De millioenen uit Deli

Part 4

Chapter 43,353 wordsPublic domain

Op de meeste ondernemingen zijn er zelfs geene stukken grond gereserveerd tot begraafplaatsen voor de verschillende volksstammen.

Bovendien worden de meeste Chineezen ongekist ter aarde besteld en hunne graven niet voorzien van een pitjiok of pisak (steenen tablet, vermeldende den naam van den overledene en den naam van het dorp of de plaats in China of elders, vanwaar de overledene afkomstig is).

Aangezien nu:

1o. een chineesche doodkist plm. 1.50 dollar en een steenen tablet plm. 25 cent kost. 2o. er op eene onderneming jaarlijks hoogstens 40 Chineezen sterven; en 3o. de op de verschillende ondernemingen aan te wijzen drie stukken grond:

a. voor het begraven van Mohammedanen (Javanen, Soendaneezen, Bojans, Bandjareezen, Klingen, Bengaleezen). b. voor het begraven van Chineezen (Téo Tjioe’s, Keh’s of Hakka’s, Hailohong’s, Hokien’s, Makau’s, Kangsi’s, etc.), en c. voor het begraven of verbranden van Hindoe’s (Klingen en Bengaleezen),

van geen grooten omvang behoeven te wezen, zoo heb ik de eer, UEdele beleefd in overweging te geven de bovenaangegeven drie afzonderlijke begraafplaatsen op uwe onderneming(en) te willen bepalen, zoo zulks nog niet is geschied—en elken overledene overeenkomstig zijne godsdienstige gebruiken te doen begraven, ten einde de godsdienstige gevoelens zijner bloed- of aanverwanten niet te kwetsen en geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven.

De wd. assistent-resident van Medan, E. K. M. Kühr.

Medan, 5 Juni 1899.

Dit humane rondschrijven heeft weinig of geen verbetering gebracht. Zelfs de practische wenk, „geen aanleiding tot bedekte tegenwerking van de zijde der bovenbedoelde hoofden te geven” heeft geen ander gevolg gehad, dan een pluimpje voor zijn menschenkennis aan den steller der circulaire in de Java-Bode.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ + + + Emigratie-, Verkoop- en Commissiekantoor + + + + Telegramadres ESAS, Soerabaia. + + + + LEVEREN: + + Flink, jong en gezond Werkvolk, + + zoowel MADUREEZEN, JAVANEN en SOENDANEEZEN + + als CHINEEZEN + + + + voor Land- en Mijnbouw-Ondernemingen. + + + + RISICO van desertie van boord voor onze rekening. + + + + Wij hebben met onze Koeliezendingen het + + meeste succes en zijn bereid copie tevredenheidsbetuigingen + + ter inzage op te zenden. + + + + Leveren ook: + + Chineesche en Javaansche Ambachtslieden. + + + + Belasten zich met het effectueeren van alle mogelijke + + orders, ook voor + + + + Prachtig Madura en Bali Slacht- en Trekvee, + + tegen scherp concurreerende prijzen. + + + + Emigratie-, Verkoop- en Commissiekantoor. + + + + Telegram-adres ESAS. SOERABAIA (Roode Brug). + + + + Voor SOENDANEEZEN: + + + + Telegram-adres ESAS, Bandoeng. + + + +++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

(Sum.-Post en Deli-Ct. 1902.)

Deze uitslag—hoe bedroevend ook voor het gemoed—was te voorzien. Zulke dingen moeten niet verzocht, zij moeten bevolen worden. Waar de koelie feitelijk lastdier, werktuig, handelsgoed is geworden, mag men niet verwachten, dat de eigenaar hem als mensch behandelen zal.

Het is de vloek der slavernij, de openlijke of verkapte, de levenslange of de tijdelijke, dat zij het hart der meesters verdort en gevoelloos maakt voor de nooden der onderhoorigen, omdat zij zich niet meer met hen gevoelen van eenen geslachte. Waartoe zij leidt, de „tijdelijke beperking der persoonlijke vrijheid”, wat het ideaal is harer voorstanders, leze men in de voorstellen van majoor Maurice Meany omtrent de exploitatie van Rhodesia.

„Ik zeg niet, dat het Chineezen moeten zijn, maar ik beweer dat arbeidskrachten van buiten ingevoerd moeten worden. Komen zij niet uit China, dan zullen zij waarschijnlijk uit Indië komen. Maar de Indiërs zijn Britsche onderdanen en gij kunt hen dus niet naar eigen willekeur dwingen, zooals gij dat wel kunt doen met Kaffers of Chineezen. Bovendien is de Indiër ongeschikt voor zwaar mijnwerk en niet bestand tegen koorts. Wij moeten dus Mongolen hebben—of te gronde gaan. Rhodesia hangt bijna geheel af van de mijn-maatschappijen. Ruim 90 pCt. van het geld, dat voor Rhodesia is uitgegeven, is van hen afkomstig; daaruit volgt, dat het land het grootste belang bij de welvaart der mijnen heeft en de grootste behoefte der mijnen is een overvloedige en standvastige aanvoer van arbeiders.

Laten wij den Chinees toe, dan zal zijn verblijf slechts tijdelijk zijn. Hij moet verdwijnen, zoodra de inboorlingen hebben leeren werken. Geen mijneigenaar kan hem echter geheel missen; het lage loon, waarmee zijn arbeid betaald wordt, maakt zulks onmogelijk. Ondertusschen moet hij alleen hier komen als „houthakker en waterputter”, zooveel mogelijk als een lastdier als men een menschelijk wezen maar maken kan.

Hij mag geen aandeel krijgen in een mijn, hij mag geen onderzoekingen doen en geen handel drijven. Geen blanke mag contracten met hem sluiten, hij mag geen huis, geen land, geen claim koopen, noch huren.

Hij komt alleen als mijnwerker, boerenknecht of huisknecht.

Hij mag niet als opzichter, timmerman, smid of verver werkzaam zijn, hij mag geen enkel handwerk verrichten en geen ontploffingsmiddelen noch vuurwapenen hanteeren.

Op deze voorwaarden wenschen wij Chineesche arbeidskrachten in te voeren, evenals de Amerikanen zulks op de Philippijnen wenschen te doen, maar slechts tijdelijk. Als de inboorling in staat is, zijne taak te vervullen, moet de Chinees vertrekken, en daar zijn behoeften grooter zijn, dan die van den inboorling en zijn loon dus hooger moet zijn, zal hij voor dezen het veld ruimen, niet door dwang, maar door de natuurwet, volgens welke dure arbeidskracht voor goedkoopere wijken moet.” [30]

Gedeeltelijk is in Deli deze heilstaat geene fictie meer. Moeten wij verder den weg op naar het ons hier voorgetooverd Utopia, of zou het wenschelijker zijn, terug te keeren tot den Christelijken staat, die geen inbreuk duldt op de vrijheid van persoon?

WILLEKEUR EN BEDROG.

Reeds bij het aanwerven der koelies op Java speelt bedrog, i. c. het voorspiegelen van valsche feiten, een hoofdrol. De praktijken der ronselaars zijn ieder min of meer bekend. Ik moet erkennen, niet van alle finesses van het ronselvak op de hoogte te zijn—het onderwerp is niet uitlokkend—, doch ik durf gerust te beweren, dat bij de werving op Java het verschil in beteekenis van het woord ringgit aldaar en in Deli velen een contract doet sluiten. Onder ringgit verstaat men n.l. op Java een rijksdaalder en ter Oostkust een Mexicaanschen dollar.

De laatste heeft eene afwisselende koerswaarde, welke gedurende het laatste viertal jaren niet hooger steeg dan ƒ 1.30 en niet lager daalde dan ƒ 1.01. Als gemiddelde koers voor dat tijdperk zou men ongeveer ƒ 1.15 kunnen aannemen. Nu behoeft niet verteld te worden, dat de ronselaar wel en de onnoozele Javaan niet op de hoogte is van dit niet onbelangrijk verschil. Waar den laatsten dus een maandloon van zes ringgit wordt beloofd, ziet hij in het vooruitzicht ƒ 15.—. doch ontdekt later dat hij ± ƒ 7.— ontvangt.

Wel leest men in de contracten, dat de dollar tegen den koers van ƒ 2.— berekend wordt, doch wat helpt dit het slachtoffer, dat in dollars en niet in Nederlandsche munt wordt uitbetaald?

Een bedrog, waaraan de Delische planters niet schuldig staan, meent gij? Niet schuldig; maar medeplichtig? Waarom dan niet aan de tusschenpersonen last gegeven, de werkelijke waarde in het contract te vermelden, daar men niet bij aankomst der koelies den schijn wil hebben in hun oog, hen te hebben bedrogen? En waarom, als het werkelijk met dien aangenomen koers van ƒ 2.— ernst is, een schip met contract-koelies uit Java terug gestuurd, [31] in wier contract niet de dollar als betaalmiddel stond opgegeven, doch het aequivalent ad ƒ 2.— in Hollandsch geld?

Het schijnt mij toe, dat over deze praktijk de scrupuleuze planter zijne handen niet in onschuld kan wasschen.

Men zal mij tegenwerpen, dat de lage koers van den dollar van geen belang is voor den Javaan, daar de dollar in Deli het geregelde ruilmiddel is, en dus verlaging van koers nog geen vermindering van koopkracht medebrengt. Dit zou dan echter hoogstens kunnen gelden voor die waren, welke òf in het land zelf geproduceerd worden, òf afkomstig zijn uit landen, waar de Mexicaansche dollar het uitsluitend ruilmiddel is, dus voornamelijk China en de Straits. Dit zelfs echter is niet juist, doch bepaald misgezien blijkt de bewering, wanneer er sprake is van goederen, uit Europa en Java ingevoerd. De importeurs berekenen hun prijzen in Nederlandsch Courant en verlaging van den dollarkoers brengt dus ten opzichte dezer goederen terstond en onvermijdelijk vermindering van koopkracht van den dollar mede. En onder deze goederen vallen om maar iets te noemen, alle kleedingstukken van den Javaan.

Bij de Deli Maatschappij en misschien ook bij sommige andere ondernemingen worden bij terugkeer van koelies naar Java, doch ook alleen aan dezen, de spaarpenningen—s’il y en a—uitgekeerd in N.-Indisch Courant tegen den koers van ƒ 2.— Een weinig wol wordt het schaap gelaten... voor reclame.

En kreeg nu nog maar altijd de koelie het hem toekomend loon in dollars, d. i. in zilver of in gangbaar papier. Maar op hoeveel ondernemingen ziet de koelie zich niet op den dag der uitbetaling afgescheept, meestal gedeeltelijk, soms geheel, met estate-bons of bons op de kedei! [32] In de Deli-Courant van 5 Mei 1902 lezen wij, hoe op Ramboeng-Estate eenige koelies den administrateur hadden aangevallen, omdat ze „sakit hati” waren [33] over die $ 2.60 papieren geld (lees: bons op de kedei) in plaats van $ 1.— zilver en $ 1.50 bons zooals gewoonlijk.

„Wat een tuig toch, niet waar, om zulk eene daad te volvoeren wegens eene dergelijke kleinigheid!”, vervolgt de gevoelvolle schrijver.

Eene kleinigheid! In het zweet zijns aanschijns heeft de werkman veertien dagen achtereen, van des morgens zes tot elf en des middags van een tot zes, het land bewerkt. Gedurende al die dagen mocht hij die onderneming niet verlaten, doch op den vijftienden dag, den dag der uitbetaling, die tevens rustdag is, zal hij vrij zijn en een bezoek gaan brengen aan een ouden kennis, een dessagenoot, die een kleine warong bezit in de naburige kampong. Op zijn verzoek heeft deze het feest der besnijdenis van zijnen oudsten zoon gesteld op dien dag. Van den dollar, dien hij in zilver ontvangt, zal hij twee koepang [34] geven als zijn bijdrage tot het feest....

Of wel, hij wil tabak en strootjes koopen bij een ander dan bij den kedeihouder op de onderneming die te duur is, of wiens artikelen hem niet bevallen....

Of hij wil—het doet er niet toe, wat hij wil. Hij is één dag vrij, los van den knellenden band der slavernij en dien dag wil hij vieren naar zijn genoegen, het komt er niet op aan, welk dat genoegen is, al hopen wij, dat het een geoorloofd genot zij. Misschien zelfs wil hij de onderneming niet eens verlaten, maar eens echt uitrusten van zoo lang een arbeid, en het geld, de contanten, die hij ontvangt, sparen, ten minste een koepang of vijf centen...

Ik tracht in de verste verte geen romannetje te schrijven, of door sentimentaliteit op het gevoel mijner lezers te werken. Mij dunkt, dat in alles wat ik veronderstelde, niets buitengewoons, niets minder dagelijks wordt gevonden.

Maar wie onzer gevoelt niet, hoe diep de teleurstelling van den arme moest zijn, toen hij in plaats van het hem toekomend geld, den dollar in zilver, waar hij recht op had, te ontvangen, zich zag afgescheept meteen bonnetje op den winkel der onderneming?

De Deli-Courant moge deze zaak eene kleinigheid noemen, zij blijft eene daad van schandelijke willekeur van de zijde van den administrateur.

Nog sterker voorbeeld van willekeur, dat ten duidelijkste bewijst, hoe onrechtmatige macht van den mensch over den mensch leidt tot verdorring van de ziel en verharding van het gemoed van den meester, vinden wij in den afschuwelijken toestand, waarin een tweetal jaren geleden de Javaansche vrouwen verkeerden op eene der ondernemingen in Padang en Bedagei.

Volgens het werkcontract wordt aan de vrouwen geen loon uitgekeerd voor de dagen, dat zij niet werken.

Nu was er voor de vrouwen op die onderneming gedurende eene zekere maand geen werk. Werk elders gaan zoeken, mochten zij niet, natuurlijk niet, want zij waren niet vrij. Nu zou, indien er bij den beheerder der onderneming nog een vonkje menschelijk gevoel had gegloord, ten minste levensonderhoud aan die vrouwen gegeven zijn, wier schuld het toch waarlijk niet was, dat er niet gewerkt werd. Zij wilden immers werken, indien de meester maar zoo genadig wilde zijn, haar wat te doen te geven. En hoe licht, ik zou zeggen, immers altijd, kan er op eene onderneming van landbouw werk worden gevonden, al zij het dan ook minder noodzakelijk werk. Maar neen, deze ellendeling, op het feit der werkeloosheid der Javaansche vrouwen door zijn assistent opmerkzaam gemaakt, antwoordde cynisch:

„Laat ze d’r centen maar op d’r eigen manier verdienen, er zijn genoeg Chineezen op de estate.”

Kan het lager, kan het weerzinwekkender?

Wat soms het lot is der vrouwelijke contractanten, die door hare schoonheid den meester behagen, ligt voor de hand. Een enkel voorbeeld—uit tallooze—worde hier vermeld. Een administrateur had in het kantoor der onderneming een separaat kamertje voor hem zelf, waarin eene rustbank, tafel, spiegel en waschgerei. Daarin keurde hij van de aangekomen vrouwen degene, die hem, laat mij zeggen, het beminnelijkst toescheen, na, gelijk hij het euphemistisch noemde.

Het walgt mij, verder over dit onderwerp uit te weiden. Ieder, die met de toestanden in Deli bekend is, weet het en wie het niet weet, moge uit dit voorbeeld zijn conclusies trekken.

Maar zijn er dan geen rechters in Deli?

Hoe ongelooflijk het moge klinken, het antwoord op deze vraag luidt ontkennend... In Deli zijn geen rechters! Ten minste niet voor Europeanen. De rechter, die den Europeaan zal straffen ingeval van gepleegd misdrijf, zetelt te Batavia. De kleinste kleinigheid—sedert ruim een jaar met eene geringe uitzondering—moet voor den Raad van Justitie te Batavia behandeld worden. Dat is ongeveer hetzelfde, of een misdrijf, gepleegd in Amsterdam, zou worden berecht in Madrid. Deze wijze van rechtspleging heeft voor den Europeaan een groot nadeel: de kosten van het geding, waarin de beklaagde, indien hij schuldig bevonden wordt, wordt veroordeeld, worden buiten verhouding hoog. Deze toch beloopen, indien er een paar Europeesche getuigen worden opgeroepen, minstens ƒ 1000.—.

Men ziet in, hoe onevenredig drukkend deze kosten zijn, indien—zooals meer dan eens is voorgekomen—de beklaagde b. v. tot eene geldstraf van ƒ 25.— wordt veroordeeld.

Toch hoort men weinig of geen klachten over deze abnormaliteit. En dat met reden. Immers, de verre afstand van den rechter brengt twee groote voordeelen met zich:

a. het groeien en bloeien van het verderfelijk toetoepstelsel;

b. de gelegenheid tot het verduisteren van getuigen.

Over het toetoepstelsel werd reeds het een en ander door mij gezegd. Alsnu eenige inlichting omtrent

HET VERDUISTEREN VAN GETUIGEN.

Het is op zich zelf reeds geen gemakkelijke zaak voor een koelie, om een Europeaan aan te klagen. Wel schrijft art. 4 van de koelie-ordonnantie voor, dat de koelie de onderneming mag verlaten, wanneer hij wil klagen bij den controleur. Welke waarde dit voorschrift in de praktijk heeft, valt licht te raden. In de meeste gevallen beschikt de Europeaan, over wien zich de koelie beklagen wil, in ieder geval de administrateur over voldoende middelen, om te beletten, dat de klager zijn recht zoekt. Gedwongen verblijf in het hospitaal der onderneming, totdat de wonden genezen zijn, en dus een visum repertum zoo goed als onmogelijk is geworden, is een akal [35], even oud als de koelie-ordonnantie.

Maar laat ons veronderstellen, dat het den koelie gelukt, den controleur te bereiken. Laat ons veronderstellen, dat de betrokken controleur een vijand is van het toetoepstelsel, de zaak onmiddellijk onderzoekt en de processen-verbaal doorzendt aan den Resident als hulp-officier van Justitie. Laat ons veronderstellen, dat de Resident de stukken doorzendt naar Batavia, aan den officier van Justitie.

Rekenen wij, dat deze zoo spoedig doenlijk den beklaagde oproept voor de voorloopige instructie. Dus, nemen wij alles op zijn gunstigst en voordeeligst, dan heeft toch door deze wijze van behandeling de beklaagde een paar maanden, die hij tot zijn voordeel benutten kan, ten einde den loop van het Recht te stuiten of af te leiden.

En wat ligt nu meer voor de hand, dan dat hij van dezen termijn gebruik maakt tot het verduisteren der getuigen?

De getuigen toch zijn gewoonlijk koelies, die gaarne hunne vrijheid terug erlangen. Bovendien zijn zij zonder uitzondering arm. Het aanbod: ontbinding van het werkcontract—dus voor den koelie terugbekoming zijner vrijheid—, vrije overtocht naar Singapore of eene andere buitenlandsche haven, benevens eene voor den koelie belangrijke som gelds aldaar in contanten te ontvangen, zal zelden, indien het te rechter tijd wordt gedaan, geweigerd worden.

En zoo komt het, dat van de betrekkelijk weinige strafzaken uit Deli, die in Batavia worden behandeld, er zoovele eindigen met vrijspraak, wegens gebrek aan bewijs.

En zoo komt het ook, dat bij den Europeaan het rechtsgevoel meer en meer verzwakt, in daden van geweld en misbruik van macht door hem niets onteerends meer wordt gezien, waar de overheid haar eersten plicht verwaarloost: de handhaving der Gerechtigheid.

Gerechtigheid! wie gelooft aan haar bestaan, wie wenscht haar aanwezen in Deli? De meester niet, omdat zij in strijd is met zijn belang, de magistraat niet, omdat zij eischt nauwgezet onderzoek en eene hinderpaal is voor autocratisch gezag, de koelie niet, omdat hij reeds lang overtuigd is, dat macht gaat boven recht.

Gerechtigheid! Het is een woord geworden, dat goed klinkt in officieele speeches, doch waarover men òf lacht, òf de schouders ophaalt.

Er wordt geen Recht gesproken in Deli, er worden vonnissen geveld. [36]

Wee den koelie, die, bezwijkend onder den overmatigen last van arbeid, hem opgelegd, den tjangkol laat zinken; wee den arbeider, die, uitgeput door gebrek aan voedsel, de kracht niet meer heeft, zijne schreden te richten naar het veld van zijn zweet; wee den slaaf, die niet verschijnt op het tong-tongen in de morgenvroegte, omdat hij treurt over den dood van zijn kind.

Er is een Magistraat der hoofdplaats, die hem veroordeelen zal wegens.... verregaande luiheid of dienstweigering (art. 10 der koelie-ordonnantie.)

Zie hier een proeve van rechtspraak door den Magistraat [37]

POLITIE-ROL TE MEDAN.

Veroordeeld werden op 5–8 Aug. 1902:

tot 3 maanden krakal: [38]

De Chineezen Kim Fau Seng, Oh A Wang, Lim A Heng, wegens diefstal als overtreding gepleegd; de Javanen Soeswan, Amat en Radjio, wegens rondzwerven; Kariodikromo, Ardjopawiro en Tingal, wegens herhaalde desertie.

tot 2 maanden krakal:

De Javaan Salam, wegens gauwdieverij.

tot 1 maand krakal:

De Javanen Sampan, Ketodrono, Projowikromo, Marsiman, Sarjan, Sarimowedji, Trowidjojo, Martoredjo, Mentowikromo, Mertomengolo, Midjan, Lasier, Diran, Sodikromo, Soerowikromo, Jasatirta, Toengging Kariositiko en Radoen, wegens voortgezette weigering om te werken; Najosomito, de Chinees Ho A Boe, wegens diefstal als overtreding gepleegd; en de Javaansche vrouw Ponikam, wegens medeplichtigheid aan diefstal.

Waarom liepen Kariodikromo, Ardjapawiro en Tingal herhaaldelijk weg?

Waarom de voortgezette weigering van zooveel Javanen?

Weet gij, Lezer, wat op deze vragen het onveranderlijke antwoord is van den planter?

„Omdat de stinkers [39] het te goed hebben in de gevangenis.”

Zou het niet zijn, omdat zij het in de gevangenis beter hebben, dan op de onderneming en zou de klacht der planters over de weekhartigheid van het Gouvernement niet een aanklacht zijn tegen eigen hardvochtigheid?

Nog eene andere vraag stelt men zich terstond: wordt bij de overtredingen van de koelie-ordonnantie wel de hand gehouden aan het voorgeschrevene omtrent het bewijs, zooals Mr. Der Kinderen zoo uitdrukkelijk aanbeval?

En dan—in het algemeen sprekend—moet het antwoord ook hier weder ontkennend luiden. Het schijnt mij trouwens practisch een onmogelijkheid toe. Hoe zal men b. v. luiheid wettig en overtuigend bewijzen, wanneer de beklaagde ontkent?

De praktijk is dan ook, dat de beschuldiging—per brief of mondeling en steeds buiten eede—van den administrateur, assistent, mandoer of tandil [40] voor waar wordt aangenomen en de koelie gestraft.

Gewoonlijk evenwel erkennen de beschuldigden, omdat zij verlangen naar de gevangenis, die hun verademing zal schenken van het lijden op de kebon. [41]

Dat deze wijze van rechtspleging aanleiding moet geven tot misbruik, zoowel bij den werkgever als bij den magistraat, ligt voor de hand. Ik wees er reeds op bij het hoofdstuk toetoepstelsel.

En hoeveel te sterker is de verleiding voor den rechtsprekenden ambtenaar, maar vonnis te vellen naar bloote overtuiging en vertrouwen in den aanklager, waar van deze vonnissen noch is hooger beroep, noch cassatie.

Wel luidt het voorschrift, dat de vonnissen, door den magistraat gewezen, iedere maand aan den President van den Landraad moeten worden gezonden, die ze van zijne opmerkingen zal voorzien.

Dit geschiedt evenwel nooit.

Wat voor ambtenaren deze autocratische macht op den duur kweekt, leert ons

DE GESCHIEDENIS VAN GOH TJAU HIN. [42]

Het doorhakken, of dreigen met doorhakken van kwesties, waarmeê men geen raad weet, heeft reeds sedert over-oude tijden als een teeken van groote knapheid gegolden.