De moedige vrouw

Chapter 1

Chapter 13,641 wordsPublic domain

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

Ellen Key

De Moedige Vrouw

Uit het Zweedsch (Tanke Bilder)

Door

Ph. Wijsman

Amsterdam C. A. J. van Dishoeck 1899

Leiden: Boekdrukkerij van L. van Nifterik Hz.

INHOUD.

Conventioneele vrouwelijkheid 1 Moed 20 Vrijheid 29 Rust 52 De vrouw der toekomst 65

De vrouw die moed heeft om naar persoonlijke vrijheid te streven en zich in de stilte der eenzaamheid rekenschap te vragen van hare handelingen, woorden en gedachten, is op den goeden weg om voor latere geslachten te vormen:

"De ideale vrouw der toekomst."

CONVENTIONEELE VROUWELIJKHEID.

Het conventionalisme is de stilzwijgende overeenkomst, den schijn voor het wezen, vorm voor inhoud, en bijzaken voor de hoofdzaak in de plaats te stellen. In zekeren zin behooren ook de, bij de verwisseling van het schoonheidsgevoel in verscheidene tijdperken veranderende, modes ertoe. In de diepere beteekenis van het woord valt altijd een gedeelte van deze aangenomen leer der welvoegelijkheid tezamen met die van zeden en gebruiken, met het begrip van de mate van zelfbeheersching en zelfverzaking, die ieder persoon heeft in acht te nemen in den omgang met anderen. Hoe meer men vordert in de beschaving en ontwikkeling, des te ruimer worden de grenzen genomen, waarin aan de samenleving de beoordeeling wordt toegestaan van ieders persoonlijk geloof en zienswijze, van ieders arbeidsveld en gewoonten in het dagelijksch leven. Hoe langer hoe meer begint men te begrijpen, dat elke uiting van persoonlijke gevoelens, die op het recht van anderen geen inbreuk maakt, vrij behoort te wezen. Een vrij groot gedeelte van de taak der beschaving in het tijdperk van elk nieuw geslacht, heeft altijd bestaan en bestaat ook nog, in het afschaffen van eenige, tot ledige vormen ontaarde gebruiken, doode overblijfselen van hetgeen vroeger bestond, die de nieuwe planten verhinderen om krachtig op te schieten. Wij hooren in onze dagen telkens weer stemmen opgaan die vrijheid en keuze tegenover de tot richtsnoer aangenomen zeden verlangen voor het persoonlijk geweten en de persoonlijke neiging. In dezen eeuwigdurenden strijd komt het er vooral op aan te beslissen, wat ook nu in werkelijkheid nog recht van bestaan heeft en wat alleen hinderpalen zijn voor een edeler vrijheid, eene diepere waarheid, een grooter oorspronkelijkheid, een rijkeren levens-inhoud; in éen woord: wat daarin is ontaard tot ledige vormlijkheid.

Maar niet alleen met verouderde gebruiken en vormen moet afrekening gehouden worden. In elken kring worden nog voortdurend dergelijke doode overblijfselen van voorheen opgegraven en in den vorm van vooroordeel, van kleinzielige beweegredenen en wankelmoedige, onzelfstandige gewoonten, gehuldigd. Bij de vrouwen is die vormendienst ten allen tijde sterker ontwikkeld dan bij de mannen. Want de zucht tot het bijbehouden van "hetgeen altijd zoo is geweest" wordt helaas dikwijls een steun voor het conventioneele gedrag der vrouw in de samenleving. Zelden zijn de vrouwen zóo persoonlijk ontwikkeld dat zij, bij hetgeen zij wenschen te behouden, schijn van wezen, vorm van inhoud, kunnen onderscheiden; en zelfs, al zien zij het verschil in, ontbreekt het haar toch gewoonlijk aan den moed om inhoud en degelijkheid te verkiezen boven vormen en schijn, wanneer de groote meerderheid vóor de laatstgenoemden stemt.

In het laatste tiental jaren is er in de letterkunde, zelfs in de werken van vrouwelijke auteurs, een krachtige stem tegen die ledige, holle vormen opgegaan. Die oppositie werd vooral gericht tegen het verouderde ideaal der vrouw, volgens hetwelk zelfverloochening de edelste vrouwelijkheid vertegenwoordigde en tegen het verouderde begrip omtrent de zedelijkheid, volgens hetwelk de liefde zonder huwelijk onzedelijk, maar een echt, ook zonder liefde gesloten, voor zedelijk gehouden wordt.

De vrouwen welke thans het nieuwe ideaal huldigen: "zelfontwikkeling tot toewijding van haar persoon en leven aan anderen," ontmoeten van de vooruitstrevende geémancipeerden onzer dagen dezelfde weinig beteekenende verwijten als die, welke in 1850-60 gericht werden tot de voorstanders der toen nieuwe beweging op dat gebied.

Immers die vroegere émancipatiebeweging had in hoofdzaak ook ten doel de menschelijke rechten der vrouw te doen gelden, in het algemeen beschouwd. De latere is er op uit het recht van iedere vrouw als persoon, te verdedigen; dat is te zeggen: het moet der vrouw onvoorwaardelijk vrij staan te gelooven, te denken naar haar eigen wil; zelfs te handelen naar eigen goedvinden, wanneer zij hierbij niet de rechten van anderen kwetst. Aangezien dat eerste in algemeenen zin kan worden beschouwd, kon het voor een groot gedeelte collectief worden beoefend; de zelfstandigheid der vrouw in hare daden moet natuurlijk het recht van ieder van haar, als persoon, gelden. Dit bedenken de vrouwen, die voortdurend ijveren voor dat eerste doel, de algemeen menschelijke rechten der vrouw, niet genoegzaam. Zij dringen er niet in door, dat elke vrouw niet slechts haar aandeel behoort te hebben in het algemeene recht als mensch, maar dat ook hare persoonlijke rechten, overeenstemmend met haar eigenaardigen aanleg en karakter, gewaarborgd moet worden door de maatschappij. De strijd betreft in de eerste plaats het recht der vrouw op een, misschien van alle bestaande leerstellingen en van het tot nu toe gehuldigde ideaal afwijkend, temperament. Dit is de groote kwestie tusschen de afzonderlijk voor haar gevoelens pleitende vrouw en de vertegenwoordigsters van het nieuwe tijdperk in het vrouwelijk bestaan. Dat ieder persoonlijk karakter een nieuwe wereld is--deze ontdekking die in Shakespeare zijn Columbus vond--een Columbus, op wiens voetspoor telkens nieuwe reizigers nieuwe landen wonnen--dit feit, dat in de litteratuur telkens weder wordt genoemd en toegepast op het leven, is nog slechts tot enkelen doorgedrongen als eene op ervaring gebouwde, en door het leven bevestigde, waarheid. Maar dat hiermede althans een begin werd gemaakt; dat de voorheen, als onwrikbaar vast aangenomen, gebruikelijke opvatting van den aard en het wezen van den mensch en de daaruit afgeleide raadselen, meer en meer worden vervangen door eene persoonlijke, van anderen onafhankelijke beschouwing,--dit hebben wij wel in de eerste plaats te danken aan de dichters en denkers in onze dagen; in dezen heeft het conventionalisme zijn ergsten vijand; hun herkenningsteeken is het diep besef van alle oorspronkelijke krachten van het menschdom, van de degelijke vraagstukken in het leven. Want al moge het conventionalisme in de gestalte der napraters tot geestigheden aanleiding geven, toch is juist het moderne genie een protest tegen de leer, die elken, op zich zelf gewettigden, maar van de bestaande regelen afwijkenden blik op de wereld en de kunst, ten hoogste afkeurt.

De dichter die in het Noorden met éen enkelen slag het veranderde, vormlijke ideaal der vrouw, die zich onder alle omstandigheden opofferende, zachtzinnige vrouw, verbrijzeld heeft, is Ibsen, als hij Nora man en kinderen doet verlaten om getrouw te zijn aan haar eigen plichten; als hij door "Het spook" in het zedelijk bewustzijn der menschen tracht te etsen: dat eene vrouw, die aan haar eigen persoonlijk karakter getrouw is, ook ten nutte van anderen, hooger staat dan zij, die zich blijft vastklampen aan de eenmaal bestaande vormen der zedelijkheid, ook al zijn deze zonder zin of beteekenis in haar bijzondere omstandigheden. En sedert heeft Ibsen voortdurend de vrijheid onder eigen verantwoordelijkheid gepredikt, als de verlossing voor het individu. Langzaam-aan is men begonnen naar hem te luisteren;--gedeeltelijk heeft men hem ook verstaan. Maar men weet het immers, geen geweten is in dit opzicht meer hermetisch gesloten dan dat van zekere, door de emancipatie in een opgewonden toestand verkeerende, vrouwen. Dat alle vrouwen gelijke rechten met de mannen moeten hebben is de scheering en inslag van het weefsel, dat zij in hare redevoeringen over de persoonlijke vrijwording der vrouw, op het getouw zetten. Zij vergeten, dat het recht om te worden wat zij wil, voor de vrouw evenzoogoed als voor den man, vaak de noodzakelijkheid medebrengt om datgene wat zij naar haren aanleg en karakter is, te onderdrukken. Zij vergeten, dat het individu hoogere eischen moet en mag stellen dan alleen het recht tot de keuze van een werkkring. Zij zien ze voorbij, die eindelooze schakeeringen in gevoelens, in meening en karakter, die de oorzaak waren, dat de eischen aan solidariteit in de opvatting en handelingen der voor de vrouwenbeweging ijverenden, verliepen in onderdrukking der enkele vrouwelijke persoon. Zeer zeker is het ook nu nog de waarheid dat aaneensluiting noodig is, om aan de vrouw, de rechten die haar tot heden onthouden werden, te verschaffen. Maar elk verplichtend in gesloten gelederen optrekken is in deze zaak gevaarlijk te achten; immers de vooruitgang in den toestand der vrouw, in den ernstigen, diepen zin van het woord, verlangt juist, dat de zoo oneindig verschillende individuen, zoo onbelemmerd mogelijk, zullen kunnen toonen, waartoe zij op zeer verschillend gebied, in staat zijn.

Het dreigend gevaar van den vormendienst in de vrouwenbeweging uit zich echter niet alleen in de te hoog opgedrevene eischen tot aaneengesloten handelen, maar ook in de wijze waarop de meening der tegenstanders wordt "afgemaakt". Het verraadt zich in het gebrek aan nauwlettende waakzaamheid, die ons zeggen zou, dat de vrouwenbeweging, op het gebied van den arbeid althans, meer en meer ingrijpt in de sociale vraagstukken van den dag. Het openbaart zich vooral in de onbekwaamheid om in te zien, dat de vrouwenbeweging juist door hare groote vorderingen van den laatsten tijd hoe langer hoe ingewikkelder wordt en dat hierdoor steeds grooter moeilijkheid ontstaat, om zich op een beslist maar onpartijdig standpunt te plaatsen tegenover de daartoe behoorende zeer verschillende onderwerpen.

Hiervoor is het onder anderen bepaald noodig dat den vrouwen meer gelegenheid gegeven worde om zich te beschaven en te ontwikkelen. Goed. Maar of al die inrichtingen van onderwijs ook de persoonlijkheid als zoodanige ontwikkelen, daaraan zou ik twijfelen. Immers wij hebben de fijnste en beminnelijkste personen ontmoet onder weinig geleerde dames van zeventig en tachtig jaar; en het scherpzinnig eigen oordeel dezer dames, evenzoo als dat van sommige vrouwen en meisjes, die nimmer geregeld onderwijs ontvingen, is wel geschikt om onze moderne, over alles meê-pratende, "ontwikkelde" vrouwen en meisjes beschaamd te doen staan.

Het is niet meer dan billijk dat het loon voor vrouwelijken arbeid verhoogd worde; maar wordt die arbeid werkelijk in diezelfde verhouding beter? Kan men het wel van het meerendeel van die, over haar lessenaar gebogen zittende vrouwen verlangen, dat zij eene levendige belangstelling voor haar dagwerk zullen koesteren, terwijl haar eigen innerlijk wezen slechts aan het woord komt als zij over eene wieg gebogen staan?

Er is veel voor te zeggen dat ook dochters van rijke ouders naar een werkkring verlangen. Maar ligt het gevaar niet voor de hand dat zij, die met gering loon tevreden kunnen zijn, den arbeid ontstelen aan andere, misschien meer bevoegde arme vrouwen en mannen, die, omdat zij van hunne verdiensten moeten leven, genoodzaakt zijn hooger loon te vragen? Terwijl deze en nog veel meer vragen onbeantwoord blijven, verbaast men er zich over, hoe het conventionalisme zich onvoorwaardelijk verheugt over de vele jonge meisjes die studeeren, of voor een algemeenen arbeid de ouderlijke woning verlaten, waar zij toch zoo nuttig en noodig zijn; al zouden wij de laatsten zijn, om den horizont der vrouw, zooals in grootmoeders dagen, tot keuken, kinderkamer en huiskamer te willen beperken.

Het is tot heden nog altijd niet beslist of de vrouw, in fysiologisch en psychologisch opzicht zoo bijzonder welvaart, of hare gezondheid en gelijkmatigheid verhoogd wordt, door in den strijd om het bestaan mede te dingen. De vrouw op dit standpunt is een nieuw onderwerp voor studie en slechts de volle vrijheid tot arbeidskeuze en persoonlijke ontwikkeling dezer eeuw, zal de stof leveren tot het maken van weloverwogen gevolgtrekkingen.

De teekenen des tijds duiden het aan: altijd zal er een op lichamelijk verschil gebouwd, onvermijdelijk geestelijk onderscheid tusschen den man en de vrouw blijven bestaan; een onderscheid, dat haar hoogst waarschijnlijk bij voorkeur tot de in het huisgezin scheppende kracht zal blijven stempelen, terwijl hij bij voorkeur zich zal blijven wijden aan den arbeid der kultuur op algemeen gebied en dàar zijn scheppingsdrang zal trachten te bevredigen. Maar er is geen zeggen van hoever eene volkomene gelijkstelling met den man, eene onbeperkte ontwikkeling op het gebied van den arbeid, de vrouw zal kunnen brengen, ten opzichte van het besturen der maatschappij en van de kultuur, als groot geheel beschouwd.

De hierbovengenoemde, in onze dagen door oppervlakkige vrouwen en meisjes onvervaard nagepraatte gezichtspunten op de vrouwenbeweging, verhinderen juist de vrouwelijke ontwikkeling van het individu, door de vele en groote raadselen in de natuur kalm voorbij te zien.

Daarentegen vormen de eenmaal aangenomene denkbeelden van zelfverloochening als de uitdrukking der echte vrouwelijkheid, op hunne beurt het doorbreken der vrouwelijke persoonlijkheid van uit de nevelen der vormen en gebruiken in de maatschappij.

Met een zalig gevoel te gronde te mogen gaan voor een innig dierbaar wezen, is voorzeker een van de schoonste voorrechten der vrouw. Maar door dit onder alle omstandigheden te verheffen tot haar ideaal, had de vrouw haar eigen ontwikkeling in den weg gestaan, evenzoo als die van den man.

Als men de huwelijken uit de vorige generaties vergelijkt met die van het jonger geslacht, dan valt er bij de mannen van heden een grooten vooruitgang waar te nemen, ten opzichte van oplettende teederheid voor en sympathieke waardeering van de thans meer persoonlijk levende en hierom meer eischende vrouwen. Beide partijen hebben er bij gewonnen dat de vrouw begonnen is zich te oefenen in de moeilijke kunst van zichzelf-opheffende zelfverloochening. Want voor elk waarlijk liefhebbend vrouwenhart is het oneindig moeilijker haar recht te eischen dan dit op te offeren.

De vereering van het conventioneele vindt bij voortduring krachtigen steun bij de opvoeding.

Voorzeker men onderdrukt tegenwoordig niet meer, of althans hoogst zelden, de individualiteit van een kind op de voorheen gebruikelijke ruwe en wreedaardige manier. Maar zij verdwijnt toch hoe langer hoe meer. In den ouden tijd genoten de kinderen van een zekere vrijheid in de kinderkamer, waar de ontwakende persoonlijke gewaarwordingen van blijdschap en verdriet, van liefde en tegenzin, niet voortdurend in toom behoefden te worden gehouden. Thans zijn de kinderen om en bij de volwassenen en dit samenzijn legt hun reeds vroeg de taak op de jonge schouders, van dwang en fatsoen.

De kinderen moeten bezig gehouden worden, dat is hun recht; zij kunnen niet meer op hun eigen gelegenheid spelen, want zij hebben den lust verloren die voorheen gebouwd was op de vrijheid der altijd weder scheppende kinderlijke verbeeldingskracht; zij hebben er ook den slag niet meer van om "aardig alleen te spelen".

Op deze manier hebben de ouders geen rust en de kinderen evenmin. Altijd met volwassenen te zamen zijnde, worden zij zoo aanmatigend, dat de gehoorzaamheid er onder lijden moet. Dus leeren zij zich niet voegen; zij raken niet gewoon aan de voor hunne ontwikkeling zoo noodige orde en tucht; zij leeren ze niet, die moeilijke, maar onmisbare les van levenswijsheid: hunne opwellingen van minder beteekenis te onderdrukken voor iets van ernstiger aard en ook in deze zich te voegen onder de beproevingen van het kinderleven--eene ontginning van de woeste gronden van het kinderlijk karakter, waarmede men zeer vroeg beginnen moet om er een vruchtbaren akker van te kunnen maken.

Deze ontginning heeft plaats als de opvoeder zelf duidelijk weet, wat hij als hoofdzaak bij de ontwikkeling van het kinderlijk verstand beschouwt en hiermede rekening houdende, zijn bevel en verbod weet toe te passen; deze moeten weinig in aantal zijn, maar onwrikbaar vast gehouden worden als wetten der natuur; en waar tegen deze gezondigd werd, moet hij het kind niet met door hem bedachte, onzinnige straffen plagen, maar het eenvoudig de gevolgen van zijne ongehoorzame handelwijze laten ondervinden en aanwijzen. Zoodoende kan men, door zich aan vaste beginselen te houden, een natuurkind vormen tot een beschaafd mensch, dat uit ontzag voor zichzelf en anderen, zijne driften, als die met de maatschappij in botsing komen, weet te beteugelen,--zonder dat daardoor het persoonlijk gevoel wordt onderdrukt. Want buiten het gebied dezer bestaande, onveranderlijke wetten, moeten de kinderen nooit worden gedwongen of aangemaand, om in strijd met hunnen aard en aanleg te handelen; laat hen daarin hunne gezonde zelfzucht en hun eigenaardigen smaak ongehinderd botvieren.

Er zijn vele moeders die, door zichzelve onverstandig al te zeer op den achtergrond te plaatsen, de volstrekt niet te verdedigen zelfzucht harer kinderen aankweeken. Daarentegen verlangen zij op andere oogenblikken van diezelfde kinderen eene mate van zelfbeheersching, van bedachtzaamheid, gematigdheid en ontzag, die een geheel leven meestal niet in staat was, die moeders te leeren. Van de zachte stof die bedoeld was een persoonlijk wezen te worden, maken ouders, dienstboden en onderwijzers een man of vrouw van de wereld; in sommige gevallen een bruikbaar lid der maatschappij--maar zeer zelden een mensch.

Deze vorming noemt men opvoeding. Nu moet wel een gedeelte van de vroegste opvoeding inderdaad in zulk vormen bestaan, zooals ik onlangs zeide. Maar na de eerste levensjaren moet het hoofddoel der opvoeding wezen, juist al wat louter vorm is, te verjagen; de volle vrijheid te laten tot ontwikkeling van de éenige kracht, die in 't groot geheel beschouwd, voor de menschenwereld het feit dat nieuwe geslachten de ouden vervangen, belangrijk maken kan: de kracht der nieuwe, oorspronkelijke persoonlijkheid.

Ieder kind vormt een nieuwe wereld--eene wereld, waarin zelfs niet het oog der teederste liefde geheel vermag door te dringen. Hoe trouwhartig dat open kinderoog ons moge aanzien; hoe vol vertrouwen het zachte handje in onze hand wordt gelegd--toch zal dit jonge menschenkind ons misschien later kunnen vertellen hoeveel verdriet het er van gehad heeft, door ons te worden behandeld alsof kinderen eenvoudig herhalingen van het bestaande waren, niet oorspronkelijke, nieuwe, persoonlijke schepsels. En in zekeren zin is het kind ook eene herhaling van de kindernatuur in alle tijden; maar tegelijk, en in een veel hoogeren graad, eene geheel nieuwe samenstelling van hoedanigheden naar geest en lichaam; die aanleiding geven tot blijdschap en smart, tot kracht en zwakheid.

Dit nieuwe jeugdige menschje moet, op eigen verantwoordelijkheid, op goed geluk vertrouwend, het vreeselijk-ernstige leven intreden. Wat het zal kunnen leveren aan scheppende krachten, aan nieuwe beginselen; wat het bezitten zal aan geestelijke veerkracht onder den druk van het noodlot; aan de kracht om gelukkig te maken en gelukkig te zijn--dit alles hangt, behalve van de aangeboren natuur, in zeer ernstige mate af van de manier van opvoeding, die op dit persoonlijk kindergemoed wordt toegepast.

Reeds Goethe klaagde er over dat de ouderlijke tucht,--de opvoeding over het algemeen,--trachtte persoonlijke wezens tot ledepoppen te maken. En dit is sedert nog veel erger geworden; de opvoeding is door schoolmeesters in de hand genomen, maar er niet zielkundiger op geworden.

Alleen hij die de gevoelens, den wil en de rechten van het kind behandelt, evenzoo voorzichtig als die van een volwassen mensch; die aan de persoonlijkheid van het kind geen andere beperkingen opdringt dan die der natuur en dezulke die op goede gronden noodig zijn voor het welzijn van het kind en zijne kameraadjes, alleen hij kan met recht aanspraak maken op den naam van een opvoeder der jeugd. De opvoeding behoort zeker ten doel te hebben de persoonlijke ontheffing van de overmacht der eigene hartstochten. Maar nooit mag zij haar streven zoo ver richten die hartstochten uit te roeien of ter zijde te dringen. Zij toch vormen juist de kracht der persoonlijkheid, die nu eenmaal niet kan bestaan zonder gevaar voor de daaraan gepaard gaande gebreken.

Het overwinnen van de in elk gemoed levende gebreken door het opkweeken der daarmede gepaard gaande goede hoedanigheden in datzelfde gemoed--dit alleen is eene zuiver persoonlijke opvoeding. En deze methode werkt uiterst langzaam; het onmiddellijk handelen beteekent hierbij zeer weinig; de geestelijke atmosfeer van de huiskamer, huiselijke gewoonten en illusies zijn daarentegen bijna alles. Het komt er vooral op-aan dat de opvoeder de kunst versta van afwachten, van het berekenen der werking die de toekomst zal geven--minder waarde te hechten aan het heden.

Er zijn ouders en opvoeders die gelooven het kind voor later verdriet te bewaren door het "in zijne eigenzinnigheid tegen te gaan", zooals men dit noemt. Men bedenkt dan niet, dat door op deze wijze een kind te dwingen iets te doen dat lijnrecht in strijd is tegen zijnen aard, niets anders bereikt wordt dan dien natuurlijken aanleg te verflauwen; vaak zelfs behoudt men alleen de zwakheid van het karakter, zonder de daarmede vroeger vereenigde kracht.

Vaak denkt men er niet eens zooveel bij en wordt men alleen tot zulk eene handeling geleid, door het gedachteloos navolgen van den ouden sleur, die leerde dat zelfverloochening het ideaal van den mensch is. Men onderdrukt den lust tot onderzoek in zijn ondernemenden geest; men kwetst zijn zoo bijzonder prikkelbaar gevoel voor 't schoone; men oefent dwang uit op zijne meest persoonlijke uitingen, zijne bewijzen van teederheid; men berispt zijn tegenzin en dempt zijne geestdrift. Onder deze en dergelijke inbreuken op hunne persoonlijkheid, op hunne bijzondere gevoelens en neigingen groeien de kinderen, vooral de meisjes, tegenwoordig meest allen op. Daarom is het waarlijk niet te verwonderen dat de volwassenen zelden op hunne kindsheid terug zien als op een gelukkigen tijd.

Een krachtig bewustzijn van te leven, 't gevoel van volheid, heelheid, veelzijdige krachtsontwikkeling, van willen en kunnen--dat is geluk. Kinderen hebben dezelfde voorwaarden tot geluk, eigenlijk meer nog dan volwassenen, want zij kunnen van dien levenslust meer onverdeeld genieten. Men moest hen van deze mogelijkheid om gelukkig te zijn vrij laten gebruik maken zoolang zij nog onder de leiding hunner ouders staan en dezen macht over hen hebben. Maar al te spoedig beginnen zij, op hun eigen handje proefnemingen te doen; geld te verdienen, 't vermaak op te zoeken; en in dat gevaarlijke tijdperk van het jonge leven blijkt geene opvoedingsmethode van grooter invloed en van meer belang te zijn, dan deze: te zorgen dat het kind niet te veel is opgevoed, zoodat het eigen krachten over heeft voor het rijke, maar ernstige, leven dat hem wacht; dat wil zeggen: om 's levens lasten te dragen; van zijne vreugde te genieten; zijn arbeid te verrichten; zijn eigen oordeel te behouden; zich met hart en ziel toe te wijden aan de hem opgelegde levenstaak;--dit toch is de groote en éenige voorwaarde om gelukkig te kunnen leven, te beminnen en te sterven.