Part 3
Tengevolge van de kuiperijen aan het hof vaardigde Ferdinand naar St. Dominique geen overheidspersoon en rechter af, zooals Columbus verzocht had, maar een beul, don Francisco de Bobadilla, voorzien van brieven van volmacht, waarin hij tot gouverneur der ontdekte gewesten aangesteld en met een onbeperkt gezag bekleed werd. Te St. Dominique aangekomen trad Bobadilla er als heer en meester op, vestigde zich in het huis van den admiraal en gaf hem een afschrift van de brieven, waarbij hem (Bobadilla) het oppergezag werd verleend. Vervolgens deed hij den admiraal, zonder hem te hooren, in een vesting opsluiten, te gelijk met zijne broeders, die in de nieuwe wereld waren achtergebleven. Aan zekeren Alonzo de Villejo werd de taak opgedragen hem naar Spanje over te brengen. Columbus onderwierp zich, zonder een klacht te slaken; zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers, met ketenen beladen, naar een schip gevoerd, dat spoedig zee koos. Villejo, die medelijden had met zijn gevangene, wilde zijne ketenen los maken, maar de admiraal verzette zich hiertegen. »Ik wil ze dragen," zeide hij, »als een bewijs van het loon, waarmee men de diensten betaalt, die ik het land bewezen heb." »Deze boeien," zoo verhaalt ons Fernando Colombo, »heb ik steeds in mijns vaders kamer zien hangen en hij beval ons dat wij ze bij hem zouden leggen, als hij begraven werd."
Toen de zeereiziger in Spanje aanlandde, gebood de Koning, die zich waarschijnlijk schaamde over Bobadilla's gedrag, dat de gevangenen vrijgelaten zouden worden.
Columbus was nu diep ter neer geslagen. De wereld walgde hem. »De wereld heeft mij meer dan duizendmaal slag geleverd," schreef hij, »en ik heb altijd weerstand weten te bieden, tot op dezen dag, nu ik mij niet verdedigen kan, noch met de wapenen, noch met beleid. Met welk een uitgezochte barbaarschheid hebben zij mij in de diepte doen nederzinken!" Maar staande gehouden door dien godsdienstigen zin, die het kenmerk uitmaakt zijner eeuw, vervuld van het denkbeeld om later het Heilige Graf te bevrijden, vatte de onvermoeide man het plan op tot een vierde reis, die nu werkelijk, zooals hij meende, Spanje rijk zou maken.
Hij vertrok van Cadix op den 9den Maart 1502, vergezeld van zijn broeder Bartholomeus. Op deze reis ontdekte de zes-en-zestig-jarige het eiland Guanaga, zeilde de kusten van Honduras en Mosquito langs, bereikte Porto Bello op de landengte van Panama, zette op Veraguas voet aan wal en ontdekte de rijke goudmijnen dezer gewesten. Hij trachtte verder een volksplanting te vestigen aan de rivier de Belen; maar de meesten van die hij er achterliet werden door de inboorlingen vermoord, en toen hij de overigen ter hulp snelde werden zijne schepen door storm beloopen en zoo goed als uit elkander geslagen.
Zijn gestel, door ouderdom, moeite, zorg en lijden ondermijnd, was tegen deze nieuwe beproevingen niet opgewassen. Wel slaagde hij er in de ongelukkigen te bevrijden en streed hij nog een tijd lang tegen geweldige stormen en gedurigen opstand van zijn volk; maar krankte en uitputting wierpen hem neder. Dank zij de tegenwoordigheid van geest, door zijn broeder betoond, ontsnapte hij het gevaar van door zijne eigene schepelingen vermoord te worden. In dien treurigen toestand viel hij te St. Dominique binnen, en den 7den November 1505 keerde hij naar Spanje terug. Hij was negen-en-zestig jaren oud.
In Spanje aangekomen, vernam Columbus dat zijn »goed gesternte", de koningin Isabella, overleden was. De koning wilde hem geen recht verschaffen. Doch de dood was niet verre meer. Een wreedaardige krankte sleepte hem onder het lijden van vele martelingen ten grave. Den 20den Mei van het jaar 1506 ontsliep hij met de woorden: »Vader, in uwe handen beveel ik mijn geest."
Zoo stierf deze martelaar. Hebben zijn tijdgenooten het hunne gedaan om zijn roem te verkleinen, de toejuiching van het nageslacht heeft reeds lang het brommen van den haat en den nijd gesmoord. Het groet met geestdrift den veroveraar, die den sluier heeft opgelicht, waarachter, duizenden van jaren, een halve wereld in 't verborgen sluimerde. Humboldt is de tolk van dien geestdrift, waar hij uitroept: »Columbus heeft zich verdienstelijk gemaakt ten opzichte van de gansche menschheid, wijl hij een oneindig aantal nieuwe dingen aan haar nasporing heeft onderworpen. Het menschelijk denken heeft zich door zijn ontdekking uitgebreid. Aan den aanvang van een nieuwen tijdkring, op de grens waar de oude wereld en de nieuwe elkander ontmoeten, staat deze edele en kloeke geest, de eeuw beheerschend, die hem den stoot gaf en die op haar beurt van hem het leven kreeg."
Nu er dan alzoo een begin gemaakt was, ging men ijverig voort den boeg naar de nieuwe wereld heen te wenden, maar nog steeds kostte die voortgaande beweging moeite en verdriet. Welk loon ontving Fernando Cortez voor de uitstekende diensten, die hij bewees? Hetzelfde loon, dat Columbus gewonnen had. De veroveraar van Mexico werd blootgesteld aan al de pijnigingen van een ellendig rechtsgeding. Aan het einde van zijn roemrijke loopbaan, leidt hij aan het hof van Karel den Vijfde een droevig bestaan. Voltaire vertelt dat hij geen gehoor bij den keizer kunnende krijgen en hem toch willende spreken, met geweld door de menigte drong, die het keizerlijke rijtuig omringde. Op de vraag van Karel wie dit mocht zijn, zou hij geantwoord hebben: »Ik ben de man, die u meer koninkrijken heeft geschonken, dan uw voorouders u steden hebben nagelaten."
Nadat Amerika ontdekt was, maakte de Portugees Fernam Magalhaens voor het eerst de reis om de wereld. Ook hij had hierbij veel te strijden, reeds vóór hij uitzeilde. Portugees van geboorte, en door zijn vaderland miskend, had hij in Spanje troost gezocht. Hij vond dien bij Karel V; maar de ambtenaren van het ministerie van koloniën waren kwalijk gezind jegens hem. Den 22sten October 1518, toen hij bezig was zijn vloot van het noodige te voorzien, werd het volk tegen hem opgeruid, omdat hij het wapen van Castilië verwijderd en door dat van Portugal vervangen zou hebben, terwijl hij alleen zijn eigen wapenbord aan boord had gebracht. Het scheelde weinig of hij werd gedood.
Karel V gaf zijn ongenoegen te kennen over deze bejegening, en zorgde dat de tocht spoedig kon aangevangen worden. Maar onder welke treurige vooruitzichten begon deze eerste reis om de wereld! Magalhaens moest, om aan den wensch van den koning te gemoet te komen, onder zijne schepelingen een man opnemen, die bijna evenveel gezag had als hijzelf. Dit was Juan de Carthagena, die den titel van »Inspecteur Generaal" droeg en gezagvoerder was over het derde schip der vloot. Hij was door een machtig geestelijke aanbevolen en haatte Magalhaens. Nog een ander vijand moest hij aan boord van zijn eigen schip dulden, en wel een landgenoot, Estevan Gomez. Zoo vond de groote zeereiziger zich omringd, niet van trouwe vrienden en medearbeiders, op wie hij rekenen kon, maar van naijverige mededingers, die een stillen wrok tegen hem koesterden.
Nauwelijks was de vloot uitgezeild--dit geschiedde den 20sten September 1520--of Juan de Carthagena begon het gezag van den opperbevelhebber te ondermijnen. Hij sprak Magalhaens op vrijpostige wijze, als zijn gelijke, aan en werd van dag tot dag aanmatigender. Eens zelfs waagde hij 't, in tegenwoordigheid van eenige matrozen, Magalhaens met dreigende woorden aan te vallen. Toen begreep deze dat hij handelen moest. Hij greep zijn tegenstander in de borst en sloeg hem in de boeien, als den minsten matroos.
Men was toen nog op de kust van Guinea. Magalhaens stak den Oceaan over, wendde den boeg naar Brazilië en kwam in December 1520 in de baai van Rio de Janeiro. Vervolgens zeilde hij langs de Amerikaansche kust voort, in de hoop van dien doortocht te vinden, dien hij in het Zuiden verwachtte en die later voor altijd zijn naam zou dragen. Het koude seizoen was in aantocht en Magalhaens wilde in de haven van San Julian overwinteren; maar nu begon de bemanning te morren. Te midden van de kale, sombere, koude gewesten, waarin zij zich bevonden, werden velen moedeloos en gaven hun verlangen te kennen, om den boeg naar Spanje te keeren. Magalhaens stond als een rots. Geen bidden, geen dreigen vermochten hem aan het wankelen te brengen. Hij gaf te kennen dat hij liever sterven wilde, dan met schande naar Seville wederkeeren, en met zijn veerkracht en moed wist hij de weerbarstige schepelingen te bedwingen.
Het openlijke gemor nam een einde; maar in stilte bleef de tegenwerking woelen en weldra brak zij geweldig los, onder voorgang van een paar officieren, Luiz de Mendoza en Gaspard de Quesada. Een bloedig tooneel volgde. Magalhaens, aan zich zelven overgelaten, moest, zou hij niet als slachtoffer vallen, de oproerigen vellen. Hij besloot tot het laatste, en zond op Luiz de Mendoza een welvertrouwd man af, Gonzalo Givet de Espinoza. Deze overhandigde den officier een brief, waarin de opperbevelhebber hem voor zich daagde. Luiz de Mendoza weigerde te verschijnen en spotte met dit bevel. Maar toen wierp Espinoza zich op hem en stiet hem zijn dolk in den hals.
Magalhaens ging met zooveel kracht, bekwaamheid en stoutheid op den ingeslagen weg voort, dat hij de oproerige bemanning der Victoria en Trinidad spoedig tot gehoorzaamheid dwong. Gaspard werd onthoofd. De lijken der samenzweerders werden, ten aanschouwen van al het volk, aan wal gebracht, en daar las één der officieren hun vonnis.
Toen deze daad van hoog gezag volbracht was--eene daad, die, hoe verdedigbaar ook, de nagedachtenis van den bevelhebber niet tot eere strekt--werd San Julian verlaten. Na den opstand van menschen te hebben doorstaan, had hij met dien der elementen te doen. Met veel moeite en onder groote gevaren bereikte hij Vuurland en ontdekte de zeestraat, die zijn naam draagt en den doortocht, waarvan hij gedroomd had. Den 27sten November 1520 zette hij koers naar het Noord-Oosten en dreef in die groote wijde zee, die toen zoo kalm was, dat men hem de Stille Zuidzee noemde. Hier ontdekte hij de Marianen en zette eindelijk op het eiland Zebou voet aan wal, om er de schepen van leeftocht te voorzien. De vorst van dit eiland ontving de vreemdelingen met alle teekenen van toegenegenheid. Magalhaens zocht de inboorlingen tot het Christendom te bekeeren en bouwde zelfs een kerk, maar hij beging de groote fout van den vorst van Zebou aan te stellen tot hoofd en leenheer van al de andere vorsten van het eiland. Deze wilden niets weten van die europeesche aanmatigingen; één van hen, de koning van Mactan, bracht een leger op de been van niet minder dan zesduizend man, en verzette zich daarmee tegen de vreemde indringers.
Magelhaens moest nu krijg voeren. Met een handvol volks trok hij tegen den koning van Mactan op; maar vond het gehucht, waar deze zijn residentie had, verlaten en stak het in brand. Nu kwamen de Indianen opzetten en begroetten de Spanjaarden met steenen en pijlen, en dat wel met zooveel hevigheid en met zulk een overmacht, dat Magalhaens den terugtocht aannam en de schepen opzocht. Juist zou hij zich met de zijnen in de sloepen begeven, toen een steenworp hem het been verbrijzelde en hem neervelde. Een Indiaan maakte met een speer een eind aan zijn leven. (27 April 1521.)
Zoo stierf Magalhaens; maar zijn taak was volbracht. De groote vraag hoe de reis te maken om de wereld was opgelost.
Hoe nader wij komen aan den nieuweren tijd, des te meer zien wij deze ontdekkingen den stoot geven tot nieuwe onderzoekingstochten.
Eerst opent Amerika, van het noorden tot het zuiden, der wereld een breede baan; straks doemt het groote vasteland van Australië op, met de eilanden der Stille Zuidzee, en ook het geheimzinnig Afrika, het groote vraagstuk van zoovele eeuwen, opent zijne poorten voor de beschaafde wereld. Eindelijk zijn het slechts de twee polen, die, ten zuiden en ten noorden door ondoordringbaar ijs versperd, het menschelijk onderzoek tarten.
De Poolstreken, die als het ware de spil der aarde aan hare uiteinden omgeven, maken thans een punt uit van volhardend onderzoek. Engeland, Zweden en Nederland stoomen en zeilen er heen om land en zee te onderzoeken. Met name is het de Noordpool die men meer en meer zoekt te naderen. En heeft thans Nordenskjöld een weg gevonden noordwaarts naar China. Eeuwen reeds geleden is deze met zelfverloochening en moed gezocht.
De weg, die naar de Noordpool voert, is als omzoomd met de lijken der helden, die gestorven zijn. Moge ook »Nederlands vlag Euroop den doortocht" niet gewezen hebben »door het ijzig Noord naar het zengend Oost," toch hebben de Nederlanders behoord tot de eerste Noordpoolvaarders, gelijk wij thans gelukkig weder ook behooren tot de laatste. Ook ons volk heeft er zijne helden bij verloren, martelaren voor het vaderland en voor den vooruitgang. Balthazar Moucheron van Middelburg vatte het plan op--een plan reeds door de Engelschen geopperd maar opgegeven--om den noordelijken doortocht te zoeken naar China en Indië. Zijn plan leidde tot het uitrusten van een klein eskader onder Cornelis Cornelisz Nay van Enkhuizen en Willem Barentz. Zij zouden beproeven benoorden Novaja Zemlya een open vaarwater te vinden. De schepen scheidden zich van elkander en Barentz verkende de westkust van het genoemde eiland tot aan Kaap Nassau. Hier stiet hij op het ijs en keerde terug. Nay was voortgedrongen door de zeestraat bezuiden Waigatsj, die hij »Straat Nassau" noemde, zeilde de Kara-Zee in; en meenende dat hij het open vaarwater naar China al gevonden had, keerde hij met blijde tijding naar het vaderland terug, tegelijk met Barentz, dien hij op den terugweg ontmoette. Na een mislukten tocht in 1595, werd in 1596 door de stad Amsterdam een derde tocht uitgerust onder Jacob van Heemskerk, Willem Barentz en Jan Cornelis Rijp. Op dezen tocht ontdekten onze zeevaarders Spitsbergen, 't welk zij voor Groenland hielden en zeilden westelijk op tot 79° 30'; maar al spoedig gingen de twee schepen elk zijn eigen weg. Rijp wilde rechtstreeks naar het oosten doordringen, Barentz Novaja Zemlya aandoen. Rijp keerde onverrichter zake naar het vaderland terug. Barentz bereikte zijn doel en voer de Westkust van Novaja Zemlya in noordelijke richting langs en de Noordkaap om. Toen hij verder oostwaarts op wilde, werd hij door het drijfijs genoopt aan de Oostkust van het eiland een bocht binnen te loopen, waar hij overwinterde. Hier verduurden de reisgenooten de bitterste koude. 't Was de eerste poolwinter die door Europeanen werd doorgebracht. Eén der tochtgenooten, Gerrit de Veer, heeft al dit lijden beschreven, en niemand zal zonder aandoening het eenvoudig en verheven naieve verhaal dezer overwintering lezen. Zij bouwden zich een houten hut, het zoogenaamde »Behouden Huijs", sleepten er in, wat hun dienstig kon zijn, rookten er hun pijp, aten er hun smakeloos geworden proviand of de met levensgevaar geschoten beren, maar verloren, onder al hun kommer, hun goeden luim niet, al zaten zij ook acht maanden lang in duisternis en al hoorden zij ook niets dan het doffe, sombere gehuil van den storm. De ontbering klom dag aan dag. Eindelijk, den 14den Juni, braken de reizigers in twee open booten, die zij zelven gebouwd hadden, door het ijs, zeilden de open zee in en ontmoetten Rijp, die in November met hen in het vaderland terugkwam.
Den 20sten Juni was Barentz overleden, het oog op de kaart en de plannen van den terugtocht met zijne mannen besprekend. »Mij dunkt, het zal met mij niet lang duren!" Zoo sprak eenige oogenblikken voor zijn dood de moedige man, man niet van woorden, maar van daden, eenvoudig in zijn plichtsbetrachting en in zijn sterven. 't Leek dit kloeke geslacht volkomen natuurlijk, dat het tot in Juni schip en lading in het ijs bleef bewaken en zijn leven er voor zette. Het sterft niet als een held in melodrama, maar gaat stil daarheen in de groote rust, held door moed, en nog eens held door zijn eenvoud.
Bij het vertrek uit het »Behouden Huijs" had Barentz een stuk opgesteld, een klein cedelken, waarop echter meer stond dan in menig boek. Het bevatte het korte verhaal van de lotgevallen der reisgenooten. Men deed het in een kruithoorn en hing het op in den schoorsteen, »op avontuer offer yemant na hen quame, dat dien weten mocht, wat hun bejegent was en hoe 't hen gegaan hadde."
Barentz' Behouden Huijs bleef op het strand van de IJshaven niet minder dan 278 jaren verlaten en onopgemerkt staan. Doch den 7den September 1871 kwam er »yemand na hen",--het was de Noorsche kapitein Carlsen. Hij vond de overblijfselen van het huis nog overeind staan, de slaapplaatsen, de hollandsche klok, hellebaarden, musketten, tafelgereedschap, alles, zooals de Veer het beschreven had. Met eerbied trad de Noor de eenzame hut binnen, waarboven zooveel storm was heengegaan, waarbinnen zulke moedige en trouwe harten geklopt hadden. Carlsen nam eenige zaken mee, die door een Engelschman, later door het Nederlandsche gouvernement, werden overgenomen. Vijf jaren later kwam Charles Gardiner, een Engelschman, op Nova Zemlya en bracht een tweede lading voorwerpen mee, die de edelmoedige vinder aan ons land ten geschenke gaf. Thans prijken deze onwaardeerbare overblijfselen in den Haag, in de modelkamers der koninklijke marine, blijvende lijdens- en zegeteekenen van ons voorgeslacht, blijvende vingerwijzingen voor het nageslacht.
In den aanvang van de zeventiende eeuw zeilde een engelsch zeevaarder, Henry Hudson genaamd, met een klein vaartuig de Oostkust van Groenland langs, en kreeg een deel van Spitsbergen, door hem Nieuw-Land genaamd, in het gezicht. In Amerika ontdekte hij de rivier en de baai die thans zijn naam dragen. Ontzettend was zijn levenseinde. Hij was nauwelijks een nieuwe baai van Noord-Amerika ingevaren, of, ten gevolge van den langen duur der reis, begonnen de levensmiddelen te ontbreken. Het scheepsvolk kwam in opstand en de kapitein werd, met zijn zoon en een paar matrozen, in een sloep aan de golven prijs gegeven. Men heeft nimmer iets van de ongelukkigen vernomen, die laaghartig verzaakt en verraden werden.
Wie kent den naam niet van John Franklin en ten minste niet eenigszins zijn treurige geschiedenis? In 1800 bij de engelsche marine in dienst getreden, woonde Franklin onder Nelson den zeeslag bij Koppenhagen bij en nam deel aan een onderzoekingstocht in Australië, op welken hij in 1803 bij een schipbreuk dreigde om te komen. Bij Trafalgar streed hij met moed en beleid. In 1804 werd hij gewond bij het beleg van Nieuw-Orleans, hetwelk door Jackson met heldenmoed verdedigd werd. Sinds 1818 wijdde Franklin zich aan de Noordpoolvaart, en in 1819 deed hij, in gezelschap van Richardson, Hood, Back en Hepburn, te voet en onder ongehoorde ellende, een verkenningstocht langs het Noorderstrand van Amerika, en wel over een lengte van niet minder dan 900 kilometers.
De moedige reizigers vorderden niet dan langzaam over de uitgestrekte sneeuwwoestijnen, die hier en daar door diepe ravijnen doorsneden werden. Zij waren zoo uitgeput, dat sommigen er het bewustzijn bij verloren. Back werd met drie man vooruitgezonden, om de hulp in te roepen van de bezetting van het fort »Enterprise", bij het Slavenmeer. Ondertusschen toog ook Franklin, die zich hersteld gevoelde, met de rest der tochtgenooten verder voort door de sneeuw. Hij kon daags maar 5 of 6 mijlen vooruitkomen. Twee mannen van Canada bezweken en men deelde onder elkander de schoenzolen. Richardson, een engelsch matroos en een der Iroqueezen, die deel namen aan den tocht, moesten in een tent achterblijven. Franklin zette zijn wanhopigen tocht voort. Eindelijk kreeg men het fort in het gezicht. Helaas! het was ontruimd geworden, en er was niets te vinden. Zoo vervloog alle hoop, op het oogenblik waarop de moedige onderzoekers zich gered waanden. Zij zagen elkander aan en zonder te spreken barstten de helden in tranen uit. Met drie man bleef Franklin in het fort en kookte soep van eenige beenderen, die onder een hoop vuilnis waren achtergelaten. Twee dagen later zag hij dokter Richardson met den matroos Hepburn naderen, die onder weg vernomen hadden, dat de Iroquees Michel den heer Hood had vermoord en die nu op hun beurt den Iroquees hadden gedood. Zoo voegde zich ook nog de misdaad bij alles wat zij leden: honger, kou, ellende en verlatenheid! Den 1sten November stierven nog twee Canadeezen. Eindelijk, op den 7den November, terwijl Franklin zich reeds trachtte te gewennen aan het denkbeeld, dat hij met het overblijfsel zijner tochtgenooten van honger zou moeten sterven, zie, daar kwamen Indianen aan, beladen met overvloed van levensmiddelen, gezonden door den heer Back. Men moet in het verslag van Franklin's reis het eenvoudig en hartverscheurend verhaal en dezen ganschen tocht lezen, om den moed, de grootheid van ziel, de zelfverloochening te bewonderen, bij dit alles toen ten toon gespreid--neen, in het verborgen geofferd. En wil men weten wat deze mannen waagden, dan moet men zich eenigszins een voorstelling kunnen maken van de kusten van Noord-Amerika, zooals die toen ter tijde waren.
Een engelsche Maatschappij, ruilhandel willende drijven met de Esquimo's, had zich in deze gewesten gevestigd, in ellendige houten hutten, boven welke de engelsche vlag woei. De verschillende posten van deze maatschappij bevonden zich hier en daar langs die onmetelijke keten van meren, die zulk een eigenaardig karakter leenen aan dit gedeelte van Noord-Amerika. Sneeuw, koude, al de ongenade van het Noorden, heerschen hier in deze groote ijswoestenijen. Hier hadden Franklin en de zijnen soms niets anders dan wat pemmican te eten, een soort van geperst vleesch, dat zij, om den maag te vullen, gebruikten met een soort van mos. Hoe is het mogelijk dat mannen, die eens zulke martelingen hebben ondergaan, zich ten tweedemale aan zulke gevaren wagen! Maar Franklin behoorde tot die menschen, die zich door niets laten afschrikken.
In 1825 ondernam Franklin een tweeden en vruchtbaarder tocht. In 1845 waagt hij zich nog eens in de onbekende oorden en raakt verdwaald of gevangen te midden van ijsbergen, die hem den weg versperren. Althans hij is in 1845 voor altijd verdwenen. Men weet met welk een toewijding, welk een bezorgdheid, welk een onvermoeide volharding Lady Franklin, gesteund door haar land, achtereenvolgens een gansche reeks van onderzoekingstochten heeft uitgerust ter nasporing van haar man. Heldhaftige pogingen zijn in het werk gesteld om hem te vinden, maar zij zijn te vergeefs geweest. Eerst in 1857 en 1859 heeft men op Koning Willems Land de lijken en andere overblijfselen van de moedige mannen mogen vinden.
Franklin was een man van grooten moed, maar ook van groote goedheid. Zijn vriend Parry zeide van hem: »'t Was een man die het gevaar nimmer den rug toekeerde en daarbij zulk een week hart had, dat hij geen mug zou dooden."
Op dergelijke wijze is de Franschman Jules de Blosseville verdwenen en omgekomen. In 1833 scheepte hij zich in op la Lilloise, waarmee hij als commandant de reis naar Groenland deed. Hij teekende de kaarten van het zuidelijk gedeelte van dit land, waar hij bovendien belangrijke waarnemingen deed ten opzichte van den magneet. Het laatste wat men van hem vernomen heeft is, dat hij, door het ijs gedwongen, ergens te Vapna Fjord was binnen gevallen. Men heeft noch van hem, noch van zijne bemanning ooit iets vernomen of een spoor gevonden.
Van de Noordpoolstreken, met hun eeuwigdurend ijs en sneeuw, met hun eeuwig grijs en wit, hun kou en hun klappertanden, naar Afrika's tropische gewesten, met hun bonten dos en weelderigen groei en stikkende hitte, is zeker een geduchte overgang. Maar de menschelijke onderzoekingsgeest en moed vinden wij er op gelijke wijze vertegenwoordigd.