De martelaars der wetenschap

Part 9

Chapter 93,766 wordsPublic domain

In zijn vaderland teruggekeerd, vestigde Palissy zich te Saintes en trad aldaar in het huwelijk. De zorgen voor zijn gezin drongen hem zich met al zijn kracht toe te leggen op het vervaardigen dier aardewerken met glazuursel, die zijn naam zoo beroemd zouden maken.

Bernard Palissy verhaalt dat het aanschouwen van een schoon stuk verglaasd aardewerk hem op het denkbeeld bracht het geheim te zoeken, volgens hetwelk deze kunstgewrochten vervaardigd werden. Hij had een echt kunstgevoel, smaak voor de schilderkunst, en zette zich aan het werk. Zonder zich er aan te storen dat hij geheel onbekend was met de verschillende soorten van kleiaarde, ging hij aan het zoeken, als een man, die in den blinde tast. De geschiedenis van dit zoeken en van den arbeid en het geduld, door Palissy hieraan besteed, vormt een waren heldenzang. De bladzijden, door hem zelven aan dit onderwerp gewijd, zijn geschreven in een stijl, een Montaigne waardig. Zij houden ons het opmerkelijk schouwspel voor van den uitvinder, zooals hij strijdt met het onbekende, en leveren een verheven voorbeeld van wat het genie vermag, als nauwkeurige waarneming en noeste vlijt de handen ineenslaan.

Palissy nam proeven met een groot aantal verschillende stoffen, maar zonder gevolg. »Na meer dan eens misgegrepen en veel kosten gemaakt en veel vergeefschen arbeid verricht te hebben," zoo verhaalt hij zelf, »ging ik maar steeds voort, met opoffering van veel geld en tijd, nieuwe stoffen te stampen en te malen en nieuwe ovens te vervaardigen." Niet gansch in den blinde willende zoeken, legde Palissy zich allereerst toe op het verfraaien en volmaken van het witte glazuursel, zich voorbehoudende het gekleurde te zijner tijd te laten volgen.

Gedurende twee achtereenvolgende jaren reist hij onophoudelijk heen en weer tusschen zijn woning en de nabijgelegen glasblazerijen, en om dit heen en weer loopen uit te winnen, neemt hij het besluit zich een oven te bouwen, zooals de glaswerkers die gebruiken. Niet dan met de grootste moeite bouwde de wakkere uitvinder zich dezen oven. Hij had geen middelen om een knecht te bekostigen en metselde met eigen hand, mengde de kalk, putte het water, droeg de steenen aan op zijn schouders.

Na het fornuis te hebben afgemaakt, moet hij het glazuursel vervaardigen. Zes dagen en zes nachten blijft hij voor het vuur, dat hij altijddoor brandend houdt. Daar zal 't gelukken! Maar het hout is opgebrand, hij heeft niets meer. Nu moeten de tafels, de planken van zijn huis er aan. Ach, velen, die beter gedaan hadden zoo zij hem met beide handen hadden geholpen, lachten hem uit, en liepen de stad in, schreeuwende dat hij zijn huis verbrandde en dat hij gek geworden was. Hiermee verloor hij niet alleen het vertrouwen zijner medeburgers, maar men ging verder en zei dat hij valsche munt sloeg. De arme man, met schulden beladen, met twee jonge kinderen tot zijn last, liep daarheen, gansch ter nedergebogen als iemand, die zich niet weet te bergen van schaamte. »Intusschen," zoo voegt de held er bij, »de hoop begaf mij niet; zij hield mij staande, zij deed mij zelfs zoo dapper voortgaan met mijn werk, dat ik mij soms lachend kon bezig houden met de menschen, die mij kwamen bezoeken."

Weldra zou hij slagen, maar ten koste van hoeveel ellende zou dat zijn!

»Ik werd," zoo schrijft hij, »bezocht door nog een ander verdriet, namelijk dit: dat door hitte, vorst, wind, regen en drup het grootste gedeelte van mijn arbeid bedierf, nog voordat het gebakken werd. Ik moest dus hout, latwerk, pannen en spijkers leenen, om mijn werk behoorlijk onder dak te brengen. Ik brak af wat ik gebouwd had, om het beter op te bouwen, maar werd natuurlijk braaf bespot door handwerkslieden, schoenmakers, gerechtsdienaars, zaakwaarnemers, oude vrouwtjes en allerlei ander volk, te dom om te begrijpen dat ik een ruime werkplaats noodig had. Ik deed niets anders dan afbreken en opbouwen, zeiden zij. In plaats van medelijden met mij te hebben, verguisden zij mij, wanneer zij zagen hoe ik het geld, zoo noodig tot het levensonderhoud, voor mijne proeven besteedde. Niet wetende, waarmee ik mijne fornuizen tegen weer en wind zou beveiligen, ben ik jaren lang bloot gesteld geweest aan regen en onweer, zonder vertroosting of ander gezelschap dan de nachtuilen ter eene en de huilende honden ter andere zijde. Soms bliezen de stormen zoo verwoed boven en beneden in mijne fornuizen, dat er niets mee te doen was en al mijn werk verloren ging. Soms legde ik mij te middernacht of bij het krieken van den dag te slapen. Ik zag er dan uit, alsof ik door al de goten van de stad gesleept was, en wanneer ik mij naar mijn slaapplaats begaf, strompelde ik, zonder licht, voorwaarts, van den eenen kant naar den anderen vallend, als iemand, die bevangen is van den wijn."

Ondertusschen kwam Palissy zijn doel al nader en nader. De dag brak aan, waarop zijn prachtig aardewerk en zijne beelden naar waarde werden geschat. De Connétable de Montmorency beschermde nu den pottebakker. Catharina de Medicis liet hem naar Parijs komen. Toen bewoonde Bernard Palissy de Tuileriën en werd hem de verfraaiing opgedragen der koninklijke kasteelen.

De fransche kunstschool schitterde onder de hoede van Frans I in al haar glans; Jean Goujon, Pierre Lescot, Germain Pilon, Ducerceau wedijverden met Leonard da Vinci, Primaticcio, André del Sarto, Benvenuto Cellini. Bernard Palissy, zoo versch uit de provincie te midden van zulke meesters optredende, nam, als zij, een voorbeeld aan de meesterstukken der Italiaansche kunst. Hij vervaardigde een menigte verglaasde vazen, die als sieraden gebruikt werden in tuinen, bij fonteinen, in gangen en portalen. Weldra was hij bezig aan het verfraaien van de Tuileriën, die Catharina de Medicis had laten bouwen.

Hij wijdde zich tegelijkertijd ook nog aan andere bezigheden, die hem tot den eersten leeraar stempelden in de geschiedenis van de natuur en tot den stichter der nieuwere kennis omtrent onze aarde. Op zijne reizen had hij overal bij voorkeur de rotsen onderzocht en fossilen opgezameld, volgens zijne tijdgenooten slechts onbeduidende indrukselen, voorwerpen zonder waarde of beteekenis, het aanzijn dankende aan het een of ander toeval, een speling der natuur.

De eenvoudige pottebakker, die Latijn noch Grieksch kende, riep de geleerden en de wijsgeeren tot zich en durfde ten aanschouwen van geheel Parijs de stelling te opperen, dat de fossile horens en schelpen wel degelijk horens en schelpen zijn, dat zij indertijd door de zee zijn neergelegd ter plaatse, waar zij nu gevonden worden, en dat wezenlijke dieren, visschen vooral, aan den zachten steen de indrukselen gegeven hadden, die er in zijn waar te nemen.

Palissy verzamelt die voorwerpen, die hij voor zijne bewijsvoering noodig heeft; schikt naar wetenschappelijke orde de kristallen en fossile voorwerpen, die hij op zijne reizen heeft verzameld, en sticht aldus in 1575 het eerste kabinet van natuurlijke geschiedenis. De lessen, die hij daarbij gaf, waren zeer gezocht en duurden tot 1584. Zijn verzameling merkwaardigheden trok vele nieuwsgierigen. Met die bewijsstukken bij zich, voelt Palissy zich sterk en onoverwinnelijk; hij kan aan al de bitterheden en aan al de vooroordeelen der wereld het hoofd bieden; hij staat den naijver en de blinde woede, en roept zegevierend uit: »Ga nu uwe latijnsche wijsgeeren halen, om tegen mij te getuigen!"

Bernard Palissy heeft zijne werken in den vorm van Samenspraken geschreven. In een van deze voert hij twee denkbeeldige personen op: Theoretica, die de scholastiek voorstelt, een domme, onleerzame schoolmeester, die met zijn dwaze antwoorden uw medelijden opwekt, en Practica, die onophoudelijk de zwaarwichtige redeneeringen van zijn tegenstander overhoop werpt. Met welk een vernuft, welk een kleur, welk een losheid vermeit hij er zich in de oude denkbeelden te bestrijden. Dit onnavolgbare werk is een der groote letterkundige gedenkstukken van de 16de eeuw. Aan vuur, geestdrift en welsprekendheid paart Palissy gezonde redeneering, en steeds maakt ernstige waarneming den grondslag uit zijner overtuigingen. Het volgende mag hierbij ten voorbeeld strekken. Na uitvoerig te hebben aangetoond dat de steenen niet groeien, wat men in zijn tijd algemeen geloofde, gaat hij voort:

Theoretica. En waar hebt gij dit nu weer geleerd? In welk boek, op welke school ter wereld kunt gij gehoord hebben wat gij daar zegt?

Practica. Ik heb geen ander boek gebruikt, dan de hemel en de aarde, die bij allen bekend is, en 't is aan allen gegeven dit schoone boekwerk te lezen. Ik nu heb in dit schoone werk gelezen en de aardsche dingen beschouwd.

De »Discours admirables" van Palissy lezende verbaast gij u over de nieuwheid en de keur van zijne opmerkingen, zoowel waar zij betrekking hebben op de bergen, of den grond, of de steenen, wier vorm, kleur, gewicht en dichtheid door hem met ijver onderzocht worden. Kristallen, druipsteenen, versteend hout, fossilen, mergel, schelpzand, alles is zijn prooi. De meest belangrijke vraagstukken durft hij aan en overal opent hij de stoutste en treffendste gezichtspunten, overal spreekt het genie, als door een bovennatuurlijke openbaring, uit wat door latere eeuwen zal worden bezegeld en vastgesteld.

In zijn »Discours sur la nature des Eaux et Fontaines" geeft Palissy het middel aan om water door middel van pompen, buizen en leidingen van de eene plaats naar de andere op te voeren; hij behandelt er de minerale wateren, schrijft hun warmte toe aan een onderaardsch vuur, dat onophoudelijk brandt, wijdt uit over de kracht van den stoom en het eigenaardige belang dezer kracht, die nog zoo weinig bij de menschen bekend is en van wier vermogen hij zich vergewist heeft, niet door middel van boeken, maar door middel van een waterketel. Volgens hem ontstaat het bronwater door het doorzijgen van het regenwater; ook heeft hij een volkomen afgewerkte leer omtrent de verdere vorming van bronnen en wellen. Hij leert hoe men in navolging van de natuur kunstmatig fonteinen kan doen springen, »als men maar het voorschrift van de oppersten waterwerker volgt."

In het volgende stuk van zijn Traité de la Marne vertoont Palissy zich als de ware uitvinder der artesische putten.

»Het komt mij voor," schrijft hij, »dat een goede schroef of boor sommige meer weeke gesteenten gemakkelijk doorboren zou, en dat men langs dezen weg mergelgrond zou kunnen vinden en water om putten te maken, welk water dan ook wel eens hooger kon stijgen dan de plaats waar de boor het gevonden heeft. Immers kan het water wel van hoogere plaatsen afkomen dan die, waar men de boring bewerkstelligt."

Als natuurkundige, scheikundige, landbouwkundige ziet Palissy al de groote wetenschappelijke vraagstukken van zijn tijd onder de oogen; hij laat er den glans op schijnen van zijn gezond verstand en zijn oordeelkundig onderwijs.

Als scheikundige verheft deze voorstander der wetenschappelijke proefneming zich verre boven al het ijdel zoeken naar den zoogenaamden Steen der Wijzen; verre boven de alchimisten staande toont hij aan, langs welke wegen zij de menschen in den waan brengen van lood in goud of zilver te kunnen veranderen. Den geneesheeren beveelt hij aan meer kennis te nemen van hetgeen zich in de natuur voordoet; aan de landbouwers geeft hij den raad, dat zij hun land zullen bemesten en wijst hun het nut aan van de mergel, terwijl hij hun raadt de bosschen te sparen. »Als gij alle bosschen hebt omgehouwen," zegt hij, »moeten alle kunsten blijven stil staan en de handwerkslieden, als Nebukadnesar, gras eten."

Terwijl Palissy zijn eeuw met zijne werken verrijkte, werd Frankrijk verscheurd door binnenlandschen krijg. De pottebakker had, te midden zijner grootste beproevingen, het Protestantisme omhelsd, en gedurende de bekende godsdienstoorlogen was hij van kerker naar kerker gesleept. Dank zij de gunst van Catharina de Medicis, ontsnapte hij aan de gruwelen van den Bartholomeusnacht; maar die gunst kon niet duren. Toen de Ligue zich in 1588 van Parijs had meester gemaakt, werd de grijze Palissy in de Bastille gevangen gezet. Mathieu de Launay eischte dat deze Calvinist onmiddellijk naar het spectacle public (den openbaren dood) zou worden geleid. Gelukkig wist de hertog van Mayenne te bewerken dat zijn proces ten minste nog eenigen tijd werd uitgesteld.

Palissy bleef steeds aan zijne overtuiging getrouw. Eens kwam Hendrik III hem in de Bastille een bezoek brengen, in gezelschap van den graaf de Maulevrier.

»Mijn goede vriend," zeide de Koning, »'t is nu al vijf-en-veertig jaren dat gij mij en mijne moeder dient. Wij hebben u vergund bij ons te verkeeren en uw godsdienstig geloof te belijden; maar nu word ik zoowel door de Guises als door mijn volk dermate gedrongen, dat ik u wel moet loslaten en u aan uwe vijanden overgeven, zoodat gij morgen zult verbrand worden, wanneer gij u niet bekeert."

»Sire!" antwoordde de grijsaard, »ik ben bereid mijn leven te geven voor de glorie van God. Gij hebt mij al dikwijls gezegd dat gij medelijden met mij hadt, welnu, ik heb medelijden met u, die u »dwingen" laat. Dat is geen taal voor een koning, en zoo iets zoudt gij, noch de Guises, noch heel uw volk op mij vermogen, want ik ben niet bang voor den dood."

Eenigen tijd later, in 1589, blies de brave man in een der hokken van de Bastille den laatsten adem uit.

Wat al edele en wijze mannen zouden wij Palissy ter zijde kunnen stellen: André Vesale, de vader der dierlijke ontleedkunde, Ambroise Paré, de groote heelkundige, Paracelsus, de voortreffelijke scheikundige. Doch wij gaan deze voorbij om ons op te houden bij Michel Servet.

Michel Servet werd in 1509 in Arragon geboren, studeerde in de rechten te Toulouse en mengde zich in de godsdiensttwisten van zijn tijd. Te Straatsburg wekte hij de verbazing des eenen en de verontwaardiging des anderen op, want zijne leeringen waren bij uitstek vrijzinnig, zoodat hij door zijne tegenstanders »die ondeugende en vinnige Spanjool" genoemd werd. In Duitschland wekten zijne Samenspraken, waarin kerkelijke leerstukken besproken werden, zulk een ergernis, dat hij zich achter den aangenomen naam van Michel de Villeneuve moest verschuilen en zoo naar Frankrijk uitwijken.

Te Parijs verwierf hij zich den graad van doctor in de medicijnen, en maakte hij een grooten opgang zoowel met zijne lessen als met zijne werken. Tot zijn ongeluk--ontmoette hij Calvijn en daagde hem uit tot een soort van twistgesprek, waarbij de eerste zaden gestrooid werden van die vijandschap, die tot zoo vreeselijken strijd klimmen zou. Onrustig van aard, vestigde Servet zich achtereenvolgens te Parijs, te Lyon, te Charlieu, te Avignon, waar hij tegelijk geneeskundige en corrector bij een drukkerij was. Voortdurend bezig met godgeleerde zaken, wilde hij Calvijn tot zijne meeningen overhalen, gaf een groot werk uit, la Restitution du Christianisme, en prikkelde zijn tegenstander tot steeds heftiger ergernis. Servet was, als Calvijn, protestant; maar hij was, wat wij in onze dagen een »liberaal" zouden noemen, zoodat Calvijn besloot Servet's boosheden voor goed te stuiten. Hij gaf aan de Inquisitie stukken tegen hem in handen. Wel wist Servet te ontkomen, maar hij waagde zich in Genève en viel daar zijn fellen en onverbiddelijken tegenstander in handen. Calvijn liet hem gevangen nemen en leidde in eigen persoon het rechtsgeding, waarbij zijn tegenstander ter dood veroordeeld werd.

Den 27sten October 1553 werd Servet als ketter levend verbrand. Hij was vier-en-veertig jaren oud. Terwijl hij naar den brandstapel ging, werd hij door Farel, die hem in zijn laatste oogenblikken bijstond, vermaand, dat hij zijne dwalingen zou herroepen, maar de wijsgeer bleef onverzettelijk. Hij ging moedig en met vasten tred op den brandstapel af, en toen de vlammen hem omhulden, hoorde men hem een hartverscheurenden kreet slaken.

Zooveel zeker had de groote Spinoza niet te lijden, die ons thans een oogenblik zal bezig houden. Toch werd ook zijn vrede door de menschen verstoord. Deze beroemde wijsgeer, die zich verdiepte in de groote vragen omtrent het bestaan van God, het wezen van den mensch, het karakter der deugd, die in zijn »Ethiek" of »Zedeleer" zulke verhevene beginselen uitsprak, de verwezenlijking van den mensch en van het menschelijke zocht in het zoeken en het kennen van het goddelijke, die de deugd zelve als den waren staat der zaligheid beschreef, is niet om niet beroemd geworden. Spinoza werd 24 November 1632 te Amsterdam geboren uit een deftig portugeesch-israëlietisch geslacht. Hij ontving zijn opvoeding voor een deel van zekeren dokter Frans van den Ende, een man, die later als godverzaker uit Amsterdam gebannen werd, of vrijwillig uitweek, en wiens leeringen met die der Synagoge geheel in strijd waren. Door den omgang met dezen geneesheer, door het lezen van de schriften van Cartesius, door de beoefening der natuurwetenschappen, door zijne gesprekken met vrijzinnige Amsterdammers, dwaalde ook Spinoza al verder en verder van de Synagoge af, en daar hij zijne gevoelens vrij uitsprak, begonnen zijn persoon en zijn ongeloof groot opzien te baren. Men deed hem aanbiedingen. Men moet hem van wege de Synagoge een jaarwedde van f1000 hebben aangeboden, »om slechts bij haar te blijven en voor de leus naar de kerk te gaan." Spinoza weigerde natuurlijk en bijna had hem die weigering het leven gekost, want op een avond, bij het uitgaan van de Synagoge, werd de ponjaard van een sluipmoordenaar tegen hem getrokken; hij wist den stoot te keeren, maar hij kon zijn doorboorden mantel bewaren, als een gedachtenis aan het rampzalig werk der dweepzucht. Hij besloot nu Amsterdam te verlaten, en vond voorloopig huisvesting bij een protestantschen vriend te Ouderkerk. Spoedig daarna werd hij door den banvloek van de Synagoge getroffen. Dit geschiedde den 27 Juli 1656. Ondertusschen hield Spinoza zich bezig met het slijpen van glazen, waarmee hij in zijne behoeften voorzag. Stil en ingetogen leefde hij achtereenvolgens te Rijnsburg en te 's Gravenhage. Hij was onbaatzuchtig, eenvoudig, een vriend der menschen, al heette hij bij de Joden en bij vele Christenen een »gevaarlijk" mensch. Hij bleef, hoe hatelijk hij ook behandeld werd, de prediker en de beoefenaar der edelste verdraagzaamheid. In 1677 stierf hij. Toen in 1678 zijn »Ethica" uitkwam, bleek wel duidelijk wat zijn lot zou geweest zijn, wanneer het boek bij zijn leven ware uitgekomen. Zijne werken werden bij plakkaat van de Staten van Holland en West-Friesland met »de hoogste indignatië" verboden. Nog in 1714 werden een paar boekjes, die voor Spinosistisch doorgingen, in Middelburg op het schavot vóór het stadhuis, ter plaatse waar men gewoon was crimineele justitie te oefenen, door de hand van den scherprechter verscheurd en verbrand.

Heeft de Synagoge Spinoza gebannen, de Hervormde Kerk heeft Balthazar Bekker afgezet. Men kon in zijn tijd de menschheid moeilijk grooter dienst bewijzen, dan haar vrij te maken van haar onzinnig geloof aan den Duivel. Dat geloof nam de verbeelding en de ziel zoozeer in bezit, wekte zooveel vrees, bijgeloof en vooroordeel, het spookte zoo akelig rond met zijne heksen en zijne tooverijen en geheimzinnige kunsten, dat wij er ons in onze dagen nauwlijks een voorstelling van kunnen maken. Het beroemde werk van Jacob Sprenger »de heksenhamer" bevatte een volledige leer of geloofsbelijdenis omtrent den Satan en de tooverij, met allerlei uitleggingen van de werkingen des Boozen, en veel bedreiging tegen degenen, die zich met hekserij bezig hielden. Doch wat baatte dreigen en straffen, zoolang dit ongelukkig geloof als een akelige nachtmerrie de zielen bleef benauwen? In 1691 verscheen Balthasar Bekker's »Betooverde Wereld." Thans gold het niet de vraag, hoe men den Duivel moest en kon ontgaan, en zich redden van zijne listen; maar de vraag of hij bestond. Bekker, die aan de hoogescholen van Groningen en Franeker gestudeerd had, was toen predikant te Amsterdam. Reeds vroeger had hij in den reuk gestaan van groote onrechtzinnigheid, en nu werd het er niet beter op. Als volger van de leer van Cartesius bestreed hij het geloof aan duivelen en den invloed van booze geesten op de lichamen en op de zichtbare wereld. Als menschenvriend zag hij met schrik hoe velen, ten gevolge van de afschuwelijke heksenprocessen, om het leven waren gekomen, hoe velen op allerlei andere wijzen de slachtoffers waren geworden van deze reusachtige dwaling. En terwijl nog zoo goed als de geheele wereld beefde voor den Booze, een ieder zijn naaste achterdochtig aankeek en honderd dingen aan den invloed van den Duivel werden toegeschreven, terwijl nog het gansche heir van Zijne Helsche Majesteit spookte op de heiden en in de harten, verscheen Balthasar Bekker's boek als een gebeurtenis, een feit van gewicht. Het heeft een licht doen opgaan over het ellendig bijgeloof, het is èn in ons land èn elders de dageraad geworden van een beter toekomst. Doch wat kon de wereld met dezen zoon des lichts anders doen, dan zeggen dat hij een duisterling was? De wereld kan niet, zoo maar op eens, ongelijk hebben. Neen, dat ging niet aan. Zoo heeft de classis van Amsterdam dezen weldoener dan ook behoorlijk geschorst en hem later uit zijn bediening ontzet. Immers leerde de Bijbel dat er een duivel was.

Balthasar Bekker was een van die mannen, die zijn eigen oordeel volgde. »Zie nooit met eens anders oogen," had zijn vader, mede predikant, hem geleerd, en hij heeft de les wel ter harte genomen, tot schade van zijn welvaart naar de wereld, tot winst van zijn medemenschen. De slag toch, dien hij het bijgeloof toebracht, is doodelijk geweest.

HOOFDSTUK VII.

STICHTERS VAN WETENSCHAPPEN.

Onder de groote lichten, die aan Frankrijk's hemel geschenen hebben en nog in lange niet zullen uitgebluscht worden, neemt Blaise Pascal een voorname plaats in. Pascal had niet te strijden tegen de gevaren, die den ontdekker wachten, noch ook tegen de vervolgingen, waaraan de denker en uitvinder bloot staat, maar hij levert ons het aandoenlijk schouwspel van een man, die, om zoo te zeggen, de martelaar van zijn eigen geest is geweest. Zijn al te zeer ontwikkeld verstand moest het uitwendige omhulsel verteren, gelijk een al te hevig vuur den haard zou doen smelten en vergaan, waarin het brandt.

Blaise Pascal, den 19den Juni 1623 te Clermont-Ferrand geboren, had nimmer een ander onderwijzer dan zijn vader, een echt geleerde en groot wiskunstenaar. Van zijn vroegste jeugd af gaf hij blijk van een buitengewone levendigheid van geest en van gansch bizondere vermogens. Elkeen, die met hem in aanraking kwam, stond verbaasd over de gevatheid zijner antwoorden en over de juistheid van zijn oordeel.

Zijn wiskunde leerde hij op een wijze, die aan het wonderbare grenst. Zijn vader had opgemerkt dat hij een groote voorliefde had voor zoodanige vakken, die op redeneering en gevolgtrekking steunen, en vreezende, dat zijn zoon de talen verzuimen zou, had hij zorgvuldig alles ter zijde gehouden, wat hem op wiskundige wegen kon leiden, alle boeken over meetkunst geborgen en zich wel gewacht gesprekken over deze onderwerpen aan te knoopen. Toch kon hij de weetgierigheid van zijn jongen niet gansch te leur stellen, en zoo gebeurde het dat hij soms in 't algemeen antwoorden gaf als deze: »dat de meetkunst die wetenschap is, die ons leert juiste figuren te trekken en hare verhoudingen te bepalen." Tegelijk verbood hij hem er verder over te denken of te spreken.