De martelaars der wetenschap

Part 11

Chapter 113,563 wordsPublic domain

In 1767 verliet hij Warrington, om te Leeds de leiding op zich te nemen eener gemeente van »dissidenten", en hier ging hij voort de theologie aan de natuurkunde te verbinden. Hij woonde in de nabijheid eener bierbrouwerij, en dit leidde hem er toe eenige proeven te nemen met het koolzuur, dat zich bij het gisten van het bier ontwikkelt. Eenige zijner waarnemingen deelde hij in 1672 aan de Koninklijke Maatschappij mede. De titel van zijn verhandeling luidde: »Opmerkingen omtrent de verschillende soorten van lucht." Tot dusver kende men slechts twee gassen, koolzuur en waterstof. Priestley leerde deze beide beter kennen, en vond andere gassen, als de stikstof, een der bestanddeelen van de dampkringslucht, het tweede oxyd van de stikstof, wier bederfwerende eigenschappen hij ontdekte, het chloorwaterstofgas en het ammoniac. Allengs zouden ook het eerste oxyd van stikstof, het zwavelig zuur en de zuurstof door zijne onderzoekingen nader bekend worden. Hij wist de zuurstof uit het kwikoxyd te verkrijgen, en in het jaar 1775 werd zijn aandacht gevestigd op de eigenschap, die dit gas heeft om de ademhaling te onderhouden. Voegt men hier nog bij de ontdekking van het fluorkiezelwaterstofzuur, koolstofoxyde, zwavelwaterstofgas en andere, dan bemerkt men dat dit groote vernuft de voornaamste gassen aan het licht heeft gebracht, en wel die, wier eigenschappen dagelijks in het belang der wetenschap of der nijverheid worden gebezigd. Men staat waarlijk verbaasd dat deze en dergelijke uitvindingen met zooveel gemak konden gedaan worden door een man, die in zijne stukken niet naliet te herhalen dat hij volstrekt geen scheikundige was en dat alles wat hij vond, hem door het toeval aan de hand werd gedaan. Maar wat hij verzwegen heeft, hebben zijne levensbeschrijvers openbaar gemaakt. »Priestley," zegt Thomson, »bezat een schranderheid, die zich door niets liet uitputten, en een gave van opmerken, die hem in staat stelde partij te trekken van ieder verschijnsel, dat zich aan hem voordeed. Hij was zoo nauwkeurig bij zijne waarnemingen, dat hij geen enkele bijzonderheid vergat op te teekenen. Even eerlijk als belangeloos, scheen hij de waarheid tot het eenig doel te stellen van al zijn inspanning."

Toen Cook zijn tweede reis ondernam, was hij van plan Priestley mede te nemen, maar gelukkig achtte de admiraliteit hem niet orthodox genoeg. Hij kreeg intusschen een andere en betere betrekking, wat hij met zijn vrij groot gezin wel noodig had. Lord Shelburne, markies van Landsdown, benoemde hem tot zijn bibliothecaris op een bezoldiging van meer dan 3000 gulden 's jaars. In dezen edelmoedigen edelman vond Priestley een machtigen beschermer, die hem bij zijne studiën aanmoedigde en hem al de middelen verschafte, om ze op ruime schaal voort te zetten. Hij volgde hem op zijne reizen, hij vergezelde hem naar Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden. Priestley kwam ook te Parijs, waar hij door de geleerde wereld met eerbewijs ontvangen werd. Een vreemd schouwspel moet, te midden van de verklaarde atheïsten van het Parijs dier dagen, de man hebben opgeleverd, die om zijn wetenschap gezocht werd en tegelijk zich niet schaamde Christen te zijn.

Tot het jaar 1780 bleef Priestley zijn plaats bij den graaf van Shelburne behouden. Gedurende dezen tijd was het, dat hij de vier eerste deelen uitgaf van zijn »Proefnemingen en opmerkingen omtrent de verschillende luchtsoorten." Toen het vijfde verschijnen zou, verliet hij zijn beschermer. Om welke reden dit geschiedde is niet bekend. Waarschijnlijk gaf hij aan de vrijheid de voorkeur boven de rust van een onbezorgd bestaan. Hij vestigde zich nu te Birmingham en werd de leidsman der voornaamste gemeente van »dissidenten" daar ter plaatse. Ook op het punt van godsdienst volgde hij zijn eigen weg. Van Calvijn verviel hij tot Arminius en van Ariaan werd hij Sociniaan. Beurtelings beleed en verwierp hij de belangrijkste leerstelsels, totdat hij zich een godsdienstige overtuiging op zijn eigen hand vormde, waaraan hij zeer gehecht was. Van een ruimen en echt vrijzinnigen geest bezield, bestreed hij de orthodoxe Staatskerk en de wijsgeeren, en stelde zich met veel ijver in de bres voor de gemeenten der »dissidenten", te wier wille hij niet minder dan 20 geschriften opstelde. Hij wilde ook niet dat aan de Protestanten eenige vrijheid gegund werd, die den Catholieken werd geweigerd. Vrijheid wilde hij voor alle kerken, genootschappen en gemeenten. De Kerk van Engeland was weinig ingenomen met die edelmoedige onpartijdigheid en sommige geestelijken droegen hem een innigen haat toe. Dit werd er niet minder op, toen hij de fransche omwenteling met vreugde begroette als een soort van maatschappelijke wedergeboorte. De moeite, die hij deed, om een algemeene verdraagzaamheid te stichten en vooral zijn »Antwoord" op de bekende »Beschouwingen" van Burke over de vermoedelijke gevolgen van de fransche revolutie, waren van dien aard, dat hij kandidaat gesteld werd voor de Nationale Conventie. Men kende hem de waardigheid toe van »fransch burger" en één der departementen, dat van de Orne, verkoos hem tot zijn afgevaardigde. Priestley wees dit eerbewijs af, maar droeg zijn leven lang roem op dit blijk van hoogachting, hem door de eerste fransche republiek bewezen.

Den 14den Juli 1791 zouden eenige van Priestley's staatkundige vrienden te Birmingham de verjaring vieren van de inneming der Bastille. Onze geleerde vriend meende zich hieraan niet te moeten wagen, maar zijn voorzichtigheid baatte hem weinig. Hij heette de man, die het feest had geopperd en aangelegd. Ja, op aanstoken van engelsche geestelijken en staatkundige vijanden, werd er een volksoploop tegen hem uitgelokt.

De zaal, waar de feestgenooten te zamen waren, werd belegerd en geplunderd en alles over hoop geworpen. Priestley was er echter niet. Nu begaf men zich naar zijn huis, de plaats, waar zoovele uitvindingen waren gedaan, zoovele waarheden aan het licht gekomen. Het volk, meest werklieden van Birmingham, verblind door aangehitste partijwoede, werpt zich op Priestley's boekerij, verscheurt de kostbaarste werken, slaat zijne instrumenten stuk, slingert zijne handschriften naar alle winden en steekt eindelijk alles in brand. In een naburig huis verstoken, moest Priestley dit alles weerloos aanzien. Hij hield zich echter goed, slaakte geen enkele klacht en droeg den tegenspoed met een onbewolkte ziel.

Intusschen was hem zijn vaderland onverdragelijk geworden. Den 7den April scheepte hij zich in--niet naar Frankrijk, zooals men denken zou, maar naar Amerika, wat wel zoo veilig scheen. Hij vestigde zich in Northumberland aan de bronnen van de Susqueannah, waar hij 200.000 morgen land kocht. Maar ook hier kon hij aan het vooroordeel niet ontsnappen. De Engelschen bleven hem vervolgen en verbitterden zijn leven door de zonderlingste verdenkingen uit te strooien. Zoo beweerde men, dat hij een geheim en bezoldigd handlanger was der fransche republiek. Na zijn vrouw en één zijner kinderen verloren te hebben, kwam hij op een jammerlijke wijze om het leven. Op een maaltijd, waarbij hij tegenwoordig was, bleek één der schotels door een onvoorzichtigheid vergiftigd te zijn. Hij alleen kwam het niet te boven. Maar hij was ook gesloopt door de jaren, den arbeid en den tegenspoed. Zijne laatste oogenblikken kenmerkten zich door die eigenaardige vroomheid, die hem zijn geheele leven had bezield en hem zooveel nadeel berokkend had. »Nu ga ik rusten, zooals gij," zeide hij tot zijne kinderen, die te slapen gelegd werden; »maar we zullen samen opstaan en eeuwig gelukkig wezen."

De eerste werken van Priestley dagteekenen van 1770. In hetzelfde jaar maakte Scheele zijne eerste uitkomsten openbaar. Wederom in hetzelfde jaar verscheen Lavoisier's eerste »Memoire". Van 1770 dus dagteekent de nieuwere scheikunde, door het genoemde drietal onafhankelijk van elkander gesticht.

Lavoisier werd den 26sten Augustus van het jaar 1748 te Parijs geboren. Zijn vader, een rijk koopman, ontzag geen kosten om zijn zoon het degelijkste onderwijs en de beste opvoeding te verschaffen. De jonge Lavoisier werd dan ook een der uitnemendste leerlingen van het college Mazarin. Na zijne klassieke studiën te hebben voleindigd, volgde hij de lessen van la Caille in het »Observatoire", werkte op het laboratorium van Rouelle in den »Jardin des Plantes" en herboriseerde met Bernard de Jussieu. Met deze meesters te werken en te denken was zijn eenigst vermaak. Zoo was hij dan ook reeds op den leeftijd van één-en-twintig jaren in staat mede te dingen naar den buitengewonen prijs der Academie van Wetenschappen, uitgeschreven voor: »de beste wijze om de straten eener groote stad te verlichten." Lavoisier zette zich met zelden geëvenaarde kracht aan het werk. Hij bekleedde zijn kamer met zwart doek, om de intensiteit der verschillende lichtsoorten beter te beoordeelen, bleef daar, van het daglicht afgesloten, zes weken lang arbeiden, om zeker te zijn van zijn zaak en bood de academie een proefschrift aan, waarmede hij de gouden medaille won. Een reeks van werken over de »lagen der bergen", over »de ontleding van de gipssoorten in de omstreken van Parijs", over »den donder", over »het Noorderlicht", opende hem de deur der geleerde gezelschappen. Hij was nauwelijks 25 jaren, toen hij reeds tot lid van de Academie van Wetenschappen benoemd werd.

In zijn jeugd reeds vatte Lavoisier het plan op om de wetenschap, waaraan hij zich gewijd had, een nieuwe gedaante te geven. Bij het eerste scheikundige onderzoek, door hem in het werk gesteld--het gold de vermeende verandering van water in aarde--maakte hij gebruik van de weegschaal, en met dit werktuig in de hand, merkte hij de fouten op zijner voorgangers en toonde hij aan dat al de verschijnselen der chemie ontstaan door zoogenaamde stofwisseling. »Niets wordt uit niets, niets gaat te niet", ziedaar de zinspreuk, die hij als met onuitwischbare letters nederschrijft op den nieuwen tempel der scheikundige wetenschap.

Eens lid van de Academie der Wetenschappen, legde hij zich met dubbelen ijver toe op de wetenschap, die hij zoo hartstochtelijk liefhad. Al zijn tijd en heel zijn fortuin gaf hij haar ten beste, want dikwijls had hij zeer kostbare proeven te nemen. Eindelijk moest hij, om aan al die onkosten tegemoet te komen, een betrekking zoeken. Zoo dong hij naar een plaats als »fermier general" (pachter van Staatsinkomsten), welke hij in 1769 verkreeg. Bij deze gelegenheid trad hij tevens in het huwelijk met de dochter van den staatspachter Paulze.

Van nu af besteedde Lavoisier een groot gedeelte van zijne inkomsten aan zijn laboratorium; 's morgens en 's avonds was hij met scheikundige proefnemingen bezig, terwijl hij 's middags zijne ambtsbezigheden waarnam. Hij wist op alles orde te stellen en tegelijk zijn werk te doen en zijne studiën bij te houden. Met welwillendheid ontving hij ieder jonkman, die zich aan de chemie wijden wilde. Bovendien vormde hij om zich heen een kring van geleerde vrienden, zoo van Frankrijk als uit het buitenland, en bracht tal van kunstenaars met elkaar in aanraking, opdat zij zich met elkander zouden verstaan omtrent de vervaardiging der nauw luisterende en uiterst gevoelige werktuigen, die hij voor zijne proefnemingen noodig had. Zijn woning werd op die wijze een soort van academie op zich zelve, waar de meester voordrachten hield en bres bij bres schoot in de oude veste der wetenschap, en ondertusschen den nieuwen tempel oprichtte, die staat tot op dezen dag.

Onder het ministerie Turgot werd Lavoisier geroepen, om het algemeen bestuur op zich te nemen over de kruitfabrikage. Hij begaf zich nu naar Essonne en nam er gewichtige maatregelen, waardoor hij het gevaar van ontploffing in de magazijnen en elders zeer verminderde.

Na in 1787 tot lid van de Provinciale Vergadering van Orléans gekozen te zijn, werd Lavoisier in 1790 lid van de bekende »Commissie voor de maten en gewichten", aan wier werkzaamheden hij een levendig aandeel nam. In 1791 vervaardigde hij een geschrift »Over het grondbezit van Frankrijk", hetwelk op kosten van den Staat gedrukt werd. Ondertusschen verzuimde hij ook nu zijne eigenlijke studiën niet, maar hield integendeel met eere den hoogen rang op, dien hij onder Europa's geleerden bekleedde. Hij verrijkte de wetenschappelijke wereld met zijn theorie over »verbranding" en »ademhaling", die hij in al hare bijzonderheden ontwikkelde, en die alleen voldoende zou zijn om hem te vereeuwigen.

Uit menschlievendheid begaf hij zich vervolgens in onderzoekingen, die een ieder moeten doen walgen, maar die hij door de kracht van zijn geest en zijn medelijden doorstond. Aan niemand kon het ontgaan, hoe vele werklieden, die in riolen en afvoerkanalen werkten, ziek werden en stierven. Lavoisier, bekleed met een hoog staatsambt, Lavoisier, milionnair en geleerde, achtte zich niet te goed om de schadelijke gassen te onderzoeken, die hun besmetting aan de arme werklieden mededeelden. Maanden bleef hij met zeldzame volharding aan dit terugstootend onderzoek wijden, in de hoop dat hij het lot der werklieden zou kunnen verzachten. Of hem dit gelukte, weten wij niet; maar wij bewonderen den onbaatzuchtige, die alleen om eenige menschenlevens te redden, zulke dingen onderneemt. Er waren in het laatste tiental jaren der 18de eeuw lieden, die over menschenlevens--ook over het leven van een man als Lavoisier--anders dachten, gelijk wij zullen zien.

Gedurende veertien jaren weet Lavoisier van geen rusten. De eene »Memoire" volgt de andere. Hij neemt alle onzekerheid weg omtrent de samenstelling van de dampkringslucht, die tot dusver voor een element werd gehouden; hij ziet dat de lucht gevormd wordt door een gas, het oxygeen of de zuurstof, dat de verbranding onderhoudt en het leven van al wat ademt, en de stikstof. Weet hij te ontleden, hij weet ook samen te stellen. Na de bestanddeelen te hebben gescheiden, vereenigt hij ze, en maakt, wat hij ontbonden heeft, weder wat het was. Hij legt de grondslagen van de leer der verbranding en der reactie, hij bepaalt de samenstelling van het water en van het koolzuur, denkt de equatie der atomen uit, vernieuwt het woordenboek der wetenschappen en doet in alles de waarheid uitblinken, die hij verdedigt en op den troon verheft door de onwedersprekelijke feiten ten zijner proefnemingen en de juistheid zijner betoogen.

Zulk een man moest algemeen geacht zijn geweest, zal men zeggen!

Maar zoo was het niet. Zijn leven, zoo rein, zoo schoon, zoo edel, zoo vol menschenliefde, werd afgesneden door de beulen, die in 1793 het bewind over Frankrijk voerden.

Lavoisier was »fermier general" en deelde als zoodanig in het lot, dat aan al deze staatsambtenaren te beurt viel. De groote scheikundige was juist bezig zijne »Memoires" te verzamelen, toen hij vernam dat Fouquier Tinville hem had aangeklaagd bij het revolutionnair gerechtshof.

Lavoisier begreep dadelijk dat zijn leven op het spel stond; hij verliet zijn woning en ontmoette zekeren Lucas, en deze wees hem een schuilplaats aan in het Louvre, en wel in een der meest verborgen hoeken van de Academie van Wetenschappen. Hier bleef hij twee dagen, maar toen men hem berichten kwam dat zijne medeambtenaren en zijn schoonvader gevangen zaten, wist hij wat hem te doen stond. Hij wilde het lot dezer mannen deelen en geeft zich gevangen. Den 6den Mei 1794 wordt de groote Lavoisier ter dood veroordeeld, »als zijnde hij overtuigd geworden van tegen het fransche volk samengezworen, met de vijanden van Frankrijk geheuld, allerlei knevelarij en afpersing gepleegd en de tabak voor de burgers met schadelijke stoffen vermengd te hebben."

Twee dagen later werd Lavoisier op een wagen weggevoerd. De guillotine sneed zijn kostbaar leven af.

Lavoisier's werken zijn echter onsterfelijk. Het heelal spreekt telkens zijn naam uit; lucht en water, aarde en delfstof getuigen van zijn roem. Vele edele mannen staan nevens hem, zooals een Edouard Adam, de uitvinder van een nieuwe manier om alcoholische vochten te distilleeren, die zich geheel ruïneerde ter wille van zijne uitvinding en in 1807 van uitputting stierf, of Bernard Courtois, de ontdekker van het jodium, die in 1838 van armoede en ellende stierf.

Thans leert onze jeugd uit boeken, thans hoort zij, onder de les, die vondsten der wetenschap als dingen, die van zelf spreken. Zij doen zich te goed aan de voedende spijs met overmoedig behagen. Dat zij niet vergeten hoe duur, onder hoevele gevaren, voor hoevele opofferingen deze spijzen zijn gekocht en bereid.

HOOFDSTUK VIII.

DE NIJVERHEID EN HARE WERKTUIGEN.

De arbeid, die vroeger door last- en trekdieren of ook door de hand der menschen werd verricht, wordt thans meer en meer aan allerlei soort van werktuigen toevertrouwd. Hierdoor is een zoo groote omwenteling ontstaan in het maatschappelijk leven, dat wij veilig kunnen zeggen: met de opkomst van nijverheid en werktuigkunde is in de geschiedenis der menschheid een nieuw tijdperk aangebroken. Het eind van de vorige eeuw was de geboortestond dier wonderen van samenstelling en verbinding, waarover we ons tegenwoordig niet meer verbazen, daar zij algemeen zijn geworden; maar die toch inderdaad niet weinig bewondering verdienen, gelijk ook de uitvinders zelven, die deze kunstige werktuigen hebben uitgedacht. Zij zijn echter maar al te onbekend. Wij willen dan ook hier aan de vergetelheid zoodanige daden ontrukken, om welke de fortuin zich niet heeft bekommerd en die de faam, om welke reden dan ook, niet heeft uitgebazuind. Daar hebt gij de vervaardiging van kunstmatige soda, de aanwending van het gas ter verlichting van straat en huis, de nieuwe weverij en tal van andere zaken.

Chaptal heeft gezegd dat de bereiding van het zwavelzuur een zeer juiste maatstaf leverde om den graad te bepalen van den bloei van handel en nijverheid, van de koolzure soda kan men hetzelfde zeggen. Hoe meer een land er van noodig heeft, hoe beter het staat met zijn nijverheid. Met kleiaarde en kalk verbonden levert dit zout ons glas, met vette zuren vereenigd wordt het zeep, in water opgelost biedt het den verwer een kostelijk vocht om draden en weefsels uit te loogen. De glasblazers en zeepzieders gebruiken er gansche bergen van, zeker meer dan 400 millioen kilogrammen 's jaars. Hiervan bereidt Frankrijk ongeveer 100 en Engeland 150 millioen.

Gedurende de fransche revolutie vond Nicolas Leblanc het middel om op kunstmatige wijze deze stof te bereiden, die vroeger langs natuurlijken weg uit de asch van zeeplanten bereid werd. Vóór de fransche revolutie waren de Spaansche kusten, bij Alicante en Malaga, en de fransche bij Narbonne bedekt met planten, zooals de salsola, de soda, de salicornia europea, die men met de meeste zorg kweekte. Hadden deze planten een voldoenden wasdom bereikt, dan sneed men ze in kleine stukjes, die men in de open lucht liet drogen. Droog geworden werden ze in kegelvormige kuilen opgehoopt en verbrand. Van de asch, die in grooten voorraad overbleef, werd nu een zeer harde en broze zelfstandigheid, de ruwe soda, verkregen, welke gemalen en met water toebereid een soort van loog gaf. Dit liet men uitdampen en zoo bleef de soda over.

In de vorige eeuw was Spanje het eigenlijke vaderland van de soda. De soorten van Alicante en Malaga, welk voor 28 tot 30 pct. koolzure soda bevatten, wedijverden met die van Narbonne, ja, Frankrijk moest zich naar den vreemde wenden, om zijne fabrieken van de noodige soda te voorzien. Tot op de revolutie ging dit goed; maar de krijg maakte een eind aan alle buitenlandsche handelsbetrekkingen; men moest van eigen middelen leven en tot elken prijs moesten de zeep- en glasfabrieken hun soda hebben.

Het Comité van Algemeen Welzijn deed een beroep op de fransche scheikundigen. Het riep hen op om al hun krachten in te spannen, ten einde de soda uit eigen bodem te halen. Weldra waren er niet minder dan vijf-en-twintig of dertig plannen ingeleverd; maar met algemeene stemmen werd aan het ontwerp van Leblanc de voorkeur gegeven. Leblanc, een eenvoudig fransch geneeskundige, had begrepen dat hij de soda van het keukenzout hebben moest. Dit zout, door middel van zwavelzuur ontleed, geeft het natriumsulphaat of glauberzout, hetwelk hij nu met houtskool vermengde, gelijk De la Métherie, hoogleeraar aan het Collège de France, had voorgesteld. Dit echter gaf niet de stof, die hij wenschte te verkrijgen. Een ingeving deed hem het denkbeeld aan de hand er krijt (calciumcarbonaat) bij te voegen, en zie, het vraagstuk was opgelost. Noch Leblanc, noch zijn geleerde tijdgenooten begrepen ten volle hoe en waarom deze bijvoeging van krijt de gewenschte koolzure soda ontstaan deed. Het was alleen een gelukkig denkbeeld, een gelukkige greep, die maakte dat Leblanc, na vele vruchtelooze pogingen, na vele geduldige proefnemingen, na vele uiterst schrandere verbindingen, het eenig ware middel juist op die wijze aanwendde als voor het welslagen der proef noodzakelijk was. In de 90 jaren, sedert verloopen, zijn de door Leblanc opgegeven cijfers van gewicht en hoeveelheid nog niet veranderd geworden.

Onder degenen, die in het groot Leblancs uitvinding in toepassing brachten, behoort J. B. Bayen genoemd te worden. Deze vestigde zich op de vlakte van Grenelle, die toen ter tijde nog onbewoond was. Al spoedig nam de kunstmatige bereiding van soda zulk een vlucht, dat men niet alleen niets van het buitenland deed komen, maar dat in 1810 de fransche markt zelfs voor buitenlandsch fabrikaat gesloten werd.

In 1823 vestigde James Muspratt een fabriek van soda te Liverpool. Hij nam het systeem van Leblanc geheel over en deze werkplaats is thans nog eene der grootsten van Engeland, ja, van de geheele wereld.

Nicolas Leblanc had wel terstond, en van den eersten dag af, het belang van zijn vinding ingezien. »De kunstmatige vervaardiging van soda zal, zoo schrijft hij, ten gevolge hebben dat Frankrijk, hetwelk zulk een groote hoeveelheid van deze stof gebruikt en groote sommen uitgeeft om het elders te koopen, nu zijn geld in den zak zal houden; de nijverheid zal niet meer blootgesteld zijn aan het gevaar van deze zoo noodige stof te moeten missen, hetzij wegens de verwikkelingen van den krijg of den mislukten oogst van zekere planten. Wij zullen ons voordeel doen met het zout, waaraan onze bodem geen gebrek heeft. Ja, de overvloed dezer grondstof en den lagen prijs, waarvoor zij in Frankrijk te krijgen is, doen zelfs verwachten, dat onze naburen op hun beurt eenigszins schatplichtig zullen worden aan ons."