De martelaars der wetenschap

Part 16

Chapter 163,771 wordsPublic domain

De spoorwegen hebben zich niet zonder moeite een weg gebaand door het vooroordeel. In 1770 werd de eerste stoomwagen als een nuttelooze merkwaardigheid aangemerkt. Hij was wel niet volmaakt, en thans prijkt hij als een curiositeit in het Conservatoire des Arts et Métiers te Parijs; maar in 1770 verdiende hij wat beters. En ook zijn uitvinder Cugnot verdiende iets beters dan ten slotte afhankelijk te zijn van de weldadigheid eener Brusselsche dame.

Toen Péreire den eersten spoorweg wilde leggen tusschen Parijs en Saint Germain, en Perdonnet dien naar Rouaan, hebben twee groote mannen, gelijkelijk door de sleur misleid, zich hevig tegen deze plannen verzet. Zij waren Thiers en Arago. Thiers antwoordde Perdonnet, dat men hem boven van de tribune zou werpen, wanneer hij 't waagde de Kamer concessie te vragen voor een spoorweg naar Rouaan. Arago meende dat het rijden door koude en vochtige tunnels schaden zou aan de gezondheid. Dit was in 1836.

Thans ligt het ijzeren net gespreid over landen, bergen en stroomen. In alle richtingen doorsnijden de ijzeren lijnen de wereld, om menschen, natiën en gedachten te vervoeren van het eene eind der aarde naar het ander.

Hoe zou de telegraaf, hoe zouden de eerste telegrafisten en hoe zou Claude Chappe het algemeene lot ontkomen? Claude Chappe werd in een fransch seminarie opgevoed. Zijne broeders, aan wie hij zeer gehecht was, waren op een kostschool geplaatst, dat een halve mijl van het seminarie verwijderd was. Maar Claude wist raad. Hij maakte een telegraaf, bestaande uit een houten lat, die op en neer draaide en aan welks uiteinde weder twee beweegbare latten waren bevestigd. Hiermede wist hij allerlei teekens over te brengen waarmee hij letters en woorden kon aanduiden. Zoo ontstond de luchttelegraaf.

Claude Chappe kwam in 1792 te Parijs. Met zeer veel moeite kreeg hij verlof een telegraaf op te richten op de Barrière-de-l'Etoile. Twee van zijne broeders stonden hem bij en de proeven, die hij nam, gelukten volkomen.

Chappe, die menige teleurstelling ondervonden had, dacht nu dat hij zijn doel bereikt had en dat er een geregelde telegraafdienst zou worden ingevoerd. Doch dit was een ijdel droombeeld. Eenige nijdigaards, eenige van die menschen, die zich tegen het nieuwe, wat het ook zij, verzetten, drongen de Barrière binnen en namen den ganschen toestel mee.

Dit geheimzinnig verdwijnen van de gansche telegraaf ontmoedigde Chappe en zijne broeders in die mate, dat de gansche zaak zou opgegeven zijn, wanneer niet een bijzondere omstandigheid hen met nieuwen moed had vervuld. De oudste der gebroeders Chappe werd door het Departement van de Sarthe tot lid van de Wetgevende Vergadering benoemd, en in de hoop dat deze de zaak door zijn invloed en gezag zou kunnen steunen, plaatste Chappe een nieuwe telegraaf in het fraaie park van Menilmontant.

Nog waren de gebroeders bezig dit nieuwe werktuig tot grooter volkomenheid te brengen, toen zij door nieuwe ongelukken getroffen werden. Eens op een morgen kwam één van hunne helpers hard aanloopen en riep hun toe dat zij zouden vluchten. Het volk had zich niet gerust gevoeld bij het zonderling gebarenspel dier houten armen. Wanneer deze zich zoo plechtig en spookachtig omhoog hieven om straks neder te dalen, en geheimzinnig naar den grond te wijzen, vreesde het dat daar wat achter stak, misschien verraad, misschien een helsch plan, misschien een geheime onderhandeling met den Koning en de gevangenen van den Temple. Wie en wat was er veilig in die dagen van koortsachtige spanning en hoe zou een telegraaf de algemeene verdenking zijn ontgaan? Ze werd dan ook spoedig door de menigte verbrand.

Maar Chappe rust niet. Ten derde male vraagt hij verlof, voor eigen rekening, nieuwe toestellen op te richten. 't Wordt hem vergund en nu worden drie telegraafposten opgericht, een te Menilmontant, een te Ecouen en een derde te Saint-Martin-du-Tertre. Ze waren drie mijlen van elkander verwijderd. Toen alles gereed was, verzocht Chappe dat er van wege de regeering een onderzoek zou worden ingesteld omtrent de deugdelijkheid en het nut zijner uitvinding. Een jaar ging voorbij, geen antwoord. Het verzoekschrift was in het groote doolhof der staatsbureaus verdwaald en zoek geraakt.

Een afgevaardigde, Romme genaamd, een wetenschappelijk man, vond het daar. Hij werd getroffen door de helderheid, die er in doorstraalde en begreep het groote belang der zaak, zoodat hij er met veel lof gewag van maakte. Tot rapporteur benoemd, trad hij den 4den April 1793, met Chappe's memorie in de hand, op de tribune en wist het zoo ver te brengen, dat de Conventie een som van 6000 francs toestond ter oprichting van de noodige toestellen.

Daarmede werden den 12den Juli proeven genomen. Daunon en Lakanal, commissarissen der Conventie, begaven zich met Abram Chappe naar Saint Martin, een der uiterste forten, terwijl Arbogast met andere afgevaardigden Claude te Menilmontant vergezelden.

Drie dagen lang werden er proeven genomen. Op een afstand van zeven mijlen werden al de depêches met de meeste juistheid overgebracht. Nu werd er spoedig van wege de regeering een telegraafdienst geordend tusschen Parijs en Rijssel, waarover het oppertoezicht werd toevertrouwd aan Claude Chappe met den titel van: telegraaf-ingenieur. Op het eind van het jaar 1794 was de lijn gereed en den 30sten November kon zij naar Parijs de tijding overbrengen van een behaalden zege, de verovering van Condé op de Oostenrijkers. Binnen weinige minuten was de tijding overgekomen. Het telegram wordt in de vergadering der Conventie voorgelezen onder algemeene toejuiching. Even spoedig, als het bericht gekomen was, kwam het antwoord terug: »Het Noorderleger heeft zich verdienstelijk gekweten." Sedert heeft een spinneweb van draden het oude en zware paalwerk met de beweegbare armen vervangen. Toch zien wij de seintoestellen nog dienst doen langs de spoorlijnen en den weg veilig houden.

HOOFDSTUK X.

DE GENEESKUNDIGEN.

Het leven van een geneesheer is vaak een martelaarschap, in zoover het arm is aan datgene, wat de menschen genot noemen, en rijk aan moeite, zorg en gevaar. Wie telt de offers die door geneeskundigen zijn gebracht? Wie telt ze, die zelven als offers zijn gevallen onder vermoeienis, waken en besmetting, met hun leven menschenlevens reddend? Een gansch leger staat op van helden, die in eenvoud hun moeielijke taak hebben volbracht, den dood onder de oogen hebben gezien, en die samen getuigen ten gunste van het menschenhart en van den onuitputtelijken schat van menschelijkheid, die in onzen boezem is weggelegd.

Maar niet alleen de uitoefening der geneeskunst, ook de studie zelve heeft hare martelaars; martelaars als Bichat, die den 8sten Juli 1802 op de snijkamer van een gasthuis bezig met proeven te nemen omtrent de ontbinding van de huid en iets opmerkende dat zijn aandacht trekt, trouw blijft voortwerken te midden van de verpestende lucht, terwijl zijne discipelen één voor één ontvluchten. Hij werd echter, toen hij zijn werk gedaan had door een bezwijming overvallen, en boette zijn onderzoek en kocht de waarheid met zijn leven.

Vesalius, die de vader mag genoemd worden der ontleedkunde, bestudeerde het menschelijk lichaam op een wijze, waarvan thans de meeste studenten, hoe gehard ook, zouden walgen. In zijn tijd verbood het godsdienstig vooroordeel lijken te openen. Maar Vesalius, een achttienjarig jongeling, van liefde voor de wetenschap brandend, deinsde voor niets terug, om zich het zoo begeerde cadaver te verschaffen. Hij toog gansch alleen, in het holle van den nacht, naar het galgenveld heen en vocht met de honden om zijn half verteerde prooi.

Vesalius behoorde tot de groote geneesheeren van zijn eeuw en was langen tijd de eerste heelmeester in de legers van Karel den Vijfde. Na diens afstand volgde hij Filips II naar Spanje, en volgens sommige schrijvers werd hij door de Inquisitie ter dood veroordeeld. De koning zou hem gratie hebben verleend en zijn straf hebben veranderd in een boetedoening, en wel in een gedwongen bedevaart naar het Heilige Land. Hoe het zij, hij is te Cyprus en Jeruzalem geweest en, op zijn terugtocht, ergens op een eiland gestrand en van ziekte en ellende omgekomen.

Minder ongunstig voorzeker waren de omstandigheden, onder welke onze landgenoot Jan Swammerdam zich bevond. Toch behoort ook hij tot het groote leger dergenen, die voor de wetenschap hebben geleefd en voor haar alleen, en wier toewijding door den tijdgenoot maar al te weinig erkend is geworden. Jan Swammerdam werd den 12den Februari 1637 te Amsterdam geboren. Hij studeerde te Leiden in de medicijnen, maar wijdde zich niet aan de praktijk. Hoewel hij een geacht geneesheer had kunnen zijn en roem en voordeel verkregen zou hebben, gaf hij zich geheel aan de studie der anatomie over. Hij heeft op dit gebied zich een waar vernuft betoond. Als knaap en jongen zwervende door het vrije veld, of snuffelende in het rijk voorziene natuurkundige kabinet zijns vaders, had hij reeds vroeg met de wonderen der natuur kennis gemaakt. Hij schikte en werkte daarin naar hartelust, en later onderscheidde hij zich door zijn onvermoeide pogingen om achter de geheimen van het dierlijk leven te komen. Zelfstandige studie en ernstig onderzoek gingen daarbij boven de bespiegelingen der studeerkamer. Nauwkeurig tot in het minste, onvermoeid, bedeeld met een handigheid en een gezichtsvermogen, die hem in staat stelden de fijnste voorwerpen en werktuigen te hanteeren, geduldig, doorzettend, heeft hij op het gebied van de ontleedkunde ware veroveringen gemaakt, en vooral de leer der verrichtingen van het levende lichaam is door hem op zoodanige wijze behandeld, dat men telkens meent een onderzoek uit onze dagen, geen arbeid van 1767 voor zich te hebben. Over de ademhaling en de beweging der spieren heeft hij meesterstukken van geleerdheid en waarheid geleverd. Verscheiden vragen op het gebied der physiologie heeft hij beantwoord op een wijze, die door de hedendaagsche wetenschap slechts bevestigd wordt. Zijn hoofdstudie bestond in een onderzoek naar het leven der lagere diersoorten. Hij schreef hierover een Algemeene verhandeling van bloedelooze diertjes (1669), bracht een ware hervorming in de tot dusver gevolgde methode, en de zoogenaamde leer der metamorphose werd vervangen door die eener voortgaande ontwikkeling in de kleine maar rijke wereld der insecten. De groote Boerhave heeft de wonderen van dit genie, een veertigtal jaren nadat het van de aarde was heengegaan, aan het licht gebracht. Hij heeft Swammerdam's werken onder den titel »Bijbel der natuur" openbaar gemaakt, en sedert is hij beroemd geworden. Een Swammerdam-medaille, door het Genootschap tot bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde uitgeloofd, loont om de tien jaren den gelukkigen en verdienstelijken geleerde, die in dat tijdsverloop het belangrijkst onderzoek heeft volbracht op het gebied der door Swammerdam beoefende vakken. In de oude kerk der Waalsche gemeente Amsterdam is in 1880 een gedenkteeken te zijner eere onthuld. Het huis van Swammerdam op de Oude Schans aldaar is mede met een gedenksteen geteekend en zijn naam de wereld door bekend. Maar persoonlijk heeft hij minder eer genoten dan thans zijn nagedachtenis geniet. Tegengewerkt door zijne bloedverwanten, miskend door degenen, die liever gezien hadden dat hij geld verdiende, geteisterd door de koorts, ging hij niettemin voort ieder vrij uur aan zijne onderzoekingen te besteden. Geen leerstoel werd hem aangeboden. Soms leed hij honger en gebrek. Geen drom van vereerders omgaf hem. Geen levensgezellin veraangenaamde zijn loopbaan of troostte hem bij zijne smarten. Alleen en verlaten ging hij zijn weg. Zijn kostbaar en dierbaar kabinet van natuurlijke geschiedenis moest hij, door den nood gedrongen, verkoopen, maar hij kon geen kooper vinden en toen hij er eindelijk een vond, maakte deze 't hem onmogelijk den koop te sluiten, want de voorwaarde luidde, dat hij niet alleen van zijn kabinet, maar ook van zijn geloof afstand zou doen en Roomsch worden. Eindelijk moest hij om huisvesting bedelen bij een zijner vrienden; maar deze »sloeg hem onverwacht platweg af". Tot zwaarmoedigheid vervallen, heeft hij geleden aan de kwaal van Pascal. Ook hij heeft het tweede deel van zijn leven doorgebracht in de sfeer van een wereldverachtend mysticisme. De kiem daarvan lag in hem. Hij had een ontvankelijk en vroom gemoed. Hij roemde gaarne bij zijn natuuronderzoekingen den Grooten Maker aller dingen. Maar wat bij een gelukkig leven, wat vooral bij minder overspanning gezonde vroomheid ware gebleven en al meer en meer geworden, werd nu een ziekelijk dwepen, waarbij hij al zijne vroegere onderzoekingen uit den booze achtte. Zijn gevoelig gestel was niet bestand tegen den arbeid, dien hij van zich zelven eischte. Het leed onder kommer, armoede, godsdienstigen waanzin, en zoo stierf hij, een martelaar die misschien meer leed dan menig Heilige, en bij zijn leven verlangend uitzag naar het einde. »Het lijden", zoo zeide hij, »gaat voor het verblijden en de dood is de poort des levens."

Harvey, de groote Harvey, aan wien de wetenschap de kennis dankt van den omloop van het bloed, stond bloot aan den spot en den tegenstand zijner tijdgenooten--het deugdelijkst bewijs dat hij een genie was. Toen hij zijne stellingen omtrent den omloop van het bloed openbaar maakte, mocht hij zich op tallooze proefnemingen beroepen, mocht hij de natuur en de feiten zelven als getuigen aanhalen--te vergeefs: men wilde er niet van hooren. Deze nieuwe theorie was immers in strijd met de kennis, die men op alle scholen had opgedaan, en de beroemde Guy-Patin, deken van de medische faculteit van Parijs, trof uit de hoogte, die hij in de wereld der geneeskunde bereikt had, als een andere Jupiter, den armen ontdekker met de bliksemschichten van zijn spotternij. Molière heeft den Engelschen geleerde gewroken. Dezen Guy-Patin en zijn school heeft de onsterfelijke blijspeldichter en wijsgeer op het oog in zijn »Malade imaginaire".--»Wat mij in hem bevalt," zegt Diafoirus van zijn zoon Thomas, »en wat hij trouw van mij navolgt, is dit, dat hij zich blindelings hecht aan het oordeel onzer oude meesters, en dat hij nooit iets heeft willen verstaan of ook maar willen hooren van de redeneeringen, de proefnemingen en ontdekkingen onzer eeuw, ten opzichte van den omloop van het bloed en zaken van dergelijk allooi." Diafoirus roept zelfs uit: »Ik heb tegen de mannen van den »Omloop" een stelling verdedigd, die ik met Mijnheers goedvinden aan Mejuffrouw waag aan te bieden als een huldeblijk, dat ik haar schuldig ben."

Vol gevaren was het leven en treurig was het uiteinde van Sir John Dombey. Deze vermaarde geneesheer en kruidkundige werd den 20sten Februari 1742 te Macon geboren. Zijne ouders gaven hem een zeer gebrekkige opvoeding, ja, deden hem allerlei onaangename bejegening aan. De jeugdige Dombey nam de vlucht en begaf zich naar Montpellier, waar hij door een zijner familiebetrekkingen, den beroemden reiziger Commerson, werd opgenomen. Hij beoefende de botanie en de geneeskunst en verkreeg den graad van doctor, in het jaar 1768. Turgot benoemde hem tot botanicus van den Jardin du Roi en droeg hem de taak op, de Spaansche bezittingen van Amerika te doorreizen, ten einde daar een onderzoek in te stellen naar zoodanige nuttige planten, als men in Frankrijk zou kunnen overbrengen. Dombey scheepte zich te Cadix in op den 20sten October 1777; hij werd vergezeld van Ruiz en Pavon, twee spaansche kruidkundigen. Te Callao aangekomen begon Dombey in Peru te herboriseeren en bracht een aantal bijzonderheden aan het licht omtrent de kina. Hij verzond de uitkomsten van zijn onderzoek naar Frankrijk, maar het schip werd door de Engelschen genomen (1780) en zijne botanische schatten werden hier en ginds verspreid. Ondertusschen werd de ongelukkige botanicus door het Spaansche gouvernement van al zijne teekeningen beroofd, onder voorwendsel dat zij door Spanjaarden vervaardigd waren.

Dombey doorreisde vervolgens Chili, vertoefde op Conception, terwijl daar juist een besmettelijke ziekte woedde, en besteedde zoowel zijn tijd als zijn kunde aan het behandelen en verplegen van de ongelukkige slachtoffers. Toen hij te Cadix terugkwam zag hij, tot zijn belooning, al zijn koffers verbeurd verklaard ten profijte van den koning van Spanje. Wel viel hem te Parijs een beter lot te beurt en werd hij door Buffon vriendelijk ontvangen; maar hij wees alle eereposten af en trok zich ergens in Dauphiné terug. Toen hij echter in 1793 met een zending naar de Vereenigde Staten belast werd, maakte hij geen bezwaar. Hij ging er heen en zou er zeker op het gebied der botanie nieuwe lauweren hebben geplukt, zoo hij niet door zeeroovers besprongen, te Mont Serrat gevangen ware gezet en daar van kommer en ellende omgekomen.

Op een andere wijze werd Horatius Wells het offer zijner wetenschappelijke onderzoekingen. Wells was in 1844 tandmeester te Hartfort in Connecticut. Hij had van de wonderbare proeven gehoord, die Davy had genomen met het protoxyd van stikstof, de zoogenaamde dronkenmakende stikstof, welke, ingeademd, een pijnstillend middel bleek te zijn. Hij ademde zelf het nieuwe middel in en liet zich, zonder eenige pijn te gevoelen, een tand uittrekken. Vervolgens paste hij dit middel op eenige van zijne patiënten toe, die niet weinig verwonderd en niet weinig ingenomen waren met zijn eigenaardige tooverkracht. Wells maakte ook van het zwavel-aether gebruik, maar hij hield zich bij voorkeur aan het eerstgenoemde middel.

Wells begaf zich naar Boston, om de medische faculteit met deze nieuwe feiten bekend te maken. Daar ontmoette hij een van zijne vroegere collega's, Morton en den geneesheer Jackson, aan wie hij een volledig verslag deed van zijne proefnemingen en de uitkomsten, die hij verkregen had. Hij werd uitgenoodigd, in het openbaar de proef te leveren van zijn kunst, maar waarschijnlijk had hij zijn middel niet goed bereid, althans de patiënt, wien voor aller oog een tand moest getrokken worden, bleek niet gevoelloos te wezen en gaf dit, op niet onduidelijke wijze, door een pijnlijken kreet te kennen. Toen gaf hij zijn tandmeesterschap op. Noch te Londen, noch te Parijs waar hij zijne rechten wilde doen gelden, vond hij erkenning, zoodat hij ten prooi aan ellende en aan ontmoediging, naar de Vereenigde Staten terugkeerde. Op een dag vond men hem met geopende aderen in zijn bad met een flesch aether in de hand. Dit middel, dat zoo menigeen tot een hulp en een verlichting is geweest en hem roem en geluk had moeten brengen, baatte hem alleen om, gevoelloos en zacht, van het leven te scheiden. Treurige verwarring des geestes! Treurig gevolg ook van onverdiende miskenning.

Morton en Jackson, door Wells ingelicht, deden ondertusschen de wereld versteld staan van de wonderen, die zij met den aether volbrachten. Zij waren het, die van het Institut de France den prijs Montyon ontvingen, door Wells verdiend.

HOOFDSTUK XI.

DE GEWONE SOLDAAT.

Wij hebben in de voorgaande bladzijden de hoofdofficieren bewonderd van het groote leger van den arbeid en den vooruitgang, strijdend tegen sleur en behoud. Telkens drong het leger verder door, het rijk der duisternis veroverend, zijne regeerders trotseerend, overwinnend. Telkens zagen wij hoe de vijand dien voortgang stuiten wilde, zich in allerlei vestingen verschanste, uitvallen deed, zich terugtrok en nieuwe vestingen opzocht, die hij met hand en tand verdedigde, en hoe ondertusschen de kleine maar edele keurbende, gewond en vermoeid, met heldenmoed voortschreed en telkens nieuwe steden en provinciën aan het rijk des lichts toevoegde.

Zeker, de hoofden van dien strijd hebben veel te verduren gehad. Zij stonden op de gevaarlijkste punten en op hen waren de kogels gericht. Zij gingen de gelederen voor, en het punt, waar hun pluim wapperde, was des vijands mikpunt. Zij zijn gewond weggedragen, zij zijn gesneuveld, zij zijn bij den weg neergezegen; maar zij zijn niet de eenige offers geweest, die de arbeid, die de vooruitgang gekost heeft. We willen ten slotte nog een woord spreken over de arme soldaten, de eenvoudige fuseliers, op wie niemand gelet heeft, die niet bij personen, maar bij tien- of honderdtallen geteld worden, die opkomen bij massa en in massa worden weggemaaid, zonder dat hunne namen beroemd of ook maar bekend worden.

Toch is men aan dit leger even goed de overwinning verplicht, als aan den overste. 't Is waar--zonder overste zou het een hoop zijn, een reddelooze troep. Het genie wijst den weg, ordent, schept uit den chaos des volks regimenten en compagnieën, stelt onderofficieren aan, leidt den aanval, kiest de wapenen; maar wat zou het genie zijn zonder de gehoorzaamheid, den goeden wil, den goeden geest, de kracht, den gezamenlijken arbeid van het volk? Soms is het oproerig en dreigt het de Jacquards te water te werpen, maar, leidzaam en klein tegenover hem die weet te gebieden, laat het, hoe machtig ook door zijn aantal, van zijn voornemen af, wanneer een paar kloeke mannen, zijne meerderen in adel en moed, zich tusschenbeiden werpen en werken op zijn edelmoedigheid en zijne betere gezindheden.

Eere dat groote leger, eere den grooten hoop, zonder epauletten en kwasten en strepen, marcheerend met doorgeloopen voeten, zwetend onder zware ransels, wadend door plassen, staande op sombere, stille, gevaarlijke, vervelende posten, op den roep zijner hoofden vaardig, oprukkend met een lied op de lippen, al is het geen krijgsklaroen, maar een prozaische fabrieksbel die hen roept!

Want met de soldaten van de wetenschap hebben wij te doen, met het volk dat het grove werk doet, dat in tropische gewesten bij de heete ovens en machines onzer mailbooten staat, dat zijne uren in de verzengende droogkamers der fabrieken doorbrengt, dat tusschen dreigende raderen en hamers doorwandelt en, bij een pand van zijn kleed gegrepen, weggeslingerd of verpletterd wordt. Het kucht van het stof, hetwelk het inademt, en dat in de messenfabrieken de longen vult met moordend ijzervijlsel; het wordt vergiftigd door den dampkring waarin het leeft; martelaar voor dezelfde zaak, waarvoor de hoofden stierven. Waar ketels springen, waar tunnels storten, waar steigers vallen, waar dynamiet ontploft, zij zijn er bij. Toch gaan zij voort. Doen zij ook geen ontdekkingen, zij brengen er toch het hunne toe bij. Zij brengen haar in werking, en waar het noodig is, weten ook zij te lijden en te sterven.

De geschiedenis der mijnwerkers zou alleen reeds een voldoend aantal voorbeelden kunnen opleveren van moed en toewijding. Zij bevat zoo menig hartverscheurend drama. Wij hebben ze voor het grijpen.

Den 11den April 1877 werd de put Tynewidd door een groote ramp bezocht. Zij ligt in het graafschap Glamorgan, dat van alle districten van Wales het rijkst is in steenkool en ijzer. De werklieden maakten zich juist gereed naar boven te stijgen, toen er een vervaarlijk gedruisch in de mijn werd gehoord. Door een lek stortte het water van de rivier de Ronde de gangen binnen en vulde ze met vreeselijke snelheid. IJlings liep het volk naar de manden, waarin het zou worden omhoog getrokken, doch bij de monstering miste men veertien man. Als een geweldige wind stroomde de opgestuwde lucht uit den mond van de put en van binnen werd nog altijd het gedruisch van het water vernomen. Er was weinig kans dat de veertien man behouden gebleven zouden zijn. Ze moesten door het water in den afgrond gesleurd of in de nauwe zich vullende gangen verdronken zijn. Doch eenige vrijwilligers wilden dan ten minste de lijken der ongelukkige slachtoffers zien te redden--een vroom en edel gebruik, waarvan de mijnwerker zich niet laat afbrengen, al moet het hem zijn leven kosten.