Chapter 3
Is dan niet juist de lafheid boosaardig? Wordt er niet vaak grooten moed vereischt om vriendelijk te zijn en goed? Is niet vrijheid de éenige voorwaarde om tot echte humaniteit te geraken? Dringt het besef van onafhankelijke vrijheid niet onwillekeurig tot edelmoedigheid jegens anderen die niet vrij zijn? Gaat geduld niet samen met moed? [1] Moest niet de prediker van onbaatzuchtige naastenliefde juist in den dood gaan omdat hij den moed bezat alleen te staan en geen partij rondom hem te vormen; den moed om zichzelf te zijn; de banden waarin zijn tijd geboeid lag te verbreken; den moed te gelooven in de vrijheid?!
Daarom is er in het goddelijk gebod, aan anderen te doen wat wij zouden wenschen dat anderen ons deden, niets dat strijdt tegen het betoonen van moed. In tegendeel. In dit gebod ligt--uit een ander gezichtspunt--eeuwig dezelfde schoone gedachte als in de vermaning van den Helleen:
"Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid en dat vrijheid is: moed!"
VRIJHEID.
Ueber der Pforte unserer Zeit steht: "Verwerthe Dich!"
Max Stirner.
"Persoonlijke vrijheid"--deze uitdrukking is bijna tot een algemeen wachtwoord gemaakt, hoewel slechts enkelen begrijpen welke beteekenis in het woord ligt. Hoevelen weten inderdaad wat er vereischt wordt om dag aan dag, jaar na jaar, den inhoud er van te verwezenlijken? Hoevelen hebben er hunne nachtrust aan opgeofferd, aan het peinzen over wat zijn of haar eigen ik beteekent, en hoe die persoonlijkheid inderdaad als zoodanig hare taak zal volbrengen in de maatschappij?
Zichzelf persoonlijk vrijmaken--dat is onder anderen een voortdurend luisteren naar de tonen in ons gemoed om te trachten den grondtoon te ontdekken. En heeft men dien gevonden, dan eischt het streven naar 't bereiken van persoonlijke vrijheid, dat men met open oog zoekt naar de behoeften van geest en hart, en daaraan tracht te gemoed te komen. Dat men zich op de juiste wijze vormt en zijne ontwikkeling met ernst in de hand neemt; dat men luistert naar de stem van eigen ervaring in het leven; zijne eigene gewoonten, voor zoover daar eenigen zin in ligt, veredelt en dus zijne eigenaardige oorspronkelijkheid kweekt en krachtiger doet worden. En ook dat men daarentegen zooveel mogelijk de herinneringen, studies en gewoonten die hinderend onze persoonlijke ontwikkeling in den weg kunnen staan, ter zijde zet en het vermijdt om met deze in aanraking te komen. De neiging tot individualiteit uit zich--evenzoo als elke andere belangrijke neiging--aanvankelijk als eene kracht tot zelfverdediging jegens allen en alles wat inbreuk daarop zou kunnen maken, dien drang zou willen beperken. De geboren individualist heeft reeds in de kinderkamer en op de schoolbank een eigen keuze gedaan met het oog op zijn speelgoed, zijne boeken, zijne wijze van leeren, zijne vrienden. Reeds vroeg heeft hij den moed gehad zijn eigen smart en vreugde, zijn eigen smaak en zijne fouten, ronduit te toonen. Hij heeft die niet laten verwringen, verkleuren en afronden door anderen, of door de omstandigheden. In zijne jeugd is men zelden in de gelegenheid om zijn gevoel van persoonlijkheid in daden uit te drukken. Maar juist om die reden doet zich de geboren individualist in die jaren kennen als een "Jantje contrari" en wordt dus een alles behalve aangenaam kind in den huiselijken kring. Laat echter eerst de tijd tot handelen komen! Dan heeft hij zijn karakter middelerwijle genoeg geoefend om te begrijpen: wanneer hij iets kan en mag wagen, en wanneer het geraden is stil toe te zien; wanneer hij fier het hoofd kan opheffen, of zich moet voegen naar anderen; wanneer hij moet afwachten of een besluit nemen; inhoever hij met anderen kan meêgaan en inhoever dit meêgaan ontrouw aan zichzelf zoude worden.
Maar al deze dingen vormen nog slechts oefeningen en dressuur voor den grooten veldslag, die gewonnen moet worden, zal men de persoonlijke vrijheid veroveren. Die oorlog wordt gevoerd in de geheimzinnige wereld van mijn binnenste, als het om de oprechtheid mijner gevoelens, de eerlijkheid mijner toekomst-droomen te doen is; als het mijne twijfelingen en mijn geloof, mijne voorgevoelens en opwellingen van het oogenblik geldt. Dan wordt er een scherp oog vereischt om alles, wat mijn eigendom is in den vollen zin van het woord, op te delven uit die schemerachtige diepte, die men het menschelijk hart noemt; en een scherp gehoor is er noodig om die zachte, bedeesde stemmen te verstaan, die de tolken van ons zieleleven zijn, maar die helaas vaak worden overstemd door overgeërfde, aangeleerde gewoonten en oppervlakkigheid. Ons verstandig ik brengt maar al te dikwijls ons beter, ons warmgevoelend ik tot zwijgen. Wij verwisselen al te licht de kreet van den hartstocht, met den zucht van innig verlangen die uit onzen boezem opstijgt. Wij houden vaak de weerspiegeling van doode denkbeelden, voor echte teekenen van leven. Hoe menigmaal verloochenen wij onze overtuiging en noemen dit "ontzag en eerbied voor de meening van anderen"; en hoe menigmaal klampen wij ons vast aan verouderde en versleten gewoonten en noemen dit vastheid van karakter. Hoe laf! Is er wel een duidelijker bewijs noodig dat het ons ontbreekt aan moed?
Nu beteekenen alle vrijheden ter wereld bedroefd weinig, vergeleken bij de verlossing uit den persoonlijken dwang en alle andere onderdrukkingen verdwijnen in het niet bij die van de persoonlijke vrijheid. Het komt er in de eerste plaats op aan of onze persoonlijkheid krachtig genoeg ontwikkeld is om hare eigene boeien te verbreken, want dàn heeft zij voorzeker ruimschoots de kracht die vereischt wordt om alle andere hinderpalen te overwinnen. Iemand, bezield met den drang om altijd en geheel zich zelf te zijn; te leven met elke bloedstrooming; uitdrukking te geven aan wat er in zijn binnenste omgaat--zoo iemand zal wel geen rustig, maar altijd een rijk leven leiden. Voor hem is het leven een lied; want hij dicht het zelf onder de dagelijksche bezigheden en de bedwelming van gewichtige oogenblikken; onder jaren van leed en gedurende het kortstondig, maar heerlijk genot van alles wat hem gelukkig maakt. Hij weet, dat het beste wat hij anderen geven kan, tevens het hoogste genot voor hemzelf oplevert: het leven te vervullen van altijd echte--en als het mogelijk is ook krachtige en schoone, uitingen zijner persoonlijkheid.
Op deze wijze geeft hij, voor zichzelf en voor anderen, een vernieuwde waarde aan het leven, en tevens nieuwe, prikkelende aanmoediging ten leven. Hij verruimt, naar de mate zijner gaven, zijn plekje van het aardsch bestaan; hij overwint op zijn eigenaardige wijze de moeilijkheden waarmede het verouderde en gestorven verleden, het levend heden in den weg treedt.
Een zelfbewust persoon in den echten diepen zin van het woord, verlangt van anderen eenvoudig vrijheid voor zijne persoonlijke gevoelens en daden. Daarom hebben haat noch spot, waardeering noch miskenning, de macht hem van zijn weg te doen afwijken of zijne innerlijke harmonie te verstoren, zoolang hij getrouw blijft aan zijn eigen pathos; die trouw is voor hem alles--godsdienst en zedelijke wet. Die getrouwheid geeft moed om af te dalen tot in de diepte van zijn eigen hart--moed om de gevolgen van hetgeen hij daar ontdekt te dragen--zelfs ook al zoude het eigen belang er door winnen dat men tijdelijk zijn gevoelen of zijne plannen opofferde. En zij geeft ons nog een anderen moed: dien, om desnoods de achting onzer medemenschen te kunnen missen. Dit toch is de éenige voorwaarde om ten allen tijde onze achting voor onszelf te behouden; wij moeten deze maar al te dikwijls prijs geven als het er ons om te doen is den bijval der wereld te veroveren. Om al deze redenen noemen wij een individu alleen dan persoonlijk sterk en vrij, als hij niet langer vreest de achting van iemand te verliezen behalve zijne eigene.
Het gebeurt niet zelden dat zulk eene kracht de overwinning behaalt over de algemeene stemming die een flink karakter zich genoodzaakt zag te trotseeren. Want die stemming wijkt--even als andere wilde beesten--terug voor een moedig oog, terwijl zij den lafhartig vluchtende vervolgt en verscheurt.
Nu moge het vreemd klinken, maar een individualist die zich gedwongen ziet alleen zijn weg te gaan heeft desniettemin daarbij altijd een goed geleide; niet van de menschen die nu leven, maar van hen die komen zullen.
De groote menigte heeft nog zeer weinig doorgedacht over de beteekenis van de uitdrukking "persoonlijke vrijheid". Voor velen roept dit woord de voorstelling op van--om iets te noemen--een heer, die zijn dag begint met zijne voeten op de ontbijttafel te leggen en dien eindigt met de vrouw van zijn vriend te verleiden, daartusschen-in een meineed gezworen, een wissel vervalscht, een sluipmoord begaan, heeft. Maar ook degenen wier verbeeldingskracht een minder hooge vlucht neemt, vereenigen toch aan de gedachte van "vrijheid des persoons" de voorstelling van onbeperkte vrijheid voor iedereen, om zijne driften en neigingen te volgen.
Wie het onderwerp ernstig beschouwt, zal weldra tot de overtuiging komen dat onze driften juist niet het persoonlijke, het algemeen-menschelijke in ons vertegenwoordigen en dat iemand die zich door zijne hartstochten laat beheerschen, al was het alleen daarom, geen persoonlijkheid is. Het zeer jonge kind, de boschjesman, de onbeschaafde ruwe mensch, draagt nog slechts de mogelijkheid in zich om, eenmaal een persoonlijkheid te kunnen worden; maar daaraan moet zeer veel voorafgaan. Zij ontstaat slechts door de geheel bijzondere ernstige wijze waarop driften en hartstochten tot hoedanigheden van edeler aard worden omgewerkt. Zoo als het wezen van de meeste menschen in den grond bepaald wordt door overgeërfde neigingen en gaven, zoo vindt men ook verschillende graden van aanleg tot individualiteit. Maar al zijn de neigingen of het talent voor persoonlijkheid grooter of geringer, toch kunnen die gewijzigd worden door ervaring van droeven of verblijdenden aard, door opvoeding en ontwikkeling, door gewoonten en levensomstandigheden. Zoodoende worden hartstochten in gevoelens en gevoelens in gedachten en voorstellingen omgezet. Zoo wordt het ruwe wezen van den natuur-mensch tot een denkenden mensch veredeld, en in dezelfde mate als hij vordert op den weg van zelfkennis en ontwikkeling, zal deze zich minder laten beheerschen door zijne blinde hartstochten en driften. Hartstocht en zinnelijkheid zijn noodzakelijk; dat is te zeggen: zij hebben het recht van bestaan evenzoogoed als ieder ander moment onzer persoonlijkheid. Maar geen enkele dezer hoedanigheden mag zich zoo sterk ontwikkelen dat alle andere eigenschappen er door worden benadeeld. Dit zou zoowel het geluk als de vrijheid des persoons hinderend in den weg staan. Het is een oude ervaring, die in onze dagen met eene treurige duidelijkheid wordt bevestigd, dat een mensch die door zijne driften beheerscht wordt, zoo karakterloos wordt, dat hij tot een zekeren graad van verlaging gekomen, elk bewustzijn verliest van zijne waardigheid en van de verplichting die zijn rang en stand in de maatschappij hem opleggen; dit gaat soms zoover, dat hij zich van het eene uiterste tot het andere laat drijven en zich laat medevoeren op honderd paden, waarvan geen enkel door hem gekozen werd.
Vrij is alleen de man, of de vrouw, die zich noch door eigen lusten, noch door den wil van anderen, laat verleiden om tegen beter weten in te handelen. Alleen zelfbewuste daden kunnen een mensch voldoening schenken. Geluk is het volkomen bewustzijn van macht, dat het gevolg is van de ontwikkeling onzer krachten in de grootst mogelijke vrijheid, de hoogst mogelijke volmaaktheid. Het onpersoonlijke bevredigen van onze driften kan eenig dierlijk genot opleveren, maar het schenkt ons nimmer het echte, menschelijke geluk.
Elke gedwongene, onpersoonlijke handeling die de individueel ontwikkelde mensch begaat, kwelt hem als eene zonde tegen zijn eigen karakter, zij het nu dat hij die gepleegd heeft in een oogenblik toen zijn hartstocht hem te machtig werd, of gevolg gevende aan eene door hem in den grond afgekeurde gewoonte. Maar wie eenmaal de persoonlijke vrijheid veroverd heeft, zal zich niet licht aan een dergelijk kwaad schuldig maken. Hij kan gebruik maken van al de eigenaardige krachten en bewegingen, die hij, dank zij zijne volmaakte vrijheid, onafhankelijk van anderen kan sturen naar zijn eigen goedvinden. Hij houdt en leidt die zoo gemakkelijk als de ervaren schipper zijn vaartuig, de geoefende ruiter zijn ros. Hij geniet van het heerlijk bewustzijn zichzelf vrij te laten in zijne bewegingen, zonder vrees voor te ver te zullen gaan; van het gevoel van zijn geheel warm hart, zijn persoonlijk karakter, gerust te kunnen toonen zonder vrees dat hierdoor iets wat laag of kleinzielig, ruw of leelijk is, aan het daglicht zou kunnen komen.
Er is geen edeler toestand van bezieling denkbaar dan die dit verheffende, fiere wezen in zijn vrij en eigenmachtig optreden ten toon spreidt.
Bij zulk een mensch kan van geen gebreken of vergissingen sprake zijn; alleen van bepaalde grenzen. Maar binnen die grenzen van eigen kunnen is het persoonlijk materiaal tot volkomen ontwikkeling gebracht.
Ook zonder die hoogte te hebben bereikt kan eene waarlijk vrij geworden persoonlijkheid, alleen op hare eigenaardige wijze en tegen hare bijzondere wetten van eer en plicht, zondigen. Want bij een afgerond, gesloten ik, vallen de gebreken tezaam met de natuur en aard van den persoon, evenzoo als de schaduw de omtrekken eener gedaante teruggeeft. Ja, er zijn karakters die voorloopig een gebrek dat met hunne kracht in overeenstemming is, niet verkiezen af te leggen; maar de zoodanige personen verheffen zich nooit op die fouten, evenmin als zij met hunne deugden pralen; immers deze staan in eene onpersoonlijke verhouding tot henzelf. Met een nimmer mistastend instinct kiest de vrije mensch datgene wat voor zijnen aard en zijn temperament van het meeste belang is, om het even of dit hem leed of vreugde oplevert, of het goed is of kwaad, in den gewonen zin van het woord: een droombeeld of eene daad. Voor hem is het physiek onmogelijk om in een oogenblik van onbeheerschte drift, in eene hartstochtelijke opwelling, een misdaad te begaan. Zijne weloverdachte, zorgvuldige ontwikkeling van eigen persoonlijkheid gaat bovendien gepaard aan een steeds fijner en teederder wordend besef van de grenslijnen voor zijn gedrag, juist ook ten opzichte van anderen. Iemand, die zelf weet wat hij wil en kan; die nimmer tevreden is met minder dan het beste wat hij geven kan en zich nooit laat verleiden om buiten zijne grenzen te gaan--zoo iemand ontziet ook stellig de meening en opvatting van anderen.
Maar het gebeurt ook, dat hij niet kan toegeven dat de eigenaardige opvatting van een ander recht van bestaan heeft; dat zijn nauwgezet geweten eene wet of eene instelling moet afkeuren. Dan komt hij met zijn gevoelen hieromtrent ruiterlijk voor den dag, niet onder den indruk eener plotselinge opwelling, maar duidelijk en op welberedeneerde gronden. Hoewel hij voor zich zelf en anderen elke onnoodige smart verfoeit, heeft hij toch in zijn karakter den moed aangekweekt om, waar dit geeischt wordt, eene noodige wonde te kunnen slaan. Maar er is, ook bij zulke aanleidingen, geen zweem te bespeuren van de ruwheid, die onnoodig de handen met bloed bevlekt, door het wroeten in de hartewonden van den naaste.
Men kan het veel gemakkelijker en aangenamer hebben in de wereld dan de individualist, als men behoort tot de menigte van reizigers door het leven, die plaats nemen op "de groote pleizierboot", het vaartuig dat, met de vlag der algemeen-gebruikelijke moraal in top, zachtjes over de golven henen glijdt. Ieder reiziger behoeft niets anders te doen dan zich kalm de haven te laten binnen brengen. Maar naast de stoomboot ziet men hoe
"Alleen, in een gebrekkig scheepje Een zeiler zich waagt op de groote zee...",
hoe die zeeman, veel grooter gevaren trotseerend, maar met oneindig meer krachtsinspanning, den tocht aanvaardt, onder het heerlijk gevoel, die onstuimige golven te beheerschen door de macht van zijn vasten wil. Dàt is het ware, volle leven!--
Er wordt vaak gezegd--vooral bij gelegenheid der jubileumsfeesten van het protestantisme--dat in onze dagen ieder in zijn eigen geweten zijn hoogsten rechter heeft. Maar zoodra iemand dit beginsel van het eigen persoonlijk recht in toepassing wil brengen, haasten die "wachters over de gebruikelijke instellingen" zich, te prediken, dat een dergelijk subjectisme alle verhoudingen in de samenleving onmogelijk zoude maken.
Nu is het er zoo mede gesteld, dat het geweten der meerderheid zich in de eerste plaats door overgeërfde zeden en gebruiken laat leiden; dat dit, in de meeste gevallen niets anders is dan een echo van het sociale geweten. Het groote gebrek is, dat men verzuimt zijn eigen persoonlijk gevoel van recht, dat toch het éenige voor ieder van ons geldige geweten is, te ontwikkelen en op te voeden; al gaat die opvoeding soms met misstappen vereenigd--dit hindert niet; immers alleen door de gevolgen van zijn eigen daden te ondervinden, kan men tot de ontdekking komen dat men den verkeerden weg had ingeslagen en leeren op zijn hoede te zijn.
Om deze reden werkt elke voortdurende gewetensdwang dien de regeering op bijzondere personen uitoefent, op den langen duur nadeelig voor den Staat zelf. Want het geweten der maatschappij wordt slechts verfijnd en veredeld onder gunstige voorwaarden voor de vrijheid van den afzonderlijken persoon; dat is te zeggen, wanneer de enkele individuen in staat gesteld worden, om naar de inspraak van hun eigen geweten te handelen en voor hun eigen verantwoording. Middelerwijle ontstaan juist hierdoor botsingen en toestanden, die aan een ieder gelegenheid geven zijn gemoed ernstig te onderzoeken; door aldus dezen toets en die besliste keuze uit te lokken, wordt een nieuw zedelijk geweten bij de geheele samenleving gewekt en ontwikkeld.
Maar deze nieuwe schepping op ethisch gebied heeft niet plaats doordat flauwe menschen voortdurend blijven zondigen tegen de wetten die zij blijven goedkeuren; ook niet doordat losbandige menschen aan hunne onbeteugelde passies toegeven, ondanks die wetten der zedelijkheid.
Zij komt alleen tot stand door de medewerking van hen, die van natuurmenschen leden der samenleving geworden zijn en van dezen tot persoonlijke karakters werden ontwikkeld. Dat zij aldus zijn gevorderd op den weg der beschaving geeft hun het recht om de sociale zedewet te toetsen en zelf te beslissen in hoever zij niet genegen zijn daaraan in alle opzichten te gehoorzamen. Aangezien nu de menschen de wetten der zedelijkheid hebben gemaakt om in hunne behoeften te voorzien, hebben zij ook het recht om daarin veranderingen aan te brengen, waar zij dit noodig en nuttig achten.
De eisch van Kant: "dat het individu zòo moet handelen, als of zijne handelwijze een wet voor alle menschen worden moest"--is in lijnrechte tegenstelling tot de bedoeling der persoonlijke vrijheid. Deze toch hoopt en verwacht het hoogste geluk en de grootste vorderingen op het gebied der beschaving van de groote meerderheid te zullen bereiken, daardoor dat men ten laatste geen absolute, voor allen verplichtend geachte wetten meer zal erkennen, maar dat ieder individu zijn eigen wet, naar de stem van zijn geweten, leert gehoorzamen.
Zij, die nog niet zoover in de ethische ontwikkeling gevorderd zijn, om op die hervorming der wet aanspraak te kunnen maken; groote kinderen; of plichtmenschen zonder persoonlijk oordeel; of driftmenschen zonder sociaal geweten; alle dezen hebben den dwang van de maatschappij noodig, om te worden verhinderd anderen ongelukkig te maken.
Zelfs een flink karakter heeft in bepaalde tijdperken zijner opvoeding, behoefte aan zulk een steun. Toch zal het groote doel der samenleving niet bereikt zijn, eer zij in haar geheel overwonnen wordt door de ethische volmaaktheid der individuen.
Omtrent dit punt ontmoeten wij behoudende en radikale idéalisten. De conservatieve idéalist gelooft, dat de maatschappij--evenzoo als het huisgezin, de kerk, het vaderland--in haar tegenwoordigen vorm, voor altijd beslissende, afgeronde idéen en formules bevat. De radikaal heeft den moed te gelooven, dat alles wat bestaat--regeering, godsdienst en huwelijk--voor verandering en verbetering vatbaar is. Deze overtuiging wordt wederom gewraakt door het wantrouwen, dat eigenlijk niets anders is dan de instinctmatige zelfverdediging van al het bestaande, door den mensch van heden. Die twijfel is de droevige angst van den ouderdom; twijfel aan het leven en aan de groote levenswet, die luidt: hernieuwing, hervorming aller dingen.
Wat de ouden van dagen bovenal vreezen is juist die persoonlijke vrijheid; wat het jonge geslacht in de eerste plaats hoopt is diezelfde persoonlijke vrijheid, waardoor het leven niet langer zal blijven eene plaats vol onvruchtbare droombeelden, maar vol van verwezenlijkte idéalen.
Dan zal het blijken, dat niet de deugd gelukkig maakt, zooals het christendom predikt, maar dat het een geluk is goed te zijn. Deze overtuiging zal ingang vinden waar ieders persoonlijk geloof zijn godsdienst geworden is, die alle andere belangen in zich sluit.
De aanhangers van dezen nieuwen godsdienst zullen--zooals hierboven gezegd werd, hoe langer hoe zorgvuldiger luisteren naar de stem van hun geweten, waar het erop aankomt hun demon te volgen, hunne handelingen en beweegredenen ernstig te toetsen aan hun beste weten en kunnen. Zelfs eene daad, die niemand anders benadeelde dan den persoon zelf, waarvan niemand iets weet dan hijzelf, kan, als zij in strijd was met het persoonlijk karakter van den dader, dezen nog jarenlang hinderen en bedroeven; evenzoo als een onherstelbare fout aan zijn kunstwerk toegebracht den beeldhouwer bedroeft.
Hiertegenover staat, dat hij geen ander schuldgevoel erkent, dan dat jegens zijn eigen idéaal;--hem ontbreekt het besef van schuld dat altijd dengene beheerscht, die zich gedwongen ziet elke wilskrachtige opwelling, elke spontane handeling te vergelijken met een buiten hem staand voorbeeld.
Hoe vele christenen, die een krachtig zelfbewustzijn met zich omdragen, brengen, bijvoorbeeld, niet een groot gedeelte van hun leven, in den gebede en geknield door om daardoor eindelijk zich te dwingen tot de ootmoedige belijdenis: van nietswaardig te zijn voor God!
Hoe vele christenen, die uit hunnen aard een levendig gevoel hebben voor recht; die sterk sprekende sympathiën en antipathiën hebben in hun hart, strijden niet op diezelfde wijze om een misdaad te leeren vergeven en den misdadiger te blijven liefhebben! Gelukt dit niet, dan hebben die dwepers diep berouw en met reden; immers zij waren niet in staat het hun gegeven voorbeeld na te volgen.
Hij daarentegen, die de éthiek van het individualisme aanhangt, beschouwt het zelfbewust gevoel zoolang als gewettigd, als hij kans ziet aan de mogelijke eischen die dit hem stelde, te voldoen. En hij acht den drang om--tengevolge van zekere waarnemingen--een persoon buiten, of beneden de sfeer zijner sympathie te plaatsen, ook een deel te zijn van zijn instinct tot zelfbehoud. Aangezien de individualist het recht van anderen tegenover een hem onsympathiek persoon erkent, wordt wraaklust voor hem evenzoo onmogelijk als vergiffenis schenken. Hij bepaalt er zich eenvoudig toe, zulk een persoon te schrappen uit den kring met wien hij verkeert; deze behoort van nu af tot een ander geslacht, tot een ander tijdperk dan het zijne.