Part 2
Dat was niet billijk van de groote Semiramis. Men mag met reden twijfelen aan de onfeilbaarheid van den geleerde, maar zijn ijver en toewijding, zijn liefde voor de wetenschap, zijn boven alle verdenking verheven.
In 1769 zou het hemelverschijnsel, dat Chappe in Siberië was gaan zien, in Californië zichtbaar zijn. Chappe, wiens geestdrift nog geenszins was uitgedoofd, maakte zich gereed, toch nog eens voor de wetenschap zich op te offeren, en trok naar Californië, een landstreek, die toen ter tijde onbekend was en voor volkomen woest en onbeschaafd doorging. Californië behoorde destijds aan Spanje. Chappe vertrok den 18den September 1768 van Cadix en werd vergezeld van twee officieren in den dienst van Karel III. De overtocht duurde zevenenzeventig dagen. Na de grootste vermoeienissen doorstaan, de zwaarste beproevingen geleden te hebben, wist de gelukkige onderzoeker zijne instrumenten in het onbeschaafde land te stellen en werden zijne onderzoekingen met een gunstigen uitslag bekroond. Den 6den Juni 1769 was de lucht zeldzaam zuiver en geen enkel deel van het grootsche verschijnsel ontsnapte aan zijn waarneming.
Ten tweede male dus was Chappe d'Auteroche geslaagd, maar Californië werd destijds met zware epidemische koortsen geteisterd. Ook hij werd er door aangetast; hij kwam het gevaar te boven; maar nauwelijks hersteld, wilde hij de eclips van den 18den Juni waarnemen, en bracht den nacht met observeeren door, ten gevolge waarvan hij den volgenden dag weder instortte en stierf. Hij stierf te midden zijner sterrekundige berekeningen. Het papier waarop hij schreef, viel hem uit de hand, en hij was niet meer. »Ik weet dat ik nog maar eenige uren levens vóór mij heb," zei Chappe; »maar ik ga tevreden heen; ik heb mijn taak volbracht!"
De hervormer, de man die nieuwe wegen zoekt, die licht wil ontsteken, die domme vooroordeelen wil vernietigen, die den bodem der menschelijke kennis wil bebouwen en er nieuwe denkbeelden op zaait, zal gansch andere, maar niet minder ernstige bezwaren ondervinden. IJverzucht, nijd, haat zullen zich tegen hem kanten, de onwetendheid, tegen hem opgehitst, bedreigt hem telken stond. Galilei wordt vervolgd, Palissy wordt gevangen gezet, Ramus wordt in den St. Bartholomeüsnacht vermoord, Steven Dolet komt in de vlammen van de Inquisitie om. Deze en dergelijke ongelukken hebben gewoonlijk hem getroffen, die zijn tijd vooruit is geweest, te vroeg gekomen is met zijne plannen en uitvindingen en, volgens de kernachtige uitdrukking van Casimir Delavigne, het onverschoonbaar ongelijk heeft van maar al te zeer gelijk te hebben.
De natuurkundige en de scheikundige, die de natuur ondervragen en hare geheimen uitvorschen door de proeven, die zij met haar nemen, loopen weer andere gevaren. De aard van hun onderzoek stelt hen niet zelden bloot aan de schadelijke werking van de bestanddeelen, die zij onderzoeken of van de krachten, die zij zelven door allerlei verbindingen in het leven roepen.
Den 6den Augustus 1753 zou Richman, de geleerde secretaris van de Academie van wetenschappen te Petersburg, de elektriciteit van de wolken onderzoeken. Hij stond bij den metalen stang, die hij in zijn studeervertrek had opgericht en welks punt boven het dak uitstak. Hij had een teekenaar bij zich, Solokow genaamd, die een afbeelding maken zou van de proeven. Er hingen zware onweersluchten. Richman nadert den stang met een elektroscoop, en oogenblikkelijk vliegt er een vuurbol, van de grootte van een vuist, uit te voorschijn, die den ongelukkigen geleerde nedervelt. Solokow werd mede ter aarde geworpen en kwam langzamerhand bij. Richman was een lijk. De bliksem, die bij het hoofd was ingeslagen, was door het gansche lichaam, in zijn lengte, heengevlogen en bij den linkervoet weer uitgekomen. Enkele bloeddruppels vertoonden zich aan het voorhoofd, en aan den voet had de ongelukkige een blauwe plek daar waar de schoenzool doorgebrand was. De teekenaar had over zijn gansche kleeding lange brandplekken, alsof ze in aanraking was geweest met gloeiende ijzerdraden.
Den 30sten December 1840 was Hervy, een jong chemicus aan de school voor artsenijkunde, bezig met het vloeibaar maken van koolzuur en bezigde daartoe het toestel van Thilorier. Alles gaat goed totdat er een geweldige knal gehoord wordt. De spanning van binnen is grooter geweest dan de metalen wanden verdragen konden, het gansche toestel vliegt uit elkaar en Hervy, deerlijk verminkt, met afgeslagen beenen, bezwijkt drie dagen later.
De man, die de maatschappij zal voorzien van een nieuwe beweegkracht en die haar in toepassing wil brengen op een nieuw door hem uitgevonden werktuig, heeft terstond de gansche horde tegen zich van hen, die door den sleur worden gedreven; slaven, blinden, die zich opmaken om tegen hun eigen vrijverklaring te strijden. Denis Papin ziet de schuitenvoerders van den Rijn zijn stoomschuit in stukken slaan. Jacquard wordt door de burgers van Lyon bedreigd en 't is niet alleen het gemeen, dat het talent aanblaft, neen, verlichte menschen en zelfs de eerste vernuften laten zich soms tot zulke deerniswaardige handelingen verleiden.
Fulton stelt aan het Directoire voor torpedo's te laten maken en die bij de verdediging in te voeren. Volney en Laplace worden door den eersten Consul gekozen, om te zamen een commissie van onderzoek te vormen. Fulton verschijnt vóór hen en legt zijn plannen bloot; te Brest worden proeven genomen en als die niet terstond gelukken, ontzegt Bonaparte hem zijn verdere bescherming.
Arago is niet wijzer geweest dan Napoleon. De groote sterrekundige heeft de spoorwegen voor een hersenschim gehouden, en later heeft Babinet niet geschroomd het leggen van een telegraafkabel dwars door den Oceaan eene dwaasheid te noemen.
Ook de ambtsplicht heeft zijne offers; de geneesheer te midden der besmetting, de mijnwerker in het hart der aarde moeten den dood in het aangezicht weten te zien.
Het schouwspel van al deze martelaren van den vooruitgang, van al deze krijgsknechten, die voor edele doeleinden lijden of vallen, is wel in staat om medelijden op te wekken; maar het is verheffend tevens. Zoo doet ons ook de heldenmoed goed, die onze voorvaderen betoonden in den strijd. Door het leven en de daden van al die helden en martelaren der wetenschap moeten wij opgewekt worden om, evenals zij, voort te gaan kennis boven rijkdom, wetenschap boven gemak, moeite en teleurstelling boven ledigheid te stellen. Wij moeten van hen leeren onvermoeid voort te werken, geduld te paren aan geestdrift en voortvarendheid aan nauwgezetheid.
»Met de studie," heeft August, in Thierry gezegd, »komt men moeielijke dagen door, zonder hun last te gevoelen; men schept zijn eigen levenslot. Schoon blind en lijdend, zonder hoop op herstel en zonder verademing, kan ik zelf dit getuigenis afleggen--en wie zal mijn getuigenis verdenken?--dat er in de wereld iets bestaat, dat meer waard is dan zingenot, meer waard dan fortuin, meer dan de gezondheid zelve: namelijk de dienst der wetenschap."
Ook is er nog een andere reden om welgemoed te zijn--en wel deze: dat de martelaren minder talrijk worden, daar vooroordeel en onkunde afnemen. De vervolgingen, die in vroeger tijden zooveel martelaars deden ontstaan, hebben opgehouden. 't Is waar onze Livingstone's zullen door de koorts worden vervolgd op het terrein van hunne heldendaden; maar geen Columbus zal geketend worden door den haat en het onrecht. »Onze vaderen hebben het ijzeren tijdvak doorworsteld," zei Bernardin de Saint Pierre, »maar het gouden ligt voor ons."
Twee eeuwen geleden stierf Riquet, de ontwerper van het Zuiderkanaal, dat dwars door Frankrijk heen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche Zee verbindt. Hij stierf geruineerd. Nog altijd verdient dat groote werk onze bewondering. »Riquet, die," zooals Daguesseau zegt, »geen ander hulpmiddel dan een leelijken ijzeren passer tot zijn dienst had, legde zich met zijn geheele ziel op het werk toe, wijdde er een leven aan van geloof en volharding. Hij stierf van uitputting op het oogenblik, waarop het kanaal voltooid stond te worden. Het werk had niet minder dan 17 millioen livres gekost, Riquet had er zijn gansche fortuin bij verspeeld. »Mijn onderneming," schreef hij in 1667, »is het kostbaarste mijner kinderen. Ik wacht er niets van dan wat eer en uw goedkeuring." Het gaat de Lesseps, Dirks en anderen gelukkig beter. Ook wordt Darwin niet vervolgd. Zij en allen, die de wetenschap dienen, leven thans omringd van de achting hunner tijdgenooten en hunne portretten prijken in onze geïllustreerde tijdschriften.
Zoo zullen wij dan voornamelijk ons tot het verleden te wenden hebben.
Daar vinden wij die bezielde en bezielende martelaars, de helden die onze bewondering opwekken en onzen ijver.
Is er iets schooners dan de natuur, dan de kunst, dan de wetenschap, zoo is het de man, die tegenspoed verdraagt.
HOOFDSTUK II.
DE VEROVERING VAN DEN AARDBOL.
Christophorus Columbus schreef op het einde zijner dagen aan den Koning van Castilië; »Van mijn jeugd af voer ik ter zee en ik ben er mee voortgegaan tot heden. Dezen weg moeten zij kiezen, die de geheimen dezer wereld willen leeren kennen."
De groot Genuees had gelijk. De geheimen dezer wereld, de waarheden der wetenschap hebben hun oorsprong in de kennis der natuur. Zoo moeten wij dan in onze herinnering allereerst aan die mannen een eereplaats geven, die hun leven hebben gewijd aan het veroveren van den aardbol.
En geen treffender voorbeeld kunnen wij daarvan kiezen dan het voorbeeld van den heldhaftigen man, die ten koste van een hardnekkigen strijd tegen de ongenade van het lot en de vooroordeelen der menschen een gansch halfrond aan onze planeet als toevoegde.
Christophoro Colombo werd geboren te Genua omstreeks 1436. Hij was de zoon van een wollenkaarder en had twee broeders, Bartholomeus en Jacob. Na te Genua een degelijke opvoeding ontvangen te hebben, begon hij op zijn veertiende jaar zich als zeeman te bekwamen. Hij deed een tocht naar Tunis en in 1477 een reis naar IJsland. Hij had zich toen reeds te Lissabon gevestigd en trad daar in het huwelijk met Felipa Monis de Palestrello, de dochter van een zeevaarder. Geen plek ter wereld kon hem zoo bekoren als deze, want sedert een eeuw verbaasde Portugal de wereld met zijne ontdekkingstochten. Reeds rijpten stoute plannen in zijn brein. Hij bestudeerde nauwkeurig al de nieuwe wegen die de zeevaarders voor het verkeer geopend hadden en vatte weldra het grootsche voornemen op dier onderneming, die zijn naam de onsterfelijkheid zou geven. Zijn doel was geenszins, zooals men soms heeft gemeend, een nieuwe wereld te vinden; maar wel om, dwars over den Atlantischen Oceaan Indië op te sporen en westwaarts opzeilende het Oosten te ontmoeten.
Dit plan dat geenszins nieuw was, vervulde destijds vele gemoederen. De wijze Toscanelli en anderen hadden er al over gedacht, maar Columbus wijdde er zich geheel aan en maakte er zijn onherroepelijk levensdoel van.
Columbus was arm en zijn werk onmetelijk. Allereerst wendt hij zich tot zijn vaderstad, maar de stad Genua staat hem de middelen niet toe, die hij van noode heeft, wil hij zijn plan verwezenlijken. Hij draagt zijn plan vervolgens voor aan den koning van Portugal Joan II, die het deed onderzoeken door een commissie van twee beroemde aardrijkskundigen. Deze lieden hielden het denkbeeld van den zeevaarder voor een hersenschim en hemzelven voor een zonderling. De koning echter kon dit oordeel niet billijken en gaf zich een tijd lang over aan den invloed van een man van vooruitgang en kennis, Pierre de Noronha, die te recht begrepen had dat men, om de rijkdommen van Portugal te vermeerderen, zeeën moest oversteken en nieuwe wegen zoeken en nieuwe volken hechten aan de kroon.
Maar Joan II, weifelend van aard en zwak van wil, koos weldra de partij van Columbus' vijanden en wees niet alleen het aanbod af van den kundigen man, die voor Portugal een nieuwen zeeweg zou zoeken, maar pleegde jegens hem het zwartste verraad. De trouwelooze vorst knoopte onderhandelingen met Columbus aan, vroeg zijne kaarten te zien, liet hem zijn plan ontvouwen in tegenwoordigheid van zijne raadslieden, en toen hij al zijne geheimen bezat, ontzag hij zich niet een kleine vloot uit te rusten, die in de door Columbus aangewezen richting den Atlantischen Oceaan opvaren en den argeloozen zeevaarder berooven zou van de vrucht zijner overpeinzingen.
Nauwelijks was de kleine vloot vier dagen ver den Oceaan ingevaren of de zeelieden, door storm beloopen, werden door schrik overmand en keerden met schade en schande in de haven terug.
Toen besloot Christophorus Columbus een land te verlaten, waar hij niets dan de bitterste teleurstellingen ondervond. Ten tweeden male begaf hij zich naar Genua. Hij hernieuwde er zijne voorstellen, maar vond even weinig gehoor als vroeger. Hij liet zich echter door niets ter wereld ontmoedigen. Nog eens klopte hij aan bij de grooten, de hand ophoudende--maar ook het hoofd, als iemand die in 't belang der menschheid de ontdekking eener nieuwe wereld komt afbedelen.
Hij verkeerde nu in den uitersten nood; de groote sollicitant had slechts lompen om zich te kleeden. Daarbij verloor hij zijn gade en moest zelf zijn jongen, een knaap van elf jaren, verzorgen. Eens zwierf hij, in beklagenswaardige omstandigheden, door de omstreken van Palos de Mogues, een stad in Andalousië en kwam bij toeval voor de poort van een Franciscaner klooster. Hij klopt aan en vraagt een weinig brood en water. De prior Juan Perez de Marchena noodt den vreemdeling bij zich, ondervraagt hem, wordt getroffen door de waardigheid van zijn houding en is een en al verbazing, wanneer Columbus hem zijn geschiedenis verhaalt, zijn plannen ontvouwt en zijn verwachtingen mededeelt.
De gastvrijheid van den prior ging over in een warme vriendschap en, dank zij dezen machtigen beschermer, kreeg hij toegang tot het hof van Spanje en gehoor bij Ferdinand en Isabella.
Columbus begeeft zich nu naar Cordova, waar de koning verblijf houdt en met kracht de vijandelijkheden voorzet tegen de Mooren. Na maanden lang gewacht te hebben, werd hij eindelijk toegelaten. Bescheiden, maar vrijmoedig vertoont hij zich, wetende dat hij een gunstelings des Hemels is, uitverkoren om diens groote doeleinden te verwezenlijken. Ferdinand echter ziet in de plannen van Columbus een middel om ter zee met Portugal te wedijveren en neemt het besluit, bevoegde beoordeelaars over deze plannen te raadplegen.
De door den koning in Salamanca samengeroepen raad bestond uit geleerde monniken en grootwaardigheidsbekleeders der Kerk, mannen, niet weinig vooringenomen tegen iemand, die zich verstoutte iets te weten of hun eenige inlichtingen te geven. Deze lieden verwaardigden zich den armen gelukzoeker een willig oor te leenen.
Columbus had ten overstaan van deze heeren niet op wetenschappelijke vragen maar op bijbelteksten te antwoorden en op tegenwerpingen als deze: dat de leer der tegenvoeters onvereenigbaar is met het geloof. Waren er aan gene zijde van den Oceaan bewoonde landen, dan, zoo beweerde men, kon men niet langer aannemen dat alle menschen van Adam afstamden; immers hoe zouden diens nakomelingen in zoo oude tijden de zee zijn overgestoken. Men gaf hem te kennen dat, volgens het N. Testament, de aarde plat was en den vorm had van een grooten schijf; men zeide verder dat de aarde, ware zij bolvormig, onbewoonbaar zou zijn beneden de keerkringen, wegens de overmaat van warmte, die daar heerschen zou. Zoo zag Columbus zich opnieuw aan de ellende ten prooi en bovendien zag hij zich behandeld als een gek en een verdoemde.
Zich niet latende ontmoedigen, schreef de toekomstige wereldontdekker aan den koning van Engeland; vervolgens in Mei 1489 zocht hij Ferdinand en Isabella weder op, die van hun tocht tegen Malaga naar Cordova teruggekeerd waren. Er was sprake van dat de samenkomsten betreffende Columbus' plannen zouden hervat worden; maar jaren lang bleef de beslissing uit, totdat eindelijk, in den winter van 1491, de raad van Salamanca een verslag uitbracht, hetwelk het ontwerp van den zeevaarder voor ijdel en onuitvoerbaar verklaarde, terwijl het verder heette: een groot vorst paste het niet op zulke zwakke gronden, als bij deze gelegenheid te berde waren gebracht, zich in zoodanige groote ondernemingen te steken.
Wij zullen de verdere stappen van den onvermoeiden man niet volgen; wij willen niet verhalen hoe hij zich ook tot den Franschen koning Karel VIII wilde wenden; liever spoeden wij het oogenblik te gemoet, waarop zijne volharding en zijn ijver ten laatste bekroond werden. In Februari 1492 kreeg Columbus op nieuw gehoor bij koningin Isabella en wel door tusschenkomst van Louis de Saint-Angel, ontvanger der kerkelijke inkomsten van Arragon, tevens een van des zeevaarders warmste aanhangers. Eenige vrienden, die medegekomen waren, bepleitten zijn zaak met zooveel aandrang dat de koningin zich liet overhalen en beloofde zich persoonlijk met de uitvoering te zullen belasten.
Zoo dan mocht Columbus eindelijk, na twintig jaren van volhardenden strijd, in zee steken met den titel van admiraal en met de belofte van onderkoning of gouverneur te zullen zijn van al de landen, die hij ontdekken mocht. Drie schepen werden uitgerust, met wakker volk aan boord. 't Waren zonderling gebouwde schepen, met hooge voor- en achtersteven, gelijk wij ze dikwijls op oude platen hebben gezien. Men ijst bij de gedachte dat met zulke schepen en zulke eenvoudige hulpmiddelen zulk een gewaagde tocht over gansch onbekende zeeën ondernomen werd; maar men voelt dan ook des te meer bewondering voor den man, die op vijftigjarigen leeftijd--een leeftijd, waarop zoo menigeen zijn loopbaan heeft volbracht--de zijne eerst begint en door de ontdekking van een tweede halfrond een nieuw tijdperk zal openen voor de geschiedenis der menschheid.
Columbus verliet den 3den Augustus 1492 de haven van Palos, en na zoo lang gestreden te hebben tegen de onkunde der menschen had hij nu te strijden tegen de bijgeloovige vrees der schepelingen, de angsten die de groote Oceaan hun veroorzaakte; en daarbij had hij al de zorgen en moeiten en onzekerheden te torsen van een eerste proefreis.
Den 12den October 1492, na zeventig dagen varens, bespeurde hij voor de eerste maal land, het kustland van Indië, zooals hij waande. Op een eiland, dat hij San Salvador noemde, trad hij het eerst aan wal. De inboorlingen ontvingen en begroetten hem met vreugdebetuigingen en plechtig nam hij, namens den koning en de koningin van Spanje, het land in bezit. Later ontdekte hij nog drie eilanden. Den 28sten October landde hij op Cuba, een maand later op Hispaniola (Haïti). Hij bouwde daar het fort Natividad, waar hij een bevelhebber met eenige manschappen achterliet, en toen keerde hij naar Spanje terug.
Deze gedenkwaardige reis en deze gansche onderneming is zeker een der grootste heldendaden, die de menschheid heeft verricht ter ontdekking van nieuwe wegen en ter verovering van nieuwe wereldstreken.
De schok, dien deze ontdekking in de harten en op de verbeelding teweegbracht, was verbijsterend. Men rekende er niet meer op dat de drie schepen zouden terugkeeren. Met vele vreezen had men de zeelieden zien vertrekken, die dezen gewaagden tocht hadden ondernomen. De groote Oceaan, die door de Arabieren als de »donkere zee" was aangeduid, had zich niet anders voorgedaan aan den geest, dan als een grenzelooze afgrond. Nauwelijks had men dan ook vernomen dat Columbus weergekeerd was en land gevonden had, of de geestdrift steeg ten top. Toen de admiraal te Barcelona aankwam, waar de koning en de koningin hem opwachtten, zag hij een talrijk en deftig gezantschap naderen, hetwelk hem de stad binnenleidde. Zes Indianen, die Columbus had meegenomen, openden den optocht. Daarna volgde een verzameling levende papegaaien en nog onbekende opgezette dieren van allerlei soort, planten, aan welke men geheime krachten toekende, en gouden kronen, die een denkbeeld moesten geven van den rijkdom der nieuw gevonden wereldstreken. Columbus zelf zat te paard en een soort van eerewacht omstuwde hem. De straten waren opgepropt van menschen, op de balcons en voor de vensters zaten en stonden tal van dames, en de daken zelfs waren bezet. Men voerde den held in een groote zaal, waar hij den koning en de koningin omringd vond van een schitterend gevolg. Toen hij binnentrad stonden Ferdinand en Isabella op. Columbus boog de knie, kuste de vorstelijke handen en deed hun het verhaal van zijn reis. De eerbied en de bewondering, die men voor den edelen man gevoelde, vermochten nauwelijks de aandoening te beteugelen, die het verhaal bij allen opwekte. Toen hij echter zijn verhaal geëindigd had, knielde de gansche vergadering neder en vereenigde zich aller stem tot een plechtig Te Deum.
Ook de soberste zielen werden dronken van de zonderlingste en meest overdreven droomen en verwachtingen. Ieder had den mond vol van het ontdekte goudland, ieder droomde van een nieuw paradijs, een wonder- en tooverland. En Columbus zelf hield het er voor dat de schatten dier streken inderdaad onuitputtelijk waren.
Hij stond nu op het toppunt van glorie en voorspoed, doch het genot, dat hij nu ondervond was ook zoo goed als het eenige loon, dat hem zijn leven lang ten deel viel.
Den 25sten September 1493 ondernam hij zijne tweede reis. Hij was nu commandant van zeventien schepen. Een groot aantal edelen maakten de reis mee, en in het geheel bedroeg de bemanning der vloot 1200 koppen. Nu werden Guadeloupe en Jamaica ontdekt en St. Dominique en Cuba doorreisd.
Columbus kwam in 1496 in Spanje terug. Hij bracht 225 passagiers en 30 Indianen met zich te huis. Maar deze thuiskomst verschilde veel van de vorige. De Spanjaarden, die met hem wederkeerden, waren ontmoedigd, ter neergeslagen en verbitterd tegen hem. Heengegaan met de onzinnigste verwachtingen en weergekeerd in ziekelijken en ellendigen toestand, hielden zij niet op de bitterste klachten te uiten tegen den man, die hen op zulke groote rijkdommen had doen hopen. Waar was dat tooverland, dat paradijs, dat beloofde land? In plaats van voorspoed hadden de landontdekkers slechts beproevingen gevonden. Zij hadden van niets te gewagen, dan van strijd tegen de inlanders, van moeite en ontbering. Te vergeefs was het dat Columbus de geestdrift trachtte aan te wakkeren; er was nu eenmaal asch gestrooid op den gloed; de bewondering was vervangen door smaad.
De Spaansche koning en de koningin begroetten den admiraal met belangstelling, maar tegelijk met zekere koelheid, en toen hij het voorstel deed een derden tocht te ondernemen, werd hij maar al te duidelijk gewaar dat de geheime tegenwerking en de laaghartige ijverzucht zijner vijanden al vruchten begonnen te dragen.
Den 30sten Mei 1498 vertrok hij weder met zes schepen. Nog eens hadden zijn onvergelijkelijke wilskracht en zijn kloeke en onbedwingbare geest het pleit gewonnen. Hij ontdekte nu Trinidad, betrad het vasteland van Amerika, en vond de golf van Para, de eilanden Conception en Assumption. Maar hij had te strijden met opstand onder degenen, die hij te Sint Dominique had achtergelaten, en onder velerlei moeite en tegenwerking, die hij van de zijde zijner landgenooten ondervond, deed hij vijf schepen naar Spanje vertrekken, en met deze verzond hij brieven aan den koning, in welke hij zijne klachten en grieven blootlegde.