger der nieuwe zedenleer komt niet eer tot zijn recht dan wanneer hij dit kan verwerven, door zijne persoonlijke rechten te bewijzen. Hij moet hierom vooruit goed de kosten van zijn proces berekenen en wel weten wat hij waagt, wat hij wil. En in dien strijd tusschen de samenleving en den afzonderlijken persoon; bij deze moeilijkheden voor den ontwikkelden mensch, om zich op het juiste standpunt te plaatsen, ligt het tegengif tegen de gevaren, die anders zoo licht het gevolg zijn van den--allezins gewettigden--eisch, eener grootere zedelijke vrijheid voor de hoogerstaanden, een beperkter grens voor de lagerstaanden, op de ladder der beschaving.

De gewettigde zelfzucht van alle anderen vormt een dam tegen de onbillijke--of misschien ook wel gewettigde--zelfzucht van den afzonderlijken persoon. Reeds het kind leert soms reeds in zijn prille jeugd de wijze kennen waarop men een lid der groote maatschappij wordt: het ondervindt al spoedig dat het niet aangaat, onzen zin te volgen ten koste van eens anders onbehagen. En tegenover de volwassenen, die deze les als kind niet hebben geleerd, heeft de maatschappij het recht--zoolang als zij er de macht voor heeft--met nadruk de hand te leggen op eene zelfverheffing ten nadeele van die van anderen. Een bijzonder ontwikkeld mensch kan dus niet zonder strijden en worstelen, zijn eisch voor de persoonlijke vrijheid verwezenlijkt zien en niet eer dan wanneer het hem gelukt is den wensch om ook van die vrijheid te genieten bij de meerderheid op te wekken. Eerst dan, en niet eer, wordt de wet, of het aangenomen gebruik dat den alleenstaanden persoon verhinderde zich als een vrij mensch te gedragen, herzien.

Maar in de meeste gevallen is de individualist, wanneer het hem maar goed duidelijk is, wat zijn werkelijk belang eischt, niet onwillig om zijne gehoorzaamheid aan de wetten der zamenleving te toonen en deze op te houden; hij weet maar al te goed dat hij, zonder deze, genoodzaakt worden zou, zijne krachten te verspillen tot zijn verdediging tegen het ruwe geweld en op die wijze slechts onvoldoende aan de ontwikkeling van zijn eigenlijke persoonlijkheid zou kunnen werken. Indien een individualist zin en gevoel heeft voor harmonie, dan zal hij ook spoedig verstaan, dat niet de ruwe maar de veredelde kracht de sterkste is; dat niet de ruwe ijzerstaaf, maar het geplette stalen lint dat men om den vinger kan winden, de uitdrukking is voor de eigenaardige kracht van het metaal. Wilskracht bij de teederste aandoeningen; edele uitdrukkingen ook bij de geweldigste ontboezeming van kracht; zich niet ontzien om tot de meest gewaagde gevolgtrekkingen door te dringen, waar het een heilige verborgenheid geldt--maar zachtzinnigheid jegens elk wezen dat zwak is en lijdt--ziedaar de groote kracht van den harmonisch ontwikkelden, persoonlijk vrijen, mensch. En een zoodanig persoon vermorst geen enkelen druppel van den nectar, die hem uit den beker van een ander, even rijk individu wordt aangeboden. In tegendeel, voorzichtig brengt hij dien beker aan zijne lippen en ledigt hem met den plechtigen eerbied eener heilige ceremonie. Zulk een ontwikkeld individualist kan--voor zoover hij niet tevens anarchist is--alleen in opstand komen tegen de hooge mate van dwang, door de wachters der maatschappij, die toch het recht van allen moeten beschermen, toegepast. Het ligt in de rede dat over dit onderwerp de zienswijze der persoonlijk vrije menschen verschillend wezen moet. Laat ons hiervan een voorbeeld opnoemen: ik veronderstel, dat de meeste individualisten het recht der Regeering erkennen om hem, die de godsdienstige bijeenkomsten van anderen stoort, te straffen; maar volstrekt niet het recht om iemand tot zekere kerkelijke handelingen te dwingen. Zeker, ook de individualist oordeelt strenge straf noodig, op het plegen van geweld, of verleiding der onschuld; maar toch acht hij eene ontwikkelde vrouw volkomen gerechtigd zich aan eene ernstige liefde over te geven in vrijheid.

Velen zien verlangend uit naar eene wet die de rechten van het kind tegenover zijne ouders waarborgt; een ander wenscht weder het tot stand komen eener wet, die elk huwelijk, waarbij eene treurige nakomelingschap met zekerheid is vooruit te zien, verbiedt.

Zulke wetten zouden eene grens bepalen tegen de misdadige lichtzinnigheid waarmede--in en buiten het huwelijk--nieuwe wezens tot de smart van een ziekelijk, ongelukkig bestaan, worden veroordeeld. Intusschen rekent een ontwikkeld individualist het niet tot deze lichtzinnige daden, als eene beschaafde, ernstig denkende vrouw, volkomen bewust en met opgewekt gevoel van verantwoordelijkheid, het moederworden verkiest buiten het wettige huwelijk. Ten opzichte der rechten van een derden persoon erkennen vele vrienden der persoonlijke vrijheid het nut van den wettigen vorm bij een huwelijk; toch verwerpen zij beslist elken vorm, die de eene partij het recht over den andere toekent en de vrijheid om het huwelijk te ontbinden hinderend in den weg staat.

Hoe meer de persoonlijkheid ontwikkeld wordt, des te veelzijdiger zal ook het liefdeleven zich ontwikkelen. Voor de bescherming van het kind zal de toekomst ook wel voorzien in een matriarchaat, b. v. er voor zorgen, dat elke moeder, gedurende een zeker aantal jaren, op het onderhoud van haar kind door den staat rekenen kan.

Toegegeven dat de eer en de goede naam van ieder persoon dient gevrijwaard te worden tegen misbruik der pers; toch mag er geen woord blijven staan van een stuk, dat gebruikt zou kunnen worden als een wapen tegen de vrijheid van onderzoek, tegen de vrije uiting op het gebied van letterkunde en wetenschap.

Sommigen willen aan de Regeering niet alleen de macht geven het leven der enkele personen te beschermen, maar hare macht vergrooten tot het beletten van al de moorden uit de tweede hand, die door de hedendaagsche industrie worden begaan. Anderen daarentegen gaan uit van den stelregel, dat ieder mensch de vrije beschikking heeft over zijn eigen leven en dat hij, hieraan een einde makend, niet laf op de vlucht slaande, maar wel en ernstig overlegd, onder bijzondere omstandigheden, eene zedelijk te rechtvaardigen handeling begaat.

Tot bescherming van het leven in onze dagen van opgezweepten arbeid en onophoudelijk produceeren, is éen rustdag in de week nuttig en noodig; deze moet door de Regeering voor alle soorten van arbeiders worden bevolen en gehandhaafd. Maar het gaat niet aan, voor de Regeering om zich te bemoeien met de wijze waarop ieder blieft van dien rustdag gebruik te maken--en het voegt haar vooral niet dit te doen in den vorm van gedwongen godsdienstoefeningen. Eene wet die de zwakken verhindert hun leven te bederven door 't gebruik van sterken drank, kan goed zijn; maar deze mag niet zoover gaan, te eischen dat degenen die dezen tuchtmeester niet noodig hebben omdat zij zichzelf en hunne neigingen kunnen beheerschen, terwille van die zwakken, onder een zeer overvloedig dwangmiddel zullen lijden. De zwakken op te voeden door hen te wijzen op het voorbeeld der sterken--dit is de rechte wijze om deze en dergelijke kwesties op te lossen.

Als de maatschappij innig doordrongen was van deze waarheid, dan zou de taak der wetgeving moeilijker, maar ook veel belangrijker, worden. De hoogst ontwikkelden zouden dan niet hunne vrijheid opofferen en evenmin de ontwikkeling der lagerstaanden tegenwerken door middeleeuwschen dwang.

Hierin de juiste maat te houden is moeilijk maar niet onmogelijk. Niemand die ernstig denkt acht de persoonlijke vrijheid het doel te zijn der beschaving, maar het middel om tot dit doel te geraken.

De vrijheid houdt voortdurend gelijken tred met de ontwikkeling, zoodat hoe verder men vordert op den weg van ontwikkeling men ook van meer vrijheid geniet; en wederkeerig wordt door die vrijheid de beschaving bevorderd.

De dienst van de industrie, de aanbidding van het kapitaal, zijn de grootste vijanden der persoonlijke vrijheid. Al acht daarom de individualist eene wet die aan dit misbruik paal en perk kan zetten gewenscht, toch keurt hij de gedachte aan een ander misbruik--het geheel op te doen gaan en op te offeren voor het algemeen--zooals de socialen dit eischen--grootelijks af.

Wat beteekent het toch, dat men onder voorwendsel van de algemeene zedelijkheid te bevorderen, de plichten jegens den naaste boven de plichten jegens onszelf zet; dat het christendom verlangt, dat wij alle menschen als onze broeders en zusters zullen liefhebben, even hartelijk en allen gelijk? Dit is een dwang dien men aan het beginsel der vrije keuze heeft opgelegd.

Voor den voorstander der persoonlijke vrijheid is de vraag wat iemand gelooft van weinig beteekenis; ook de vraag wat hij doet beduidt niets; op de vraag wat hij is komt het aan.

Hoe hooger men stijgt in het besef zijner eigene waarde des te krachtiger lid gevoelt men zich in de samenleving: het wel en wee der anderen treedt ons nader; het wordt als het onze. Een persoon behoeft nu niet langer te worstelen om een plekje grond waarop hij vrij kan opgroeien; hij gunt aan anderen diezelfde ruimte, want immers alle boomen vormen een gedeelte van zijn eigen bosch. Hij doet daarbij de heerlijke ondervinding op, dat ons groote levensdoel is: de ontwikkeling van onze persoonlijke vrijheid, en die van anderen, te bevorderen en haar te verdedigen, des noods ten koste van ons leven.

Maar al overwinnen wij, zoowel vrouwen als mannen, den zedelijken dwang; en al stellen wij de vrije persoonlijkheid ook ten opzichte van ons zedelijk leven daarvoor in de plaats--toch blijft er een groot en ernstig bewustzijn van overwegend belang in alle vraagstukken des levens, ons bij: de wet der noodzakelijkheid.

"Alles wat er gebeurt is een gevolg der noodzakelijkheid; doe daarom wat ge kunt en verdraag dan alles wat ge lijden moet." Dit groote woord van Schopenhauer is het eerste gebod op onze steenen tafelen der wet gegrift.

Niets kon anders gaan dan het ging en niets kan ongedaan worden gemaakt.

De gevolgen mijner daden, voor zoover deze uit mijn karakter zijn voortgekomen, vormen mijn noodlot.

Alles in mijn wezen en alles in mijn werk verbindt mij met onverbreekbare schakels aan het groot geheel van het leven; aan de ongekende diepten, waaruit ik als een golf word opgeheven, om als deze voort te zwemmen op de levenszee, te stijgen en te dalen. Maar onder dat rijzen en dalen van die golf, maakt haar eigen beweging en haar eigen vorming haar tot hetgeen zij is.

Het heerlijk bewustzijn van mensch te zijn, kan mij goddelijk maken onder het oog der eeuwige kracht waarvan ik ben éen der golven, die de zee vormen: de groote oceaan des levens, die grooter en krachtiger is dan de golven.

RUST.

Het woord van Geyer over het genot, dat de herinnering aan den weg, die even buiten zijne ouderlijke woning doodliep hem schonk, wekt bij ons, menschen aan het einde eener eeuw staande, een gevoel van afgunst ten opzichte van de gelukkigen, die vroeger eeuwen mochten eindigen en voor wie het Paradijs toen nog bestond.

Want voor onze verbeelding is het Paradijs niet langer een met allerhande boomen--vooral appelboomen--beplante lusthof, omringd door een witten muur met gouden poorten. Wij vormen er ons eene voorstelling van, uit louter ontkenningen saamgesteld: de weg loopt niet verder door, dan tot aan de hekken van het Paradijs; van een telefoon heeft men er zelfs geen flauw vermoeden; de brievenpost komt er hoogstens éenmaal per week en van stoomboot of spoorweg is, mijlen ver in den omtrek, geen sprake.

Welnu, zulk een Eden heb ik gevonden. Maar ik vertel u niet waar het ligt. Dan zouden andere menschen van het moderne gedeelte der maatschappij er misschien ook den weg heen vinden en dan was--het Paradijs verloren! Want dat aan een eerste uitgaaf hiervan geen onverdeeld succès te beurt gevallen is, dit was voorzeker niet de schuld van de slang, al trachten een aantal menschen zich met die gedachte te troosten....

In mijn Eden ontbreekt niet alleen alles wat er niet behoort te wezen, maar men vindt er alles wat men er behoort en verlangt te zien. Blauwe, met sneeuwranden omzoomde rotsen en veruitgestrekte, met bosch beplante hoogten vormen in schoone lijnen een muur rondom den lusthof. Een breede, groenachtig zwarte, gedeeltelijk met wit mos bekleede bergspleet, maakt den weg door den muur vrij voor het oog en voor de verbeeldingskracht; en heldere meertjes of binnenzeeën geven aan het donkere boschrijke landschap een paar groote blinkende oogen. Glinsterende berken en bloeiende linden geuren in de zomerzon, die slechts voor enkele uren achter den horizont verdwijnt; die de koornaren als in 't geheim laat rijpen en aan de bloemen meer geur en krachtiger tinten geeft. Boven de met mos bekleede rotsbergen glijden over dag de blauwe wolkjes, vlug als schimmen er tegen uitkomende, voorbij. Maar de avond verspreidt over bergen en rotsen de vele paarsche en violet-schakeeringen van topasen en ametisten; het lichte blauw der opalen en de diepdonkere blauwheid van de zee; de schakeering van het appelbloesem--teeder kleurtje tot het donkerrood van den wijn. Eindelijk treden de donkere, zacht verdeelde omtrekken van den rotsberg, in eigenaardig émailleblauw tegen den goudkleurigen achtergrond van de lucht afstekende, te voorschijn. Deze blijft den geheelen nacht door lichtgeel getint, tot die kleuren ongemerkt overgaan in het morgenlicht.

In deze ochtendure, waarin de natuur vol kleuren en licht, in groote lijnen en ruime vèr-gezichten tot ons spreekt, wordt het menschenhart ontroerd door het bedwelmende gevoel van eenzaamheid en stilte. Het heeft niets gemeen met de blijdschap over een eigen welgelukte schepping, maar het heeft zijne bijzondere aantrekkelijkheid, zijne eigenaardige kracht. Terwijl het van het noodlot afhangt om ons dien beker van genot al of niet aan de lippen te brengen--niet van onzen wil--hangt het alleen van onszelf af, of wij van de plechtige eenzaamheid wenschen te genieten; of wij ons hart willen laten uitrusten, onze gedachten verruimen in die groote stilte; volop genieten, in een grootsche natuur met rustige, schoone en breede lijnen.

Maar niet altijd is het hart van den mensch van heden tot rusten in staat. Het leeft in onrust--smacht naar kalmte--en schuwt de stilte als eene ziekte, nog erger dan de nevrose waarvoor zij het geneesmiddel wezen zou. De vrouw uit onze dagen vreest eigenlijk niets met een grootere vreeze, dan om alleen te worden gelaten,--alleen met hare eigene gedachten, want dit maakt haar zooals zij het noemt, droefgeestig. Eigenlijk beteekent dit eenvoudig, dat zij er in die uren bepaald toe gedwongen wordt den ernst van haar bestaan onder de oogen te zien, of ook den ernst des levens in het groot geheel te beschouwen; een gevoel waaraan haar geest zich zou kunnen verheffen. Maar juist dit wil zij niet. Met kracht onderdrukt zij den drang van haar gemoed om zich op te richten tot edeler aspiraties, door hoe langer hoe meer toe te geven aan hare behoefte aan een oppervlakkig, versplinterd, leven. Hoezeer deze behoefte voor uiterlijk vertoon in onze dagen algemeen is, dit ziet men duidelijk op het gebied, waar ook de gewone, alledaagsche vrouw voorheen, in zekeren zin, hare gedachten op éen punt trachtte te bepalen, op dat van den godsdienst. Het type der geloovige vrouw is tegenwoordig niet meer zij die "als zij bidt in hare binnenkamer gaat en de deur achter zich sluit"; maar zij heeft bazuinen en theekransjes noodig om tot het besef te komen, dat zij eene vrome vrouw is, vol van den heiligen geest des geloofs.

De ongedurige menschen van het laatst dezer eeuw genieten zelfs niet van de rust als deze hun ten deel valt. Vooral met de vrouw is het zoo gesteld; hoe meer de tijd en gelegenheid tot rusten en stille zitten haar ontbreken, des te meer verliest zij het talent om van die enkele haar geboden gelegenheid gebruik te maken. Hoe menigvuldiger zij genoodzaakt is om in het openbaar indrukken op te nemen, die zich aan haar opdringen, des te meer acht zij het noodig, dat hare polsen met eene koortsachtige snelheid blijven jagen, om er zich van te overtuigen dat zij leeft.

Dieper gevoelende naturen erkennen met leedwezen dat zij hoe langer zoo meer verloren gaan met haren rijken aanleg, in dien maalstroom des levens; in het gedrang van de uit alle oorden samenstroomende, overweldigende onderwerpen; onder den druk van de eischen onzer moderne samenleving.

Zulke karakters krijgen niet zelden hallucinaties van een stille, groene kloostergaarde; of van eene, in het dichte bosch verscholen, kluizenaarswoning; van de eenzame uren op hooge rotsbergen, of op de golven der groote, wijde zee, in éenzaamheid doorgebracht. Maar doorgaans is aan hare behoefte aan éenzaamheid reeds voldaan, door zich in deze voorstellingen te verdiepen; zij verzuimen dan ook in den regel gebruik te maken van de gelegenheid, als deze zich voordoet, om een dergelijke oase in de woestijn te scheppen; een stil plekje, afgezonderd van het rumoer der wereld. Wie inderdaad een smachtend verlangen koestert naar éenzaamheid, heeft in de meeste omstandigheden wel gelegenheid, die op de eene of andere manier te vinden.