Part 8
Dit was geheel naar Albrecht Dürer's aard. In dienzelfden brief, een brief, die getuigenis aflegt van zijn edel karakter, verzoekt hij de overheid van Neurenberg, dat ze een som van duizend florijnen van hem zal aannemen, de vrucht van zijn arbeid en spaarzaamheid, en dat ze hem jaarlijks vijftig gulden interest geven zal voor hem en zijn vrouw, die beiden bij den dag ouder en zwakker worden.
Zelden is zulk een edel karakter gepaard gegaan met zulk een eenvoudige ziel, als in dezen vermaarden duitschen kunstbroeder.
Het eerste boek bracht bij zijn verschijnen een niet geringe ontsteltenis te weeg te midden van hen, die vijandig waren aan het licht. De geschiedenis der eerste drukkers is dan ook vaak een geschiedenis van vervolging. Het is nu eenmaal niet anders--elke schrede op den weg van vooruitgang kost de menschheid bloed en tranen.
In 1490 stichtte Aldus Manutius te Venetië zijn beroemd geworden drukkerij, een inrichting, die jaren lang van vader op zoon zou overgaan en evenals die van Étienne in Frankrijk en van Elzevier in Holland een europeeschen naam zou maken.
Aldus Manutius drukte, in weerwil van den oorlog, die Italië verwoestte, in weerwil van de moeielijkheden en tegenspoeden des tijds, voortdurend nieuwe en nuttige boekwerken, en zocht met lofwaardige volharding te gemoet te komen aan de behoeften der studeerende jeugd. »Ik heb de gelofte afgelegd," zoo schrijft hij in één der voorredenen, waarmee hij zijne uitgaven voorzag, »ik heb de gelofte afgelegd mijn leven te besteden aan het algemeen belang, en God is mijn getuige dat het mij hiermee ernst is. Boven een rustig en gemakkelijk leven heb ik een werkzaam en veel bewogen leven gekozen; de mensch is niet geschapen voor genietingen, die een edelaardig gemoed verwerpen moet, maar voor een eervol bedrijf. Laat de groote hoop behagen scheppen in het lagere. Cato heeft het wèl gezegd: »'s Menschen bestaan is als het ijzer. Maak er een getrouw gebruik van, het zal blinken; laat het voor hetgeen het is, zoo zal het roesten."
In 1495 drukte Aldus de werken van Aristoteles af, en gaf hij Theocritus en Hesiodus uit. Het volgende jaar verscheen zijn Thesaurus Cornucopiae, een verzameling van werken over de Grieksche taal, die allen nog onuitgegeven waren.
Karel VIII was juist in Italië binnen gevallen en Aldus schreef in één zijner voorredenen: »'t Is eene zware taak latijnsche boeken en nog zwaarder taak grieksche af te drukken, maar het zwaarst van alles is de noodige zorg aan zulke zaken te besteden in moeielijke tijden, zooals deze, waarin de wapenen vrij wat hooger worden geschat dan de boeken. Nadat ik mij de genoemde taak gesteld heb, zijn zeven jaren voorbijgegaan, maar ik heb in dien tijd nauwelijks één uur rust genoten."
In 1497 had Aldus een volledige uitgave ten einde gebracht van de werken van Aristoteles. De geschriften van Plato, Hippocrates en Galliënus zouden volgen. »Zoolang ik leef," zeide hij, »zal ik mij beijveren mijne tijdgenooten van goede boeken te voorzien, zoo van letterkundigen als van wetenschappelijken aard." Hij hield woord.
In 1506 werden de werkzaamheden aan zijne drukkerij gestaakt ten gevolge van de troebelen des oorlogs, die Europa en met name Italië teisterden. Als erfgenaam van de aanspraken, die het fransche koningshuis op het koninkrijk Napels maakte, kwam Lodewijk XII, in bondgenootschap met Ferdinand den Katholieke, Frederik III uit Genua verjagen, ten einde het zelf in bezit te nemen; ook Venetië moest bij deze gelegenheid vernederd worden en Aldus had het ongeluk een der slachtoffers te zijn van dezen rampzaligen oorlog. Hij werd van zijne bezittingen beroofd, en verloor zijn tijd met reizen en trekken, of hij zijn goed ook terug mocht krijgen. Zoo keerde hij eens van Milaan, toen hij plotseling, zonder eenige bijzondere reden, door de soldaten van den hertog van Mantua gevangen genomen en in den kerker geworpen werd. Men ketende hem daar, alsof men met een gevaarlijken misdadiger te doen had. Deze schandelijke aanslag op de vrijheid van een ijverig burger, die de glorie uitmaakte van zijn stad en van zijn tijd, wekte groote verontwaardiging. Door zijne vrienden opgeëischt, keerde hij naar zijn huis en haardsteê terug, maar arm en zonder hulpbronnen. Dank zij zijn doorzettenden ijver en zijn geduld, verrees zijn drukkerij weder uit haar asch. Hij gaf van 1507-1513 de treurspelen van Euripides uit, Plinius, Plutarchus, de Commentariën van Caesar, Cicero's brieven en de werken van Pindarus. Hij was weder in zijn element.
»Er zijn nu vier jaren voor den arbeid verloren gegaan," zoo zegt hij in de voorrede van zijn Pindarus, »en de geesel des oorlogs heeft gansch Italië al dien tijd getroffen. Ik moest Venetië verlaten om mijn grond en tuin weder te krijgen, die ik niet door eigen schuld, maar door de ongenade der tijden verloren had."
Aldus, de oude, zooals hij genoemd wordt, om hem van zijne opvolgers te onderscheiden, stierf den 6den Februari 1516, zes-en-zestig jaren oud. Na vijf-en-twintig jaren van noesten arbeid, na al zijne krachten, al zijn geest tot het welzijn van de menschen te hebben besteed, ging hij heen zonder fortuin en aan zijn kinderen niets nalatende, dan een goeden en geachten naam.
Van een anderen aard waren de vervolgingen door Robert Estienne ondergaan, die, wegens een grieksche vertaling van den Catechismus van Calvijn, zich de vijandschap van de Sorbonne op den hals haalde, maar uit Frankrijk ontsnapte, te Genève een drukkerij oprichtte (1551) en deze dienstbaar maakte aan de zaak der Hervorming. Twintig jaren was hij met de Sorbonne in strijd geweest; meer dan eens dreigde hem de mutsaard, nu eens omdat hij den bijbel in groot formaat had afgedrukt, dan eens omdat hij een kleiner uitgave gegeven had van het Nieuwe Testament.
Grooter onheil stond Dolet te wachten. Steven Dolet werd in Orleans geboren, in het jaar 1509. Na de hoogeschool van Parijs bezocht te hebben, ging hij naar Padua en bracht er zijne studiën ten einde. Drie jaren later werd hij secretaris bij den ambassadeur te Venetië, Jean de Langeac, en volgde de lessen van Battista Egnazio over Cicero en Lucretius. In 1532 vinden wij hem te Toulouse. Hij studeert er in de rechten en is er het hoofd der partij, die voor de verboden studentenvereenigingen ijvert, ter oorzake waarvan hij gevangen gezet wordt. Door den bisschop van Rieux verlost werd hij nu bij de eene partij even geliefd als bij de andere gehaat. Hij spaarde zijne vijanden niet en werd uit Toulouse gebannen. Dolet toog nu naar Lyon, waar hij zijne Commentaires de la langue Latine liet drukken, een veel omvattenden arbeid, waaraan hij, van zijn zestiende jaar af, zijn tijd, zijn rust, de genoegens der jeugd en zijn gezondheid had opgeofferd. De jeugdige schrijver droeg zijn werk op aan Frans I, aan wien hij te Mons werd voorgesteld. De Koning nam hem in zijne bescherming en verleende hem zelfs het privilege van te mogen drukken en te laten drukken alle boeken, die hij schrijven of vertalen mocht.
Een nieuw avontuur maakte dat hij deze hooge bescherming wel noodig had. Zijne vijanden zonden een moordenaar op hem af, en toen deze op hem aanviel, werd hij door Dolet gegrepen en gedood. Beschuldigd van moord, werd hij nauwelijks verhoord, en zonder Frans I ware hij misschien toen reeds uit het land der levenden verdwenen.
Dolet, die zich de ondersteuning van den Koning waardig wilde maken, besloot nu zelf aan het drukken te gaan. »Ik zal met alle macht," zoo verzekerde hij, »den schat der letterkunde vermeerderen; ik zal de afgestorven zielen der Ouden aan mij verbinden door hunne werken met de meeste zorg te drukken. Ook zal ik mijn pers dienstbaar maken aan de geschriften mijner tijdgenooten. Maar evenzeer als ik de meesterstukken zal aannemen, evenzeer zal ik het onwaardig geschrijf afwijzen van krabbelaars, die de schande zijn hunner eeuw."
Hij gaf nu verscheidene goede boeken uit met voorredenen. Die voor Plato's »Samenspraken" bestaat uit een welsprekend gedicht, aanvangende met de woorden:
»Al lang genoeg geleefd in 't duister!"
Zijne drukken voeren als zinnebeeld of wapen een bijl of snoeimes, gehouden door een hand, die uit een wolk te voorschijn komt en die een tak van een knoestigen boom schijnt te willen afsnijden. Op de fransche boeken leest men daarbij: »Bewaar mij, o Heer! voor der menschen laster!"
Dolet gaf zich geheel aan zijn drukkerij over, maar zijne vijanden hielden niet op hem te vervolgen. In 1542 werd hij van zijn vrijheid beroofd, onder voorwendsel dat hij kettersche boeken uitgaf. Vijftien maanden lang zuchtte hij in den kerker en nog eens dankte hij zijn vrijheid aan 's Konings gunst.
Den 14den Februari 1543 leverde een vonnis van het Parlement van Parijs dertien zijner werken aan de vlammen over, als bevattende een vervloekte, verderfelijke en kettersche leer. Ried de voorzichtigheid tot de vlucht, de vaderlandsliefde en het goed geweten hielden hem tegen. Hij verdedigde zich met het wapen van den spot, en deze Rabalais onder de uitgevers wist uitermate goed met dit wapen om te gaan. De uitgever wreekte den schrijver.
In November 1544 vergaderde de Theologische Faculteit van Parijs, behandelde de uitgaven van Dolet en vond in een vertaling van Plato's »Axiochus" aan Socrates het woord toegekend: »Na den dood zijt gij niets." Deze zinsnede werd voor kettersch verklaard, als zijnde met opzet en tegen Plato's bedoeling verkeerd vertaald. Nu werd Dolet als hereticus relapsus (een ten tweede male tot dwaalleer vervallen ketter) op de pijnbank gebracht, tot een nuttig onderwijs voor zijne makkers, zooals het in het vonnis luidt, en vervolgens geworgd en verbrand op den 8sten Aug. 1546. [2]
Maar wat men Gutenberg of Dolet ook mocht aandoen en hoe veel boeken men vonnissen en verbranden mocht--het licht scheen er maar te helderder door, geweld en domheid stelden er zich maar te meer door ten toon.
HOOFDSTUK VI.
DE WEG DER WETENSCHAP.
Niet steeds heeft de wetenschap de haar betamende plaats ingenomen in het rijk der kennis. Zeer langen tijd zijn hare rechten verkort, is haar onderwijs versmaad, zijn hare beginselen miskend; eeuwen lang is haar voortgang moeielijk geweest en traag. Dit komt hierdoor dat de menschelijke geest niet altijd de kunst heeft verstaan van de natuur te raadplegen en haar langs den weg der ervaring uit te hooren. Tot op de Renaissance was de wetenschap onderworpen aan het uiterst verwaand gezag der school, en waar zij eigen leven zocht, viel zij onder de mokerslagen der vervolging. Copernicus, als hij zich verwijdert van de denkbeelden van zijn tijd en, tegen de Kerk in, verklaart dat de aarde zich wentelt rondom de zon, Galileï, als hij der menschheid het aangrijpend schouwspel vertoont van den loop der sterren, hebben daarmede een groote omwenteling veroorzaakt in den gang der wijsbegeerte. De wereld zag in, dat zij op den verkeerden weg was, waar zij de waarheid wilde vernemen van menschen, die haar even weinig kenden als zijzelve. Het werd haar openbaar dat men les moest gaan nemen bij de natuur, die den geduldigen onderzoeker loont met hare schoonste openbaringen. Galileï met zijn kijker naar den sterrenhemel gekeerd, ziedaar een gebeurtenis van belang. De wijze houdt op met te zweren bij oude meesters; de nieuwe wijsbegeerte opent het tijdperk van de wetenschap der ervaring en de geesten worden vrij.
Gedurende de middeleeuwen ging de wetenschap gebogen onder het juk van de scholastiek, die bekrompen en armelijke poging om datgene, wat de Kerk leerde, langs wetenschappelijken weg te bewijzen. Thans verkondigt de wetenschap hare uitkomsten, hare gissingen, hare overwinningen vrij en ongedwongen, en wie iets nieuws gevonden heeft, heeft slechts met de feiten te voorschijn te komen en 't is genoeg. Maar zoo is het niet altijd geweest en de nieuwe denkbeelden zijn met het bloed van martelaars ingewijd.
Baco en Cartesius hebben den zuiver wetenschappelijken weg voor ons geopend. Zij zijn de scheppers dier gezonde logica, die ons leert hoe onzen geest te besturen, zal zij de waarheid vinden. Cartesius heeft de onafhankelijkheid uitgeroepen van het oordeel, toen hij leerde dat men niet als waar moest aannemen wat men niet klaar en scherp als waarheid had begrepen.
Dit denkbeeld, naar onze beschouwing zoo eenvoudig, scheen vroeger ten eenenmale gruwelijk. Zich op de ervaring der zinnen of op de rede te beroepen tegenover een uitspraak van Aristoteles en de voorschriften van de Kerk--welk een zonde! Zoo plantten zich de dwalingen en de vooroordeelen voort van geslacht tot geslacht.
Waagde een sterrekundige te beweren dat hij vlekken had gezien in de zon, even zeker als hij vlekken zag op het papier, dan antwoordde men hem: »dat kan niet zijn; onze leeraars onderwijzen ons anders, namelijk dat de dagvorst onbesmet is, eeuwig rein."
De groote beweging die in den tijd der Renaissance in de wijsbegeerte plaats vond, werd in de 13de eeuw voorbereid door een man, even vernuftig en geestrijk, als rampspoedig, met name Rutger Baco. Deze beroemde engelsche monnik toch is inderdaad de eerste wijsgeer geweest, die opgekomen is tegen de dwalingen der scholastiek. »Was ik de eigenaar van al de boeken van Aristoteles, ik zou ze allen verbranden," zeide hij. »Want men doodt er zijn tijd mee en zij dienen tot niets anders dan om de dwaling te verbreiden en de onwetendheid te vermeerderen." Zich aldus over Aristoteles uitlatende had hij minder den wijsgeer der oudheid zelven op het oog, dan de eigenaardige aristotelische leer der middeleeuwen.
Rutger Baco werd te Ilchester in het graafschap Sommerset geboren, in het jaar 1214, volbracht zijn eerste studiën te Oxford, kwam daarna te Parijs studeeren, werd er doctor in de godgeleerdheid en zag zich opgenomen in de orde der Franciskanen. Zijn voorliefde voor de natuurwetenschappen en voor het vrije onderzoek kwam hem toen reeds op vrij wat onaangenaamheden te staan van de zijde zijner dweepzieke ordebroeders. Baco legde zich eerst op het Latijn, het Grieksch, het Hebreeuwsch en Arabisch toe, ten einde de oude schrijvers in het oorspronkelijke te kunnen lezen. Dit belette hem niet de mathesis, sterrekunde, natuurkunde en chemie te beoefenen en in het kort zich vertrouwd te maken met al de takken der wetenschap. Hij raadpleegde daarbij allermeest de ervaring en verbreidde zijne gezonde leer onder de vele leerlingen, met wie hij in betrekking stond. Zijn werkzaamheid en zijn scherp verstand maakten hem weldra vermaard. Te Parijs stond hij bekend als le docteur admirable, en hij maakte zich dien naam waardig, zoowel door het aantal als door het hooge belang zijner ontdekkingen op elk gebied van wetenschap. Baco was de eerste, die de fouten der juliaansche tijdrekening ten opzichte van het zonnejaar ontdekte. Hij reeds stelde paus Clemens IV de verandering voor, die eerst drie eeuwen na zijn dood tot stand gekomen is. Hij was de eerste, die de eigenschappen onderzocht der bolle en der holle glazen, brillen sleep en de leer van den teleskoop te berde bracht. Zoo hij al niet in eigenlijken zin het kruit heeft uitgevonden, welks vervaardiging voor vijftig jaren reeds beschreven was, hij gaf toch het middel aan de hand om het gehalte daarvan te verbeteren, daar hij de middelen aanwees om het salpeter te zuiveren, dat, zooals men weet, een van de hoofdbestanddeelen er van uitmaakt.
Deze belangrijke zaken maakten dat hij de beschuldiging van tooverij moeielijk kon ontgaan. In de verbeelding des volks werd hij de held van allerlei wonderverhalen. Men hield hem voor een duivelskunstenaar en hij had, zeide men, een metalen hoofd vervaardigd, dat de toekomst wist te voorspellen. Zijne dweepzieke kloosterbroeders deden hem allerlei kwellingen aan, en het hoofd zijner orde verbood hem zijne geschriften mede te deelen aan wien ook, op straffe van op water en brood te worden gezet. Niettemin hield Clemens IV, nieuwsgierig naar zijne wonderbare uitvindingen, hem de hand boven het hoofd. Door de goede zorgen van een zijner meest getrouwe leerlingen, deed Baco den Paus het handschrift toekomen van zijn werk Opus Majus, en later dat van zijn brief over les Oeuvres secrètes de l'Art et de la Nature.
Zijne werken bevatten een ongekenden rijkdom van kundigheden. Zijn Opus Majus omvatte bijna alle mogelijke wetenschappen, de kennis der talen niet uitgezonderd. Men vindt er onder anderen de beginselen in der gezichtskunde, de leer der brandspiegels, allerbelangrijkste opmerkingen over de straalbreking, een verklaring van den regenboog. Men vindt er ware onthullingen in, die blijk geven van een zoo buitengewoon doorzicht, dat men hem soms met een zeker voorgevoel van de toekomst begiftigd zou wanen. Van het kruit zegt hij, dat men er een stad of een leger mee zou kunnen vernielen. Spreekt hij van de natuur- en werktuigkunde, dan lijkt hij stoommachines en spoorwegen te beschrijven en de mogelijkheid te onderstellen van zich in de lucht te kunnen opheffen. Men zou, zegt hij, werktuigen kunnen vervaardigen, waarmee men de grootste schepen sneller zou doen loopen, dan wanneer een gansch garnizoen aan de riemen zat. Men zou rijtuigen zonder behulp van trekdieren met ongehoorde snelheid kunnen voortbewegen. Men zou ook machines kunnen vervaardigen, waarmee men, als met vleugels, zich in de lucht zou kunnen verheffen.
Het Opus Majus schittert met nog hooger glans. Men vindt er een hoofdstuk in over de kunst van waarnemen. Het waarnemen, het nemen van proeven, wordt er beschouwd als de hoogste sport op den ladder der wetenschappelijke hulpmiddelen. Slechts door waarneming kunnen scheikundigen en natuurkundigen tot groote ontdekkingen komen. 't Is waar, dat Baco, na zich in de hooge sferen der wijsbegeerte te hebben verheven, verdwaald raakt in de vooroordeelen van zijn tijd; hij gelooft dat er middelen zijn om de edele metalen te vermenigvuldigen en het leven te verlengen; maar niemand vergete dat hij leefde in de dertiende eeuw.
De inbreuk, door Baco gemaakt op de kloosterregelen, de domme en nijdige haat, die tegelijk met zijn roem aanwies, moesten noodlottig voor hem zijn. Men wist dat de Paus hem beschermde, en de aanvallen, waaraan hij bloot stond, werden in de beginne altijd een weinig ingetoomd, maar toen Clemens IV kwam te sterven ging het met woede op hem los. In 1278 klaagden de Franciskaners hun medebroeder als een sterrewichelaar aan, die zijn ziel aan den duivel had verkocht. Te vergeefs was het, dat Baco trachtte zich te rechtvaardigen; de aanklacht van tooverij en magie beantwoordde hij met een brief: de nullitate magiae. »De zaken gaan uw verstand te boven," zoo schrijft hij, »en daarom noemt gij ze duivelskunstenarijen. Maar wat baat er tegen de verblinding van bijgeloof en dweperij?" De werken van Baco werden veroordeeld als bevattende »gevaarlijke en verdachte nieuwigheden." De arme schrijver moest voor zijn vernuft en zijn geest boeten met een gevangenschap van 15 jaren. Toen hij goed en wel door de smart verteerd, door zijn gevangenschap ondermijnd, door zwakte en kwalen uitgeput was, gaf men hem de vrijheid weder. De ongelukkige grijsaard sleepte zich voort en kwam in zijn vaderland aan, om er te sterven. Hij moet zich wel diep ongelukkig hebben gevoeld, wanneer het waar is dat hij op zijn doodsbed de klacht heeft geslaakt: »Het berouwt mij zooveel moeite ten beste te hebben gegeven aan de wetenschap!"
Baco was zijn tijd een paar eeuwen vooruit. Zijn roem gaf aan zijn leer zekere ruchtbaarheid; maar eigenlijke op- en navolgers vond hij eerst, toen de boekdrukkunst de waarheid vleugelen gaf. Eerst de wijsgeeren toch der 16de eeuw begonnen door middel dezer gezegende kunst de geesten te vormen, het vrije onderzoek voor te bereiden en onder zwaren strijd en bittere worsteling der menschheid haren Baco waardig te maken.
Aan dien strijd heeft Ramus (Pierre La Ramée) een groot aandeel gehad. Na met schitterenden uitslag meester in de zeven vrije kunsten te zijn geworden, gaf hij te Mans openbare lessen o. a. in de logica en stelde zich tot taak de beginselen dier wetenschap te herzien. Zijne werken werden door de theologische faculteit te Parijs veroordeeld, en men ging zoo ver van hem naar de galeien te verwijzen, welk vonnis evenwel niet ten uitvoer werd gebracht; maar wel werd hij voor een weetniet, een onbeschaamde, een kwaadwillige, een onruststoker uitgemaakt, en wel werd hem het lezen en schrijven onmogelijk gemaakt. In 1551 tot hoogleeraar benoemd, is hij beurtelings afgezet en hersteld, uit Parijs gebannen en weer naar Parijs teruggekeerd. Hij bevond zich in deze stad, gedurende den vreeselijken Bartholomeus-nacht en van protestantsche gevoelens verdacht, werd hij door zekeren Charpentier, een dwepend katholiek, als een gevaarlijk hugenoot aangewezen, bestolen en vermoord, waarna zijn lijk uit het venster geworpen en op gruwelijke wijze verminkt en mishandeld werd. Ook hij had het zijne bijgebracht tot de vrijmaking van den geest, ook hij, een Luther op het gebied der wetenschap, was een hervormer.
Nevens hem vinde hier Giordano Bruno vermelding, een der groote strijders voor het vrije denken, een man vol geleerdheid, kennis en verbeeldingskracht. Hij werd te Napels geboren, omstreeks het midden van de 16de eeuw. Na tot de orde der Dominikanen behoord te hebben, begaf hij zich naar Genève, daar zijn twijfelingen aangaande de kerkleer en zijne spotternijen tegen de monniken hem het verblijf onmogelijk maakten in het land der Heilige Inquisitie. Hij omhelsde het protestantisme, kwam te Parijs, waar hij de wijsbegeerte onderwees, en bestreed de school van Aristoteles. Engeland, Duitschland doorreisde hij, overal zijne geschriften als uitstrooiende. Toen greep het verlangen, om zijn vaderland weder te zien, hem aan, en bleef hij een paar jaren te Venetië vertoeven. De Venetianen leverden hem uit aan de Inquisitie en deze zond hem naar Rome. Veroordeeld, om levend verbrand te worden, riep hij, in verheven kalmte van geest, zijn rechter toe: »Over het vonnis, dat gij daar uitspreekt, staat gij waarschijnlijk meer verlegen dan ik." In Februari 1600 stierf hij in de vlammen. Giordano Bruno hield het heelal voor oneindig en onmetelijk. Hij geloofde dat er meer dan één wereldstelsel was en nam de verdediging op zich van de leer van Copernicus. Dit was zijn misdaad.
Een ander slachtoffer der geestelijke onverdraagzaamheid was Campanella, een Napolitaansch leeraar der wijsbegeerte, hervormer der wetenschap en verdediger van Copernicus. Twintig jaren leefde hij in boeien en de vreeselijkste folteringen, die wij in een akeligen droom ons voor den geest kunnen stellen, deed de Inquisitie hem aan, en doorstond hij, soms veertig uren achtereen. De meest gezochte beschuldigingen werden tegen hem aangevoerd, de wreedste folteringen hem aangedaan; maar hij week niet. Paus Paulus V vroeg zijn vrijspraak van Filips III. Deze was onverbiddelijk. Eerst bij diens dood kon Campanilla den kerker verlaten. Nu begon hij zijn strijd op nieuw, en zoo hij thans onder de hoede van Paus Urbanus VIII en den kardinaal van Richelieu rustig kon werken, zoo hij Cartesius in Holland kon bezoeken en op zijn zeventigste jaar te Parijs rustig den adem uitblies, wie had, als hij, dat leven ontworsteld aan duizend dooden, wie had, als hij, zijn eigen leven zich zoo dubbel verdiend?
Terwijl deze wijsgeeren zoo dapper streden, bracht een groot werkman de wetenschap der ervaring in praktijk, en leverde, door de uitkomst van zijn arbeid, een zichtbaar getuigenis voor de degelijkheid der nieuwe wijze van onderzoek.
Palissy zag het levenslicht in het begin van de 16de eeuw, in de nabijheid van het stadje Biron, tusschen de Lot en de Dordogne. Van zijn jeugd is weinig bekend, maar dit weet men, dat hij al vroeg de Pyreneën, Vlaanderen, de Nederlanden, de Ardennen en de Rijnoevers bezocht, als zwervend gezel glazen slijpende, maar bovenal allerlei natuurkundige bijzonderheden nagaande, bergen, bosschen, steengroeven, mijnen, grotten bezoekend.