De millioenen uit Deli

Part 5

Chapter 53,600 wordsPublic domain

Men denke slechts aan Alexander den Grooten met zijn gordiaanschen knoop en aan Salomo in het kinderproces. Om het echter met succes te doen, moet men, en wel niet uitsluitend in eigen verbeelding, onbeperkt autocraat zijn en tevens bezitter van salomonische wijsheid of alexandrinisch talent. Is dit niet het geval en is men, bijvoorbeeld, modern controleur B. B. in plaats van antiek despoot, dan wil het wel eens gebeuren bij het toepassen der doorhakmethode, dat men zich in de vingers hakt, wat niet zoo heel erg is, of in de rechtsbedeeling, wat wel erg is. Zoo’n controleur heet dan bij sommigen net zoo lang „een flink magistraat, die er van houdt, spoedig te decideeren”, [43] totdat die sommigen zelve eens een salomonisch-onrechtmatige veeg uit de pan krijgen.

Onlangs had een Chinees, Goh Tjau Hin, groot rijsthandelaar te Bindjey, een geschil met de bijvrouw van zijn overleden vader. Zij verlangde de uitlevering van een paar gouden armbanden, haar door haren man geschonken en, naar haar zeggen, voor zijn dood hem door haar weder in bewaring gegeven. Hij beweerde die niet in zijn bezit te hebben. Goed, dan maar samen naar den kapitein-Chinees en hem de zaak voorgedragen. Deze dignitaris legde Goh Tjau Hin een eed op, waarin deze moest verklaren, dat hij de armbanden niet had.

Goh Tjau Hin zeide echter, dat die armbanden niet door hem in den boedel waren aangetroffen, dat ze ook niet aan hem in bewaring gegeven waren, dat hij ze in elk geval niet had en er vriendelijk voor bedankte, om in deze zaak een eed af te leggen.

Een beetje later werd hij geroepen bij den controleur van Bindjey, die onmiddellijk in de volheid zijner macht aan het knoopen doorhakken ging. Goh moest òf den eed zweren, die dus nu door den controleur werd opgelegd, òf de armbanden aan de vrouw geven, òf.... hij ging den pot in. Hij had ze niet en wilde niet zweren? Nu, dan maar in den kerker! En Goh werd afgevoerd naar de gevangenis. Nadat hij hierin een paar uren had doorgebracht, om na te denken over de dwalingen zijns weegs en over het ongepaste, dat er in stak een machtigen mandarijn van het zilveren passement niet onmiddellijk zijn zin te geven, werd hij in vrijheid gesteld, daar een aantal andere Chineesche handelaren voor hem instonden. Invrijheidstelling onder borgtocht is, geloof ik, iets nieuws in onze wetgeving. Maar voor welke doortastendheden staat een Alexander?

De controleur gaf hem vier en twintig uur tijd, om tot inkeer te komen. Als hij dan nog niet zoo ver was, zou hij weder in de doos gestopt worden.

De geplaagde Goh spoedde zich naar Medan en vroeg raad aan Mr. Van den Brand [44], wien hij zijne zaak voorlegde. Het liefst wilde hij maar, om van de zaak af te zijn, de waarde der armbanden, die hij inderdaad niet had, betalen, want hij vreesde voor de bedreiging van den controleur, voor benadeeling in zijne zaken, voor zijne vrijheid, ja zelfs voor zijn leven.

Voor zijn leven?

Och, volgens een dwaas gerucht zou het eens zijn voorgekomen, dat in de gevangenis te Bindjey een gevangene door andere gevangenen geworgd is. En zoo’n domme Chinees maakt daaruit natuurlijk de dolste gevolgtrekkingen.

Onder den invloed van al die angsten en vreezen betaalde dan ook onze Goh den volgenden dag, na nogmaals voor de omineuze keus gesteld te zijn, in handen van den controleur van Bindjey 530 dollars, de waarde der armbanden, af te geven of in de gevangenis te worden geworpen. De dingen zelf had hij dus blijkbaar werkelijk niet.

En hiermede was de zaak uit? Niet naar de meening van Mr. Van den Brand, die van oordeel was, dat men, ook ten opzichte van een Chinees, niet maar roughshod over de rechtsbedeeling mocht heenrijden en iemand door onwettige bedreigingen intimideeren; dat de zaak eene zuiver burgerlijke was, loopende over een bedrag hooger dan ƒ 250.— en dus niet behoorende tot de competentie van den controleur, die niets anders had mogen doen, dan voor de eischeres een introductief rekest aan den landraad opmaken en zeer zeker niet mir nichts dir nichts den Chinees in de gevangenis had mogen stoppen; dat de controleur eene jammerlijke begripsverwarring getoond had omtrent burgerlijke en strafrechterlijke zaken, daar, wanneer hier aanleiding ware geweest tot een strafrechterlijke vervolging, het ongehoord onzinnig was den verdachte, onder bedreiging nog wel, een eed op te leggen en dat de controleur in dat geval de zaak had moeten instrueeren, voor den landraad brengen en anders niets; zoodat hij met zijne zonderlinge „berechting” in elk geval buiten zijne bevoegdheid was gegaan en misbruik had gemaakt van zijn gezag.

Om deze redenen vestigde Mr. Van den Brand de aandacht van den resident, als hulpofficier van justitie, op de zaak en verzocht hem, tegen den controleur van Bindjey eene strafrechterlijke vervolging in te stellen.

Goede hemel, welke minutieuze onderscheidingen! Wie lette nu in de dagen van Salomo of Alexander op zulke kleinigheden? Het moest eenvoudig verboden zijn om „een flink magistraat, die er van houdt om spoedig te decideeren”, zoo op de vingers te kijken.

En de „berechte” was maar een Chinees. [45]

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ + + + N. V. SOESMAN’S + + + + Emigratie-, Vendu- en Commissiekantoor + + + + SEMARANG. + + + + Beveelt zich minzaamst aan voor de + + levering van + + + + Krachtig Javaansch Werkvolk + + + + Vertegenwoordiger in + + + + MEDAN (Polonia), + + + + P. Ph. KUYP. + + + + Telefoon No. 19. + + + ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

HET SJOEKOELIËN.

Gelijk in vroegere eeuwen een veldheer bij het begin van den winter zijne troepen terug- en bijeentrok, ten einde de winter-kwartieren te betrekken, zoo concentreert in de maanden September of October, bij het begin van den zoogenaamden schuurtijd, de beheerder eener tabaksonderneming zijne koelies op het hoofd-etablissement, ook wel het emplacement genaamd.

Daar bevindt zich de fermenteerschuur, alwaar de tabak, na gedroogd te zijn, wordt gefermenteerd, gesorteerd en gebundeld, om daarna geperst, in balen verpakt naar Europa te worden gezonden. Om dezen tijd—het einde van het oogstjaar—loopt ook van de meeste koelies het contract af en heeft de afrekening plaats.

De verschillende kongsie’s [46] worden in de pondoks [47] onder dak gebracht en er heerscht overal groote bedrijvigheid.

Nu is het voor de onderneming van het grootste belang, dat zoo weinig mogelijk arbeiders gebruik zullen maken van de vrijheid, die hun reeds tegenlacht en zoovelen mogelijk zich opnieuw zullen verbinden. Hoe echter dit doel te bereiken? Geen koelie, die reeds eenmaal de zegeningen der koelie-ordonnantie heeft ondergaan, is bereid, voor de tweede maal zijne vrijheid te offeren, zoo hij nog eenige kans ziet op andere wijze aan den kost te komen. Er dient dus voor gezorgd te worden, dat de koelie vóór de afrekening, die hem met een zeker bedrag aan dollars ook de vrijheid hergeeft, reeds het hem toekomende heeft opgemaakt en in geldverlegenheid is.

Ziehier, tot welke middelen om dit edele doel te bereiken de planter, die er overigens op staat, voor een gentleman te worden gehouden, zijne toevlucht neemt. Men zal de koelies in de gelegenheid stellen, na verrichten arbeid wat afleiding te zoeken in gepaste vermaken. Daartoe worden gelegenheden tot dobbelen opengesteld, terwijl ook, wat anders nooit geoorloofd is, beroeps-prostituées op de onderneming worden toegelaten. Een wajang [48] gezelschap slaat op het etablissement zijne tenten op en geeft dagelijks voorstellingen. De hoofdtandil beweegt zich zoo vriendschappelijk als nooit onder de koelies en is bereid, ieder die er om vraagt, geld te leenen, dat ingehouden zal worden bij de finale afrekening, welke de koelie binnen kort van de administratie ontvangen zal. De hoofdtandil geniet bij deze gelegenheid een bijna onbeperkt crediet bij de onderneming, daar men weet, waarvoor de aangenomen gelden dienen zullen. Hoewel men dat niet altijd uitdrukkelijk zegt, is het namelijk eene stilzwijgende voorwaarde, dat die gelden zullen strekken, om uitgeleend te worden aan de koelies, wier werkcontract verstreken is, of wier toekomstig aandeel hunne schuld aan de onderneming overtreft.

Vrouwen, dobbelspel en tooneel, welke koelie kan op den duur aan die trits van verleidingen weerstand bieden? Hoevelen zijn sterk genoeg, niet voor de verzoeking te bezwijken? En het geld is zoo gemakkelijk te krijgen! De hulpbereide hoofdtandil is steeds bij de hand en zijn vertrouwen in den koelie in deze dagen onbegrijpelijk groot. Maar, niet waar, waarom ook zou hij niet, tegen een billijke vergoeding natuurlijk in den vorm van rente, den koelie, die zoovele maanden gezwoegd heeft, een pleiziertje gunnen?

En zoo hoereert en dobbelt de koelie gedurende den schuurtijd naar hartelust, terwijl van tijd tot tijd een tooneelvoorstelling zijn geest verheffend bezig houdt.

Helaas, wanneer de dag der afrekening is aangebroken, zal hij te laat inzien, wat hem zijne lichtzinnigheid heeft gekost! Zijne schuld aan den hoofdtandil toch zal gewoonlijk grooter blijken dan het hem toekomend saldo. Wat te doen? De ondernemer alleen kan helpen en wil helpen, indien de werkman van zijnen kant slechts wil sjoekoeliën, d. i. een nieuw contract sluiten. Terstond kan de koelie dan opnieuw het gebruikelijke voorschot ontvangen.

Wat blijft den man in deze omstandigheden anders over? Hij aanvaardt dus het aanbod van de onderneming, teekent een nieuw contract en betaalt den hoofdtandil het restant van zijne schuld.

De hoofdtandil restitueert aan de onderneming de hem renteloos voorgeschoten gelden en heeft de door den koelie betaalde renten als rechtmatige sentoeng [49].

De vrucht van een jaar arbeids is voor den werkman verloren gegaan.

HOE VERDIENT EENE JAVAANSCHE VROUW HAAR SARONG?

Alvorens tot het beantwoorden dezer detail-vraag over te gaan, wensch ik den Lezer het model-contract voor Javaansche vrouwen voor te leggen, zooals dit door de liefderijke zorg van den Gouverneur-Generaal is vastgesteld. De invullingen, welke cursief zijn gedrukt, zijn uit den aard der zaak van mijne hand.

„Wij ondergeteekenden, de Javaansche vrouw Sarina, oud zestien jaar, lang 143 c.M., geboren te Serang, behoorende tot den stam der Soendaneezen, ter eenre en Jan Tabak, beheerder der onderneming Tanah Kringet, handelende als gemachtigde van Pieter Voetblad, eigenaar der onderneming Tanah Kringet, gelegen in de afdeeling Medan, landschap Deli, ter andere zijde, verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

I. De contractante ter eenre zal ten behoeve van de onderneming Tanah Kringet zich onledig houden met het sorteeren en bundelen van tabak en verder allen arbeid verrichten, die redelijker wijze van haar kan worden gevorderd.

II. Het aantal werkuren, gedurende welke de contractante ter eenre ten behoeve van de onderneming Tanah Kringet moet arbeiden, bedraagt op elken werkdag tien.

III. De contractant ter andere zal betalen aan de contractante ter eenre één $ cent voor het grofbundelen van 10 bossen tabak; 3 $ centen voor het fijn sorteeren en bundelen van 10 bossen goed blad; 3 $ centen voor 10 bossen stukblad, of, indien zij in dagloon werkt, een loon van 15 $ centen per dag.

IV. Als voorschot erkent de contractante ter eenre van den contractant ter andere ontvangen te hebben een bedrag, als achter haar naam vermeld, dat verrekend zal worden door maandelijksche kortingen op het uit te betalen loon, de som van één dollar niet te boven gaande, zulks tot den koers van twee gulden per dollar.

Contractante ter eenre zal geen loon ontvangen gedurende de dagen, dat zij het werk verzuimt, hetzij door ziekte, straftijd of onwil.

V. Van de contractante ter eenre kan geen arbeid gevorderd worden op de volgende dagen: 1en en 16en van iedere maand en algemeenen erkende moh. feestdagen.

VI. De contractant ter andere zijde voorziet te zijnen koste in voldoende huisvesting en vrije geneeskundige behandeling van de contractante ter eenre en haar gezin.

VII. De contractant ter andere zijde zal de contractante ter eenre niet tegen haren wil van haar gezin scheiden.

VIII. De contractante ter eenre zal zich op den eersten dag der maand Juli des jaars 1900 en twee op de onderneming bevinden en bij den beheerder aanmelden.

IX. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor den tijd van drie achtereenvolgende jaren, gerekend van de dagteekening dezer akte.

Aldus overeengekomen te Medan op heden den 27sten dag der maand Juni des jaars 1900 en twee.

Hieronder volgen de handteekeningen met de opgave van het genoten voorschot, dat gewoonlijk 15 dollar en die van het loon, dat meestal minder, nooit meer dan 4.50 dollar per maand bedraagt.

Bij eene aandachtige beschouwing van dit model-contract, treft in de eerste plaats de hoffelijkheid van Zijne Excellentie. Honneur aux dames, zegt Z. E. met eene vriendelijke handbeweging en geeft der Javaansche vrouw de eerste plaats bij het contract. Allerminzaamst ordonneert hij, dat zij zich ten behoeve der onderneming Zweetveld [50] onledig zal houden met het sorteeren en bundelen van tabak, een stijlbloempje, dat het oog aangenaam aandoet bij het ontmoeten in dit staalstuk. Verder behoeft zij blijkbaar alleen dien arbeid te verrichten, die redelijker wijze van haar gevergd kan worden, eene uitdrukking, die wel rekbaar is, doch met het oog op de nobiliteit van den planter, niet waar, geen reden tot ongerustheid kan geven.

De hoffelijkheid tegenover het zwakkere geslacht doet evenwel den Grooten Heer te Buitenzorg niet de belangen van den werkgever vergeten.

Het aantal werkuren bedraagt op elken werkdag tien.

Gelukkig herinnert zich Zijne Excellentie onmiddellijk, dat hier tegenover een behoorlijk loon moet staan en bepaalt edelmoediglijk, dat deze tien uren arbeids betaald zullen worden met 15 centen, d. w. z. deze 15 centen zijn geen minimum, doch ook geen maximum. De werkgever is vrij in de bepaling van de hoegrootheid van het loon; 15 centen is dus blijkbaar het bedrag, dat den Landvoogd behoorlijk toeschijnt.

Bij zulk eene weelderige inrichting is dan ook eene korting van meer dan twintig percent, tot terugbetaling van het genoten (?) voorschot, in alle opzichten billijk en evenredig te noemen. Op dezelfde gronden kan ook geen uitkeering van loon geschieden bij ziekte, straftijd of onwil. Het moet ieder duidelijk zijn, dat waar zulk eene schitterende gelegenheid bestaat tot overlegging van een groot deel van het loon, het allerminst noodzakelijk, ja zelfs ongeraden zou zijn, bij ziekte ondersteuning te geven.

Laat ons aannemen, dat de planter zich stelt op het standpunt van den illustren modelmaker en dus per maand aan de Javaansche contractvrouw betaalt $ 4.50. Hiervan gaat dan af, 1 dollar ter aflossing van het voorschot. Laat ons veronderstellen, dat zij gemiddeld (met het oog op haar geslacht) 2 dagen per maand ziek is en daardoor dus 30 centen moet missen. Dan blijft er voor haar over $ 3.20, zegge drie dollar en twintig centen, of nog geen elf centen per dag!

Deze voorstelling is echter nog boven het gemiddelde. Het is mij bekend, hoe bij eene der grootste maatschappijen geregeld iedere maand in doorsnee $ 2.20 per Javaansche vrouw wordt uitbetaald.

Dat is zeven centen per dag!!

Een onderzoek door mij ingesteld, leerde mij, dat te Medan eene Javaansche vrouw—buiten snoeperij en sirih—per dag 13 centen voor hare voeding noodig heeft. Daar alles op de kebon duurder is, mogen wij het minimum dat de Javaansche vrouw aldaar voor levensonderhoud moet verdienen, minstens op 15 dollarcenten stellen.

Hieruit volgt zonneklaar, dat, waar zij niet genoeg heeft om van te eten, de Javaansche vrouw niets kan wegleggen om kleeding te koopen.

Vandaar de vraag aan het hoofd van dit opstel: „Hoe verdient eene Javaansche vrouw haar sarong? [51]”

Laat ik kort zijn in het beantwoorden dezer vreeselijke vraag: de Javaansche vrouw verdient, moet verdienen, het geld voor haar sarong door hoererij. Vijf centen is het bedrag, dat zij ontvangt elken keer, dat zij zich overgeeft aan den Chinees. Om dus genoeg bij elkaar te hebben voor den aankoop van het onmisbaar kleedingstuk, moet zij twintig malen...

O God! het is ontzettend.

Er is meer, er is erger.

Jaarlijks worden er honderden Javaansche meisjes ingevoerd, die den Chineezen worden voorgeworpen. Scharen van jonge meisjes worden gekocht en den Chineezen ten offer gebracht.

Ieder weet, dat zij niet genoeg verdienen, de meisjes bedoel ik, om te kunnen eten. De planter in de eerste plaats. Toen een beheerder van eene der grootste maatschappijen mij rondleidde over de onderneming en mij de huizen voor de Chineezen en die voor de Javanen had laten zien, vroeg ik hem, waar de ongetrouwde Javaansche vrouwen woonden. Het antwoord moest er ten slotte uit, dat deze geen woning hadden, doch „zich maar ergens op moesten schieten.”

Een inspecteur der Deli Maatschappij deelde in de vergadering, in het begin van dit boekje besproken, mede, dat zijne maatschappij jaarlijks honderden Javaansche vrouwen voòr de Chineezen laat uitkomen.

Het doel zou voornamelijk zijn, aldus de tegennatuurlijke ontucht onder de Chineezen te bestrijden.

De bestrijding van het crimen nefamdum is zeker te loven, doch is het middel niet erger dan de kwaal?

In de tijden van Nero werden de Christenmaagden den leeuwen voorgeworpen. Haar lijden was spoedig voorbij en werd duldbaar gemaakt door de wijding, welke de dood ontving, waar hij de martelaarskroon medebracht. Hier zijn de jonge meisjes blootgesteld aan de lage lusten der Chineezen, drie jaren lang, ten einde.... hoererij te stellen in plaats van sodomie.

En tot dit werk dwingt de meester zijne slavin, door haar uit te hongeren.

Tegelijk verschaft deze wijze van bekeering der Chineezen tot... een ander pad van ondeugd goedkoope werkkrachten aan de onderneming en kan het dividend weder een tiende procent hooger zijn. De gedachte moet streelend wezen, bij het opsteken dezer meerdere winst, dat men die verkreeg door bevordering der zedelijkheid van den Chineeschen arbeider.

Dat de Javaansche vrouw zedelijk en lichamelijk er bij te gronde ging, telt niet mede en mag voor den meester geen hinderpaal zijn.

„Zij zijn toch allen hoeren van nature,” zoo verzekert u de planter.

Deze even gemoedelijke als wijsgeerige opmerking doet ons vol bewondering voor de kieschheid en het fijn gevoel van den zegsman dit hoofdstuk sluiten.

HET EINDE.

Een zestal Inlandsche vrouwelijke koelie-contractanten, onlangs uit Deli teruggekeerd, loopen te Semarang rond; daar de ongelukkigen geen cent bezitten, wil niemand de arme schepsels onder dak nemen, zoodat zij verplicht zijn, des nachts een plaatsje onder de tamarinde-boomen te zoeken. De Locomotief vestigde aandacht der politie op de ongelukkigen om althans te maken, dat ze in hare desas terugkomen.

(Java-Bode 28 Juni 1898.)

KOELIE-ORDONNANTIE.

Vastgesteld bij Besluit van Z. E. den Gouverneur-Generaal dato 13 Juli 1889 (Stbl. No. 138) en herzien bij Besluit van 11 Maart 1898 (Stbl. No. 78).

Artikel 1.

Werklieden, afkomstig van buiten den Nederlandsch-Indischen Archipel, worden ten behoeve van eenige onderneming van land- of mijnbouw in de residentie Oostkust van Sumatra door den eigenaar of den administrateur der onderneming slechts in dienst genomen krachtens eene schriftelijke overeenkomst.

Dergelijke overeenkomsten kunnen ook gesloten worden met werklieden, afkomstig uit andere deelen van den Nederlandsch-Indischen Archipel dan de residentie Oostkust van Sumatra. [52]

Art. 2.

De werkcontracten vermelden:

1e. den naam of de namen, den ouderdom (naar gissing), de nationaliteit, de geboorteplaats en, zoo mogelijk, den stam van den werkman; 2e. den naam van den werkgever en van de onderneming of de maatschappij, waarvoor de werkman is gehuurd, zoomede van het landschap, waarin de onderneming ligt; 3e. de soort van arbeid, waarvoor de werkman is aangenomen, en het aantal werkuren, hetwelk niet meer zal mogen bedragen dan tien uren per etmaal;

Onder dit aantal werkuren moet mede worden geteld de tijd, gedurende welken de arbeider voor extra-werkzaamheden wordt gebezigd, als transporten, wachtdiensten, enz.

Bij nadere, mede op den voet van artikel 3 te registreeren overeenkomst tusschen werkgever en werkman, kan de arbeid op andere wijze worden geregeld, mits het getal van tien werkuren per etmaal niet worde overschreden;

4e. de wijze, waarop de loonen worden berekend en betaald; 5e. het bedrag en de verrekening der genoten voorschotten; 6e. den duur der overeenkomst, welke den tijd van drie jaren niet mag te boven gaan; 8e. de verplichting van den werkgever om op zijn kosten te voorzien in de huisvesting en geneeskundige behandeling van den werkman en diens gezin; 9e. het beding, dat de werkman niet tegen zijn wil van zijn gezin zal worden gescheiden; 10e. het tijdstip, waarop de arbeider zich op de onderneming behoort te bevinden en bij den beheerder behoort aan te melden.

De werkcontracten worden opgemaakt volgens een door den Gouverneur-Generaal vast te stellen model.

De tijd, gedurende welken de werkman wegens verlof of ziekte van meer dan één maand, dan wel wegens desertie of het ondergaan van straf, niet heeft gewerkt, wordt bij de berekening van den duur der verrichte diensten of van de overeenkomst niet medegerekend.

Art. 3.

Met uitzondering van hetgeen overeengekomen is ingevolge No. 10 van het vorige artikel, zijn de werkcontracten en de daarin met inachtneming van de voorschriften dezer ordonnantie gebrachte wijzigingen eerst van kracht, na registratie door het hoofd van plaatselijk bestuur.

De werkgever is verplicht binnen acht dagen nadat de werkman op de onderneming is aangekomen, of, indien hij zich daar reeds bevond, na het aangaan der overeenkomst, of der daarin gebrachte wijziging, de akte der overeenkomst in duplo ter registratie aan te bieden aan het hoofd van plaatselijk bestuur, binnen welks ressort de onderneming gelegen is.

Indien de overeenkomst is gesloten op eene plaats in het buitenland, waar, volgens de uitdrukkelijke en openlijke verklaring der Regeering, voldoende contrôle op de landverhuizing wordt uitgeoefend, weigert het hoofd van plaatselijk bestuur alleen dan de registratie, als de overeenkomst niet voldoet aan de vereischten, gesteld bij artikel 2 dezer verordening.

Indien de overeenkomst elders is gesloten, gaat het hoofd van plaatselijk bestuur tot de registratie niet over, alvorens zich door ondervraging te hebben overtuigd, dat de werkman vrijwillig tot de overeenkomst is toegetreden en met hare voorwaarden behoorlijk bekend is.

Hij weigert de registratie, zoodra er gegrond vermoeden bij hem bestaat dat de werkman niet vrijwillig tot de overeenkomst is toegetreden of wel de overeenkomst niet voldoet aan de bij artikel 2 dezer verordening voorgeschreven vereischten.

Als de registratie wordt geweigerd, kan de werkgever de beslissing inroepen van het hoofd van gewestelijk bestuur, wanneer de weigering niet van dezen als plaatselijk bestuurder is uitgegaan.