De martelaars der wetenschap

Part 4

Chapter 43,833 wordsPublic domain

Een der eersten, die Europa verlaten heeft om de streken van Midden-Afrika te onderzoeken, is René Caillé geweest. Hij werd in 1799 te Maugé, in Frankrijk, geboren. Spoedig wees, werd hij door een oom opgevoed en naar school gezonden. Op vijftienjarigen leeftijd viel hem een exemplaar van Daniël de Foe's »Robinson Crusoe" in handen, en dit boek wekte zijn verbeeldingskracht in zulk een mate op, dat de zucht naar avonturen en reizen hem geen rust liet. Zijn levensroeping was gevonden, zijn toekomst afgebakend. Hij had hooren zeggen en gezien dat de kaarten van Afrika groote oningevulde vakken toonden, waar landen lagen, die nog ontdekt moesten worden. Hij was 16 jaar, hij had 60 francs op zak--en vertrok.

Te Rochefort lagen twee schepen gereed, de Loire en de Medusa, beiden naar Senegal bestemd. Had hij zich op de Medusa ingescheept, hij zou met zoovele anderen omgekomen zijn bij een der vreeselijkste tooneelen, die de zee ooit heeft opgeleverd. De schipbreuk der Medusa behoort tot die verschrikkingen, die niet licht uit het geheugen der menschen zullen verdwijnen.

Op de Loire kwam Caillé goed en wel te Senegal. Hij trok naar Saint Louis, bezocht Guadaloupe en nam als vrijwilliger deel aan den tocht van Partarrieu door de gewesten van Gjolof, Foutah en Bondoe. Hierna kwam Caillé naar Frankrijk terug, om zich te laten genezen van de koorts. Maar nauwelijks was hij de schade, door zijn ondernemingszucht aan zijn gezondheid toegebracht, te boven, of hij vertrok weder naar Senegal en bood baron Roger zijne diensten aan. Roger was een groot bevorderaar van ontdekkingsreizen. Niet zonder moeite kreeg Caillé eenige koopwaren mede en met dezen begon hij te reizen onder de Mooren van den stam Berâkerah. Al verder dwalende, van kamp tot kamp, kwam hij na 8 maanden meer dan 200 kilometers ten noordwesten van Polos. Nauwelijks was hij te Saint Louis terug of hij ondernam een reis naar Tomboctoe.

René Caillé was geen man van aanzien en had evenmin aanbevelingsbrieven in zijn zak. Zijn persoon boezemde het vertrouwen in, dat ieder avonturier zou inboezemen. 't Was te vergeefs, dat hij om nieuwe koopwaren vroeg. Men weigerde hem zelfs een paspoort naar de engelsche nederzettingen van de Gambie. Van ontmoediging wist deze kloeke volhouder niet. Hij vertrok te voet, bereikte Gorea Sierra Leone en wendde zich tot den gezaghebber van Freetown. Na de vernedering eener nieuwe weigering te hebben ondervonden, werd Caillé nu koopman in indigo, nam het arabisch kostuum aan, gaf zich uit voor een jong Egyptenaar van Alexandrië, en ondernam gansch alleen, zonder hulp, zonder bescherming, zonder andere hulpmiddelen dan die van zijn eigen geestkracht en wil, een tocht, waarvoor zoovele andere reizigers met de beste aanbevelingen en hulpmiddelen waren teruggedeinsd.

René Caillé vertrok den 19den April 1827 van Kakouty en werd spoedig vergeten. Maar omstreeks het midden van het volgende jaar werd de geleerde wereld door een belangrijk feit in beweging gebracht. Een Franschman, die te Toulon ontscheept was, was doorgedrongen in de nog onbezochte en geheimzinnige streken van Midden Afrika. Hij kwam van Tomboctoe. 't Was Caillé. Zijn aankomst was een ware gebeurtenis. Ieder ondervroeg den reiziger, die geheel op zich zelf dit groote vraagstuk der landontdekking had opgelost, en het Aardrijkskundig Genootschap van Parijs kende hem den prijs toe, bestemd voor den reiziger, die Tomboctoe zou hebben bezocht. Toen men vernam op welke wijze Caillé er in geslaagd was zulke uitkomsten te verkrijgen, werden zijn moed en volharding om het zeerst geroemd--wat zij verdienden. Na het land van Inanke, Touta, Gjalo, Baleija en Amana te zijn doorgetrokken, was hij den Niger overgestoken, wat nog niemand gedaan had, en zoo in onbekende streken gekomen te midden van negerstammen, bij welke hij vijf maanden verblijf hield. Hij leed de vreeselijkste smarten. Het vreemde, ongezonde en karige voedsel, dat hij gebruikte, deed hem scheurbuik en koorts krijgen; hij verloor een paar beenderen uit het verhemelte, doch kwam alleen door zijn groote wilskracht en zijn sterk gestel dit alles te boven. Den 9den Januari 1828 had Caillé zijn gezondheid herkregen, en zocht nu langs een geheel nieuwen weg den Niger op bij Gjeny. Na een maand lang duizend gevaren te hebben doorgestaan, kwam hij te Tomboctoe aan. Maar om terug te keeren wilde hij de woestijn door. Ondertusschen tot ellende, ja tot den bedelstaf vervallen, schoot hem niets anders over dan zich bij een karavaan aan te sluiten en een paar maanden lang ten doel te staan aan allerlei smaad en kwade bejegening.

In Frankrijk teruggekomen, kreeg hij zijn verdiende loon. Hij werd ridder van het legioen van eer; het verhaal zijner wonderbare reizen werd op last van het gouvernement uitgegeven, en men bezorgde hem een jaargeld en een ambt bij de administratie van het land van den Senegal. Maar zijn rust en glorie duurden kort. De ziekte die hij in Afrika had opgedaan, greep hem met dubbele woede aan en maakte hem tot een martelaar te meer van den grooten arbeid der ontdekking. Hij overleed op negen-en-dertigjarigen leeftijd, op den 17den Mei 1838.

Wij slaan een paar andere Franschen over, Mage en Quintin, die omstreeks de jaren 1860-1869 zich verdienstelijk gemaakt hebben door hunne onderzoekingen tusschen den Niger en den Senegal, van welke de eerste bij zijn terugkomst schipbreuk leed en met al zijne medeschepelingen in de golven omkwam. Wie verhaalt wat zij te lijden hadden van het klimaat en van de inboorlingen, en welke offers zij gebracht hebben aan hun zucht om het onbekende land te verkennen?

Maar grooter mannen wachten ons, mannen, die omdat zij beter geslaagd zijn dan anderen, ook grooter plaats innemen. David Livingstone behoort zeker onder deze gerekend te worden. Hij speelt de hoofdrol op het tooneel der aardrijkskundige onderzoekingen en is tevens een der edelste karakters onzer nieuwe beschaving, een voorbeeld van toewijding zoowel waar het de wetenschap als waar het de menschheid geldt. Livingstone werd den 19den Maart 1813 te Blantyre in Schotland geboren. De beroemde reiziger heeft zelf zijn leven beschreven en spreekt met trots van zijne voorvaderen, die de eer van het geslacht nimmer verzaakten. »Wees eerlijk!" was hun devies en het was het zijne. Maar hij was meer dan het devies van hem eischte: hij was edelmoedig, hij was goedhartig en groot door de kracht van zijn wil. Van zijn tiende jaar af moest David Livingstone met zijn arbeid voorzien in de behoefte van het gezin, waartoe hij behoorde. Hij deed het nederige werk van een arbeider in een katoenfabriek te Blantyre. Des avonds wijdde hij zich aan zijne studiën. Overdag legde hij zijne boeken geopend in zijn nabijheid, en bij het dreunen der machines las hij wat hij er van lezen kon. »Hieraan", zegt hij, »dank ik het vermogen om mij gansch en al te onttrekken aan al het leven, dat men om mij heen maken mag, en rustig te zitten lezen of schrijven te midden van spelende kinderen of wel van een troep dansende en huilende wilden."

Hij was reeds negentien jaar en nog was hij maar wever op een fabriek. Zijn loon, dat ondertusschen wat verhoogd was, stelde hem in staat, 's avonds een zekeren cursus van geneeskunst en godsdienst bij te wonen. Hij werd een door en door godsdienstig man, met een kloek, mannelijk, gezond geloof. Zijn vaderland droeg hij een innige liefde toe en niets kwam hem zoo benijdbaar voor als zich toe te wijden aan de leniging van menschelijke ellende. Ondertusschen promoveerde hij, na volhardende studie, in de genees- en heelkunde.

Livingstone had deze kennis opgedaan, met het doel haar dienstbaar te maken aan het heil der Chineezen, onder wie hij als zendeling en geneeskundige arbeiden wilde. Hij bood zijne diensten aan bij het zendingsgenootschap te Londen, juist op denzelfden tijd waarop Moffat in Engeland terugkwam, na lange jaren onder de Afrikanen te hebben doorgebracht. Livingstone won goeden raad in bij dezen uitnemenden zendeling, en ondernam op den leeftijd van zeven-en-twintig jaren een zendingstocht naar Afrika.

Na een lange zeereis gemaakt te hebben, landde hij aan de Kaap, waar hij eenige jaren doorbracht en met Moffat's dochter in het huwelijk trad. Een waardiger levensgezellin, een vrouw met meer moed, liefde en toewijding, zou hij nergens gevonden hebben. Livingstone drong tot het land der Bechuranas door, een volkje dat nog door niemand bezocht geworden was. Van den aanvang van zijn nieuwe loopbaan af nam hij zich voor de europeesche levenswijs vaarwel te zeggen en zich tegen alle vermoeienis te verharden. Zoo ondernam hij een reeks van reizen, van meer dan 130 kilometers lengte, 't zij te voet, 't zij in een met ossen bespannen wagen. De inboorlingen hadden hem eerst uitgelachen wegens zijn weinig indrukwekkend voorkomen. »Hij is zwak," zeiden zij, »hij houdt het niet lang uit." Maar Livingstone, die dit oordeel gehoord had, reisde met versnelden pas voort, en dwong zijne reisgenooten te volgen, die weldra eerbied kregen voor zijne kracht en volharding. Een gevecht met een aantal leeuwen, die voor zijne geweerschoten op de vlucht gingen of gedood werden, maakte bovendien een diepen indruk. Een dezer dieren greep hem bij den bovenarm en verminkte dien zoo, dat het den reiziger na dien tijd steeds moeielijk viel het geweer te schouderen, en na zijn sterven zijn lijk herkend werd aan de sporen, die van de wonden overgebleven waren.

Eerst in 1849 besluit Livingstone naar het Noorden van Afrika te trekken. Met de heeren Murray en Oswel volgt hij de Zoega en bereikt het Ngami-meer, na een afstand van 4800 kilometers te voet afgelegd te hebben.

In 1851 waagt Livingstone zich in de nog niet doorreisde gewesten van de Mekalodo. Hij trekt door Sebitoane, de hoofdplaats van dit gebied, dringt dieper door en staat versteld van de schoone natuurtooneelen, die zich voordoen aan zijn oog: weelderige landouwen, besproeid door rivieren en stroomen, rijke, vruchtbare dalen en schoone meren, bewoond door een rustige, nijvere bevolking. Nu gaat het van ontdekking tot ontdekking. Na groote gevaren, ongehoorde vermoeienissen, steeds nieuwe krachtsinspanning, komt hij in 1852 aan de Westkust van Afrika, te Saint-Paul de Loanda, een portugeesch station. Hoe voortvarend ook, hier moet hij een tijd lang vertoeven en uitrusten van zijn vermoeienissen. Hij wordt ernstig krank, en maanden lang strijdt hij met den dood. Maar het leven behoudt de overhand, hij herstelt en zijne klachten keeren weder. Maar in plaats van nu zich zelven te sparen en op rust te zinnen, vat hij onmiddellijk zijne oude reisplannen weder op. Hij wil Afrika in zijne gansche breedte doorreizen, vat den tocht moedig aan en komt in 1856 te Quilimane aan Afrika's Oostkust.

Na dezen prachtigen zegetocht komt Livingstone rijk aan ontdekkingen in Londen terug. Overal juicht men hem toe en de gouden eerepenningen van de Aardrijkskundige Genootschappen, zoo van Parijs als van Londen, worden hem toegekend. Het verslag van deze reis heeft Livingstone zelf opgesteld onder den titel van »Zendingsreizen en onderzoekingen van Zuid-Afrika."

Na dit boek afgewerkt te hebben, trekt hij weder naar het Zuiden en gaat op nieuwe ontdekkingen uit. Zijn reis naar de Zambesi zal steeds merkwaardig blijven. Verrassing op verrassing valt den reiziger te beurt bij de talrijke stroomen, die deze rivier voeden, en de merkwaardige streken, die er door worden besproeid. Maar dit vruchtbare land werd voor Livingstone een plaats der beproeving. Hij verloor er zijn trouwe en moedige vrouw, die de kracht en den moed gehad had zijn levensgezellin en reisgenoote te zijn.

Na op nieuw naar Engeland te zijn teruggekeerd, wil hij de bronnen van de Zaïre zoeken, en hij verlaat zijn vaderland om het nimmer weder te zien.

Weder nieuwe veroveringen! Hij is in geheimzinnige oorden verdwenen, maar wordt door Stanley, den kloeken verslaggever van de New-York Herald te Oudjidji, bij het meer Tanganyika, wedergevonden. Stanley biedt hem de noodige hulp en geeft der wereld bericht aangaande den moedigen onderzoeker. Zijn krachten zijn uitgeput. Toch acht hij zijn taak niet volbracht en wil hij die ten einde toe afwerken. In 1872 verdwijnt hij, en meer dan een jaar verloopt er, voor men iets van hen verneemt. Eindelijk weerklinkt plotseling het bericht dat hij niet meer is, en gansch Europa, dat het oog op hem gevestigd hield, verschrikte bij de mare.

In het eind van April 1873 was de groote reiziger juist de moerassen doorgetrokken, die de Loeapoela van het bergvlak van Lobisa scheidt, toen de noodzakelijkheid hem dwong aldaar te blijven. Zijn geest was onvermoeid, maar zijn gestel was ondermijnd, zoo door koorts en dyssenterie als door vijfentwintig jaren van afmattenden arbeid en ontbering. Den 4den Mei van genoemd jaar blies hij, omringd van eenige getrouwe dienaren, op het bergvlak van Lobisa den laatsten adem uit. Hij was 57 jaren oud.

De vierde expeditie die ter opsporing van Livingstone was uitgezonden, kwam ongeveer een maand vóór zijn dood te Zanzibar aan. De luitenants Cameron en Murphy en dokter Dillon, die den tocht leidden, namen zijn lijk in ontvangst. Den 16den April 1874 werd het op engelschen bodem ontscheept. Naar London overgebracht, werd het door William Fergusson onderzocht en het been van den bovenarm, dat voor dertig jaren door leeuwentanden was gekneusd, stelde den dokter in staat, de indentiteit van de kostbare overblijfselen te bewijzen.

Op Zaterdag 18 April 1874 bereikte het lijk, te midden van een ontelbare en eerbiedig gestemde menigte zijn laatste rustplaats, de abdij van Westminster.

Wanneer men de vorderingen nagaat, die de wetenschap aan Livingstone dankt, wordt men van bewondering en eerbied vervuld. Vóór hem bestond er in Afrika een gansch onbekende oppervlakte van niet minder dan 3 millioen vierkante kilometers. 't Was een eenvoudigen jongen werkman van Glascow voorbehouden er de bakens te planten voor de groote wegen der toekomst en er te arbeiden aan de bevrijding der inboorlingen, voor welke hij zoo goed als een profeet en weldoener was.

Zijn dood is voor de gansche maatschappij een waar verlies geweest. Niet elken dag ontmoet men zulke uitverkorenen, die alle deugden bezitten en te gelijk alles durven, en maar al te zelden gaat inspanning, strijd, doodsverachting en ontbering gepaard met een toewijding, die alleen het belang van de wetenschap en de menschheid op het oog heeft.

Afrika is het tooneel geweest van de grootste zelfopoffering en toewijding op het punt van landontdekking. Daar zijn: Mungo Park, vermoord of verdronken te Bousa aan den Niger, in 1805; Nightingale, overleden aan de koorts, 1841; Duranton, overleden in 1843; Eduard Vogel, verraderlijk vermoord in 1856 door den sultan van Ouadaï; en wij mogen onder degenen, die zich op dit gebied verdienstelijk hebben gemaakt, ook één onzer landgenooten tellen en dat wel een vrouw: de welbekende freule Alexandrina Tinne. Het reizen was van haar kindsheid af haar element. Haar vader bekleedde ambten in Engeland en Suriname, was koopman te Liverpool, en reisde sinds 1842 met zijn vrouw en zijn zevenjarig dochtertje Europa door. Na den dood van den heer Tinne zetten zijn vrouw en haar dochter het reizend leven voort. Zoo trokken zij samen in 1853 naar Spanje, Noorwegen, Italië, Egypte, Palestina en Nubië. Hier vond Freule Tinne het terrein, waarop zij zich te huis gevoelde. Afrika had haar steeds aangetrokken. »Zij vloog er heen als een vlinder in de kaars", zoo zeide zij. Helaas, zij zou er zich de vleugels zengen. Doch vóór haar dood zou zij eerst den slavenhandel zoeken te keer te gaan en onbekende streken bezoeken, de wetenschap aan menschenliefde parende. Zij doorkruiste het Noorden van Afrika, zij volgde den Nijl; waar was zij niet?

Haar moeder bezweek in 1862, maar haar geest hield stand. Eindelijk zou zij een lievelingsdenkbeeld verwezenlijken. Zij zou de Algerijnsche Sahara door, en tot in het hart van Afrika dringen. Daar, waar haar als kind reeds de ledige plek op de kaart zoo gehinderd had, daar wilde zij heen. Eens mislukt de tocht. Zij keert na een zware en moeielijke reis van Marokko naar Alexandrië en Egypte terug. Maar zij geeft het niet op, zij wil naar de Toearegs en Bornoe. Zij trekt er heen met een gezelschap Arabieren, negers, Soedaneezen en twee blanken. De afpersingen der Toearegs deden meer dan eens oneenigheid ontstaan in de karavaan, en toen de eischen der gidsen en der roovers, die zich bij het reisgezelschap aansloten, niet meer konden worden ingewilligd, werden de Hollanders met freule Tinne jammerlijk vermoord. Freule Tinne gaf op al hare reizen blijk van grooten moed, van onvermoeiden onderzoekingsgeest. De eene tocht was nog niet afgeloopen of de andere werd uitgerust. Een werk, »Plantae Tinneanae", waarin de tropische planten worden beschreven, die zij verzamelde, blijft getuigen van haar wetenschappelijken zin, en in het hart van menige vrijgekochte, ja, bij allen, met wie zij in aanraking kwam, zal zij blijven leven om haar liefde en haar groot karakter.

Niet alleen het ijs van de Noordpool en de zandwoestijnen van Afrika, neen, ook andere streken zijn getuigen geweest van wat ondernemingsgeest en dorst naar kennis vermogen. Overal lokt het onbekende den mensch aan, ja het schijnt hem toe te wenken dat hij zal komen en zich zelven zal offeren.

Op Aziatischen bodem stierf Francis Garnier. Officier der Fransche marine was hij tevens een der stoutmoedigste voorgangers en wegbereiders in vreemde gewesten.

Na van 1866-1868 aan het hoofd eener Fransche expeditie Achter-Indië doorreisd en later bij het beleg van Parijs met zijne mariniers onvergankelijke lauweren te hebben behaald, trok hij op last van het Fransche Gouvernement naar het rijk der Annamieten en wel naar Tong-King, ten einde, zoo mogelijk, de rivier de Bo-Ve van de zee af tot de grenzen van de Yun-Nan voor den franschen handel te openen. Hij had de beschikking over een kanoneerboot met zes en vijftig koppen en dertig infanteristen en mariniers. In October 1873 verliet hij Saigon en kwam in Kua-Kam. De annamitische hoofden en de mandarijnen ontvingen hem met blijkbaren tegenzin en namen straks alle mogelijke, ook de leelijkste, middelen te baat, om zich van hen te ontdoen. Garnier begreep dat hij iets doen moest om de Annamieten eerbied in te boezemen en nam met niet meer dan 180 man de Citadel van Ha-Noi in, die door 7000 man werd verdedigd. Dadelijk daarop nam hij het geheele eiland Tong-King in bezit. Eenigen tijd later echter werd hij zelf in de vesting Ha-Noi belegerd en, bij gelegenheid van een uitval, gestruikeld zijnde laaghartig vermoord en onthoofd.

De eer van het eerst Australië te hebben betreden, komt aan de Nederlanders toe, die het dan ook Nieuw Holland doopten.

In 1642 zeilde Abel Tasman het »groote Zuidland" om, zooals het ook werd geheeten, en ontdekte van Diemens Land, zoo genoemd naar den toenmaligen gouverneur van Neerlands Indië. Eerst in 1770 verscheen er weder een landontdekker van naam, de beroemde Engelsche zeereiziger James Cook. Hij bereikte het eiland aan de oostelijke kust, waar het zoo goed als geheel onbekend was.

James Cook werd in 1728 te Morton in Engeland geboren. Hij was de negende spruit van een boerenknecht, werd achtereenvolgens winkelbediende en scheepsjongen en leerde zichzelven de beginselen van het teekenen, de mathesis en de sterrekunde. Drie malen deed hij de reis om de wereld en telkens bracht hij een oogst van nieuwe ontdekkingen mee. Op zijn eerste reis, in 1768, was hij vergezeld van twee geleerden, Banks en Solander, die op Otaiti den doorgang van Venus voorbij de zon zouden gadeslaan, en deed hij een verkenningstocht langs de kust van Nieuw-Zeeland.

Cook kwam over de Oost-Indiën naar Europa terug en het Zuiden van Australië omzeilende, dreigde zijn schip, de Endeavour, te stranden. Cook trad echter behouden aan land, nam de kust namens koning George III in bezit en noemde het gebied »Nieuw Wales".

Na zijn tweeden tocht, een reis van drie jaren, volbracht te hebben, werd hem opgedragen een nader onderzoek in te stellen naar de landen van Australië. Twee schepen werden te zijner beschikking gesteld, de Resolution en de Adventure. Hij ontdekte Nieuw-Caledonië, na eerst de Nieuwe Hebriden te hebben bezichtigd, en bracht een aantal belangrijke wetenschappelijke mededeelingen mee over de streken, die hij bezocht en de inwoners, dieren en de planten, die hij er gevonden had.

In 1776 zeilde hij voor de derde maal uit. Nu gold het de vraag, of er, door het Noorden van Amerika heen, een weg bestond van Europa naar Azië. Hij maakte een reis om de nieuwe wereld, bereikte de Noordwestkust van Amerika en zocht nu door de Behringstraat de Hudsonsbaai te bereiken; maar een groote ijsvlakte stelde zich in den weg der reizigers, zoodat zij terug moesten keeren. Cook ging weder langs de kust van Amerika, begaf zich naar de Sandwich-eilanden, om er te overwinteren, bereikte Owahaï en liet in een der baaien van dat eiland het anker vallen. Helaas, hij zou het er niet weder lichten.

Cook en zijne reisgezellen knoopten al spoedig betrekkingen aan met de inboorlingen. Nooit nog, zoo verklaarde de groote zeevaarder, heb ik wilden gevonden, die zoo weinig wantrouwend en zoo vrijmoedig waren als deze. Zij zonden de waren, die zij verkoopen wilden, naar de schepen, en kwamen vervolgens zelven op de schepen om den prijs te bepalen. Ook moet tot hun eer gezegd worden dat zij bij dezen ruilhandel geen enkele maal hebben gepoogd de Engelschen te bedriegen.

Maar dit vriendschappelijk verkeer zou spoedig door twist en strijd worden afgebroken. De inboorlingen wapenden zich met steenen en zochten hunne landgenooten te verhinderen de Engelschen, bij het inschepen hunner gevulde watertonnen, bij te staan. Cook liet vuren; maar nu volgde er zulk een jacht van steenen, dat de Engelschen op de vlucht gedreven werden, die al zwemmend zich in veiligheid zochten te brengen, terwijl de eilanders den sloep vermeesterden. Cook, vreezende dat zijn gezag een al te gevoeligen knak zou krijgen, besloot den volgenden dag aan land te gaan en den koning met de voornaamste hoofden des lands gevangen op het schip te brengen en hen als gijzelaars bij zich te houden, zoolang totdat de sloep zou zijn teruggegeven. Nauwelijks echter was hij geland, of hij zag zich met de zijnen van wilden omringd; weder dreigden zij, en Cook schoot er een neer; maar nu volgde een groote verwarring. De wilden gunden de Engelschen den tijd niet hunne geweren te laden, zij vielen op hen aan, zoodat Cook hun ried ordelijk terug te trekken. Hij zelf stelde zich tusschen zijne makkers en den vijand; zoo lang hij hen in het oog hield, durfden zij hem niet aan, want zij hadden een bijgeloovige vrees voor hem; maar nauwelijks had hij zich omgekeerd, om aan de manschappen zijne bevelen te geven, of hij werd met een dolk in den rug getroffen, en zonk neder met het aangezicht in de zee. Nu zetten de eilanders het op een schreeuwen en juichen, en koelden hun woede aan het deerlijk verminkte lijk van den moedigen zeeheld, die stierf op het veld van eer.

Na Columbus is Cook zeker de meest gevierde en geliefde zeereiziger. Geen wonder, Cook was als geschapen voor de roeping, die hij volgde. Hij had een herculische lichaamskracht, zijn geest en karakter waren als uit metaal gegoten, en zijn koelbloedigheid evenaarde zijn geestdrift en zijn ijvervuur. Cook had een buitengewone lengte. Hij mat 1 meter en 79 centimeter. Zijn gelaat was streng van uitdrukking. Hij was stilzwijgend, gehard en hardvochtig; maar rechtvaardig in den hoogsten graad.