De moedige vrouw

Chapter 2

Chapter 23,697 wordsPublic domain

Er ligt een diepe waarheid in het oude gezegde: "Den kinderen behoort het hemelrijk." Want geen onzer kan het hoogste bereiken, zonder eenvoud, onbaatzuchtigheid en volharding, om zonder eenige bijbedoeling alles dienstbaar te maken aan dat éene doel. Dit nu is juist de groote kracht van het kinderhart. Heeft eene moeder door hare opvoedende leiding die heilige kracht bewaard en tot bewustheid ontwikkeld, dan heeft zij niet alleen een nieuw schepsel, maar een nieuwe persoonlijkheid aan de maatschappij gegeven.

Maar de opvoeding, in huis en in de school, slaat tegenwoordig juist de hier tegenovergestelde richting in. Het versplinteren van het persoonlijk wezen en karakter is dien ten gevolge het groote kwaad onzer eeuw.--

Maar de mensch is gelukkig een sterk gebouwd organisme. Zij, wier persoonlijkheid door hunne opvoeding geknakt of onderdrukt werd, kunnen zich toch uit die vernederende gebogen houding oprichten, zichzelf baanbreken tot vrijheid van ontwikkeling, als zij zich van de groote waarde dezer vrijheid helder bewust worden.

Weinige menschen, en onder dezen weinige vrouwen, kunnen op genialiteit roemen. Maar al is ook slechts bij enkelen de kiem voor een groote persoonlijkheid aanwezig, toch zouden de meesten wel een zekeren graad van zelfstandigheid kunnen ontwikkelen, ook na een mislukte opvoeding, als zij er zich met vollen ernst op toelegden.

Maar hiervoor is moed een eerste vereischte; moed en volharding.

Als het waar is dat "gebrek aan verstand gebrek is aan moed" dan is dit nog meer waar ten opzichte van gebrek aan individualiteit.

Hier is al aanstonds eene der redenen gevonden waarom men onder de vrouwen minder persoonlijke zelfbewustheid ontmoet dan onder mannen. Een man is meer door-en-door ijverende voor zijne idée, zijn doel waarvoor hij arbeidt; hij is meer intensief in zijn weten en willen. Dien ten gevolge wordt hij vaak--juist als een kind--éenzijdiger, zelfzuchtiger, maar tevens meer éen geheel vormende, dan eene vrouw onder dezelfde omstandigheden wezen of worden zal.

Zij is, behalve in de liefde, zelden geheel van éen onderwerp vervuld. Het valt haar dus minder moeilijk om het gevoelen van anderen te ontzien en voorzichtig op alles en allen rondom haar te letten. Zij is beweegelijker, meer gevoelig voor van buiten op haar werkende indrukken, veelzijdiger en buigzamer dan de man--en hierin ligt hare kracht. Maar evenzoo goed als bij den man, is deze gewonnen ten koste van een daaraan gepaard gaand verlies. Want het evenwicht in alle dingen te behouden is nu eenmaal zoo moeilijk voor ons, menschenkinderen, dat eene deugd vaak niet de uitkomst is van eene vermenigvuldiging-som, maar van een aftreksom.

De man is de bevoorrechte schepper van nieuwe gedachten en nieuwe instellingen door zijn grooteren moed om 't gevaar te trotseeren, door zijn krachtiger wil; de vrouw, het ligt in haren aard, blijft meestal angstig volhouden met "hetgeen altijd zoo geweest is." Zij waakt trouw niet alleen over de zeden, gebruiken en tradities van eigen huis en haard, maar ook van de uit vroeger dagen overgeleverde vormen en rechtsbegrippen in de maatschappij kan zij moeilijk afstand doen. Nu is het duidelijk, dat deze algemeene vasthoudendheid aan het eenmaal bestaande die in de natuur der vrouwen ligt, eene der grootste hinderpalen moest vormen voor de ontwikkeling van het vrouwelijke individu, op zich zelf staande.

Voor de persoonlijke zelfstandigheid van den man is het vaak moeilijk om zich te ontwikkelen, doordien hij in den regel met verscheidene anderen tezamen moet werken en aldus door partijzucht of kruiwagens, door het vooruitzicht op bevordering of op andere voordeelen, in zijne handelingen beperkt wordt.

De persoonlijkheid der vrouw wordt meer gekneld door het vasthouden aan eenmaal gebruikelijke vormen en begrippen van zedelijkheid; door haar conventioneel ideaal. Zij wil het groote onderscheid tusschen eene zelfopofferende liefde van hooge waarde en eene zelfverloochening, die in geen enkel opzicht iets beteekent, liever niet zien. Zij wantrouwt haar eigen natuurlijk oordeel over goed en kwaad, zoodra dit instinct haar ook slechts een haarbreedte zou doen afwijken, van de gehuldigde en algemeen gebruikelijke vormen in de samenleving. Hem die tegen een dergelijk begrip heeft gezondigd wil zij wel vergeven, onder voorwaarde dat hij de wettigheid daarvan erkent; maar haar oordeel is zonder mededoogen over den schuldige, die tegen het principe handelde, omdat zijne opvattingen omtrent goed en kwaad, niet met de nu eenmaal bestaande zienswijze overeenstemden. Zij vermengt in haar vonnis temperament en beginselen, leer en leven, op een treurige wijze door elkander en deze vermenging is de oorzaak van alle geestelijke dwingelandij, van elke sociale onverdraagzaamheid.

Dit geldt vooral met het oog op de onderwerpen die de verhouding tusschen de twee geslachten onderling raken. Hier staat namelijk ieder, die eene van de gebruikelijke vormen afwijkende opvatting te kennen geeft, eene opvatting die ook maar eenigszins in botsing komt met het conventioneele vrouwelijke ideaal, bloot aan alles behalve vleiende gevolgtrekkingen en grievende lasterpraatjes over zijn persoonlijk leven. Van de zijde der vrouwen moest het waarlijk--althans wanneer er sprake is van eene vrouw--wel worden bedacht, dat er niet slechts een gloeiend geloof, maar ook een rein geweten vereischt wordt, voor den moed om de samenleving in een van haar meest geliefde vooroordeelen te trotseeren.

Het conventionalisme der vrouw bereikt zijn toppunt in het gedachtelooze en gewetenlooze napraten, waardoor een aantal vrouwen haar geestelijk peil verlagen, haar karakter bederven en ten slotte haar eigen persoonlijkheid laten opgaan in die van iedereen.

Eene vrouw die op werkelijke beschaving aanspraak wil maken, bewijst dit onder anderen, door het vermijden van elke geleende, of geveinsde weelde. Zij vindt het verachtelijk om door den schijn indruk te maken en daarom vermijdt zij in hare kleeding en huisraad elke onechte versiering.

Maar diezelfde vrouw geeft kalm oordeel en opvatting die zij van anderen napraat, voor echt uit. Zelfs al bezat zij die, zou zij toch den moed niet hebben om een frissche, oorspronkelijke gedachte te uiten; om blijk te geven van een warm, buiten den algemeenen regel werkend, gevoel. Hare vervalschingen worden door andere napraatsters van den eenen kring naar den anderen overgebracht. Hierdoor ontstaat "de algemeene beoordeeling" van de meest kiesche vraagstukken des levens, van de ernstige raadselen, waarvoor men de aanleiding zou moeten kennen om ze ook maar uit de verte te verstaan. Hierdoor worden schoone en edele daden in een twijfelachtig licht geplaatst en vuige lasterpraatjes voor waarheid aangenomen. Aldus wordt de lucht verontreinigd door de opstuivende zandkorrels waaronder het werk en de eer van een medemensch begraven wordt.

Maar een op die wijze begraven werk, of goeden naam, kan nog worden opgedolven. Alleen de lasteraars zelf lijden er ten slotte het meeste door.

Want alles in de wereld hangt samen: het leven bestaat uit oorzaak en gevolgen. Niemand leeft ongestraft uit de tweede hand. Wij kunnen op intellectueel gebied onmogelijk vooruitdringen met het leengoed van anderen, zonder hierdoor persoonlijk verlies te lijden aan zedelijken inhoud. Wij waren heden onbillijk ten opzichte van een boek, eene schilderij of een tooneelstuk, door dit te beoordeelen met de woorden van een ander, die wij voor onze opvatting wilden laten doorgaan; of omdat wij den moed niet hadden onze ingenomenheid ermede te toonen, in geval "de critiek" hierover anders denkt: of door eene verontwaardiging te veinzen, die wij geenszins gevoelden, maar die anderen van ons verwachtten, in naam der mode of van het fatsoen. Morgen zullen wij even onbillijk--laat ons zeggen even oneerlijk--worden, tegenover een medemensch of tegenover onze eigen overtuiging--en zulk eene onrechtvaardigheid, zulke valschheid kan van grooten invloed worden op een geheel levenslot.

De slotsom van geestelijken rijkdom, van geestelijke waardecijfers, vermindert natuurlijk, als wij verzuimen ons eigen cijfer erbij te tellen. Dit moge groot zijn of klein, rijk of gering,--als wij het zelf hebben gevoeld en gedacht, als het oorspronkelijk ons eigendom is, beteekent het voor anderen oneindig meer, dan hetgeen wij slechts napraten, ook al is onze zegsman eene autoriteit. In gevallen waarin wij genoodzaakt zijn om ons op anderen, die meer weten dan wij, te beroepen, dringt eerlijkheid en goede trouw er ons toe, onze verplichting aan hunne meerdere kennis openlijk uit te spreken.

Ieder van ons mag zich slechts verheugen in een zeer klein gedeelte der uitkomsten van beschaving en cultuur; zelden zijn wij in staat over meer dan een enkel geval met zekerheid te oordeelen. Maar één ding kunnen wij allen leeren: in te zien dat het een bewijs is van beschaving, geen oordeel te geven over onderwerpen waarvan wij geen verstand hebben. Laat de goede toon ons hiertegen doen waken; evenzoo als men zich de weelde van juweelen te dragen ontzegt als men geen echte steenen heeft, evenzoo moet men zich onthouden van een oordeel over personen en zaken, waarover men niet door eigen aanschouwen of kennismaking zelf oordeelen kan. Wanneer deze oprechtheid, dit ronduit verklaren van onbevoegdheid om onze meening over dergelijke onderwerpen of personen te zeggen, meer algemeen wordt beschouwd als een bewijs van beschaving, dan zal de vrouwelijke cultuur in deze richting eene bijna even groote schrede hebben gedaan, als toen de vrouw als student op de universiteit werd toegelaten.

Want, naast de mogelijkheid om een ruimeren blik op vele dingen te verwerven, staat op het gebied der ernstige ontwikkeling de gave om te begrijpen hoe begrensd die blik nog is, de moed om openlijk te bekennen, welke kennis ons ontbreekt.

Moed en oprechtheid--deze hoedanigheden zoeken wij helaas nog vaak te vergeefs bij de vrouw; toch moeten juist deze toenemen, zal de persoonlijkheid der vrouw groeien.

Dit groeien wordt niet bevorderd door het studeeren der jonge meisjes, al nemen zij hare studie nog zoo ernstig op; ook niet door de een of andere taak in de samenleving voor hare rekening te nemen, al brengt deze een zeer groote mate van verantwoordelijkheid mede. Niets van dit alles werkt gunstig op de geestelijke ontwikkeling van hare persoonlijkheid, tenzij eigen onderzoek en eigen keuze dit middel tot hare beschaving en haren arbeid inderdaad tot een organisch gedeelte van haar eigen leven hebben doen worden. Die keuze, dat onderzoek zijn dan de hoofdfactoren. De vrouwelijke persoonlijkheid te ontwikkelen--van binnen uitgaande--dit is het groote vraagstuk der vrouwenbeweging; haar vrij te doen worden van de hedendaagsche nietsbeteekenende formules; haar moed te geven zich te toonen zooals zij is, te bekennen wat zij niet is--ziedaar het groote en ernstige doel van de zoo vaak verkeerd begrepen émancipatie der vrouw.

MOED.

Er zijn altijd jong blijvende woorden, woorden wier echte goudklank nooit tot een ontvankelijk oor doordringt, zonder dezelfde gewaarwordingen te voorschijn te roepen als toen zij, misschien duizend jaar geleden, voor het eerst werden uitgesproken;--toen als een nieuwe uitdrukking voor het innig besef van dien tijd.

Onder deze woorden en spreuken van een eeuwige jeugd is er een, die voor den eersten keer door den welsprekendsten mond in Hellas verkondigd werd:

"Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid--en dat vrijheid is moed!"

De inhoud van die spreuk kon voor Pericles voorzeker niet dezelfde beteekenis hebben als voor ons.

Onder vrijheid verstond men feitelijk de onafhankelijkheid van den eenen staat tegenover den anderen; met moed werd vooral de deugd van dappere verdediging des vaderlands bedoeld.

Toch is het best mogelijk dat er bij den minnaar van Aspasia en den vriend van Socrates, een vermoeden heeft bestaan van den tijd, wanneer die schoone woorden, in dieperen zin, zouden beteekenen de onmisbare voorwaarde tot welvaart en geluk; zoowel voor het geluk van de op zichzelfstaande persoonlijkheid, als voor de vrijheid eener geheele natie.

Edele woorden groeien in dezelfde mate als de menschheid groeit. Wij begrijpen het nu, dat de enkele mensch evenmin geluk en vrijheid vinden kan als de geheele Staat, wanneer de moed hem ontbreekt. Maar hangt het dan wel van ons-zelf af moed te hebben of niet?

Zeer zeker. Moed is eene hoedanigheid die verkregen wordt door hem of haar die haar wil verkrijgen; maar men moet willen, met ernst en volharding. Er zijn menschen die met een hun aangeboren moed ter wereld komen, maar de meesten hebben, voor het grootste deel althans, hun moed zelf gekweekt.

Er is geen eigenschap die door oefening sneller toeneemt. Als men het in onze samenleving maar duidelijker begreep dat moed den grond vormt, waarop het karakter en de wilskracht gebouwd is, dan zouden bijna alle menschen tot moedige wezens kunnen worden opgevoed.

Maar in de plaats van ons reeds vroeg te leeren willen, kiezen en overwegen, leert men ons toe te geven en te buigen; het droombeeld van vrij onzen eigen weg te gaan te onderdrukken en alleen onzen boozen geest te volgen. Men maakt er ons opmerkzaam op, hoe verwaand het is, een opzichzelfstaand geheel te willen beteekenen en hoe nuttig, éen van de vele nullen te zijn die, vereenigd, eene millioen helpen vormen. Men zegt ons dat voorspoed en vooruitgang in lijnrechte tegenstelling zijn met het streven naar vrijheid; men wil ons overtuigen dat de mogelijkheid om "gelukkig te maken" onvereenigbaar is met den wensch om op onze eigene manier gelukkig te zijn. Men richt onzen blik op de hoogte der samenleving, waar de menigte haar offer aan het vooroordeel brengt en men waarschuwt ons, toch vooral ons niet te voegen bij de kleine minderheid die, met ongebogen knie en fier opgeheven hoofd, door de wereld gaat.

Men zorgt er voor het ons reeds vroeg bij te brengen hoe slecht het altijd is afgeloopen met de overmoedigen, die hunne vrijheid van denken en handelen onder den druk der partijen hadden trachten te behouden; die dwazen, die trouw te zijn jegens hun eigen persoon voor belangrijker hielden dan gelijk te staan met anderen; die hunne eigene overtuiging verdedigden en volgden; die rond voor hunne opvatting van het leven uitkwamen, in plaats van anderen na te praten; die leefden van eigene middelen, liever dan van vrienden en kennissen te leenen; die aan de opwellingen in hun eigen hart gehoor gaven en niet aan die van zekere, heerschende kringen in de maatschappij; in éen woord, hoe het die allen gegaan is, die eigen oordeel en meening verkozen te hebben en zich niet wilden tevreden stellen met "de algemeene opinie".

Natuurlijk hebben die overmoedigen hun welverdiend loon ontvangen! Hunne vrienden beklaagden er zich over nooit te weten wat men aan hen had en haastten zich hen te verlaten, onder innig leedwezen over hunne afvalligheid. Hunne vele kennissen hadden het altijd wel geweten dat zij "onberekenbare, karakterlooze menschen waren, die men nooit volkomen vertrouwen kon." En de aaneengeslotene, toonvoerende meerderheid heeft het klaar en duidelijk bewezen dat zij gevaarlijke menschen zijn, menschen "zonder beginselen".

Waarlijk, om door dit oordeel te worden getroffen behoefden die menschen volstrekt niet met een nieuwen vorm van godsdienst aan te komen, of met al het bestaande omverhalende leerstellingen in de maatschappij!

Het was voldoende dat zij hunne beste krachten er aan hadden gewijd om de onderdrukking van eene partij ten opzichte der andere te verhinderen; dat zij hunne afkeuring over een onrechtvaardig oordeel te kennen gaven en over het toepassen van gewetensdwang. Of dat zij het karakter van een persoon verdedigden, hoewel zij zijne levensopvatting niet huldigden; of voor die opvatting pleitten, hoewel zij zich voor zijn karakter niet verantwoordelijk konden stellen. Ja, soms is het wel voldoende gebleken dat iemand in een kring van conservatieven durfde te beweren dat niet iedere radikaal een dubbelzinnig karakter is, of in een gezelschap van radikalen te zeggen, dat niet ieder conservatief man een domkop is, om zelf in een zeer twijfelachtig licht te worden geplaatst ten opzichte van zijne eer, van zijn naam als fatsoenlijk man en van zijn gezond verstand.

Laat men zich nu niet bijtijds door de vrienden waarschuwen, maar blijft men volharden in zijn idiosynkrasi om zijn eigen meening te zeggen, de stem van zijn geweten te volgen, te oordeelen naar de mate van 't verstand dat hij heeft--dan hangt het van de minste of geringste toevalligheid af welk einde zoo iemand neemt: òf de langzame hongerdood, òf wel een beklagenswaardig alleen-staan in de wereld zijn lot wezen zal.

En toch--ondanks dit alles hebben er in elke generatie menschen geleefd die het durfden wagen zich zelf te zijn; die onbeschaamd genoeg waren om te denken, te handelen, te beminnen, te dichten en te scheppen, op hun eigen hand! Dit zijn de menschen die thans nog in ons midden leven; zij, wier moed door hunne tijdgenooten met driestheid of brutaliteit werd aangeduid, maar die door het nageslacht worden bezongen en gevierd als groote mannen, aangebeden als openbaringen van wijsheid en licht. Hunne bezwaren waren geheel dezelfde als de onze. De held van ieder tijdperk moet het hoofd bieden aan de verzoeking die hem nadert in den vorm van eer en een rijk bestaan; aan de meesterachtige critiek van zijn tijd; aan den druk der partijen; aan kleingeestige oudewijvenpraat--ja zelfs aan het toejuichend gekwaak der kikkers in de sloot! Maar die helden hebben toch overwonnen, dank zij hun moed. Elk tijdvak waarin nieuwe denkbeelden hun weg vonden, elk tijdvak vol licht en gloed, vanwaar scheppende of verjongende krachten uitgingen--is onbetwistbaar een tijdvak geweest dat vele moedige menschen opleverde.

In zulke dagen vereischt het geen bijzonderen moed om dapper te zijn; want moed is eene hoedanigheid die het gemakkelijkst van alle deugden op anderen overgaat--de lafheid uitgezonderd!

Alle ledige, dorre tijden, zonder glans en leven, waren laf. Wanneer de moed niet in den dampkring ligt is er meer voor noodig om dien te behouden, of te oefenen, dan in een gunstiger tijdperk.

De dagen waarin wij leven zijn er juist niet naar om den moed aan te kweeken en dezen tot zijn recht te doen komen. Want alle tijden van overgang zijn gevaarlijk voor den moed, die in buitengewone mate versterkt wordt door getrouwheid aan vaste beginselen, door de overtuiging te strijden voor zijn goed recht.

Maar, al gaat nu onder een tijd van worstelen en strijden aan den eenen kant licht de moed verloren, daartegenover staan andere, en gewichtiger redenen om te trachten dien te herwinnen, waar men zich telkens geplaatst ziet tegenover de keuze tusschen nieuwe botsingen en nieuwe inzichten. Er is moed noodig om de waarheid te zoeken, maar ook om haar des noods te kunnen missen, als zij voor ons niet duidelijk zichtbaar is; moed om werkzaam te zijn--maar ook moed om te rusten. Er wordt moed vereischt om het geluk vast te houden als het onder ons bereik is gekomen--ook om het prijs te geven, wanneer de omstandigheden er toe leiden. Soms ligt het grootste bewijs van moed in afwachten; dan weer in wagen en ondernemen. Heden kost het moed om alleen te staan--morgen om mij bij mijne geestverwanten aan te sluiten; nu eens om voor mijn goed recht op te komen--dan weer om het prijs te geven.

Zonder moed kan men niet haten en nog minder liefhebben. Zonder moed kan men niet in waarheid leven noch sterven.

Laat ons moed hebben--moed in de eerste plaats; en wij zullen tot de bemoedigende ontdekking komen dat wij meer vrijheid en meer geluk bezitten, dan wij dachten.

Wij zijn heusch niet zoo boosaardig, of zoo dom, of zoo kleinzielig en "laag bij den grond" als wij schijnen. Alleen zijn wij veel laffer dan wij zelf denken. Uit lafheid mishandelen wij elkander--vervelen,--verdrukken--verongelijken wij elkander.

Laat ons die lafhartigheid bestrijden--en het leven zal weder schoon voor ons worden met zijne vele scheppende krachten die vrij komen; door de algemeene welwillendheid die overal werkzaam is; door alle sympathie, die lust tot handelen wekt; door alle gedachten en gevoelens die hun invloed rechtstreeks op ons uitoefenen.

Nooit vermoedde eigenaardige hoedanigheden bij ons zelf en anderen, zullen een schat van afwisseling en schakeeringen te voorschijn roepen, waar men meende niets dan armoede en stilstand--dus achteruitgang--te kunnen verwachten. De som van levenslust en levenskracht zou tot in 't oneindige vermenigvuldigd worden als wij den moed hadden om allen tezamen het groote waagstuk te ondernemen! Als wij nu eens het vertrouwen dat wij gevonden hebben openlijk bekenden; als wij eerlijk rekenschap durfden te geven van het geloof dat wij nu hebben in de plaats van het vroegere dat wij verloren? Als wij ronduit verklaarden wat onze eigen overtuiging is--niet de van anderen geleende vormen; als wij durfden te bouwen op eigen ervaringen, zelfs al werden wij hierdoor van onze geestverwanten gescheiden?

Als wij den moed hadden te blijven twijfelen, waar wij bij anderen verzekerdheid vinden en onze overtuiging te behouden, ook al ontmoetten wij twijfel daaromtrent bij anderen? Als wij eerlijk de deugden van onze tegenstanders durfden erkennen en de gebreken van onze geestverwanten? Als wij den moed hadden vrijgevig te zijn met ons vertrouwen maar zuinig met onze oordeelvellingen? Als wij in ootmoed ons hoofd durfden te buigen ten opzichte van dingen waarvan wij geen verstand hebben, maar fier opstaan, waar het geldt de zekerheid, die wij met worstelen en strijden gewonnen hebben, te verdedigen? Als wij naar onzen eigen smaak, en rekening houdende met onze middelen, durfden te leven; in bescheidenheid te genieten op onze wijze en er ons aan gewenden te zien dat anderen dit eveneens doen? Als wij ons meer oefenden in de groote kunst, de beweegredenen der daden van anderen te erkennen, ook al zijn wij genoodzaakt hen tegen te spreken, en hunne handelingen af te keuren, hoewel wij hen persoonlijk hoog achten? Als wij het er eens op waagden elke partij te laten voor wat zij is--behalve onze eigen overtuiging?

En ten laatste: als wij den moed hadden onze lafhartigheid in te zien en die bij haar waren naam te noemen in de plaats van die te verschuilen achter fraaie woorden als: eerbied, bescheidenheid, ontzag voor de meening van anderen; gematigdheid en tact? Dan zouden wij een geheel andere maatschappij zien worden!

Weldra zouden wij het gezellig verkeer de plaats der vroegere maskerades zien innemen; debatten, de twisten en het spel met ijdele woorden zien vervangen; de daad zou de vroegere spiegelbeelden vervangen; oorspronkelijke scheppingskracht, de eenvoudige herhaling van het bestaande; gedachtenwisseling over verschillende gezichtspunten, het verdacht maken van die opvatting; eigene levenservaring de eenmaal gebruikelijke holle vormen; wáár gelooven, de van buiten geleerde formules. In één woord: wij zouden van onze vrijheid genieten terwijl wij nu daarentegen aan snoeren geregen, in pakken gebonden, met étiquetten beplakt, in partijen gesorteerd, op een lijst ingeschreven, in verschillende categoriën verdeeld en in uniform gekleed worden!

"Maar zou de baatzucht niet een al te groote ruimte gaan beslaan indien de moed aan ieder persoon het recht eener plaats toekende?" vraagt misschien een altruïst.