Part 2
Volgden, o. a. twee bronzen beelden, voor ƒ 800.— door den heer De Voogt [9] uit Pangkalan Brandan; een reproductie naar de schilderij van Thérèse Schwartze, voorstellende H. M. de Koningin, voor ƒ 310.— door den Toengkoe Besar van Asahan; een gewone fotografie van H. M. met den Prins-gemaal in lijst, ƒ 600.— door de Shanghai Sumatra Tobacco Cy; twee groote wandspiegels voor ƒ 1000 per stuk, door den Sultan van Langkat, enz. Het salon-ameublement uit de binnengalerij werd gekocht door den kapitein-Chinees voor ƒ 3300.— enz., enz.
Dit waren allemaal nog betrekkelijk groote en kostbare stukken, maar nu volgden ook kleinere, voor reusachtige prijzen. Een gewoon houten kaartendoos werd door den majoor-Chinees gekocht voor ƒ 100.—; een gong, door den heer Idzerda [10] voor ƒ 600.—; een paar gewone schilderijen door de Sum. Petr. Company voor ƒ 460.—; twee kleine cloisonné vaasjes door den heer Idzerda voor ƒ 600.—; twee schilderijtjes door den heer v. Vollenhoven [11] voor ƒ 500.—; een klein gipsen bustetje van H. M. de Koningin, door den Toengkoe Pangeran van Bedagei voor ƒ 160.—; een piano door den majoor-Chinees voor ƒ 1000.— enz.
Na den middag ging het vrijwel op dezelfde wijze voort. Een buffet werd gekocht door den heer Maschmeyer [12] voor ƒ 460.—; twee electrische staande lampen door den heer De Voogt van Pangkalan Brandan voor ƒ 420.—; een scheerspiegel door den Sultan van Langkat voor ƒ 400.—; een nachtkastje door den kapitein-Chinees voor ƒ 180.—; een lessenaar door denzelfden voor ƒ 600.—en de daarop staande inkt-koker voor ƒ 300.—; een oude thermometer bracht ƒ 200.— op (de heer Kortman) [13]; de Chineesche consul betaalde voor een partij glaswerk ƒ 510.— en zoo ging het verder.
Wij hebben maar hier en daar een greep gedaan, om een denkbeeld te geven van de bestede sommen en besluiten met de mededeeling, dat het rijtuig waarin de resident gewoonlijk reed, met de twee zwarte paarden, werd gekocht door den Sultan van Asahan voor de enorme som van ƒ 5700.—, een ander rijtuig met één paard, door den Sultan van Deli, voor ƒ 3000.—.
Om drie uur, toen de vendutie nog niet was afgeloopen, was de opbrengst reeds ruim ƒ 38.000.—.
De opbrengst der vendutie was ƒ 43.250.—, indien het den lezer interesseert. Doch het is niet alleen vanwege het exorbitant hooge bedrag, dat ik bovenstaand verslag van de Sumatra-Post overnam. Het is voornamelijk, omdat de groepen, welke belang hebben bij slapheid van bestuur en het slapen der Justitie, hier zoo duidelijk uitkomen: de Inlandsche vorsten, de Chineesche hoofden, de planters. [14]
De Inlandsche vorsten, om voort te kunnen gaan met onderdrukking en knevelarij der bevolking. Om niet gestoord te worden in hunne bijna openlijke tegenwerking der zending in de Bataklanden, waar de vooruitgang en het veldwinnen des Christendoms hoofdzakelijk belet wordt door het werken en intrigeeren van eenige bekende vorstjes ter Oostkust.
De Chineesche hoofden, omdat zij in handen hebben de opiumpacht, de pandhuispacht en de speelpacht, om er niet van te spreken, dat zij de eigenaren zijn van bijna alle huizen van ontucht. [15]
De planters.......
Ik verzoek den lezer, door te lezen.
Is het wonder, zoo een besturend ambtenaar zich de achting en sympathie der planters tracht waardig te maken?
Men ziet het, de planter heeft een practisch middel om indruk te maken op den controleur, wiens opvatting van de koelie-ordonnantie wat te zeer van de zijne mocht afwijken. Toch, ééns slechts, voor zoover ik weet, was het de controleur die the best hand had.
Eenige jaren geleden hield een controleur vendutie, doch... bleef. Hij verhuisde slechts van het eene huis naar het andere op dezelfde plaats!! De wenk was duidelijk en de vendutie dienovereenkomstig schitterend.
Doux pays!
De besturende ambtenaren mogen zich blijkbaar nog al verheugen in de hoogachting hunner..... ik had haast geschreven „onderdanen”, eene uitdrukking die op de bestuurden beter van toepassing lijkt dan ingezetenen, wanneer men de serviliteit ziet, waarmede al wat ambtenaar B. B. is genaderd wordt. Het zou vermakelijk zijn, indien de grondoorzaak niet zoo ellendig treurig was. Dat de tabakkers verblind zouden worden door den zachten glans van den zilveren band om des ambtenaars pet, kan ik moeilijk aannemen. Ook kan het geen bewondering zijn voor de onervarenheid en afwezigheid van takt, door de jongeren zoo dikwijls naïevelijk ten toon gespreid. De eigenlijke reden is, dat, om eene uitdrukking van een mij bekend planter te gebruiken, niemand zich safe [16] gevoelt.
Niemand?!
Neen, niemand. Er is er geen onder de planters, die niet het een of ander op zijne rekening heeft en die niet, indien de controleur het wilde, in moeielijkheden zou geraken.
In een civiel proces tegen een controleur ter Oostkust waren door mij een paar planters opgeroepen, die tegen dien bestuursman zouden getuigen. Een van hen bad en smeekte mij, hem niet te doen hooren, daar de controleur eene zaak voor hem getoetoept had en hij bang was, dat na zijn getuigenis de zaak weer geopend zou worden.
De tweede, die wèl gehoord werd, getuigde zoo eigenaardig, dat hem op het gewicht van den eed moest worden gewezen! Het angstzweet stond den man op het gelaat bij zijne pogingen, de waarheid te zeggen, zonder dat zijn getuigenis den controleur kon schaden. Ik moet evenwel tot zijne eer constateeren, dat de vrees voor vervolging wegens meineed iets grooter was dan zijn angst voor de ontevredenheid van den controleur.
Maar het is toch zeker niet alleen door het gracelijk accepteeren van hormat [17] en onderdanige kruiperij, dat de controleur zoo hoog staat aangeschreven bij den planter? Hij zal toch zeker ook door zijne hulpvaardigheid en welwillende tegemoetkoming—voor zoover die natuurlijk vereenigbaar zijn met zijnen plicht als magistraat—de tabakkers aan zich binden?
Zeker, daar is geen twijfel aan.—Veroorloof mij, u daar een enkel voorbeeld van te geven.
De hoofd-administrateur eener groote maatschappij had een koetsier en die koetsier had eene moeder, of liever—want hier is die Urquelle alles Uebels—had geene moeder, maar deed alsof hij eene moeder had. Die gefingeerde moeder nu werd ziek en stierf. De koetsier vroeg den toean-maatschappij [18] verlof haar te gaan begraven, wat hem werd toegestaan.
Een paar dagen daarna kwam de waarheid aan het licht.
De toean-maatschappij werd boos, dat is menschelijk, en stuurde in zijn drift den koetsier ter bestraffing naar den Magistraat, [19] hetgeen dom was, zoudt gij meenen. Toch niet. Met eene geestkracht, die den toekomstigen Napoleon kenmerkt, zette de Magistraat zich over de wet heen en strafte den koetsier met drie maanden, de maximum-straf, welke hij bevoegd is op te leggen en waarvan niet is hooger beroep.
Drie maanden dwangarbeid, omdat de man had gelogen tegen zijnen baas!
De planter, die mij het geval vertelde, voegde er gemoedelijk aan toe: Natuurlijk was de man niet strafbaar, maar wij planters zien zoo iets graag, voor ’t prestige, weet u. En hij—d. i. de controleur—zal het ook wel gedaan hebben met het oog op zijne vendutie natuurlijk.
Och kom, hoe kan men zoo’n edel mensch zulke lage bedoelingen toeschrijven. Het is toch duidelijk, dat wetsverkrachting, zoo ooit, hier noodzakelijk was. Tot heil van het algemeen moest hier het recht van het individu worden opgeofferd.
Een ander staaltje van het gevoel van verantwoordelijkheid bij den Magistraat.
Eene groote onderneming was wat ver gelegen van het controleurskantoor, zoodat het lastig was, telkens bij overtreding van de koelie-ordonnantie de delinquenten op te zenden. Men zoutte dus de perkara’s [20] op en zond eens in de week de gegaarde overtreders ter bestraffing naar den magistraat. Een behoorlijk geleide vergezelde hen, opdat zij niet weg konden loopen en het geheel stond onder de leiding van een inlandschen mandoer. Bij den magistraat aangekomen, overhandigde de mandoer hem een brief van den hoofd-administrateur, waarin deze den magistraat onder aanbieding zijner beleefde groeten, vriendelijk verzocht de ondervolgende koelies wegens de achter hunne namen genoemde overtredingen met de daarop staande straffen te willen straffen.
Zonder eenig nader onderzoek werd door den behulpzamen magistraat het verzoek ingewilligd en de overtreders exemplaarlijk gestraft.
Van de andere zijde moet er heel wat gebeuren, voor een Europeaan vervolgd wordt. Ik spreek nu niet over de zoogenoemde bagatelzaken, maar over feiten, welke ter berechting voor den Raad van Justitie thuis behooren.
De minzame magistraat neemt in zoo’n geval het recht, onbevoegdelijk, in eigen hand en legt den delinquent eene boete op. Deze boete wordt dan gestort in de kas van de eene of andere instelling van liefdadigheid. Verder betaalt de overtreder van de Wet de kosten voor verpleging en dokter c. q. en de zaak is afgeloopen.
Ook wel—wat tegenwoordig meer in zwang schijnt te zijn—komt de boete als schadevergoeding aan de beleedigde partij.
Een onderzoek naar het percentage van strafzaken die getoetoept worden, is uitteraard lastig. Het eenige wat ik hieromtrent als zeker mede kan deelen is, dat in de hoofdstad Medan gedurende de laatste vier jaren—over welk tijdperk door mij voornamelijk gehandeld wordt—het percentage bedroeg juist 100%. Geen enkele zaak van eenig aanbelang is gedurende dien tijd strafrechterlijk vervolgd!!
Nu is uit den aard der zaak het aantal misdrijven, door Europeanen gepleegd, in Medan betrekkelijk gering in vergelijking met dat, gepleegd op de ondernemingen. En ook was er, naar ik meen, geen enkel geval van moord of doodslag bij, dat niet vervolgd werd, en waren de ergste gevallen het toebrengen van min of meer gevaarlijke wonden. In deze gevallen heeft bij den magistraat—hoe ongeoorloofd dan ook—voorgezeten een zeker kasian [21] vanwege de hooge kosten eener vervolging. [22]
Maar hoe staat het op de ondernemingen?”
Onwettige vrijheidsberooving is daar aan de orde van den dag.
Het gevoel der menschelijke gelijkheid voor God en dus voor de Wet is bij den meester door de koelie-ordonnantie verdoofd en de werkkring der Europeesche assistenten herroept voor den geest het beeld van den vroegeren blankofficier.
Doodslag komt veelvuldig voor.
Misbruik van macht en van positie geeft herhaaldelijk aanleiding tot de onrechtmatigste handelingen en de walgelijkste tooneelen.
En toch zijn de strafzaken uit Deli, welke behandeld worden in Batavia, hoewel in volstrekten zin vele, betrekkelijk gering in aantal.
Hoe komt dat?
Het volgende moge den aandachtigen lezer inlichting geven.
Toen op mijn verzoek een zeker administrateur strafrechterlijk vervolgd werd, omdat hij tegen alle recht een stal, toebehoorend aan een Chineeschen winkelier, op de onderneming had doen vernielen en aan de klacht door den betrokken magistraat gevolg werd gegeven, verweet de administrateur den magistraat in heftige bewoordingen zijne houding in deze zaak. „Waarom deze zaak vervolgd en die van A., van B. en van C. getoetoept; zaken die toch veel erger waren? Als ik vervolgd word, zal ik dat alles eens aan den Raad van Justitie mededeelen.” Zoo dreigde de administrateur [23].
Gelijk ik reeds zeide, het percentage op te geven der getoetoepte zaken, is vrij wel onmogelijk. Toch meen ik uit mijne ervaring te mogen schatten dat nog niet één procent der strafbare feiten—geen bagatelzaken—door Europeanen gepleegd, vervolgd wordt.
Dit is deels te wijten aan den volstrekt onvoldoenden opsporingsdienst en verder aan het verderfelijk toetoepstelsel.
Het is hier de plaats, mede te deelen, hoe ieder jaar de Majoor-Chinees te Medan alle ambtenaren met kostbare cadeaux bedenkt ter gelegenheid van het Nieuwejaar. Of hij al dan niet met den ambtenaar te maken heeft, maakt geen verschil, behalve dan misschien in de waarde van het aangeboden geschenk, hetwelk soms eene waarde van eenige honderden guldens vertegenwoordigt.
Een mijner kennissen, pas als ambtenaar te Medan geplaatst, ontving, hoewel hij den Majoor-Chinees zelfs nooit gesproken had, tot zijne verbazing met Nieuwejaar een geschenk ter waarde van ongeveer ƒ 25.—. Hoewel nooit dergelijke geschenken aannemend van menschen, met wie hij uit den aard zijner betrekking te maken had, accepteerde hij dit, daar immers zijne betrekking hem nooit in aanraking bracht met het Chineesche Hoofd.
Wat bewoog den Chinees tot het aanbieden van dit geschenk? Men zal mij toegeven, dat persoonlijke sympathie hier uitgesloten is. Aan liefdadigheid kan niet worden gedacht, want het cadeau was een voorwerp van weelde en trouwens de beschonkene in ’t genot van een behoorlijk salaris.
Ben ik te ergdenkend, wanneer ik vermoed, dat de uitgave gemaakt werd, omdat de mogelijkheid bestond, dat het Chineesche Hoofd wel wat met mijnen vriend te maken zou krijgen?
Ter eere van onze ambtenaren wil ik hier constateeren, dat er meer dan een gevonden wordt, die dergelijke geschenken weigert, zelfs op het gevaar af van hooger hand een „katje” te krijgen, omdat zijne weigering van gebrek aan tact getuigt. [24]
RECHTSPRAAK.
Bij zijne rechtspraak moet de magistraat indachtig zijn, dat de voorschriften van het Reglement omtrent het bewijs in burgerlijke en strafzaken niet, zooals op Java, alleen voor den landraad, maar ook voor de magistraatsgerechten verbindend zijn.
Circulaire van Mr. T. H. der Kinderen XXVIII. (Bijblad No. 4408).
In Deli is de praktijk tot nu toe steeds aan ’t woord geweest, men is er wel bij gevaren en men late zich ook nu niet afschrikken door de machtspreuk, de wet verbiedt dit of dit.
D(een) in de Deli-Courant van 3 Sept. 1898.
In een artikel in de Deli-Ct. van 3 Sept. 1898, dat geheel ongemotiveerd den titel draagt „De puntjes op de i’s”, deelt de heer D(een) de meening mede van een Nederlandsch geleerde over de behandeling der koelies in Deli. Hij schrijft het volgende:
„Een Nederlandsch geleerde bezocht Deli, wanneer doet er minder toe; hij staat hier te lande bekend als een zeer scherpzinnig en uiterst conscientieus man en hetgeen hij meedeelde over de behandeling der koelies op Sumatra, is in een woord hemeltergend. Maanden geleden kwam mij zijne opinie ter oore. ’t Zal erg overdreven zijn, dacht ik, en met dezen en genen er over sprekende, kwam ook bij mij ten slotte het idee boven dat een geleerde, niet gewend om met inlandsche werkkrachten om te gaan, niet de man is om de kwestie vrij van zekere sentimentaliteit te beoordeelen. Ik zweeg dus,.....”
De heer D(een) is geen geleerde; niemand die zijne artikelen geregeld leest, zal zich aan vervolging wegens hoon wenschen bloot te stellen, door hem geleerdheid ten laste te leggen. Laat ons echter veronderstellen, dat hij in gelijke mate als de bedoelde geleerde de eigenschappen van scherpzinnigheid en nauwgezetheid bezit. Bij het vormen van een oordeel zullen deze twee qualiteiten er niet weinig toe bijdragen, om het juist te doen zijn en om vertrouwen te wekken bij anderen in de getrokken conclusie.
Doch nu vraag ik, waar ter wereld haalt de heer Deen het recht vandaan, om met een beroep op vermoedelijk aanwezige sentimentaliteit, den geleerde onbevoegd tot oordeelen te verklaren, alleen op grond, dat hij meer wetenschappelijk is ontwikkeld dan de heer Deen?
Met eene onhandigheid, die oppervlakkige geesten als de heer Deen kenmerkt, haalt hij aan het slot van het aangehaalde couranten-artikeltje eenige woorden aan, door den resident Scherer bij de invoering van „de rechterlijke organisatie op Sumatra’s Oostkust” (lees „het Reglement op het Rechtswezen in de Residentie Oostkust van Sumatra”) gesproken: „De ontwerper dezer organisatie Mr. Der Kinderen heeft begrepen, dat voor een land met zulke eigenaardige politieke, sociale en economische toestanden het niet alleen noodig zou zijn, het reglement op het Rechtswezen te toetsen aan de wetenschap, doch ook te rade te gaan met de eischen der praktijk”.
Zou het ook juist om de eischen der praktijk zijn, dat Mr. Der Kinderen uitdrukkelijk in zijn aan hoofde dezes geciteerde circulaire den magistraten op het hart drukt, toch in ’s hemels naam zich niet te laten verleiden tot het spreken van arbitrair recht, doch zich stipt te houden aan de wettelijke voorschriften omtrent het bewijs, zoowel in burgerlijke als in strafzaken?
Zou het niet zijn, dat Mr. Der Kinderen, bevreesd voor kwade practijken van de zijde der werkgevers tegenover de ongelukkige contractanten, den magistraat waarschuwt, toch niet lichtvaardig te zijn in zijn oordeel en hem beveelt slechts dan tot veroordeeling over te gaan, wanneer aan de eischen der wet geheel is voldaan?
Zou het niet zijn, dat Mr. Der Kinderen wilde waarschuwen tegen de gewetenloozen, die, alleen lettend op eigen geldelijk belang, als de heer Deen zoo vriendelijk raadt, „zich niet laten afschrikken door de machtspreuk, de wet verbiedt dit of dit?”
Zou het niet zijn, dat de heer Deen, zich beroepend op Mr. Der Kinderen, zijn eigen vonnis velt? En zou wat meer wetenschappelijke ontwikkeling en kennis van zaken den heer Deen hebben geschaad, waar hij de puntjes trachtte te zetten op de i’s?
De heer Deen vergeve mij, dat ik meer blijf hechten aan het oordeel van den zeer scherpzinnigen en uiterst conscientieuzen geleerde, zooals de heer Deen zijnen zegsman omschrijft, al voert hij wetenschappelijken ballast, dan aan de meening van den heer Deen, die—ik geef het toe—even ontbloot is van wetenschappelijke gronden als van zedelijk gevoel.
Het zou zeker niet de moeite waard zijn, zoo lang bij eene, zacht gezegd, immoreele uitlating van een oppervlakkig journalist stil te staan, ware het niet, dat de heer Deen onder planters, hoe onverdiend dan ook, geldt als een man van gezag. De theorie „de wet ondergeschikt aan de eischen der praktijk” met zooveel schaamteloosheid verkondigd, moet ingang vinden bij wie belang hebben bij de instandhouding der praktijk. Der praktijk van mishandeling en wreedheid, ongevoeligheid en gelddorst, willekeur en bedrog.
MISHANDELING EN WREEDHEID.
Het ligt niet in het plan van dit boekske, alle zonden van Deli te ontdekken van zijn ontstaan tot op heden. Laat het verledene verleden blijven, al kan het nooit sterven, waar de overleveringen blijven bestaan. Ik wil spreken over den laatsten tijd, en neem daartoe een tijdperk van vier jaren. De beschrijving, hoe eens—lang geleden—een administrateur een koelie met de duimen tusschen de copieerpers schroefde; hoe, om de orde te handhaven in een hospitaal, elk der patiënten een kies werd getrokken; hoe inspecteur en beheerder in broederlijke eensgezindheid zich verwaardigen aan tiangs [25] opgeheschen Chineezen eigenhandig aan den lijve te tuchtigen; de beschrijving van deze en dergelijke blijken van speelschheid zij den lezer bespaard. De overlevering heeft om de slapen dezer helden reeds hare kransen gewonden—zij behouden die ongerept! Wat door mij wordt medegedeeld, wordt beschenen door het volle licht der historie en op de akten der zaak kan nog elk oogenblik de hand worden gelegd.
Oude toestanden bestaan niet meer; de tijden zijn veranderd; de ruwheid van den eersten pionier heeft plaats gemaakt voor het zachter beheer van den wetenschappelijken planter. Hoe weldadig doet ons het tooneel aan, in vergelijking bij hetgeen men vroeger zag, dat een drietal jaren geleden het huis van een assistent van een der grootste maatschappijen te aanschouwen gaf. Een ooggetuige verhaalt mij het volgende:
„Het was tegen elven, toen ik na een langen rit in de heete zon over den stoffigen weg het huis van den assistent X. op de onderneming Y. bereikte. De heer X. bleek nog niet thuis te zijn en zoo zette ik mij op de voorgalerij, om zijne komst af te wachten. Nauwelijks gezeten, hoorde ik eene jammerende vrouwestem, die van onder het huis scheen te komen. [26] Ik stond op, om te gaan zien, wat er gaande was. Beneden gekomen, zag ik eene Javaansche vrouw, naar schatting vijftien, zestien jaar oud, vastgebonden onder het huis aan een paal, in den stand van Christus aan het kruis. Om dit mogelijk te maken was een dwarshout over de paal gespijkerd, waaraan hare armen waren gebonden. De zon scheen gedeeltelijk op haar geheel naakt lijf, doch dit kon mij niet de kreuningen en het gejammer van de vrouw—in Holland zou men ze nog een meisje hebben genoemd—verklaren. De huisjongen lichtte mij in. Zij had de voorkeur gegeven aan de belangelooze liefde van iemand van haar stam boven de rijksdaalderliefde van den heer X. en daarom had de toean haar zoo laten vastbinden. Om te beletten, dat zij bewusteloos zou worden onder de wreede straf, had hij haar vrouwelijk deel laten inwrijven met gestooten Spaansche peper (sambal-oelik). Dit was mij toch werkelijk te erg en ik ben verder gereden. Naar ik hoor heeft het meisje in dien toestand van zes uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds doorgebracht.”
De bedrijver van deze wandaad echter is zijne rechtmatige straf niet ontgaan, o lezer, denk dat niet! Niet, dat hij vervolgd is in rechte en met ettelijke jaren tuchthuisstraf voor dit schandelijk misdrijf heeft geboet. O neen, de Maatschappij, waarbij hij in dienst was en nog is, heeft het recht genomen in eigen hand en........ hem naar eene andere onderneming overgeplaatst. En ook zelfs dit niet als de straf, maar omdat de Maatschappij vreesde voor een row. [27]
Na een kijkje in het leven bij eene groote maatschappij, een korten blik op de historia intima eener kleine.
Minder dan vier jaren geleden dan lagen op eene kleine onderneming in eene droogschuur vijf Chineezen, wegloopers, die opgepakt waren en daarvoor—voor het wegloopen—bestraft. Door een toeval kreeg ik ze te zien. Ze lagen naast elkander op eene mat op den grond, allen op den buik, terwijl de rug gedekt was met een stuk wit goed. Eene andere ligging was niet mogelijk, daar achter- en zijkant geheel en al wond was, veroorzaakt door slagen met bamboe, niet dunne bamboe, maar bamboe van 3 à 4 c.M. middellijn, wat de wreedste wonden maakt. Zij werden verpleegd door den barmhartigen administrateur zelf, die hen aldus tot straf voor het wegloopen had doen geeselen.... hij was bang, dat toch hierin misschien aanleiding tot vervolging zou worden gevonden, indien het den magistraat ter oore mocht komen. Eens in de week kwam een dokter, die het oppertoezicht op de behandeling had.
Die koelies waren weggeloopen, omdat de behandeling te goed was op de onderneming, dat is duidelijk. Als dien vlegels eenmaal de broodkruimels gaan steken!
De beheerder is hiervoor nooit gestraft, wel is hij voor andere feiten—even erg en even wreed—vervolgd. De dood heeft hem aan zijnen aardschen Rechter onttrokken.
Een ander—nu weder een beheerder van eene der grootste maatschappijen—sloeg eene vrouw, die door ruzie maken zijne nachtrust had verstoord, nadat hij ze onder zijn huis aan een paal had laten vastbinden, met eenen stok op de billen, totdat het bloed er langs liep—neen, totdat alles eene groote, vieze etterwond was. Ik heb die vrouw zelf gezien. Het was afgrijselijk. Eene vervolging is ingesteld, doch de getuigen zijn verduisterd. [28]
Iemand, die in de bedoelde maatschappij veel te zeggen had, deelde mij mede, dat indien de betrokken administrateur veroordeeld werd, hij onmiddellijk ontslagen zou worden. Een wegens slaan van vrouwen veroordeeld beheerder kon, met het oog op de directie in Europa, niet gehandhaafd blijven. Lui in Holland hebben bekrompen idees.
Het volgend geval is zeer recent. Ik lees er over in de Java-Bode van 31 December 1901, van de hand van den bekenden briefschrijver D. E. Liaan, het volgende: