Part 6
De geschiedenis leert ons dat de menschen niet licht nieuwe waarheden aanhangen, ja, dat zij deze, zoolang zij kunnen, verwerpen en met te meer ijver, naar mate die waarheden minder tot de zinnen spreken. Men kan dus wel begrijpen dat de genoemde waarheid zich niet zonder tegenstand gelden deed. De dwaling, die zij ter zijde zette, was even oud, als de wereld. Zij heeft haar leven duur verkocht.
Copernicus is aan het martelaarschap ontkomen. Hij was een stil, nederig, teruggetrokken man; zijn bestaan vloot rustig daarheen, wijl hij zijn tijd verdeelde tusschen de studie van den sterrehemel en de uitoefening van de geneeskunst. Zoo hij de waarheid mocht opsporen en den menschen goed mocht doen, bleef voor hem niets te wenschen over. Hij was verlegen van aard en niet gerust omtrent de gevolgen, die zijn ontdekking te weeg kon brengen, wanneer zij, zooals men het noemt, ontijdig openbaar gemaakt werd. Verzweeg hij de waarheid al niet, hij beleed haar toch niet in het openbaar, en liet het publiek er buiten. Het wetenschappelijk geloof had geen martelaarschap noodig, beweerde hij. In waarheid joegen de kerkelijke oneenigheden en de kerkelijke vervolgingen hem schrik aan. Hij hield zich buiten het gedrang, en redde zijn leven.
Maar het martelaarschap moest komen, en 't was Galileï die ten minste durfde spreken en strijden en lijden.
Deze groote Italiaan was, na Copernicus één der eersten, die het bouwwerk der eeuwen aantastte en het schudden en kraken deed. Hebben de wereldontdekkers ons de teekening van den aardbol geleverd, de omtrekken van zeeën en landen, deze sterrekundige wees de plaats aan, die de aarde zelve in het hemelstelsel inneemt. Hij, de Columbus des hemels, ontdekt een nieuwe wereld, die van het oneindige.
De ontdekking, waartoe hij gaande weg kwam, maakte zijn naam onsterfelijk; maar kwam hem op veel tegenspoed te staan.
Galileï werd in 1564 te Pisa geboren en gaf in zijn jeugd de blijken van een vroeg ontwikkeld verstand. Op een leeftijd, waarop men zich met onbeduidende kinderspelen vermaakt, vond hij kleine werktuigen uit, en stelde ze samen. Hij verbaasde zijn leermeester door zijn onbevangen gemoed, de vlugheid van zijn immer werkenden geest, de snelheid zijner bevatting, zijn zucht om zich zelven te oefenen. Zijn vaardigheid in alles, wat den geest ontwikkelt, was verbazend. Hij hield veel van muziek en teekenkunst, hij beoefende letterkunde en dichtkunst. De kiem van het genie ontwikkelde zich voor aller oogen al meer en meer.
Zijn vader, een man met een groot gezin en weinig middelen, stond er op dat de jonge Galileï een winstgevende betrekking koos. Hij zond hem naar Pisa, om er de geneeskunst en de wijsbegeerte te leeren. Maar de lessen zijner leermeesters, mannen van den ouden stempel, konden dezen vurigen en hongerigen geest niet voldoen. Reeds nu had hij zijne eigene gevoelens en wist hij zijn onafhankelijkheid te bewaren, ja, den inwendigen drang tot tegenspraak smoorde hij niet, maar vrijmoedig legde hij zijnen onderwijzers zijne bezwaren voor. De taak, die zijn eigenaardig karakter hem aanwees, had maar een aanleiding noodig, om zich aan hem te openbaren. En die aanleiding deed zich op.
Galileï telde nauwelijks negentien jaren, toen bij een zekere gelegenheid zijn oog zich vestigde op één der hangende lampen van den kathedraal van Pisa. Hij merkte op, hoe deze in een zachte beweging was en bleef. Het bleek hem dat de lamp,--welke ook de lengte mocht zijn der beschreven bogen,--hare slingeringen steeds in dezelfde tijdsruimte volbracht, dat zij, in één woord, steeds dezelfde maat sloeg. De jonge geleerde was over dit verschijnsel niet weinig verwonderd en begreep dat hier groote gevolgen uit te trekken waren. Hij zon op de mogelijkheid dat men de hoogte van een gebouw berekende naar den tijd, dien een van boven vastgehecht koord voor zijne slingeringen noodig had. Hij kwam zoo op de wetten van den slinger, die der wetenschap zulke kostbare hulpmiddelen aan de hand doet, om den tijd te meten.
Galileï, van nu aan met zijn gansche hart zich aan de wetenschap overgevende, verslond de geschriften der oude wiskunstenaars. Het bestudeeren van Archimedes' vertoog over de Lichamen, die in vloeistoffen drijven, stelde hem weldra in staat een nieuwe hydrostatische balans te vervaardigen. Deze eerstelingen van zijn arbeid, even belangrijk als vernuftig, maakten dat de aandacht op hem gevestigd werd; in 1589 benoemde de Groothertog hem tot hoogleeraar te Pisa. Galileï begon nu omtrent de beweging der lichamen een geheel nieuwe reeks van proefnemingen te doen, en wel boven van den toren van Pisa, door zijn hellenden stand daartoe bij uitnemendheid geschikt. De eenvoudige en gezonde redeneeringen, waartoe de ontdekte feiten der ervaring hem als van zelf brachten, waren geheel in strijd met de zoogenaamde wetten der beweging, die door de Universiteit werden aangenomen, en toen hij nu zijn oogen van de aarde naar den hemel richtte, en den loop en de beweging van de hemellichamen gadesloeg, moesten ook ten opzichte van hunne beweging de oude leeringen wijken en zou de eerste schrede naar den roem ook die naar den tegenspoed zijn.
Galileï beschouwde met aanhoudende opmerkzaamheid de twee zoo gansch tegenstrijdige hemelstelsels, dat van Ptolomaeus met zijn ingewikkeld samenstel van cirkels en exentrieke kringen en dat van Copernicus, dat de ernstigste onderzoekers door zijn eenvoudige grootheid onweerstaanbaar trok.
Galileï, die door de Universiteit van Pisa al spoedig werd aangezien voor een oproerkraaier en bijbelverguizer, voelde zich hier niet meer op zijn gemak, en nam gretig het aanbod van den Senaat van Venetië aan, die hem voor zes jaren den leerstoel aanwees voor de mathematische wetenschappen aan de hoogeschool te Padua. Met nieuwen moed en rusteloozen ijver toog hij weder aan den arbeid. Na den thermometer te hebben uitgevonden, ontdekte hij in 1604 een nieuwe ster, en verrijkte in 1609 de wereld met den teleskoop. Vernomen hebbende, dat een hollandsch geleerde door een zekere samenvoeging van glazen er toe gekomen was, voorwerpen op zeer grooten afstand te onderscheiden, ging hij dadelijk aan het zoeken. Zoeken was bij hem vinden. Weldra plaatste hij, onder het gejuich der menigte, den eersten sterrekijker op den klokketoren van de St. Marcuskerk. Maar het was hem niet genoeg van verre de schepen te bespieden, die op de lagune dreven, den hemel te beschouwen was en bleef zijn doel.
Toen hij dit deed, doemde een nieuwe wereld voor hem op. Hij richtte zijn kijker op de maan en zag nu hoe valsch de voorstelling was, als zouden de hemellichamen het zuiverste rond vormen, en licht in zichzelven hebben. Hij zag duidelijk dat de oppervlakte van onzen satelliet, hoogten en laagten, bergen en valleien vertoont, en een ongelijken omtrek heeft. Hij richtte zijn werktuig naar de nevelvlekken en den Melkweg en zie, zij vertoonden myriaden van zonnen, een stofgewemel van sterren, zooals Milton zei. Hij bezag Jupiter en ontdekte zijne wachters. Terstond begreep hij dat die sterren voor Jupiter waren, wat de maan voor onze aarde is. Hij staarde de zon in 't gelaat en ontdekte zijne vlekken. Heel de wereld der hemelen openbaarde zich aan zijn oog in dat aangrijpend oogenblik, en alles, wat hij zag, voerde hem al meer en meer naar het stelsel van Copernicus heen en verder en verder van de wijsheid en de wetenschap zijner tijdgenooten weg.
De groote hemelontdekker, half verblind door het licht, dat zijne ontdekkingen deden opgaan, gansch verloren in zijn studie, had geen oor voor de tegenwerpingen, die men maakte met Aristoteles, den Bijbel en de kerkvaders in de hand. Galileï was een oprecht christen, en hoopte dat hij zijn wetenschappelijk geweten in overeenstemming zou kunnen brengen met de gehoorzaamheid aan de Kerk. Te vergeefs raadde men hem zich stil te houden, te vergeefs wees men hem op het wassend aantal zijner tegenpartijders. De geleerde was op dit punt hardhoorig.
Galileï leefde in een tijd, waarin het ongeloof, ja, de twijfel ten opzichte van het geloof der Kerk voldoende was, om iemand in het verderf te storten. Eén woord--en Galileï was verloren. Dat ééne woord, het woord »ketter", spraken zijne benijders uit.
Zoolang Galileï op venetiaansch gebied bleef, was de haat zijner tegenstanders ijdel, maar in 1610 verliet hij Padua, om naar Toscane terug te keeren. In 1611 begaf hij zich, voor het eerst van zijn leven, naar Rome, ten einde alle kwade en lasterlijke geruchten te weerspreken, en alle verdenking van zich af te weren; want de Inquisitie begon te morren en te dreigen. Een Dominikaner monnik toch, Domenicho Baccini, tastte de volgers van Copernicus en in 't bijzonder Galileï aan. In 1616 werden door de Heilige Congregatie van den Index de boeken van Copernicus en Foscarini in den ban gedaan en verboden; boeken, waarin »die dwaze leer wordt volgehouden dat de aarde zich beweegt en de zon stil staat", een leer ten eenemale in strijd met Gods Woord. Galileï's naam was in dit kerkelijk besluit niet genoemd; maar hij had in het geheim een scherpe vermaning gekregen en voor geruimen tijd werd hem het zwijgen opgelegd.
In 1618 verschenen er niet minder dan drie kometen aan den hemel, en deze merkwaardige hemelverschijnselen voerden hem weder naar de sterrekunde en het stelsel van Copernicus heen. In 1630 schreef hij zijn beroemd geworden Dialoog, waarin hij zijn leer in den vorm van een samenspraak voordraagt. Salviati en Sagredo zijn geestverwanten en voorstanders van Copernicus; Simplicio is de verdediger der oude leerstellingen van Ptolomaeus. Deze Simplicio is het toonbeeld van het behoud, ja, van den hardnekkigen stilstand.
»Komt, laat ons de natuur bestudeeren," zegt Salviati, één der sprekers.
»Waartoe zou het dienen?" antwoordt Simplicio. »Waartoe zich zooveel moeite te geven, om niet? Ik houd mij maar aan 't geen de vaderen gezegd hebben, ik wend mij tot de Schriftgeleerden, ik spreek wat zij mij voorzeggen, en slaap rustig."
Verderop laat Galileï Simplicio zeggen:
»Als men maar goed christen is, dan is 't genoeg. Een heilige onwetendheid vergoedt alles. Het is niet wenschelijk dat alle sluiers worden opgeheven."
De Dialoog van Galileï schittert van vele fijne trekken en spottende toespelingen, en is tevens vol van de ernstigste wetenschap. Dit schoone, thans zoo goed als vergeten boek is niet alleen een merkwaardig getuigenis voor de beweging der aarde, maar ook een warm pleidooi ten gunste van het vrije onderzoek, een werk, een Socrates waardig, een standaardwerk, dat de bewondering verdient van allen, die onafhankelijkheid van oordeel en geestelijk leven op prijs stellen. Het is een overwinning door de rede behaald op de vijanden der menschelijke conscientie.
Urbanus VIII meende zich zelven te herkennen in het beeld van Simplicio, die een goede ziel voorstelt, zooals er ten allen tijde zijn zullen, een man, die op de meest dwaze manier gehecht is aan het oude, en steeds in 't geweer is tegen het nieuwe.
De Paus, boos geworden op den geleerde, gaf hem aan de Inquisitie over.
In weerwil van zijne jaren en zijn lichaamszwakte moest hij zich naar Rome begeven en aldaar te recht staan. Een merkwaardig geding volgde. Hij werd allereerst op last van de Heilige Congregatie bij den ambassadeur van Toscane in arrest genomen.
»De Pater-commissaris Lancio," verhaalt Galileï in een brief aan Renieri, »kwam mij den volgenden dag afhalen en nam mij in zijn koets met zich. Onder het rijden deed hij mij verschillende vragen en scheen hij er bizonder op gesteld dat ik eenigszins de ergernis zou goed maken, die ik aan gansch Italië gegeven had, met mijn bewering dat de aarde zich beweegt. Tegen alles wat ik aanvoerde, tegen elk betoog, tegen elk wiskunstig bewijs, bracht hij niets anders in dan: »Terra autem in aeternum stabit", zooals de Schrift in Psalm 119 vs. 90 zegt. En zoo sprekende kwamen wij aan het Paleis van het Heilig Officie. Ik werd dadelijk aan den heer assessor Vitrici voorgesteld, die twee Dominicaner-monniken bij zich had. Zij deden mij beleefdelijk weten dat ik mij in de volle Congregatie te verantwoorden had, mij te kennen gevende dat, werd ik schuldig bevonden, de weg nog voor mij open stond, om mijne verontschuldigingen aan te bieden."
Na een zeer lang onderzoek werd Galileï gedurende een twintigtal dagen in arrest gehouden. Den 20sten Juni 1632 werd hij nog eens voor het Heilig Officie geroepen en den daarop volgenden Woensdag voerde men hem naar de kerk della Minerva, waar hem in tegenwoordigheid van kardinalen en prelaten, leden der Congregatie, zijn vonnis gelezen werd. In dit vonnis werd zijn boek verboden en hij zelf voor onbepaalden tijd tot gevangenschap veroordeeld. Hij moest bovendien nog, geknield, met de volgende woorden zijne gevoelens afzweren:
»Ik, Galileo Galileï, zeventig jaar oud, hier neergeknield voor uwe Eminenties en met de oogen op de heilige Evangeliën, die ik hier met mijne handen aanraak, ben schuldig geoordeeld, als hebbende de ketterij staande gehouden en geloofd dat de zon het middelpunt der wereld en een onbeweeglijk lichaam zou zijn, terwijl de aarde niet het middelpunt der wereld zou wezen maar zich bewegen zou. Ik zweer de bovengenoemde dwalingen af, vervloek en veracht ze."
Men wil weten dat Galileï opgestaan zijnde met den voet op den vloer gestampt en gezegd zou hebben: »e pur si muove" (en toch beweegt ze zich). Het is niet waarschijnlijk dat hij plotseling zoo stoutmoedig zal zijn geworden en straffeloos zijne rechters aldus zal hebben uitgedaagd. Maar was deze spreuk al niet op zijne lippen, de gedachte lag toch in zijn hart.
Van toen af had Galileï zijn vrijheid verloren. De paus stond toe dat hij zich naar Sienna begaf, tot den aartsbisschop Piccolomini. Later mocht hij naar zijn villa bij Florence gaan, waar hij een gevangene bleef tot zijn dood toe. De ongelukkige grijsaard had de bitterste beproevingen te verduren. In 1634 verloor hij ééne van zijne dochters en spoedig daarna werd hij blind. Met den stok in de hand, waarmee hij zijn weg zocht door de hem welbekende lanen, of aan den arm van de eenige hem overgeblevene dochter, een non, zag men hem dwalen door zijn tuin. Keerde hij naar huis terug, dan was hem misschien één van die kleine maar venijnige plagerijen bereid, waarmede zijne vijanden zijn leven verbitterden. Aan de uitgave zijner boeken werden allerlei moeielijkheden in den weg gelegd; men lette op de betrekkingen, die hij aanhield, en den Inkwisiteur was opgedragen zich nu en dan te komen verzekeren of Galileï wel nederig en stil was. Somber, gebogen, een gebroken man, stierf Galileï in 1642, 78 jaren oud.
Kepler mag men dezen zijnen grooten tijdgenoot veilig ter zijde stellen. Hij werd te Weil in Wurtemberg geboren, den 27sten December 1571, 7 jaren na Galileï's geboorte, 28 jaren na Copernicus' dood. De man, dien men eens de Wetgever van den Hemel zou noemen, was op twaalfjarigen leeftijd bediende in een kroeg. Zijn moeder Catharina Guldenmann, een eenvoudige herbergiersdochter, kon lezen noch schrijven. Zijn vader Hendrik Kepler diende den hertog van Alva in de Nederlanden. Bij zijn thuiskomst zette deze te Elmerdingen een wijnhuis op en nam zijn zoon van school, opdat deze hem in de zaak behulpzaam zou zijn. Het kind was echter klein en zwak van uitzicht; het werd dus naar school teruggezonden en voor de godgeleerdheid bestemd. Op dertienjarigen leeftijd werd onze knaap opgenomen in het Seminarie van Maulbron. Hij maakte daar goede vorderingen, maar liet de godgeleerdheid varen en wist, 22 jaren oud, een leerstoel te verwerven in de wiskunde en wel te Grätz in Stiermarken, dat toen ter tijde geregeerd werd door den aartshertog Karel van Oostenrijk, die den roomsch-katholieken godsdienst beleed.
Aan Kepler was het onderwijs in de sterrekunde toevertrouwd. Weldra werd hem opgedragen een almanak samen te stellen. Hij voegde er eenige sterrekundige voorzeggingen bij, waarvan enkele goed uitkwamen, zoodat hij er veler vertrouwen mee won. 't Is niet anders, de groote sterrekundige was niet verheven boven het bijgeloof van zijn tijd, volgens hetwelk de hemellichamen invloed uitoefenen op de menschelijke lotgevallen. Hij meende dat de sterrewichelarij, dochter der sterrekunde, haar moeder in het leven moest houden. Kepler intusschen was er de man niet naar om dengene, die zich tot hem wendde, een rad voor de oogen te draaien; en soms, wanneer men hem kwam raadplegen, riep hij als Tiresias tot Ulysses: »Wat ik zeggen zal, zal òf wel òf niet gebeuren!"
In zijn eerste werk (Mysterium Cosmographicum) gaf Kepler de eerste proeven van zijn onafhankelijkheid van oordeel. Hij bracht ontzaglijke bewijsstukken bij ten gunste van het stelsel van Copernicus en kwam met edele verontwaardiging op tegen de rechtbank, die het hoofdwerk van den grooten man op den Index geplaatst had.
In 1597 huwde hij een weduwe, even schoon als edel van geboorte. Zijn echt was niet gelukkig, doch gaf hem aanleiding tot een niet onbelangrijk werk, waarin de sterrekundige toonde hoe zijn vernuft de kleinste omstandigheden wist aan te grijpen, om den vooruitgang van ruime hulpmiddelen te voorzien.
»Toen mijn huwelijk gesloten was," zegt hij in de voorrede, »was er een goede en ruime wijnoogst, zoodat de wijn goedkoop werd. Het was dus de plicht van een goed huisbezorger er voorraad van op te doen en de kelders te voorzien. Na eenige vaten wijn gekocht te hebben, kwam de wijnkooper bij mij om den prijs van het vat te bepalen en dus eerst den inhoud van het vat te berekenen. Hij deed dit op zeer eenvoudige wijze. Hij liet een ijzeren staafje in ieder wijnvat neder en bepaalde onmiddellijk den inhoud."
Kepler herinnerde zich bij die gelegenheid hoe anders men te werk gaat aan de boorden van den Rijn, waar de wijn kostbaarder is. Men tapte het vat af en telde één voor één de kannen, die het bevatte. Was de oostenrijksche manier van handelen even juist als zij eenvoudig en praktisch was? Dit wil Kepler weten en zoo vindt hij zich als van zelf geleid tot het oplossen van geometrische vraagstukken, zwaarder dan ze ooit behandeld waren. Hij kwam tot de volgende ontdekking.
»Onder den gunstigen invloed van een goeden genius, die, zonder twijfel wiskunstenaar was, hebben de kuipers aan hunne tonnen juist dien vorm gegeven, die, bij een bepaalde lengte van de met den peilstok gemeten lijn, den grootst mogelijken inhoud verzekert, en daar nu, om en nabij dit maximum, de afwijkingen van de inhoudsmaat maar zeer luttel zijn, hebben zij geen merkbaren invloed op de hoeveelheid, die dan met den peilstok even juist als vlug en praktisch berekend wordt."
Kepler was een der slachtoffers van de vervolgingen, die op het eind der 16de eeuw Stiermarken in rep en roer brachten. Hij werd om zijn geloof verbannen en was geheel geruïneerd. Men had gepoogd hem zijn geloofsovertuigingen te doen verzaken, maar niemand die zijn eerlijk hart kon omkoopen. De kunst van veinzen was hem vreemd. Hij vertrok dus en greep met beide handen het voorstel aan, dat Tycho Brahé, de sterrekundige van keizer Rudolf hem deed, om te Praag te komen en hem daar bij zijne bezigheden te helpen.
Nieuwe teleurstellingen wachtten hem daar. Men had hem een goed inkomen toegezegd; hij moest het echter gulden bij gulden afvragen.
Toen Tycho Brahé stierf, werd Kepler tot keizerlijk sterrekundige benoemd, op een ruime jaarwedde. »De jaarwedde is goed," schreef hij aan een vriend, »maar de kas is slecht voorzien. Ik verbeuzel mijn tijd met aan de deur van den betaalmeester te kloppen." Tot armoede vervallen moest Kepler, om in zijn onderhoud te voorzien, kleine almanakken maken, ja horoscoop trekken.
Met behulp van de papieren van Tycho Brahé, waarover hij de vrije beschikking had, was hij nu weldra in staat een paar groote werken te ondernemen, en van nu aan begint het tijdperk van zijn glorie. Hij maakte in het bijzonder zijn werk van de planeet Mars, en na een negenjarige onafgebroken studie van dit onderwerp, na een geestesinspanning, die hem soms tot waanzinnig wordens toe afmatte, kwam hij er toe de beweging van Mars met de meeste juistheid te bepalen en wel door de werking van twee opmerkelijke wetten. Die wetten waren ook van toepassing op de andere planeten; zij maakten dat Newton de algemeene aantrekkingskracht in het heelal ontdekte en zij hebben Kepler's naam voor altijd beroemd gemaakt. Zij vormen toch den onomstootelijken grondslag voor de nieuwere sterrekunde.
Na keizer Rudolf's dood liet zijn opvolger Matthias, die minder met de wetenschap op had, de sterrewacht te Praag deerlijk vervallen. Zoo kon Kepler het hier niet houden. Hij werd benoemd tot leeraar aan het gymnasium van Linz, en nam die benoeming gaarne aan; maar nieuwe jammeren volgden. Zijn vrouw begon aan toevallen te lijden, werd krankzinnig en stierf weldra. Voorts verloor Kepler drie kinderen. Zijn moeder, die zeventig jaren oud was, werd in de gevangenis gezet, wegens tooverij en hekserij. Men weet haar alle openbare onheilen; men vertelde dat zij in de tooverij onderwezen was door een tante, die als heks verbrand was; men verweet haar dat zij omgang hield met den duivel; men zeide van haar dat zij nooit iemand aanzag en dat men haar nimmer had zien weenen. Kepler kwam haar te hulp en had vijf jaren lang strijd te voeren, om zijn moeder te redden. De rechters lieten intusschen de oude Catharine Kepler de marteltuigen zien, die zij tot hun beschikking hadden en dreigden haar er mee, om haar tot een bekentenis te dwingen. Maar niets vermocht haar moed te doen wankelen. Haar kloeke houding redde haar van het schavot, maar wischte den smet niet uit, dien deze gebeurtenis, hoe onverdiend ook, op den naam haars zoons wierp.
Weder bevond Kepler zich in de diepste armoede. Hij wist zich echter ongevoelig te maken voor het ongeluk en vergat zijne tegenspoeden, wanneer hij met zijn gedachten in de hooge sfeeren der hemelen opklom, wanneer hij zijn geest liet dwalen door de oneindige ruimte, luisterde naar den vasten maatslag der hemelsche muziek, die zijn verbeelding hoorde in de eeuwige beweging der hemelbollen. In een allerzonderlingst werk: De Harmonie des Heelals, heeft Kepler gepoogd die Muziek der Natuur op te teekenen. Hierbij moge zijn geest zich soms met hersenschimmen hebben bezig gehouden, soms ook verheft hij zich op de vleugelen van het waarachtig genie. Men ziet er den edelen en bezielden droomer op eens in hooge vlucht opstijgen; men ziet een heldere glans schijnen te midden der diepe duisternis. Op het eind van zijn boek komt hij neder op het zuiver wetenschappelijk betoog en maakt hij de wet openbaar, die al de bestanddeelen van ons wereldstelsel samenbindt en aan de groote spillen van zoovele hemelbollen den duur harer omwentelingen voorschrijft.
Te midden van de vreugde, die hem de studie der natuur verschafte, kende Kepler van het leven slechts de harde, de strenge zijde. Ferdinand, Matthias' opvolger, wilde den protestantschen godsdienst in Stiermarken uitroeien. Kepler moest nu weder zijn woonplaats verlaten en verbond zich eenigen tijd aan den hertog van Wallenstein. Hij had een tweede huwelijk aangegaan met Susarine Rittinger, die hem zeven kinderen schonk. Hoe vele verdrietige reizen heeft hij moeten doen, om de achterstallige geldelijke uitkeeringen op te vorderen. Arbeid, zorg, verdriet putten eindelijk zijne krachten uit. Hij stierf 59 jaren oud. Te Regensburg ligt hij begraven, waar de bezoeker in de St. Pieter zijn graf kan vinden met dit opschrift, door hem zelven vervaardigd. »Ik heb de hemelen gemeten, thans meet ik de schaduwen der aarde. Hemelsch zijn rede en vernuft. Hier rust slechts der lichamen schaduw."