Part 12
De uitkomst heeft deze verwachtingen bekroond; maar Leblanc werd er niet gelukkiger door. Volgens de titels van eenige zijner werken, was hij voormalig oud-officier van gezondheid, scheikundige, oud-administrateur van het Departement der Seine, lid van vele geleerde genootschappen. Hij had zich doen kennen door zijne werken over de cristallisatie en hij had een middel aangewezen, om zuivere kristallen te verkrijgen van een vrij grooten omvang. De kennis der kristallen heeft de studie uitgemaakt van bijna gansch zijn leven en waarschijnlijk heeft hij verwacht, dat deze hem een wetenschappelijken naam bezorgen zou. Hij had toch op dit gebied iets zeer belangrijks opgemerkt, namelijk dat verschillende sulfaten een gelijken kristalvorm aannemen, en dat zij zich op en naast elkander kunnen vormen, welke waarneming mag geacht worden de grondslag te zijn van de zoo belangrijke leer van het isomorphisme. Maar al mocht hij nu en dan een opstel geplaatst zien in een wetenschappelijk jaarboek, al mocht hem nu en dan een onderzoek van aanbelang worden opgedragen, hij bleef arm, te meer daar de troebelen der revolutie elke opdracht van regeeringswege onzeker maakten en hij soms allen steun missen moest. Maar hoe kommerlijk zijne omstandigheden ook waren, hij heeft zich nimmer door het ongeluk laten overwinnen. Zijn krachtige geest, zijn vaste wil waren bestand tegen alle beproevingen, ook tegen die, welke hij als fabrikant moest ondervinden. Hij zelf maakt hier nauwelijks melding van. Zijn wetenschap ging hem boven alles. Door de voorspraak van Molard, directeur van het Conservatoire des Arts et Métiers, vond hij in 1802 de gelegenheid in een van de werkplaatsen dezer inrichting zijne geliefkoosde studie voort te zetten, en al kon hij ook geen volledige verzameling van kristallen vormen, hij bracht er toch eenige zeer merkwaardige te zamen. Met deze zaak was hij steeds in zijn gedachten bezig. Hoe aandoenlijk is zijn klacht, dat hij zijn verzameling niet naar den eisch heeft kunnen voltooien. »Ik had" zoo schrijft hij, »ik had nu al twintig jaar lang met haar uitbreiding bezig kunnen zijn, maar eens zal zij weder worden ter hand genomen. Dat dan een voorspoediger hand en schranderder waarnemer zich aan haar wijde. Dan zal ik mij troosten dat ik geen hulp heb mogen vinden, die mij in staat stelde mijn arbeid verder voort te zetten." Over zijn ondernemingen geen woord. Heeft hij al eens gemeend de fortuin bij de haren te grijpen, hij heeft geen teleurstelling getoond, toen zij hem is ontsnapt. In die geschriften, waarin hij de twintig jaren van zijn arbeid beschrijft, zinspeelt hij maar een enkelen keer op den tijd, dien hij aan zijn sodafabriek heeft gewijd.
Toch was het mislukken dezer onderneming een zware slag. Niets scheen waarschijnlijker dan dat hij met een sodafabriek fortuin zou maken. Geen onderneming had betere kansen van slagen. Nauwelijks had Leblanc in 1791 een brevet genomen, of hij richtte met Dizé, Shée en den hertog van Orleans een maatschappij op. Te Saint Denis werden de werkplaatsen gebouwd en voor altijd scheen het geluk den vennooten toe te lachen, toen de terechtstelling van den hertog van Orleans een eind maakte aan de groote en billijke verwachtingen, die men koesterde. Te vergeefs trachtte Leblanc te Marseille een nieuwe fabriek op te richten. De man, die eene van Frankrijk's rijkste bronnen van welvaart geopend had, moest liquideeren en zag zoowel zijn inboedel als al zijn werktuigen aan den meest biedende verkoopen.
De val van de fabriek sleepte hem zelven mee. Het brevet, waarvan geen gebruik meer werd gemaakt, viel in handen van het groote publiek en Leblanc was zijn privilege kwijt.
In het jaar VIII van de Republiek werd hij op nieuw in het bezit gesteld van de werkplaatsen te Saint Denis; maar hij kon geen kapitaal vinden om de zaak te drijven, en hij stierf in kommerlijke omstandigheden in het jaar 1806.
Niet minder aandoenlijk is de geschiedenis van de uitvinding van het lichtgas door Philippe Lebon.
Wanneer men de officieele stukken doorloopt, die op dezen man betrekking hebben, wanneer men telkens het stralen van zijn genie mag gadeslaan, wanneer men de hinderpalen nagaat, die hij heeft moeten overwinnen, wanneer men zich in zijn groot karakter en zijne edele gevoelens verdiept, staat men vol bewondering stil bij het beeld van den eenvoudigen man, die de wereld zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen heeft.
Philippe Lebon werd te Brachay (Haute-Marne) in Frankrijk geboren, op den 29sten Mei 1767. Twintig jaren later werd hij geplaatst op de school voor den waterstaat, waar hij zich al spoedig door zijn vindingrijken en onderzoekenden geest onderscheidde. Zijn eerste arbeid had betrekking op de stoommachines, die toen ter tijde in haar opkomst waren, en den 18den April 1792 ontving de jeugdige ingenieur een nationale belooning van 2000 livres, »ten einde zijne onderzoekingen te voltooien omtrent de verbetering der werktuigen, die met vuur worden gedreven."
Omstreeks denzelfden tijd werd Lebon's aandacht gevestigd op het gaslicht. Op een dag, dat hij te Brachay vertoefde, wierp hij een handvol zaagsel in een flesch, die hij op het vuur verhitte. Hij zag een dikken rook uit de flesch te voorschijn komen, die op eenmaal vlam vatte en een helder licht verspreidde. Op dien dag deed de nijverheid een harer schoonste vondsten. Lebon had de eerste gaslamp gebrand. Men heeft deze uitvinding aan het toeval toegeschreven. Het zij zoo, daarmee is de uitvinder niet minder groot. 't Was ook een toeval, hetwelk den appel deed vallen juist toen Newton tegenwoordig was, maar hoe velen hadden er appelen zien vallen, zonder dat zij van een wet der zwaartekracht hadden gedroomd. 't Is het oog van het genie, dat in de verschijnselen de geheimen ziet, die zij met zich voeren. Zoo zag Lebon een gasfabriek in de flesch, zoo baat het toeval het vernuft alleen. Wat al scheikundigen hadden, vóór Lebon, hout of steenkool zien branden. Maar niemand had nog opgemerkt wat dit in schijn zoo eenvoudige feit beteekende. Hoeveel menschen hebben het deksel van een ketel opgetild gezien door den damp daar binnen! Maar men moest een Watt zijn, om er een stoommachine in te zien. Alleen het genie ziet in de toekomst, alleen het genie weet, als bij ingeving, te beslissen wat er van de vele zaken, die het ziet en opmerkt, worden kan. Binnen weinige dagen had Lebon begrepen waarheen de waarneming, die hij gedaan had, leiden kon, en met den blik van een waarlijk verheven geest ging hij aan het werk. Hij wist nu dat hout en andere brandstoffen, onder den invloed der hitte, een gas lieten ontsnappen dat zoowel voor verlichting als verwarming dienst kon doen. Hij had opgemerkt dat het gas, hetwelk aan gloeiend hout ontsnapt, vergezeld gaat van zwartachtige dampen, die een scherpe en doordringende lucht van zich geven. Die hinderlijke bestanddeelen moesten worden weggenomen. Lebon liet nu die dampen door een buis in een flesch met water gaan, waardoor de onbruikbare bestanddeelen werden gecondenseerd en het gas in zuiveren toestand afgescheiden werd. Dit eenvoudige werktuig is de eerste gasfabriek geweest. Het bevat er dan ook de drie hoofdgedeelten van, het toestel der vervaardiging, dat der zuivering en dat der inzameling van het gas.
Zijne eerste proeven nam hij ergens op het vrije veld. Hij maakte zich een fabriekje, waar hij het gas stookte, en vervaardigde een zuiveringsvat; en ginds, aan het einde van een uitstekende pijp, brandde het heldere licht, dat door zijne buren niet weinig bewonderd werd.
Na Fourcroy, de Prony en de geleerden van zijn tijd geraadpleegd te hebben, nam hij in 28 September 1799 een brevet, waarin hij zijn »thermolampen", zijn lamp met lichtgas gevuld, beschreef. Tevens leverde zijn fabriek teer.
Steenkool achtte hij echter verkieslijk boven hout, en duidelijk moet hij voorzien hebben welk een gewichtige rol de kool en het gas zouden vervullen. Het stuk, dat hij over deze zaak opstelde, is geschreven met een gloed, die den man van overtuiging kenmerkt.
Doch Lebon kon maar een gedeelte van zijn tijd aan zijn uitvinding wijden. Hij was ingenieur, hij had geen fortuin, en moest van zijn ambt leven. Hij begeeft zich nu als ingenieur naar Angoulême; maar hij vergeet zijn lievelingsdenkbeeld niet, noch ook Parijs, dat onvergelijkelijk brandpunt van verlichting. Ook hield hij zich met meetkunst en andere vakken van wetenschap bezig, zoodat zijn geest verre weg zwierf van zijne dagelijksche bezigheden en de over hem gestelde hoofdingenieur zich ernstig over hem begon te beklagen. In het geheim was deze naijverig op Lebon, in wien hij een man zag van hooger ontwikkeling, die hem eens voorbij zou streven; hij verborg echter zijn haat achter een masker van voorgewende hoogachting terwijl hij hem van zijn ambt zocht te berooven. Gansch vervuld van zijne plannen met het nieuwe licht, verwijderde Lebon zich dikwijls van Angoulême, om naar Brachay te gaan, waar hij zijn uitvinding tot voltooiing zocht te brengen. Dit bewoog den hoofd-ingenieur zich bij de gestelde machten over Lebon's nalatigheid te beklagen, waarvan het gevolg was dat er een onderzoek naar diens gedrag werd ingesteld. De commissie echter die benoemd werd om deze grieven te beoordeelen, verklaarde hem geheel en al verheven boven elk verwijt. Overigens toonde de volgende brief, door hem tot den minister gericht, welk een grootheid van ziel dezen uitvinder kenmerkte.
»Mijn moeder, zoo schreef Philippe Lebon, is komen te overlijden en ten gevolge van deze gebeurtenis ben ik genoodzaakt geworden mij eenigszins overhaast naar Parijs te begeven. Dit is mijn eerste fout geweest. De liefde voor de wetenschap en de zucht om nuttig te zijn heeft dezen misstap nog verergerd. Ik werd als verteerd en gekweld door een onweerstaanbare behoefte, om mijn uitvinding tot volmaking te brengen. Gelukkig ben ik geslaagd, en van een kilogram hout mocht ik, door de eenvoudige aanwending van wat warmte, het zuiverst lichtgas verkrijgen, en dat wel met een aanmerkelijke geldelijke bezuiniging en in een voldoende hoeveelheid, om gedurende een paar uren evenveel licht te verkrijgen, als van vier of vijf waskaarsen. De proef er mee is genomen in tegenwoordigheid van burger Prony, directeur van de school voor de genie, burger Lecamus, burger Besnard, inspecteur en burger Perard, chef van de polytechnische school. Ik voelde mij recht gelukkig, nu ik den minister de vrucht mijns arbeids dacht op te dragen. Ook lag er een memorie gereed, over het besturen van luchtballons, een stuk, hetwelk de goedkeuring van burger Prony en andere geleerden mocht wegdragen. Toen riep de genoemde omstandigheid mij naar Parijs. Waarlijk, het moest wel een zaak van overwegend belang zijn, die mij van zulke aangename bezigheden kon losmaken. Wel zou het wreed wezen wanneer ze nu ook de oorzaak werd dat ik een corps moest verlaten, wier chefs zoo goed zijn geweest mijn eerste schreden te leiden, mijne eerste pogingen met prijs op prijs te beloonen en mij aan te moedigen achtereenvolgens al de deelen der wetenschap te beoefenen, die aan de school van de genie onderwezen worden. Ik kan niet gelooven dat de omstandigheden, waarin ik mij bevind, dat mijn vurige liefde voor de wetenschap, dat mijn zucht om mijn vaderland van nut te zijn en de goedkeuring te verwerven van een minister, zelf vol ijver en liefde voor de wetenschap en in zekeren zin medeplichtig van mijn levensideaal--dat dit alles mij op zulk een straf kan komen te staan. Ik ben op het punt van naar Parijs te gaan; ik ga er heen in de hoogste spanning, maar de hoop reist met mij mee."
Philippe Lebon werd naar zijn post teruggezonden, maar de oorlog slokte al de staatsinkomsten op, en de Republiek had, terwijl Bonaparte zich in Italië bevond, geen tijd haar ingenieurs te betalen. Lebon schreef den minister en drong daarin aan op betaling van hetgeen men hem schuldig was, maar alle beden bleven vruchteloos. Zijn vrouw trok naar Parijs; maar ook hare pogingen bleven zonder gevolg. Zij schreef den minister den volgenden brief, die nog in het archief van de school der genie bewaard wordt.
Vrijheid, Gelijkheid--Parijs, 22 messidor, jaar VII, van de Fransche Republiek, eenig en ondeelbaar--de echtgenoote van den burger Lebon aan den minister van Binnenlandsche Zaken.
't Is geen aalmoes, geen gunst, die ik u vraag: maar iets, waarop ik recht heb. Sedert twee maanden kwijn ik weg op honderd twintig mijlen van mijn huisgezin. Gij zoudt door een nog langer uitstel een huisvader dwingen, uit gebrek aan middelen, een staat te verlaten, waaraan hij alles heeft opgeofferd. Heb deernis, burgers met onzen toestand, die bedroevend en onhoudbaar is; mijn bede is rechtvaardig. Ziedaar meer dan één reden, althans genoeg om mij zelve overtuigd te houden dat de stap, dien ik doe, niet vruchteloos wezen zal bij een minister, die 't zich tot een wet en een plicht stelt rechtvaardig te zijn.
Met groete en achting, uw toegenegen medeburgeres, vrouw Lebon, geboren Brambille.
In 1801 werd Philippe Lebon naar Parijs geroepen en als attaché toegevoegd aan den heer de Blin, ingenieur en chef der bestrating. Hij neemt nu een tweede brevet, een echt wetenschappelijk stuk, vol belangwekkende feiten en gedachten. Hij wijdt daarin uit over de verschillende wijzen waarop men het lichtgas zou kunnen aanwenden. Hij stelt der regeering voor een toestel te vervaardigen tot verlichting van de openbare gebouwen, maar het wordt verworpen. Nu schiet onzen ongelukkigen uitvinder, al zijn teleurstellingen moede, niet anders over dan zich tot het publiek te wenden en dit van het nut zijner uitvinding te overtuigen. Hij huurt het hôtel Seignelay, in de straat Saint-Dominique-Saint Germain en roept er het publiek te zamen. Hij heeft gezorgd voor een toestel, dat licht en warmte verspreidt door het gansche huis; ja, hij verlicht de tuinen met tallooze gaspitten, in de gedaanten van bloemen en sterren. De fontein was met gas geïllumineerd en het nederstortend water scheen zelf te lichten en te stralen. Van alle kanten komt het publiek aanloopen. Trotsch op den goeden uitslag zendt Lebon nu zijne prospectussen rond, een stuk vol waarheid en overtuiging, dat tevens een blijk geeft van zijn helderen blik in de toekomst. Hij ziet het gas reeds door de aderen stroomen van Europa's hoofdsteden en begroet zijn licht in al hare straten.
Eindelijk brengt de wereld den schranderen uitvinder zijn hulde, en een commissie, door den minister benoemd, verklaart dat de gunstige uitkomsten van burger Lebon's proeven aan de verwachtingen heeft beantwoord van de mannen der wetenschap, ja ze overtroffen heeft. Napoleon I gunde Lebon een concessie in het bosch van Rouvray, om er een inrichting te vestigen tot het stoken van gas uit hout. Ongelukkig werd Lebon gedrongen te veel op eens te doen. Hij bereidde gas en vervaardigde zuringzuur en teer, dat hij naar Havre verzenden moest, ten dienste der marine. Desniettemin had hij goede hoop. Zijn fortuin scheen gemaakt, zijn werkplaats werd door geleerden en grooten bezocht. Een paar Russische vorsten, prins Galitzin en Dolgorowski deden hem namens de Russische regeering den voorslag zijne werktuigen naar Rusland over te brengen. Hij zou zelf zijne voorwaarden stellen. Philippe Lebon wees deze schitterende aanbiedingen van de hand; met een edel gevoel voor hetgeen hij aan zijn vaderland verplicht was, antwoordde hij dat aan Frankrijk en aan geen ander land de zegeningen van zijn uitvinding toekwamen.
De goede verwachtingen van Lebon hielden helaas niet lang aan. Vijanden en mededingers deden hem talloos vele onaangenaamheden aan en zelfs de elementen schenen zich tegen hem te keeren. Een geweldige storm wierp zijn huis omver en een gedeelte van zijne werkplaats werd door het vuur vernield. Lebon echter was er de man niet naar, om zich uit het veld te laten slaan en hij had gegronde hoop dat zijne verlichting in het groot zou worden toegepast, toen een even ontijdige als raadselachtige dood een einde aan zijn leven maakte.
Op den 2den December van het jaar 1804, op denzelfden dag, waarop Napoleon tot keizer werd gekroond, werd hij op laaghartige wijze vermoord. Men vond hem levenloos in de Champs Elysées, met dertien dolksteken doorboord. De man, door wiens hand deze euveldaad is gepleegd, is altijd onbekend gebleven.
Eenige maanden te voren had de ongelukkige Lebon, vol vuur en geestdrift, zijn medeburgers van Brachay toegeroepen: »Goede vrienden, binnen kort zal ik u van uit Parijs te Brachay verwarmen en verlichten." Dat kon niet, beweerden de luidjes van Brachay, »de man is niet wijs." Hij was niet wijs, 't is waar. Wijze menschen houden zich bij het oude, wijze menschen beproeven geen dingen, die nog niemand gedaan heeft. Wijze menschen zijn voorzichtig en wagen zich niet aan de gevaren en dwaasheden, die het genie onderneemt. Gelukkig zijn niet alle menschen in dezen zin wijs. Het is met de dwaasheid van het genie gelijk de dichter zingt:
De gedachte wacht verlangend, Stille maagd, haar bruidegom; Wijsheid zegt: ze schept illusies, Schudt het hoofd: »Wat is zij dom!" Maar haar vindt een dwaas, die op de Toekomst hoopt. Hij wendt haar druk, Huwt haar en, een vruchtbre moeder, Baart ze ons zegen en geluk.
Philippe Lebon was wel een van degenen, van wie Béranger daar zingt. Ook hij had zich aan eene groote gedachte verbonden; hij leed een rampspoedig leven en kwam op ellendige wijze om het leven. Thans is zijn werk gewassen en de zaadkorrel, door hem in het veld der ontdekkingen geworpen, is aan het groeien gegaan, terwijl zijn edele en beminnelijke persoon behoort tot dezulken, die niet vergeten mogen worden. De portretten, die van hem over zijn, geven ons een denkbeeld van den luister van zijn helder en peinzend oog, den spiegel van zijn eerlijke en vurige ziel, van zijn vertrouwend en edelmoedig hart, och, zoo licht misleid, als men het daarop toelegde, want hij dacht geen kwaad en had slechts oog voor het goede. Van hem mag gelden dat hij meer achting dan fortuin wist te winnen.
Zijn weduwe ontving een pensioen van 1200 francs en wilde den arbeid haars mans voortzetten; maar ook zij wijdde haar geestkracht aan een vruchteloos werk en stiet zich tegen nieuwe hindernissen en nieuwe rampen. Thans brandt het gas in groote en kleine steden, in dorpen, in huizen, in winkels, op stations en pleinen. Ook al mocht de aardolie of het electrisch licht het gaslicht verdringen, toch zal zijn uitvinding een zegen zijn geweest voor vele jaren en voor ontelbare menschen, ja, een schier onmisbaar deel hebben uitgemaakt van onze beschaving.
De nijverheid brengt niet alleen in onze dagen allerlei dingen voort, die vroeger onbekend waren, maar zij weet ook veel handenarbeid uit te winnen, tengevolge waarvan hare voortbrengselen zich eindeloos vermenigvuldigen en veel goedkooper worden en de handenarbeid weder tot andere zaken kan gebezigd worden. Wanneer men al het katoen, dat Engeland's fabrieken jaarlijks afleveren, met de hand moest spinnen, zou men daartoe 91 millioen personen noodig hebben, dat is ongeveer de helft van de bevolking van Europa. Een knappe breidster kan per minuut 80 steken breien, de machine maakt er in dien tijd 480.000.
Let men op deze cijfers, dan kan men die groote werklieden en uitvinders niet genoeg roemen, die, maar al te zeer door het nageslacht vergeten, met hun vernuft en ijver het rijk der werktuigkunde hebben doen aanbreken.
Hier staat ons de geschiedenis voor den geest van den beroemden barbier van Preston, den uitvinder van de eerste spinmachines.
Richard Arkwright werd geboren in het engelsche graafschap Lancaster, op den 23sten December 1732. Hij werd barbiersjongen. Van zijn spaarpenningen zette hij eerlang zelf een winkeltje op met het opschrift: In den onderaardschen barbier: hier scheert men voor twee stuivers. De andere barbiers verlaagden hierop hunne prijzen; maar Arkwright liet zich niet uit het veld slaan en tartte zijne concurrenten met een nieuw uithangbord waarop: Hier komt men voor een stuiver onder het mes. Intusschen werd onze ijverige barbier hier niet rijker mee en weldra zien wij hem het land afloopen en handel drijven in haar. Hij had echter een zeer sterk geteekende voorliefde voor werktuigkunde en hield zich in zijne vrije uren bezig met het vervaardigen van kleine modellen. Onderweg ontmoette hij een uurwerkmaker, Kay, die hem in staat stelde zoodanige kundigheden op te doen als hem ontbraken. Nu arbeidde hij met verdubbelden ijver van 's morgens vier tot 's avonds negen uur, en in weerwil van zijn armoede--zijne kleederen waren aan flarden gescheurd--slaagde hij er in, met de hulp van zijn vriend Kay, het model samen te stellen van de eerste spinmachine. Hij stelde het in de spreekkamer van de kostelooze school te Preston ten toon. De fortuin lachte hem toe. Rijke industrieelen kwamen hem te hulp. Hij nam een brevet en richtte een spinfabriek op te Nottingham, te Cromford, en in de nabijheid van Chorley. Nu spanden alle katoenfabrikanten van Lancashire tegen hem samen. De werklieden, tegen hem opgezet, zagen in hem een vijand, die met zijne werktuigen hen van hun brood berooven kwam. Zij besloten dus hem in het verderf te storten en zijn werkplaats werd door een bende kwaadaardigen vernield. Arkwright was binnen kort op nieuw aan het spinnen en leverde beter werk dan zijne concurrenten. Nu weigerde men van zijn fabrikaat te koopen en daagde men hem bij de rechtbank. Niets baatte tegen des spinners geestkracht en wil. Hij zegevierde. Op het eind zijns levens zag hij zijne onvermoeide pogingen met het beste gevolgd bekroond, en onder zijn opzicht verrezen in Schotland een aantal fabrieken. Zijn mededingers, genoopt het hoofd in den schoot te leggen, eindigden met zelven zijne toestellen in gebruik te nemen.
Arkwright bezat zulk een wilskracht dat hij, op vijftigjarigen leeftijd, zich zelven de taalkunde en de spelling leerde. Hij was zoo geheel verdiept in de werktuigkunde en in de oprichting zijner werkplaatsen dat hij geheel onbekend gebleven was met de eerste beginselen van het onderwijs. Bij zijn dood, den 3den Augustus 1792, liet hij een groot fortuin na; maar grooter fortuin verwierf Engeland in het bizonder en de wereld in het algemeen. De invoer van katoen in Engeland, die van 1771-1780 5.735.000 ponden bedroeg, wies van 1817-1821 tot 144 millioen ponden, van welke 130 millioen alleen in Engeland verwerkt werden.
Aandoenlijk is de geschiedenis van den nederigen, edelen Jacquard. Nog jong deed hij zich kennen als een voorbeeld van werkzaamheid, vindingskracht en volharding. Als drukker, als lettergieter let hij met aandacht op de werktuigen, die hij in handen krijgt en verbetert ze. Op een keer, zich bij een messenmaker bevindende, ziet hij hoe het mes door de handen van drie of vier werklieden gaat, voordat het in het heft wordt bevestigd: den volgenden dag reeds heeft hij het volledige plan geteekend voor een machine, die in vijf minuten het werk verricht, waaraan vier werklieden een ganschen dag besteden. De messenmaker, te arm om deze machine te laten vervaardigen, stelde zich met de teekening tevreden; maar zijne knechts vernielden haar weldra, uit vrees dat deze uitvinding hun ontslag ten gevolge zou hebben.