Part 6
Bij weigering van de registratie van het werkcontract (dus niet van de daarin gebrachte wijziging), wordt de werkman, tenzij hij verlangt te blijven en ten genoegen van het plaatselijk bestuur aantoont, genoegzame middelen van bestaan te bezitten of door werkzaamheid te kunnen verkrijgen, met de eerstmogelijke gelegenheid voor rekening van den werkgever door het plaatselijk bestuur naar de plaats van aanwerving teruggezonden, wanneer dit althans niet door den werkgever zelven wordt gedaan.
De werkgever blijft aansprakelijk voor het onderhoud van den werkman tot het oogenblik, waarop deze wordt teruggezonden.
De in dit artikel bedoelde contracten zijn vrij van zegel en worden ingeschreven in een register, ingericht volgens een door den Gouverneur-Generaal vast te stellen model.
Van de registratie wordt door het betrokken Hoofd van Plaatselijk Bestuur op beide exemplaren aanteekening gehouden, met vermelding van den datum, op welken zij heeft plaats gehad.
Een exemplaar wordt daarna teruggezonden aan den werkgever, terwijl het andere blijft berusten bij den ambtenaar, die het heeft geregistreerd.
Bij de registratie moet voor rekening van den werkgever één gulden betaald worden voor elken werkman, die zich bij het te registreeren contract heeft verbonden. Deze gelden worden maandelijks door de betrokken ambtenaren in ’s lands kas gestort.
Art. 4.
De werkman mag zich van de onderneming, waar hij werkzaam is, niet verwijderen zonder schriftelijke vergunning, afgegeven door den ondernemer, diens administrateur, of iemand door of van wege den ondernemer daartoe aangesteld, behalve op vrije dagen, en wanneer hij wegens slechte behandeling klachten tegen den werkgever of diens personeel gaat uitbrengen.
Hij is verplicht geregeld zijn arbeid te verrichten, de hem door den werkgever of diens personeel gegeven bevelen getrouw na te komen, en in alles zich overeenkomstig zijn contract te gedragen.
Art. 5.
De werkgever is verplicht zijne werklieden goed te behandelen, hun geregeld de bedongen loonen te betalen, hun kosteloos eene voegzame huisvesting en behoorlijke geneeskundige verpleging met inbegrip der noodige medicamenten te verschaffen, ook in geval van verwondingen niet in zijn dienst ontstaan, en zorg te dragen voor goed bad- en drinkwater.
Hij is tevens verplicht zijne werklieden te voorzien van een kaart, waarvan het model door het Hoofd van Gewestelijk Bestuur wordt vastgesteld en waarop de naam of de namen, de landaard of stam, de werkelijke of gegiste ouderdom, de lichaamslengte in centimeters, de kenbare teekenen, de datum van indiensttreding en de duur der overeenkomst van den betrokken werkman moeten worden aangerekend, benevens de naam van de onderneming waartoe hij behoort, en de dagen, waarop hij vrij is.
De werklieden zijn verplicht die kaart steeds bij zich te dragen als zij zich van de onderneming verwijderen en dezelve op aanvraag van het bestuur te vertoonen.
Op het overeengekomen loon van den arbeider mag geen andere inhouding plaats vinden dan die, welke bij de overeenkomst bepaald is, en die wegens betalingen, waartoe de arbeider bij rechterlijke uitspraak veroordeeld is zoomede het opvatloon bij desertie.
Desverlangd is de ondernemer verplicht aan de besturende ambtenaren inzage te geven van het boek, dat de rekening courant der arbeiders bevat.
Art. 6.
Geschillen over de uitlegging van het contract worden zooveel mogelijk bij minnelijke schikking, zonder vorm van proces, door het hoofd van plaatselijk bestuur vereffend.
Waar zulks niet mogelijk is, verwijst hij partijen, zoo noodig, naar den burgerlijken of den strafrechter.
Art. 7.
De werkgever is verplicht den werkman bij het einde van het contract een ontslagbriefje te geven.
Het model van dat ontslagbriefje wordt vastgesteld door het Hoofd van Gewestelijk Bestuur.
De werkgever is verplicht op het ontslagbriefje te vermelden den naam of de namen, den landaard of stam, den werkelijken of gegisten ouderdom, de lichaamslengte in centimeters en de kenbare teekenen van den werkman, ten wiens behoeve het is afgegeven.
Binnen acht dagen na het ontslag geeft de werkgever daarvan schriftelijk kennis aan het hoofd van plaatselijk bestuur, dat van het ontslag aanteekening houdt in het register.
Art. 8.
Bij behoorlijk geconstateerde voortdurende ongeschiktheid tot den arbeid, waarvoor de werkman zich verbonden heeft, kan de werkgever, met voorkennis van het hoofd van plaatselijk bestuur, het aangegaan contract als ontbonden beschouwen.
Werklieden, die wegens het eindigen van hun werkcontract zijn ontslagen, of wier werkcontract door den werkgever niet is nagekomen, dan wel tengevolge van behoorlijk geconstateerde voortdurende ongeschiktheid tot den arbeid, waarvoor zij zich verbonden hebben, als ontbonden wordt beschouwd, worden—tenzij zij verlangen te blijven en ten genoegen van het plaatselijk bestuur aantoonen genoegzame middelen van bestaan te bezitten of door werkzaamheid te kunnen verkrijgen—met de eerstmogelijke gelegenheid door het plaatselijk bestuur voor rekening van den werkgever naar de plaats hunner aanwerving teruggezonden, wanneer dit althans door den werkgever zelven niet wordt gedaan. Deze blijft voor het onderhoud van den werkman aansprakelijk tot het oogenblik van terugzending.
Art. 9.
Elke willekeurige inbreuk op het werkcontract wordt gestraft: aan den kant van den werkgever met een geldboete van ten hoogste f 100 (één honderd gulden), zullende bij herhaling het hoofd van gewestelijk bestuur bevoegd zijn het contract ontbonden te verklaren;
aan den kant van den arbeider met een geldboete van ten hoogste f 50 (vijftig gulden), of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste één maand.
De arbeider, die reeds éénmaal wegens willekeurige inbreuk op het werkcontract is veroordeeld, wordt bij herhaling van het feit gestraft met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste drie maanden, zullende het hoofd van gewestelijk bestuur ook in dit geval bevoegd zijn het contract ontbonden te verklaren, indien de werkgever zulks verlangt.
De feiten, waardoor de werkman geacht wordt op zijn werkcontract willekeurig inbreuk te maken, zijn:
a. niet voldoening aan de verplichting, omschreven in No. 10 van artikel 2; b. desertie; c. voortgezette weigering om te werken.
Art. 10.
Verzet, beleediging of bedreiging tegen de werkgevers of hun personeel, rustverstoring, verregaande luiheid, dienstweigering, opruiing tot desertie of tot dienstweigering, vechterij, dronkenschap en dergelijke vergrijpen tegen de goede orde, worden, indien het feit niet als misdrijf is aan te merken, gestraft met eene geldboete van ten hoogst f 25 (vijf en twintig gulden), of met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste twaalf dagen.
Art. 11.
Het aanmoedigen tot nietnaleving van werkcontracten, of het begunstigen daarvan door het verleenen van huisvestiging aan- of het indienstnemen van een werkman, die niet door een behoorlijk ingevuld ontslagbriefje of door een van wege het Bestuur aan hem uitgereikt schriftuur heeft bewezen geheel vrij te zijn van dienstverplichtingen tegenover anderen, wordt, elke overtreding op zich zelve, gestraft, voor zooveel Europeanen of met dezen gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste f 100 (één honderd gulden) of gevangenisstraf van ten hoogste acht dagen, en voor zooveel Inlanders of met dezen gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste f 50 (vijftig gulden) of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste één maand.
Art. 12.
Willekeurige inbreuk op het contract, door den werkman gepleegd, wordt alleen vervolgd op aanklacht van den eigenaar of administrateur der onderneming, waartoe de werkman behoort.
De werkman, die voor de eerste maal ter zake van desertie terecht staat, kan de straf voorkomen, indien hij met goedvinden van den aanklager, vóór de oplegging vrijwillig naar zijn meester terugkeert.
Art. 13.
Overtredingen van de voorschriften dezer ordonnantie, waartegen geen bepaalde straffen zijn bedreigd, worden gestraft voor zooveel Europeanen en met dezen gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste ƒ 100 (een honderd gulden); voor zooveel Inlanders en daarmede gelijkgestelden betreft, met eene geldboete van ten hoogste ƒ 25 (vijf en twintig gulden) of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste twaalf dagen.
Art. 13a.
Arbeiders, die tijdens den duur der overeenkomst buiten de onderneming terechtgestaan of eene vrijheidsstraf ondergaan hebben, dan wel zij, die na eene afwezigheid wegens verlof, ziekte of anderszins, niet derwaarts binnen den toegestanen of door het plaatselijk bestuur voldoende geachten tijd terug keeren, kunnen op kosten van den werkgever door de politie, of namens deze door personeel van den werkgever naar de onderneming teruggevoerd worden. Deze bepaling geldt mede ten aanzien van werklieden bij den bouw van den Staatsspoorweg ter Sumatra’s Westkust en bij spoor- en tramwegondernemingen voor publiek verkeer in de Residentie Oostkust van Sumatra, die op den voet der ordonnantiën van 18 Augustus 1889 (Staatsblad No. 182) en 24 December 1891 (Staatsblad No. 264) krachtens eene schriftelijke overeenkomst in dienst zijn genomen.
Art. 14.
Deze ordonnantie treedt in werking den 1en October 1889.
AANTEEKENINGEN
[1] Woorden van de Java-Bode, 9 April 1902. Zie tot staving van dit argument de advertentie op pag. 37 en 42.
[2] Overgenomen uit het verslag van de Deli-Courant van 1 April 1902.
[3] De heer Lefèbre c. s.
[4] Een keurig argument, waar ik juist die praktijk bestrijd.
[5] Alleen te Medan een heel klein Protestantsch kerkje, waarvoor men in dit land der millioenen, na een gesukkel van eenige jaren ƒ 14000.— bijeen wist te brengen en een atappen huis, dat als kerk voor de Roomsch-Katholieken bij het jaarlijksch bezoek van den pastoor dienst doet.
[6] Dag der uitbetaling der loonen aan de koelies.
[7] Sumatra-Post, 5 April 1899.
[8] Sumatra-Post, 7 Augustus 1902.
[9] Hoofd-administrateur der Koninklijke Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Ned.-Indië.
[10] Hoofd-administrateur der Medan Tabak Mij.
[11] Hoofdadministrateur der Deli Mij.
[12] Administrateur van Bindjei Estate.
[13] Hoofd-administrateur van de Mij. Arendsburg.
[14] Planters: hier gebruikt voor het meer omvattende „lieden, die voor hunne ondernemingen (van landbouw of van nijverheid) contract-koelies gebruiken.”
[15] Toch spoeden zich de hoogste ambtenaren, zoowel als de onafhankelijkste particulieren met hunne vrouwen en dochters naar de paleizen dezer hoofden ten dage hunner recepties.
Ook zijn deze menschen Rechters in den Landraad!
[16] Zonder schuld.
[17] Eerbewijs.
[18] Onder de planters heeft men drie categorieën: toean ketjil (de assistent), toean besar (de administrateur), toean-maatschappij (de hoofd-administrateur).
[19] Dat is: de controleur.
[20] Overtredingen.
[21] Medelijden.
[22] Zie blz. 53.
[23] Het dreigement hielp den administrateur ditmaal niet. Wel had hij gelijk, wat het toetoepen der andere zaken betrof, doch hiervoor was een ander magistraat verantwoordelijk, dan de betrokken controleur.
[24] Hoe ongelooflijk schijnbaar ook, is dit voorgekomen. Men begrijpt, dat voor sommige chefs kieschkeurigheid bij hunne ondergeschikten eene minder gewenschte eigenschap is. Het is in zulke gevallen minder gebrek aan tact tegenover den Chinees, dan tegenover den superieur.
[25] Palen.
[26] De huizen in Deli staan alle 1 à 2 M. boven den grond, op steenen neuten of op houten palen.
[27] Oproer onder de koelies.
[28] Over de beteekenis dezer uitdrukking, zie pag. 54.
[29] Oppasser.
[30] Is het mogelijk onchristelijker, onmenschelijker te zijn? vraagt F. A. White in het nummer van September 1901 der Westminster Review, waaraan het aangehaalde ontleend is.
[31] Dit geschiedde in ’t jaar 1900.
[32] Winkel op de onderneming.
[33] Wrok gevoelden.
[34] Tiencentstuk.
[35] Kunstgreep, list.
[36] Het Residentiegerecht en de Landraden, waar een rechterlijk ambtenaar praesideert, blijven hier buiten beschouwing. Ik spreek alleen over de berechting der overtredingen der koelie-ordonnantie door koelies.
[37] Sumatra-Post ddo. 9 Augustus 1902.
[38] Dwangarbeid.
[39] Technische benaming voor minderwaardige koelies.
[40] Chineesche opzichter.
[41] Cultuur-onderneming.
[42] Overgenomen uit de correspondentie van D. E. Liaan in de Java-Bode van 31 December 1901.
[43] Uit de beoordeeling dezer zaak door de Deli-Courant.
[44] De schrijver van dit boekje.
[45] Het verloop dezer zaak is te eigenaardig, te teekenend om het den Lezer te onthouden. Ziehier dan, wat het gevolg was mijner aanklacht:
1e de Resident gaf bevel tot vervolging van... Goh Tjau Hin; 2e het onderzoek toonde de volkomen onschuld aan van den Chinees; 3e Goh Tjau Hin zag zijn 530 dollars nooit terug; 4e de controleur H. E. Muller bleef gehandhaafd en spreekt nog recht te Bindjey; 5e Goh Tjau Hin verkocht zijne bezittingen en vluchtte naar China, naar hij mij zeide, omdat hij vreesde, dat de controleur hem zou zoeken en hij zich niet opgewassen voelde tegen zoo’n groot heer; 6e het vertrouwen der bevolking in de rechtspraak van dezen Magistraat... wat dunkt u, Lezer?
[46] Werkploegen.
[47] Tijdelijke woningen.
[48] Tooneel.
[49] Winst.
[50] Vertaling van Tanah Kringet.
[51] Een soort rok, het voornaamste kleedingstuk der Javaansche vrouw, dat minstens één dollar kost en waar zij niet buiten kan.
[52] De Sultan van Deli schijnt blijkbaar de zegeningen der koelie-ordonnantie, in tegenstelling met het Gouvernement van Ned.-Indië, voor zijne onderdanen niet te wenschen.