De martelaars der wetenschap

Part 7

Chapter 73,842 wordsPublic domain

Aldus stierf Kepler, de stoutmoedige onderzoeker, die reeds bij de eerste schreden op het gebied der sterrekunde de hoop voedde van het raadsel der natuur tot een oplossing te brengen. Zijn leven lang, zien we hem als voortgedreven door den drang zijner ziel naar de waarheid. Steeds jaagt de dorst naar kennis hem voort; nimmer houdt de hoogmoed der wetenschap hem op. Fier en stout zoolang hij zoekt, heeft men van hem gezegd, wordt hij nederig en als ootmoedig, zoodra hij gevonden heeft, en in zijn blijdschap geeft hij de eer aan God. Zijn ziel, zoo groot als edel, kende ijdelheid noch naijver. Hij zocht noch toejuiching noch huldebetoon. Zijn glorie staat in de hemelen geschreven en de sterren verheffen met hun regelmaat en orde zijn naam.

Tycho-Brahé zag te Korudstorp in Denemarken het levenslicht op den 15den October 1546. Zijn vader Otto Brahé, van oude en edele afkomst, had niet minder dan tien kinderen en bestemde Tycho voor den krijgsdienst. Wat kon de spruit van een edel geslacht anders worden dan soldaat? Toch mocht Tycho, dank zij den invloed van zijn oom, de hoogeschool bezoeken. Hij werd in 1559 naar Kopenhagen gezonden en daar ontwikkelde zich in hem die zin voor sterrekundige studie, die hem beroemd gemaakt heeft. Den 21sten Augustus 1560 zou er een zonsverduistering plaats vinden en Tycho werd bij die gelegenheid diep getroffen door het feit, dat zulke verschijnselen zich met zooveel juistheid laten voorspellen. Hij besloot zich in de geheimen dezer kunst te laten inwijden, en al werd hij in 1562 naar Leipzig gezonden, om er in de rechten te studeeren, de hemel hield zijn oog, zijn hart, zijn wil geboeid. Al zijn vrijen tijd en al zijne spaarpenningen maakte hij aan zijn lievelingsstudie dienstbaar, en hiermede bracht hij het door eigen studie zóóver, dat hij bij gelegenheid van de conjunctie van Jupiter en Saturnus, in 1563, met behulp van eenige grove werktuigen belangrijke fouten ontdekte in de Alphonsische tafels en in die van Copernicus.

Bij den dood van zijn oom, in 1565, kwam Tycho naar Denemarken terug, om er zijn erfenis te aanvaarden. Zijn liefde voor de sterrekunde vond bij zijne ouders niet weinig afkeuring en van zijne vrienden moest hij er niet weinig over hooren; immers waren zulke bezigheden beneden de waardigheid van een edelman. De jeugdige sterrekundige gekrenkt over de bejegening, die hij ondervond, verliet zijn vaderland, hield zich eenigen tijd te Wittenberg op, bracht twee jaren in Rostock door, en zette aldaar zijne onderzoekingen met ijver voort. Daar had hij een duel en werd hem de neus afgeslagen, die, zegt men, zoo wél door een kunstneus van goud en zilver vervangen werd, dat men de verminking bijna niet zien kon.

Van Rostock ging Tycho naar Augsburg, waar hij met behulp der gebroeders Hainzel een quadrant vervaardigde met een straal van 9 à 10 meters. Hij kwam in 1571 in het vaderland terug, en won een ijverig vriend en voorstander in zijn oom Steno Bille, die steeds de partij van zijn neef had opgenomen, wanneer deze door de hatelijkheden en spotternijen van zijne bekenden vervolgd werd. Steno Bille stond Tycho Brahé een gedeelte af van zijn woning, om er een sterrewacht van te maken. Hier--bij Steno Bille--heeft Tycho Brahé zijn besten tijd gehad. Hier heeft hij op den 11den November 1573 een nieuwe ster ontdekt in het sterrenbeeld Cassiopea. Deze ster verscheen waarschijnlijk den 5den November voor het eerst aan den hemel. Ze bleef zestien maanden zichtbaar, nam merkbaar toe in glans, in die mate, dat zij Jupiter dreigde te overschitteren en eerlang bij daglicht te zien zou zijn, maar langzamerhand taande deze buitengewone glans, en in Maart 1574 was zij niet meer zichtbaar.

Tycho Brahé ergerde zijne betrekkingen op nieuw door zich in 1573 in het huwelijk te verbinden met een boerendochter; maar de Koning, Frederik II, stoorde zich daar niet aan en beschermde hem, ja, gaf hem levenslang de vrije beschikking over het eiland Huen bij Kopenhagen.

Het eiland Huen in de Sond is bijna rond van gedaante, heeft een omtrek van omstreeks negen kilometers en rijst aan alle kanten langzamerhand van de kust naar het binnenland omhoog, waar zich een ruim en effen bergvlak vormt. De Koning liet hier een groote sterrewacht bouwen, voorzien van alles wat de sterrekundige waarneming bevorderen kon en tevens van de noodige vertrekken voor Tycho en zijn gezin en zijne bedienden. Rondom het gebouw was een groote vierkante ruimte, door hooge en stevige muren afgesloten, wier hoeken naar de vier windstreken gekeerd waren. Er waren torens en platten, en alles wat er noodig was, en dit schoone paleis der wetenschap droeg den naam van Uraniaburg.

Behalve een bibliotheek en een museum bevond er zich ook een onderaardsch gewelf met zestien stookplaatsen, waar Tycho de alchemie beoefende, hopende dat hij daar omlaag in zijn retorten een schat van goud zou vinden, die hij weder aan zijne studiën daar boven op de sterrewacht besteden zou. Dit alles kostte den Koning een millioen rijksdaalders, en men zegt dat Tycho Brahé een dergelijke som aan zijne inrichting ten koste legde. Zooveel is zeker, dat hij zijne bezittingen al te krachtig aansprak en de Koning hem een jaargeld van 2000 rijksdaalders moest toeleggen, terwijl hij hem voorts eenige landerijen in Noorwegen en een canonicaat bij de kerk van Rothschild schonk--wat waarlijk niet gering was.

De glans, die van het paleis van Huen straalde met zijn gebouwen en nevengebouwen, zijn weergalooze verzameling sterrekundige instrumenten en zijn vermaarden geleerde, trok een menigte van leerlingen naar Denemarken heen. Sommigen van deze studeerden voor rekening van den Koning, anderen werden door steden en scholen gezonden, weder anderen werden door Tycho zelven onderhouden. Telkens kwamen er bovendien voorname of geleerde gasten op Huen.

Rustig zou Tycho Brahé zijn leven op dit eiland vol bekoring gesleten en geëindigd hebben, wanneer Frederik II lang genoeg was blijven leven, om hem te beschermen. Maar de Koning stierf, en het hof, dat tot dusver een schijn van belangstelling getoond had in Huen's paleis en in de sterrekunde; maar in het geheim den sterrekundige met nijdige oogen aanzag, begon zich tegen de inrichting en haren geleerde te keeren. Eerst duldde men hem, maar straks werd er in zijn nadeel gewerkt, en eindelijk bracht men het met kuipen en verdacht maken zóóver, dat Tycho Brahé plotseling zijn jaargeld door koning Christiaan zag intrekken. Daarna werd hij met zijn vrouw en negen kinderen van het eiland gejaagd, zoodat hij niet meer werken kon. In 1597 ging hij naar Kopenhagen. Toen besloot hij zijn land te verlaten, waar hij, bij al de vernederingen, van de zijde van zijn hoofdvijand Walchendorp ook nog persoonlijke beleediging en gewelddadige aanranding te verduren had. Zoo verliet hij Denemarken, er zijn roem maar ook zijne vijanden achterlatende.

Gelukkig telde hij onder de edelen en vorsten van Europa vrienden en beschermers, zooals de graaf van Rantsau, die hem op zijn kasteel Wandeburg, bij Hamburg, gastvrij ontving, en hem met zijn gansche gezin herbergde. Hier schreef hij in 1597 zijn werk Astronomiae instauratae mechanica (de werktuigkunde van de nieuwe sterrekunde), waarin hij, met behulp van de noodige platen, zijne sterrekundige werktuigen beschreef en hun gebruik aanwees. Ook schreef hij hier zijne werken over de chemie. Een proefstuk van dit werk werd met een lijst van 1000 sterren aan keizer Rudolf II toegezonden, die een groot liefhebber was van alchemie en sterrekunde. In dezen vorst vond hij eenigszins zijn Frederik van Denemarken weder. Rudolf riep Tycho Brahé naar Praag en ontving er hem met de meeste warmte. Spoedig was hij hier met zijn gezin en zijne instrumenten bij zich. Hij genoot een jaargeld van 3000 kronen en kreeg het kasteel Renach om er zich te vestigen. Hier vond hem Kepler, toen negen-en-twintig jaren oud, en hier werkten de beide groote sterrekundigen met elkander. Maar het duurde niet lang. Zijn gestel was geschokt; de miskenning en den haat, in zijn vaderland ondervonden, trok hij zich sterk aan, en hij stierf den 24sten October van het jaar 1600, in den ouderdom van vier-en-vijftig jaren.

Geen beter praktisch hemelbeschouwer dan Tycho Brahé. Zijne werktuigen zijn even schoon als talrijk. Zijn vernuft, om oude werktuigen te verbeteren en nieuwe uit te denken, was onuitputtelijk. En niet alleen was hij in het bespieden van den sterrenhemel uiterst bekwaam, maar zijne waarnemingen hebben ook hare waarde behouden tot op dezen dag.

Intusschen staat Tycho Brahé met velen in de rij van groote sterrekundigen; een man als Newton daarentegen treedt uit de rij te voorschijn als een verheven, onvergetelijk eenling. Lagrange heeft van Newton gezegd, dat hij de hoogste openbaring was van het menschelijk genie, en Voltaire getuigt van hem: zijn grootheid is boven allen lof verheven en mag hem door niemand benijd worden.

Met hoe groot een geest ook begiftigd, hoe volmaakt ook, waar het zijn wetenschap en zijn ontdekkingen gold, was Newton in alledaagsche zaken niet grooter, dan gewone stervelingen. Hij was onrustig, bij uitstek prikkelbaar. Heeft hij soms geleden, hij had het zichzelven te wijten.

Isaäc Newton kwam den 28sten December 1642 in een nederige boerenwoning te Woolstop, in Lincolnshire, ter wereld. Hij was zóó zwak, dat men hem maar weinig dagen levens toedacht. Hij werd echter een stoere knaap, leerde op de dorpsschool lezen en schrijven en werd bij een apotheker in de kost gedaan, om de colleges te Grantham te kunnen volgen. Na een paar jaar studeerens werd hij door zijn moeder teruggeroepen; maar hij toonde zich weinig ingenomen met het boerenbedrijf. Hij peinsde over allerlei zaken en las oude boeken. »Hij zal een geleerde worden," zeiden zijne ouders. Zij namen dus het besluit hem te Cambridge te laten studeeren en zoo ging hij naar Grantham terug, opdat hij zich aldaar voor de academie zou voorbereiden. De jonge Isaäc Newton had inderdaad neigingen, die zonderling mochten heeten, wanneer men zijn leeftijd in aanmerking nam. Inzonderheid stond ieder versteld over zijn zin voor werktuigkunde. Nu eens vervaardigde hij een molen, dan een wateruurwerk, dan weder vliegers van nooit aanschouwde afmetingen, of hij teekende een zonnewijzer op den muur der ouderlijke woning.

Op negentienjarigen leeftijd werd Newton student te Cambridge. Hij gaf zich met hart en ziel aan de studie der mathematische vakken over, en reeds bij den aanvang van zijn loopbaan verraste hij de wereld met een drietal ontdekkingen omtrent de ontbinding van het licht en de algemeene aantrekkingskracht in het heelal. Hij onderscheidde zich door een zeer eigenaardig karakter. Met een meer dan gewone zedigheid bedeeld, schuwde hij alle openbaarheid. Gaarne ging hij stil zijn weg--en dit is levenslang een karaktertrek van Newton gebleven. Hij was vijf-en-twintig jaren oud, toen een der grootste overwinningen op het gebied der natuurkunde door hem behaald werd. Hij deed een zonnestraal door een prisma gaan, en merkte op, dat die straal samengesteld was uit een zevental verschillende stralen, met ongelijke straalbreking. Deze ontledende of analytische proeve door een samenstellende, synthetische, vervangende wist hij vervolgens, door een nieuwe straalbreking, de zeven stralen weer tot één te brengen en zoo het witte licht te herstellen. Deze ontdekking gaf een gansch andere richting aan de dioptrica en zou later de grondslag worden van de spectraal-analyse, die ons in staat stelt het gehalte der sterren te herkennen aan het licht, dat zij afwerpen.

Na eenige jaren in Cambridge te hebben doorgebracht, kwam Newton in zijn klein en onaanzienlijk Woolstrop terug. Hier was het dat hij, in zijn tuin gezeten, een appel vóór zich op den grond zag vallen. Dit gansch gewone geval, waargenomen door zijn oog, opgenomen in zijn ziel, werd de aanleiding tot een nieuwe ontdekking. Hij vraagde zich af welke toch de oorzaak zijn mocht dier geheimzinnige kracht, door welke ieder voorwerp naar de aarde wordt getrokken. Had die kracht, wat ze wezen mocht, grenzen? Zij werkt nog op de hoogste bergen, zou zij ook op een tien-, honderd-, duizendmaal grooter afstand werken? Strekt zij zich uit tot de maan? Een gewoon denker zou die vraag misschien ontkennend beantwoord hebben. Immers ware het zoo, dan moest ook onze wachter op de aarde vallen. Newton dacht er juist anders over. Is 't niet door onze dagelijksche ervaring bekend genoeg, dat een voorwerp, hetwelk in horizontale richting door de lucht geworpen wordt, des te verder nedervalt, naarmate het van grooter hoogte en met grooter snelheid weggeworpen wordt? Plaats u in gedachten op een toren van 90.000 mijlen hoogte, dit is de afstand van de aarde naar de maan, en werp nu dit hemellichaam met de snelheid van een kwartmijl per seconde--dat is ongeveer de snelheid van de maan--in de ruimte, dan is het duidelijk dat het veel verder zal nederkomen, dan de straal der aarde reikt, die toch niet meer dan 15000 mijlen bedraagt. Daar de maan bij die beweging niets verliest van haar snelheid, gaat ze, om zoo te zeggen, in horizontale richting voort, en dezelfde kracht, die een steen of appel op de aarde doet nedervallen, houdt daarentegen de maan op een eerbiedigen afstand, zonder dat ze op onze aarde valt, wier afmetingen daartoe te gering zijn. Deze en dergelijke overwegingen maken slechts het allereerste begin uit van het betoog. De waarheid was gevonden; doch haar nog niet tot onbedriegelijke zekerheid kunnende brengen achtte hij het zijns onwaardig over dit onderwerp iets in het licht te zenden. Hij zag in hetgeen hij gevonden had de grondslagen voor een groot en schoon gebouw, en heeft twintig jaren gearbeid voor hij de vlag op het dak zette.

In 1669 werd Newton tot hoogleeraar te Cambridge benoemd, en in 1672 tot lid van de Koninklijke Maatschappij te Londen. Hij zond den president der Maatschappij een door hem uitgedachte en door hem vervaardigde teleskoop, die de algemeene bewondering gaande maakte. Zijn leer omtrent het licht bracht de gemoederen in heftige beweging en wekte bij Robert Hooke zulk een tegenspraak, dat de groote natuuronderzoeker, verbitterd en ontmoedigd, er een oogenblik aan dacht de studie vaarwel te zeggen.

In 1684 en 1685 bracht Newton zijn werk over de »Grondbeginselen" ten einde. Hij ontvouwde daarin de groote wet van de aantrekkingskracht in het heelal. Niet ten onrechte wordt Newton de vertrouweling der natuur genoemd. Hoe wist hij uit deze kracht, die als een vaste en geheime band al de bestanddeelen des heelals samenhoudt, al de groote verschijnselen te verklaren van het wereldstelsel. Trouw aan zijn genomen besluit, wilde hij niets openbaar maken. Maar Halley en anderen drongen zóó bij hem aan, dat hij week. Het werk, in 1687 uitgegeven, wekte bewondering en tegenspraak beiden. Leibnitz en Huijgens verwierpen Newton's theorie, de eerste zelfs met een groote mate van verbittering tegen de nieuwere denkbeelden.

Newton zocht zijn troost in nieuwe studie en nieuwe ontdekkingen; maar de strijd had hem zóó aangegrepen, dat hij eenige jaren later in zijn briefwisseling een weemoed en ziekelijke onrust verried, die tot een soort van waanzin klom. Gedurende eenige jaren, omstreeks 1692, liep dit groot genie gevaar krankzinnig te worden. Gelukkig ging dit gevaar voorbij; maar al herstelden zich zijn geestvermogens volkomen, hij deed geene ontdekkingen meer en gaf alleen zulke werken uit, als reeds lang door hem waren gereed gemaakt.

Hij had een gelukkigen ouderdom. Door zijne tijdgenooten is hij niet minder vereerd geworden dan door het nageslacht.

Isaäc Newton werd acht-en-tachtig jaar, en al was hij niet in den eigenlijken zin een slachtoffer der wetenschap, aan hem blijkt het toch ook weder dat men niet straffeloos een genie is. Zijne vrienden van Woolstrop hadden het bij hun haardvuur en op hun akkers gemakkelijker en rustiger. De wetenschap is een gevaarlijke vriendin.

HOOFDSTUK V.

DE BOEKDRUKKUNST.

De boekdrukkunst, zegt Ambroise Firmin Didot, scheidt de oude en de nieuwe wereld. Volgens Lamartine's schoone uitdrukking, brengt zij den mensch voor het heden en de toekomst, onmiddellijk en aanhoudend, in aanraking met alles wat er schoon is gedacht. Men zegt dat de spoorwegen en de telegraaf de afstanden hebben opgeheven; van de boekdrukkunst kan men zeggen dat zij 't den tijd gedaan heeft. Zij maakt allen tot elkanders tijdgenooten. Ik verkeer met Homerus, met Cicero, en de Homerussen en de Cicero's van later tijd zullen omgaan met ons.

In het begin van de 15de eeuw was men op het punt van schrijven en miniatuurteekenen zeer ver gevorderd. Er waren bijbels vol van de schoonste versieringen, de fijnste teekeningen, de geestigste prentjes, zacht van kleur en schitterend van opgelegd goud, prachtuitgaven door kunstenaarshanden verlicht. Maar dit was niet voor het volk, en ook het gewone schrift vorderde te veel tijd en te veel inspanning dan dat het voor weinig geld kon geleverd worden. Doch zie, daar verschenen grove prenten, meest prenten van godsdienstigen aard, die met zwarte omtrekken geteekend en met een onderschrift voorzien goedkoop van de hand werden gedaan en waaronder het volk zijn gading vond. Het waren gedrukte houtsneden, die de kunst meer algemeen maakte en die de geboorte gaven aan het gedrukte boek.

Er was nog maar één kleine, schoon gewichtige, overgang noodig, namelijk de letters, die op het hout uitgesneden stonden; afzonderlijk te snijden, of te gieten, om ze daarna tot woorden samen te voegen--en de eigenlijke boekdrukkunst, het drukken met beweegbare letter, was gevonden.

Dien overgang tot de losse letter heeft Gutenberg tot stand gebracht. Hij heeft de letter verlost en haar de plaats gewezen, die zij tot dusverre in de drukkunst bekleedt. Gutenberg werd te Mainz geboren. Hij was negentien jaren, toen keizer Frederik III aldaar zijn »blijde inkomst" hield. Er brak bij die gelegenheid een twist uit over den voorrang, dien de adel hebben zou bij de plechtigheden van den dag, en ten gevolge van de oneenigheid hierover, werd hij--hij was edelman--gebannen. Hij ging op reis, trok van stad tot stad, bezag landen en volken, reisde langs den Rijn, door Zwitserland en Duitschland, en kwam gedurende deze tochten op het denkbeeld boeken te drukken. Te Straatsburg oefende hij zich in de kunst en nam hij zijne eerste proeven.

Wel inziende van hoe groot gewicht zijne uitvinding was, ook als tak van nijverheid, gevoelde hij behoefte aan hulp en vooral aan menschen, die hem hunnen geldelijken steun verleenden. Hij vond onder de grooten van Straatsburg weinig aanmoediging. Een jong edelman, die zich met een gewoon handwerk bezig hield! Want dat hij een nieuwe uitvinding aan het licht wilde brengen, had hij verzwegen uit vrees dat een ander met den roem zou gaan strijken, die hem toekwam. Door de aanzienlijken afgewezen, wendde hij zich tot dat volk, voor hetwelk hij de baan der kennis openen zou. Hij associeerde zich met een paar vermogende Straatsburgers, Andries Dritzehn en H. Riffe, later met Fust, goudwerker en geldschieter te Mainz.

Nog kon Gutenberg er niet toe komen zijn geheim te verraden. Hij hield zich of hij deze en gene kunstvoortbrengselen wilde vervaardigen, hij polijste spiegels, hij sleep kostbare steenen, maar was in het geheim met zijn uitvinding bezig. Met jaloersche liefde verborg hij zijn kunst in de bouwvallen van het klooster van Sint Arbogast, en daar, verre van de wereld en van alle onbescheiden blikken, gaf hij zich aan haar over, zocht, werkte, peinsde, en sneed er de eerste letters en zette er de eerste pers in elkaar; de eersteling dier monsters, dier zwoegende wonderen van werktuigkunde, die in één enkel uur twintig duizend bladen druks afleveren.

Gutenberg begon al spoedig met den bijbel te drukken, maar zijne geldmiddelen waren spoedig uitgeput, en hij zag zich nu wel genoodzaakt zijn deelgenooten in kennis te stellen met zijn geheim. Immers, hij had nieuwe hulp noodig. Riffe en Dritzehn wenschten nu mede hun deel te hebben aan de glorie der uitvinding; en, zou niet alles schipbreuk lijden, dan moest hij daar wel in toestemmen. Zijn naam verdween van de associatie en hij was niet veel meer dan hun meesterknecht.

Dit is nog niet alles. Andries Dritzehn stierf en diens erven deden hem een proces aan, dat hij verloor, zoodat hij als een veroordeeld en geruïneerd man naar Mainz terugkeerde. Hij verbond zich nu met Fust en Schöffer, richtte een nieuwe werkplaats op en drukte, onder den naam van zijne deelgenooten in de zaak, bijbels en psalmboeken, niet meer met de broze houten, maar met metalen, en daardoor tevens zuiverder letter. Dit was omstreeks 1450. Maar ook Fust en Schöffer bezweken voor de verzoeking van zich langzamerhand en onwillekeurig den roem van Gutenberg toe te eigenen. In de opdracht eener Duitsche vertaling van Livius, erkennen zij zelven dat »de boekdrukkunst te Mainz is uitgevonden door den vernuftigen werktuigkundige Johan Gutenberg," maar eenige jaren later zijn zij deze bekentenis eenigszins vergeten en kennen de eer der uitvinding voor een deel aan zich zelven toe.

Nog eenmaal wordt Gutenberg, nu door Fust, van alles beroofd. Hij verlaat zijn vaderstad, verliest vrouw en kind en dreigt der armoede ten prooi te worden; doch het ontbrak hem nimmer aan vrienden die hem hielpen en hem in staat stelden zijn uitvinding te volmaken. Hij stierf tevreden. Rijk was hij niet geworden, en zijn leven was een voortdurende worsteling geweest. Van zijne negen-en-zestig jaren had hij er bijna vijftig aan de drukkunst gewijd. »Ik vermaak aan mijn zuster", zoo schreef hij in zijn testament, »al de door mij in het klooster van Sint Argobast gedrukte boeken." Arme uitvinder! Hij had niet meer te vermaken dan dit. Toch vermaakte hij aan de wereld een uitvinding, waarvan zij in steeds toenemende mate den zegen ondervindt, en die hij met zijn jeugd, zijn rust, zijn slaap en zijn uitwendig levensgeluk niet te duur betaald heeft geacht.

Na Gutenberg's dood verbreidde de boekdrukkunst zich alom. Spoedig vond men persen in alle groote steden van Frankrijk, Engeland, Duitschland, Holland en Italië.

Met de boekdrukkunst ontwikkelt zich de graveerkunst. Toen Gutenberg stierf, zag in deze wereld vol dood en opstanding Albrecht Dürer het levenslicht. Hij werd in 1471 te Neurenberg geboren, in een tijd toen de houtgravure begon te bloeien. Hij doorreisde in zijn jeugd Holland, het vaderland der eerste graveurs, begaf zich naar Venetië, waar hij de voorloopers van Titiaan bewonderen kon, kwam in Weenen en wist den grooten mededinger en vijand van Lodewijk XI en Karel VIII van Frankrijk, den duitschen keizer Maximiliaan I voor zich te winnen. Albrecht Dürer heeft met het genie van zijn hoofd, zijn hart en zijn hand het hout ziel en leven gegeven, een leven, dat beurtelings bewondering, blijdschap, vrees, huivering wekt.

Dürer stierf op den leeftijd van acht-en-vijftig jaren en heeft niet alleen meesterstukken van graveerkunst nagelaten, maar ook schoon goud en zilverwerk, beelden en bouwwerken. Deze groote kunstenaar was meer dan een groot kunstenaar, hij was ook een goed burger, met een hart vol geestdrift en moed. Hij stierf in armoede, zooals blijkt uit een brief, dien hij op het eind van zijn loopbaan aan de overheid van Neurenberg schreef.

»Voor negentien jaren riep mij de Raad van Venetië naar deze stad, mij twee honderd dukaten 's jaars toeleggende. De stad Antwerpen heeft mij drie honderd gulden en een fraai huis aangeboden. Zoowel in de eerst- als in de laatst genoemde stad zou al mijn werk mij afzonderlijk betaald worden. Ik heb het een en het ander afgeslagen uit liefde voor u, voor deze goede stad en voor mijn vaderland. Beter hier eenvoudig geleefd, dan elders in grootheid en weelde."