De millioenen uit Deli

Part 1

Chapter 13,458 wordsPublic domain

DE MILLIOENEN UIT DELI DOOR Mr. J. VAN DEN BRAND.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++ + + + Weggeloopen. + + + + Een Javaan, genaamd KASAN + + + + MET + + + + 1 Vrouw en 2 kleine Kinderen. + + + + Ouderdom 35 Jaren. Lengte 161 c.M. + + + + Kenteekenen: linkeroog blind. + + + + Om inlichting verzoeken + + + + A. Siemssen & Co., + + + + Post: Tebing Tinggi-Deli. + + + ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

(Deli Courant, 1 Maart 1899).

DE MILLIOENEN UIT DELI

DOOR

Mr. J. VAN DEN BRAND.

BOEKHANDEL AMSTERDAM. VOORHEEN PRETORIA. HÖVEKER & WORMSER.

Rechtsveiligheid is, voor al wat mensch heet en onder elke hemelstreek, de eerste en onmisbare voorwaarde voor de veredeling van karakter en de ontwikkeling van kracht.

Ontbreekt die, dan wordt de machtige tot knevelarij verlokt en zet zich in het hart van den mindere een wrok, die nijd baart en òf kruipend maakt òf verwildert.

.... De rechtspraak moet er op zijn ingericht, om aan elken inlander tegen onbillijke ambtenaren en aan den minderen man tegen zijn sociale verdrukkers, recht te verschaffen.

Dr. A. Kuyper. Ons Program, blz. 347 en 348.

INLEIDING.

Op Zaterdag den 29sten Maart 1902 belegde de afdeeling Medan van den Indischen Bond eene vergadering, ook voor niet-leden toegankelijk, ten einde verschillende onderwerpen te bespreken, van meer of minder belang voor de Residentie Oostkust van Sumatra.

De heer Van Kol, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, woonde als gast deze vergadering bij, met het doel, het besprokene dienstbaar te maken aan zijne studiereis door Nederlandsch-Indië en een kijk te krijgen op den sociaal-oeconomischen toestand van het gewest. Vele waren de nummers van het program, dat, zooals te voorzien was, overladen bleek. Met meer of minder succes werden achtereenvolgens behandeld: woeker (in verband met pandhuispacht), verkeersmiddelen en lepra. De vergadering was dociel, gedebatteerd werd er niet veel, slechts enkele bepaalde sprekers voerden het woord en ieder kreeg de hem competeerende toejuichingen. Na de pauze zou dat anders worden. De heer C. de Coningh leidde het voor Deli zoo netelige vraagstuk „Vrije immigratie of contract-koelies?” in. Ziehier de

REDE VAN DEN HEER DE CONINGH.

Mijne Heeren!

Wanneer ik wensch in te leiden de onderwerpen koelie-immigratie, koelie-ordonnantie en contract-koelies, ontleen ik het recht daartoe niet aan speciale deskundigheid ter zake. Ongetwijfeld zijn er in Deli velen, die wegens het dagelijks ermeê te doen hebben, veel meer doorkneed zijn in contract-koelie-aangelegenheden dan ik.

Er komen echter enkele zaken bij te pas, die iedereen in ’t oog springen en waarover wellicht een niet-gebruiker van contract-koelie-arbeid onbevangener kan oordeelen, dan iemand, die wèl met contract-koelies werkt.

Inleiden van een onderwerp kan natuurlijk slechts bestaan uit het aanstippen van enkele punten, die er bij te pas komen.

Bij de allersummierste behandeling van dit onderwerp dan, komen wij als van zelf tot de vragen:

Is het vigeerende contract-koeliesysteem moreel te verdedigen?

Is vrije immigratie van arbeiders wenschelijk?

En is die vrije immigratie mogelijk?

Op de eerste vraag, de uit een moreel oogpunt verdedigbaarheid van het contract-koeliesysteem, kan men, dunkt mij, geen oogenblik aarzelen, ontkennend te antwoorden.

Het is eenvoudig eene vermomde en niet eens zwaar vermomde, zij het ook tijdelijke slavernij, minstens pandelingschap en vermoedelijk zal wel niemand slavernij willen verdedigen, anders dan op utiliteitsgronden ten behoeve van cultuur- of nijverheidsondernemers die, terecht of ten onrechte, meenen, hun bedrijf zonder slavernij niet winstgevend te kunnen uitoefenen.

Dat de koelies in onze Delische samenleving in de praktijk als slaven beschouwd worden, daarvan zijn voorbeelden te over.

Dat zij het ook in werkelijkheid zijn en ook van regeeringswege als zoodanig beschouwd worden, blijkt uit de koelie-ordonnantie en uit de model-werkcontracten, beide vastgesteld door den Gouverneur-Generaal.

Wij vinden, bijvoorbeeld, in de koelie-ordonnantie in artikelen 9 en 10 straffen van boete of tenarbeidstelling voor den kost zonder loon bedreigd tegen desertie, tegen voortgezette weigering om te werken, verregaande luiheid, dienstweigering en dergelijke. Allemaal zaken, die een vrij werkman hoogstens zijne betrekking zouden kunnen kosten en misschien eene civiele actie tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Immers wij vinden in het Burgerlijk Wetboek voor Nederlandsch-Indië artikel 1239, luidende:

„Alle verbindtenissen om iets te doen of niet te doen, worden opgelost in vergoeding van kosten, schaden en interessen, ingeval de schuldenaar niet aan zijne verplichting voldoet.”

Dit is dus het wetsartikel, dat toepasselijk zou zijn op een vrij werkman, die inbreuk zou maken op een werkcontract. In de koelie-ordonnantie wordt dit artikel eenvoudig op zij gezet en, zonder nu te willen beoordeelen of de tegen de contract-koelies deswegen bedreigde straffen zwaar of licht zijn, komt het mij voor, dat rechtspreken buiten de wet om, die voor vrije menschen geldt, alleen ten opzichte van slaven kan geschieden.

Ook kan alleen een slaaf zich tegenover een particulieren werkgever aan „desertie” schuldig maken.

In artikel 11 der koelie-ordonnantie komt ’s koelies positie van slaaf bijzonder duidelijk uit. Daar namelijk wordt onder meer straf bedreigd tegen dengene, die een weggeloopen koelie huisvesting verleent.

Dit huisvesting verleenen aan iemand, die van een particulieren werkgever is weggeloopen kan, dunkt mij, alleen ten opzichte van een slaaf een van overheidswege strafbaar feit opleveren. Het herinnert levendig aan de dagen der Amerikaansche „underground railway”.

Uitgemaakt hebbende dat het contract-koeliedom een vorm van slavernij is, is daarmede de vraag of vrije immigratie van werklieden wenschelijk is, van zelf in bevestigenden zin beantwoord.

De vraag of zij ook mogelijk is, is minder gemakkelijk met enkele woorden te beantwoorden.

Maar zelfs aangenomen, dat het totaal onmogelijk zou zijn, de eene of andere cultuur of nijverheid met vrije arbeiders winstgevend te drijven, wordt dan uit die onmogelijkheid het recht geboren om haar met slavenarbeid te drijven?

Kunnen de belangen van den een het rechtvaardigen om voor den ander, hij zij dan ook geen Europeaan, een toestand van slavernij te scheppen en te bestendigen?

Het komt mij voor van niet.

Van de misbruiken, waartoe het contract-koeliesysteem direct aanleiding geeft, vermeld ik alleen het immoreele verschaffen van dobbelgelegenheid en prostituées op de ondernemingen in den reëngagementstijd om de koelies tot reëngageeren te brengen;

het opmaken der contracten en vaststellen der loonen in de enorm gedeprecieerde dollars, wat vooral de Javaansche koelies benadeelt;

en het nobele ronselen.

Alles te zamen genomen wil het mij voorkomen, dat het contract-koeliesysteem eene alles behalve mooie instelling is.

Het komt mij dus voor, dat het wenschelijk zou zijn om, zoo noodig met behulp van een overgangstijdperk, pogingen aan te wenden om te komen tot immigratie van vrije arbeiders.

De heer De Coningh vond een bestrijder in den heer Lefèbre, die lang niet onpartijdig was, aangezien hij zelf makelaar is in menschenvleesch [1].

REDE VAN DEN HEER LEFÈBRE. [2].

De heer De Coningh heeft aangehaald, dat het contract-systeem een slechten indruk zou maken; dat is nog niet geheel waar. Op Java maakt het systeem een slechten indruk. Maar er zijn contract-koelies en vrije koelies. Het is daarom nog geen slavernij.

Als men nagaat, wat de positie van een slaaf in de oudheid was, dan ziet men dat de slaaf gedwongen werd; een slaaf kon echter niet overgehaald, geprest worden. Er was ook geen sprake van verbanning (de heer L. heeft blijkbaar „bannelingschap” verstaan. De heer De Coningh sprak van „pandelingschap”.—Red.) De uitdrukking slavernij is dan ook veel te sterk. Waarom mag een Javaan niet naar Sumatra reizen, toch niet omdat hij daartoe een paar dagen over zee moet? Ware de zee er niet, was Sumatra met Java verbonden, dan zou hij mogen loopen, waarheen hij wilde en dus ook naar Deli.

Bovendien wordt de Javaan, hier op de Oostkust aangekomen, geenszins slaaf. Het tegendeel is waar. De Javaan is op Java veel meer een slaaf, dan de contract-koelie hier op de kust. De koelie neemt eenvoudig een verplichting tot arbeid op zich volgens contract en over het algemeen worden de contract-koelies goed behandeld. Hoe gaat het echter met den Javaan op Java? Op Java worden zij gesneden, de loerah’s, de assistent-wedono’s, ook de planters straffen den Javaanschen arbeider op Java. Indien hij iets op zijn kerfstok heeft, krijgt hij met den rotan en is hij over de hem toebedeelde straf niet tevreden, wel, dan marcheert hij naar den controleur, dat wil zeggen, den wedono. Deze vraagt hem, waarom hij ontevreden is? Het is toch beter een 20 rotanslagen te ontvangen, dan in de gevangenis te gaan en berri-berri op te loopen.

Er zijn hier in Deli talrijke Europeanen, die komen hier ook niet voor hun pleizier, maar om te werken en zij komen er zonder en met een contract, het zou vaak niet mogelijk zijn, Europeanen zonder contract te engageeren. De meesten hebben een contract.

De koelies zijn vrij genoeg. (Spreker treedt hier in een min of meer humoristisch getinte beschouwing van de werving op Java.) Wil men nu de koelies nog vrijer maken, dan staat weldra alles tegen den werkgever op.

Trouwens, wat hier uit Java aankomt, is voor ’n deel een gevaarlijk volkje, een zoodje, er zijn oude kettingjongens bij, maar de agenten [3] trachten daarin verbetering te brengen, door goed volk te zenden. Slaven zouden er zijn in Deli? Neen! Indien mogelijk, moesten er vrije koelies komen, ja, maar dan krijgt men z’n land niet bebouwd, want het is soms een lui zoodje. Die vrije koelies, die zich in den beer steken te Singapore, moeten eerst weer uitbetaald worden en komen zoodoende nog duurder dan contract-koelies. (De spreker geeft nog eenige dergelijke voorbeelden.)

Deze redevoering, uitgesproken met volmaakt plat-Rotterdamsch accent, en gekruid met dienovereenkomstige grappen, welke beide plaatselijke bladen (Deli-Courant en Sumatra-Post) beneden hunne waardigheid hebben gevonden in hun verslag op te nemen, wekte den lachlust der aanwezigen. Niet de geestigheid of aardigheid der argumenten als zoodanig, doch de spartelingen en kronkelingen der slavenhalers-ziel, zich verwerend tegen het menschelijk en zedelijk gevoel, trachtend de modder, waarin zij zich wentelt uit te geven voor edel metaal, deden de hoorders lachen. De rede was zeker niet om te lachen, zij was slechts belachelijk. En hoewel onder het spreken van den sierlijken redenaar herhaaldelijk de hilariteit werd opgewekt, bij de meesten verwekten zij innerlijke en innige verontwaardiging.

De Java-Bode in haar zooeven geciteerd blad schrijft, naar aanleiding van wat de heer Lefèbre over de toestanden op Java mededeelde: „In geen der verslagen van de beide Medansche dagbladen vonden wij deze onbeschaamde leugens van den Oostkustschen Tom Healy tegengesproken. Men schijnt ze dus te Medan gaarne als waarheid te hebben aangenomen.”

De Java-Bode kan gerust zijn, niet geloof aan de praatjes van den heer Lefèbre deed er over zwijgen, doch de absolute zekerheid, dat ze door niemand au sérieux worden genomen. Ieder weet, dat bij afschaffing der koelie-ordonnantie de koeliemakelaar (lief woord) een geruïneerd man zou zijn.

Na den heer Lefèbre verkreeg de schrijver van dit boekje het woord en beweerde, wat men kortheidshalve in de vier volgende stellingen zou kunnen nederleggen:

I.

Uit een ethisch oogpunt beschouwd, is de vigeerende koelie-ordonnantie onverdedigbaar, daar zij, door in te grijpen in de burgerlijke vrijheid van den werknemer, eenen toestand schept van slavernij.

II.

Practisch zal de afschaffing dier ordonnantie en invoering van vrijen arbeid mogelijk blijken. Dat door den overgang ondernemingen, die thans reeds een twijfelachtig bestaan leiden, te gronde zouden gaan, mag voor de Regeering geen bezwaar uitmaken.

III.

De toestand, zooals die ten huidigen dage is, geeft den werkgever rechten, die den mensch over zijnen medemensch niet toekomen en is oorzaak van afstomping van het zedelijkheidsgevoel bij werkgever en werknemer beiden en leidt tot de verdorring van de edelste gevoelens in den mensch.

IV.

De koelie-ordonnantie is in strijd met de Christelijke beginselen.

Mijne verdediging dezer stellingen, waartegen door geen der ter vergadering aanwezigen iets werd ingebracht, behalve een verwijt, dat ik geen rekening hield met de praktijk, [4] gaf aanleiding tot eenige ingezonden stukken in de beide plaatselijke bladen, waarbij men het recht van bestaan der koelie-ordonnantie trachtte te argumenteeren uit veronderstelde ondeugden in mijnen persoon.

Op deze aanfluitingen heb ik niet willen antwoorden en wil dat nog niet.

Alleen wil ik—naar aanleiding der poging van een der inzenders, die zich beroemt volslagen heiden te zijn, om mij wegens mijne godsdienstige beginselen belachelijk te maken—den lezer doen zien, hoe de samenleving in Deli is afgeweken van de orde eener Christelijke maatschappij.

En zulks, naar mijne meening, grootendeels als gevolg van de koelie-ordonnantie.

Want wanneer den eenen mensch over den anderen, al sta de laatste nog zooveel lager in beschaving, meer macht is gegeven, dan hem volgens Gods ordinantiën ooit mag toekomen, dan zal deze toestand niet alleen het gemoed van den onderworpene verbitteren en de ondeugd der kruiperij welig doen tieren in zijne ziel, doch zal ook de meester den ontzedelijkenden invloed ondervinden. Hardvochtigheid en willekeur, misbruik van macht en positie zijn de onmiddellijke en onvermijdelijke gevolgen. En dit alles voert af van den Christus, en leidt tot het naaktste materialisme.

Zoo ook in Deli.

Van eene Christelijke maatschappij, van een leven met het bewustzijn van het bestaan van den eenigen God, niet het minste uiterlijk bewijs.

Dat Deli een land is, door Christenen geregeerd en bestuurd, leidt de vreemdeling dan ook alleen af uit het feit, dat het Europeanen zijn, die het roer in handen hebben. De instellingen en gebruiken des dagelijkschen levens zijn er echter geheel mede in strijd.

Men heeft er geen kerken. [5].

Men viert er den dag des Heeren niet. Zelfs heeft men er geen wekelijkschen rustdag.

Men rekent er niet bij weken en dagen, men rekent bij bloote datums.

Men viert er niet de Christelijke feestdagen; noch het feest der Opstanding, noch dat der Hemelvaart of Pinksteren, noch dat van de geboorte van den Christus wordt er gevierd.

Men viert er het burgerlijke Nieuwjaar.

Men viert er het Chineesche Nieuwjaar.

Men viert er de Chineesche heiligendagen.

Men rust er op den hari besar [6], den 1sten en 15den of den 2den en 16den der maand.

En dit alleen, omdat volgens contract den koelie twee dagen per maand als vrije dagen toekomen. Want zelfs het recht op een rustdag tot herstel van het van arbeiden vermoeid lichaam wordt niet erkend.

Het is de triomf der revolutie. De rationalisten van 1789 zouden niet meer kunnen verlangen.

Deli is welvarend, zeer welvarend. De Europeanen verdienen er grof geld en de tabaksmaatschappijen deelen groote dividenden uit. De hoofdstad Medan is electrisch verlicht en de hotels zijn van den eersten rang. Rondreizende kermistroepen zijn altijd welkom en worden vorstelijk betaald. Champagne wordt dagelijks gedronken. Men eet, men drinkt, men is vroolijk, men is onbekommerd voor den dag van morgen. En niemand denkt aan het uur van den dood.

En achter dat alles, achter dien schitterenden spiegel, die het zorgeloos leven weerkaatst..... is de zedeloosheid, is de verdorvenheid en het onrecht.

Deli is een gepleisterd graf.

TUSSCHENWOORD.

In hetgeen hier volgt, zoeke men geen geleerd betoog of juridische uiteenzetting, met het doel, de stellingen van blz. 7 te bewijzen. Dit is, dunkt mij, voor het publiek in Nederland geheel overbodig. Mijne bedoeling is dan ook minder, den geest van den Lezer te verrijken, dan zijn hart te treffen. Over de koelie-ordonnantie is reeds meer dan voldoende geschreven en zij is door groote geleerden, o.a. door Prof. Mr. G. A. van Hamel, meer dan eens behandeld. Zelfs danken wij aan haar de keurige dissertatie van mijnen vriend Mr. C. H. van Delden, en eene bondige en heldere uiteenzetting van de hand van Mr. Justus (blijkbaar een pseudoniem) in de Java-Bode. Maar de geleerde werken worden slechts door enkelen opgenomen en van het standpunt van den jurist beschouwd en het dagblad-artikel vindt slechts gehoor bij een klein aantal lezers en zeker over het algemeen niet bij die lezers, tot wie ik mij wensch te wenden.

Voor mij toch staat op de eerste plaats: De eere Gods en het wegnemen van den gruwel.

Daarom deed ik een greep in de veelheid der feiten, meest uit couranten, soms uit mijne ervaring, altijd uit de werkelijkheid. En ik deel nu die feiten mede, op mijne wijze, zonder juridische spitsvondigheid, zonder wetenschappelijke ontleding, alleen met enkele verklarende toelichtingen.

Ik wijs op de afgrijselijke wonden, die de kanker der slavernij vrat in de samenleving ter Oostkust, opdat een ieder, aangegrepen door hare afzichtelijkheid, om den heelmeester zal roepen. Opdat ieder de wegneming zal eischen van de oorzaak der kwaal, die het gezonde lichaam verteert.

Opdat, wie gelezen zal hebben, zal zeggen: Het deert mij niet, of die toestand al of niet valt onder de rechtskundige definitie van slavernij; het laat mij koud, of de koelie-ordonnantie al dan niet in strijd is met onze Grondwet of Burgerlijke Wet; het is mij onverschillig, of ondernemers of maatschappijen min of meer philantropisch zijn en hunne werklieden beter of slechter behandelen en verplegen. Het eenige, wat mij raakt is, dat zij is in strijd met de eere Gods, in strijd met de menschelijkheid.

HET TOETOEPSTELSEL.

Het woord „toetoep” (deksel) is een der vele Maleische woorden, die in de spreektaal der Europeanen in Indië zijn opgenomen. Men heeft er het werkwoord „toetoepen” van gemaakt en gebruikt dat bij voorkeur in verband met rechtszaken. „Eene zaak toetoepen” staat dus gelijk met haar in den doofpot te stoppen, niet te vervolgen. Nu gebeurt het in ieder land ter wereld, dat niet juist alle overtredingen worden vervolgd en de magistraat „het dezen keer nog maar eens met eene berisping zal laten afloopen”. Maar ieder gevoelt, hoe glibberig dit terrein is. In een land, waar het prestige van den Europeaan zoo gaarne hoog gehouden wordt, ziet men uit den aard der zaak niet graag een blanke voor den strafrechter. Daar komt bij dat in de afgelegen streken, waar de controleur-hulpofficier van Justitie slechts met enkele Europeanen in aanraking komt, allicht persoonlijke gevoelens mee gaan spreken. Het moet, dunkt mij, eene alleronaangenaamste taak zijn, om b. v. iemand, die u gisteren een paard leende, een onderdak bezorgde, of met wien gij geregeld iederen Zaterdagavond een partijtje hebt, een verhoor af te nemen, en eventueel te vervolgen. En zoo kan het wel voorkomen, dat het onaangename der taak het noodzakelijke van den plicht doet vergeten. Waar plichtsverzuim plaats heeft door verkeerd opgevatte vriendschap of door overdreven dankbaarheidsgevoel, keuren wij de daad af, doch pleiten verzachtende omstandigheden. Edoch, waren er nooit andere dan ideëele factoren in het spel, wanneer eene zaak getoetoept werd? Zonder het cynische „Ieder mensch heeft zijnen prijs” te onderschrijven, meen ik toch, dat een enkel maal wel een zwak vat voor de verleiding bezweken zal zijn, vooral als de zaak op handige manier werd behandeld.

Als satan verleiden wil, verbergt hij zijne horens en maskeert zorgvuldig hoeven en staart.

Eene rechtstreeksche poging tot omkooping zal dan ook zelden plaats vinden. In de eerste plaats is zoo’n poging op zich zelve reeds gevaarlijk, doch boven alles is zij dom, absoluut dom. Het geld moet den betrokkene bereiken, maar hij moet eene plausibele reden kunnen aanvoeren, dat hij het aangenomen heeft. En nu heerscht te dezen opzichte op de Oostkust een werkelijk geraffineerd systeem. Het is over het algemeen de gewoonte, dat ieder controleur, die naar eene andere afdeeling in het gewest wordt overgeplaatst, vendutie houdt. En van de verhouding tusschen controleur en planter gedurende den tijd van zijn—des controleurs—bestuur hangt de opbrengst grootendeels af. Het ligt voor de hand, dat een magistraat, die de koelies streng straft bij de minste overtreding, of wel wiens lankmoedigheid tegenover vergrijpen der Europeanen bijzonder groot is, hoog staat in de achting zijner blanke medeburgers. Om uiting te geven aan die hoogachting, om bewijs te leveren van de sympathie voor den persoon des controleurs, koopt de rijke planter gaarne voor een honderd of meer guldens den pennehouder, waarmede het harde vonnis over zijnen koelie geboekt werd ter rolle. Eene aangename herinnering, voorzeker!

Ziehier een lijstje van ’t geen onder meer besteed werd een drietal jaren geleden op de vendutie van een ambtenaar van het Binnenlandsch Bestuur, die ’s lands dienst met een behoorlijk pensioen vaarwel zei.

ƒ 510.— voor een inktstel, kooper de hoofd-administrateur der Koninklijke Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Ned. Indië; ƒ 120.— voor een liniaal, kooper de hoofd-administrateur der Bombay Burma Trading Cy.; ƒ 350.— voor een sigarenknijper, kooper de hoofd-administrateur der Deli Batavia Mij.; ƒ 650.— voor een globe, kooper de hoofd-administrateur der Senembah Mij.; ƒ 600.— voor een globe, kooper de hoofd-administrateur der British Deli and Langkat Tobacco Cy.;

Boodschapleien, presse-papiers en dergelijke kantoorbehoeften brachten in doorsnede ƒ 200 per stuk op. [7]

Een schitterend voorbeeld levert de laatste.

RESIDENTS-VENDUTIE. [8]

Hedenmorgen, precies om tien uur, begon de vendutie van den Resident. Allereerst werden de planten voor het huis en uit de voorgalerij verkocht, die nu wel niet buitengewoon duur gingen, maar toch altijd nog hooge prijzen opbrachten. Trouwens, in het begin kon men niet van bepaalde fancy-prijzen spreken, al werd ook nu en dan een aschbakje of zoo iets, dat een of twee gulden waard was, verkocht voor ƒ 10.— of ƒ 20.

Later, toen de barang uit de binnengalerij aan de beurt kwam, begonnen de prijzen echter hooger te worden.

Zoo werden daar bijvoorbeeld allereerst verkocht twee potten met planten op console. Kooper werd de Sultan van Deli voor ƒ 1640.