De martelaars der wetenschap

Part 10

Chapter 103,692 wordsPublic domain

Van deze eenvoudige verklaring zijns vaders uitgaande, begon de knaap in zijn vrije uren te peinzen, met houtskool lijnen te trekken op de muren van zijn woning, langs dien weg de verhoudingen en betrekkingen der figuren bepalende, definitiën, axioma's, bewijzen opstellende. Cirkels noemde hij kringetjes en rechte lijnen strepen. Hij bracht het zoo ver, dat hij uit zichzelven aan de 32ste stelling van het eerste boek van Euclides kwam. Eens, dat zijn vader hem te midden zijner oefeningen verraste, vroeg hij hem wat hij toch wel deed, en de jongen antwoordde dat hij iets zocht, welk iets juist die 32ste stelling van Euclides was. Zijn vader vroeg hem verder hoe hij daar zoo toe gekomen was, en het antwoord luidde dat hij eerst dit en toen dat gevonden had en zoo vervolgens, zoodat hij met zijn strepen en kringetjes een gansche meetkunst geschapen had.

Een vriend van den huize, zekere Le Pailleur, ried Blaise's vader aan zijn zoon niet langer tegen te werken. Deze gaf hem daarop de Beginselen van Euclides, die de jongen, zonder eenige verklaring noodig te hebben, dadelijk begreep, en weldra kon hij geregeld en met vrucht zekere samenkomsten bijwonen, op welke de parijsche geleerden wekelijks voordrachten over wiskunde hielden en gehouden voordrachten beoordeelden. De jonge Pascal deed, zoo goed als de beste, met deze geleerden mee; hij bracht niet zelden iets nieuws aan, en het is gebeurd dat hij fouten opmerkte, die door de anderen over het hoofd waren gezien. Toch was het alleen in zijne vrije uren, dat hij zich aan deze studiën wijdde. In korten tijd echter maakte hij zulke vorderingen, dat hij, zestien jaren oud, een vertoog schreef over de kegelsnede. Dit werk mag voor een der merkwaardigste voortbrengselen gehouden worden, die de menschelijke geest op dit gebied geleverd heeft.

Toen Blaise negentien jaren oud was, vond hij een rekenmachine uit, die met recht aller bewondering gaande maakte en hem twee jaren van ongehoorde inspanning kostte, maar zijn gezondheid niet weinig benadeelde.

De meeste van Pascal's uitvindingen waren, zooals deze rekenmachine, van algemeen nut. Zoo heeft men hem verschillende praktische werktuigen te danken.

Hij telde drie-en-twintig jaren, toen hij de leer van den barometer openbaar maakte. Toricelli had de eerste begrippen van Galileï omtrent het gewicht van de lucht verder uitgesponnen en in 1643 de proef genomen hoe een kwikkolom wordt opgehouden onder den invloed van de drukking van den dampkring. Pascal hoorde hiervan, en deze belangrijke proef bracht hem al spoedig tot het denkbeeld dat het »ledig" geen onbestaanbare zaak was en dat de natuur het niet zóózeer schuwde als sommigen zich wel verbeeldden. In 1647 ontwierp Pascal het denkbeeld van wat hij de groote proef van het evenwicht van vloeistoffen noemde. Hij kwam op de gedachte, de gewone proef van het luchtledig verschillende malen op een en denzelfden dag te nemen, en wel in dezelfde buis, met hetzelfde kwikzilver, nu eens aan den voet, dan weer op den top van een tamelijk hoogen berg om alzoo zich te vergewissen of de hoogte van het in den buis opgehouden kwikzilver in beide gevallen dezelfde zoude zijn.

Hij koos voor deze proef den Puy de Dôme en verzocht zijn zwager Périer haar uit te voeren.

»Blijkt het," zeide Pascal, »dat het kwikzilver boven op den berg minder hoog staat dan beneden, dan moeten wij daaruit besluiten dat het gewicht of de drukking van de lucht daar de eenige oorzaak van is, en niet het horror vacui, de zoogenaamde »afschuw van het ledige." Immers is er aan den voet van den berg meer lucht dan op den top, terwijl toch niemand zal beweren dat de natuur beneden meer afkeer van het ledige heeft dan boven."

De proef gelukte volkomen en Périer beschreef zijne bevindingen in een brief, dien hij den 22sten September 1648 aan Pascal toezond.

Eenigen tijd later herhaalde Pascal de proef op de torens van de Nôtre-Dame te Parijs en op dien van Saint-Jacques-la-Boucherie. Alle natuurkundigen volgden hem na. Van dien tijd af dagteekent de nieuwere natuurkunde.

Wij hebben Pascal niet verder te volgen, waar hij de wetenschap verlaat om zich met al zijn kracht toe te wijden en zich met zijn gansche ziel over te geven aan het betrachten van zekere dweepachtige godsdienstige oefeningen. Sainte-Beuve meent dat de eerste stoot tot deze dingen hem gegeven is door de lezing van Jansenius' boek over de »Vernieuwing van den inwendigen mensch." De studiën van den mensch, het nadenken over de zedelijke wereld moesten bij dezen merkwaardigen man volgen op de meetkunst en de natuurkunde. Na zoovele wetenschappelijke ontdekkingen moesten twee groote werken in zijn brein tot rijpheid komen: de »Provinciales" en de »Pensées". Ondertusschen begon zijn lichamelijk leven een lang lijden te worden. Van zijn jeugd af, was hij altijd zwak geweest. De zwakke staat van zijn gezondheid, zoo meldt zijn zuster Mme. Périer, deed hem voortdurend allerlei ongemak ondervinden, ja, hij heeft ons wel gezegd dat hij, na zijn achttiende jaar, geen dag zonder pijn of lijden geweest is.

Pascal zeide weldra alle studie vaarwel, om zich, zooals hij zegt, bij uitsluiting toe te leggen op datgene wat Jezus Christus het eenige noodige noemt. Als een onbeteekenend stofdeel, denkend en peinzend te midden »dier oneindigheid, wier zwijgen schrik aanjaagt," heeft de groote wijsgeer, naar men wil, dag aan dag een afgrond vóór zich meenen te zien. 't Was de peillooze diepte der wetenschap, die hij zag. »Wij branden van verlangen om tot op den diepsten grond der dingen af te dalen en een toren te bouwen, die zich verheft tot in het oneindige. Maar heel ons gebouw kraakt en de aarde opent zich, en de afgrond verzwelgt het."

Pascal's ongemakken en zijn hoofdpijnen namen met zijn leeftijd toe. Zij brachten hem zoover, dat hij ten laatste niet meer werken kon, noch iemand kon zien. Het gebed en het lezen van den Bijbel namen al zijn tijd in beslag. Hij wilde zelfs het vleesch dooden en droeg op het naakte lijf een gordel, die hem stak met naar binnen gekeerde punten, en telkens wanneer hij een ijdele, wereldsche gedachte had of wanneer hij eenig vermaak schiep, gaf hij zich een stoot met den elleboog, om zich aldus aan zijn plicht te herinneren en het vleesch te kastijden. Weldadigheid en armenzorg was nu zijn eenige bemoeiing. Van alle weelde, van alle genot deed hij afstand, al het overbodige huisraad deed hij wegdragen. »Ik wil de armoede, want Jezus Christus heeft de armen liefgehad," zoo zeide hij. »Geld en goed heb ik alleen lief, omdat ik ongelukkigen er mee kan bijstaan." De armen bij te staan, bleef dan ook zijn groote en zijn eenige troost.

Zoo doorstond hij met heldenmoed en liefde al zijn lijden. Zoo naderde zijn einde. Hij ontving het Sacrament der stervenden en ontsliep den 19den Augustus 1662 des morgens te 1 ure, negen-en-dertig jaren oud.

Van anderen aard waren de bezwaren, tegen welke onze landgenoot Huijgens te strijden had.

Christiaan Huijgens werd op den 14den April 1629 te 's Gravenhage geboren. Hij studeerde in de rechten aan de universiteit van Leiden, doch wijdde zich bij voorkeur aan de mathematische wetenschappen en aan de natuurkunde, welke voor hem een bizondere aantrekkelijkheid hadden. Op vier-en-twintigjarigen leeftijd kwam hij in Frankrijk, waar hij bij de protestantsche faculteit te Angers tot doctor in de rechten werd benoemd. Naar zijn vaderland teruggekeerd, gaf hij zich weder geheel over aan de studie der gezichtkunde en der sterrekunde. Hij slaagde er in een sterrekijker samen te stellen, met behulp van welken hij den eersten satelliet van Saturnus ontdekte.

In zijn fraai werk: de Saturni Luna (over Saturnus' maan) verhaalt hij ons hoe hij op den 25sten Maart van het jaar 1655 bezig zijnde met zijn kijker de planeet Saturnus gade te slaan, buiten diens ring, en wel op geringen afstand, ten westen, een kleine ster gewaar werd, gelegen ongeveer in het vlak van den ring. »Vermoedende dat dit wel een soortgelijk lichaam kon zijn, als de manen van Jupiter, teekende ik, schrijft hij, den stand der kleine ster in haar betrekking tot Saturnus op. Ik had mij niet bedrogen. Den volgenden dag had ze zich verplaatst en ik kon gedurende de volgende dagen de afwijkingen meten, die zij in een bepaalden tijd maakte."

Later heeft men nog zes andere manen van Saturnus ontdekt; maar Huijgens heeft den weg tot deze nieuwe ontdekkingen gebaand. Ook komt hem de eer toe van aangewezen te hebben, dat de dunne en platte ring der planeet niet aan deze bevestigd is, zooals men meende, maar dat een ringvormige tusschenruimte haar van de planeet scheidt. Huijgens maakte deze ontdekking op een eigenaardige wijze bekend. De astrologen spraken, volgens een oude overlevering, gaarne in raadselen en zochten den zin van van wat zij mededeelden achter zeker geheimschrift te verbergen. Huijgens volgde dit gebruik ten opzichte van den ring van Saturnus en bood zijn geleerden tijdgenooten het volgende anagram aan:

aaaaaaa cccc d eeeee g. h. iiiiiii llll mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s tttt uuuu

Niemand kon dit geheimschrift ontcijferen. Drie jaren later maakte hij in zijn Systema Saturninum den verborgen zin dezer letters openbaar. Zij beteekenden het volgende:

Annulo cingitur tenui, piano nusquam cohaerente, ac eclipticam inclinato: Hij (Saturnus) is van een dunnen ring omgeven, die de planeet op geen enkele plaats raakt en een hoek maakt met de ecliptica.

Men ziet, dat de geleerden dier dagen er zonderlinge manieren op nahielden om hunne ontdekkingen openbaar te maken. Doch een man als Huijgens moest de wetenschap wel van haar oud abracadabra zuiveren. Na de ontdekking van de groote nevelvlek van Orion schreef hij dan ook een werk, zijn Cosmotheoros, waarin hij zijn geest den vrijen teugel viert. Hij beschrijft achtereenvolgens al de planeten en wil bewijzen dat zij bewoond zijn. Het denkbeeld, dat het gansche heelal ter wille van onze aarde geschapen zou zijn, stond hem geweldig tegen.

»Is het wel redelijk aan te nemen," zoo schreef Huijgens, »dat de hemellichamen, onder welke onze aarde een zoo ondergeschikte plaats bekleedt, om geen andere reden geschapen zouden zijn, dan om voor ons, kleine menschen, hun licht te ontsteken en door onze kijkers bespied te worden in hunne verschillende verhoudingen en bewegingen?"

De werken, die onze geleerde landgenoot over meetkunst en natuurkunde schreef, zijn niet minder belangrijk dan zijn sterrekundige arbeid. Men dankt hem eenige opmerkenswaardige aanteekeningen omtrent »de waarschijnlijkheids-rekening", over »reflexie en refractie van het licht", over de belangrijke »theorie der ontwikkelde kromme lijnen".

Alles, wat Huijgens deed en vond opnoemen kunnen wij niet, hij verbeterde de luchtpomp en den barometer, hij gaf de ware leer van de kijkers, en vervaardigde een planetarium; maar wat vooral Huijgens beroemd heeft gemaakt, is de uitvinding der slingeruurwerken. Vóór hem waren alleen zandloopers en wateruurwerken bekend. Hij verbond Galileï's slinger met een wel ingericht stel raderen en bewees daarmee zoowel aan de sterrekunde als aan de menschheid een dienst, waarover wij niet verder hebben uit te wijden.

Huijgens, die in 1655 en 1663 Frankrijk en Engeland bezocht, werd door Colbert, die de Academie des Sciences had gesticht, naar Parijs geroepen en draalde niet met te komen. Hij ontving van Lodewijk XIV een jaargeld, en vestigde zich in de Koninklijke Bibliotheek.

Toen het edict van Nantes werd herroepen, verwijderde hij zich uit Frankrijk. Te vergeefs trachtten de Koning, het hof en de academie hem tegen te houden. Verontwaardigd over al hetgeen zijne geloofsgenooten moesten verduren, brak hij alle betrekkingen met Parijs af. Hij zond nu zijne verslagen naar de Koninklijke Maatschappij van Londen, en ging zelfs in Engeland wonen, waar hij met Newton kennis maakte en een paar malen ook met hem slaags raakte.

Christiaan Huygens stierf in den ouderdom van 65 jaren. Hij bleef, gelijk Spinoza, Newton, Cartesius, Leibnitz, ongehuwd. In 1695, zijn sterfjaar, namen zijne geestvermogens merkbaar af, in die mate, dat hij ze ten laatste geheel verloor. Slechts enkele heldere oogenblikken werden hem gegund. Hij was rijk, en zijn geboorte gaf hem het recht aan vorstelijke hoven te verkeeren; maar hij had de eenzaamheid en het buitenleven lief, waar hij rustig kon peinzen en werken.

Grooter schade dan Huygens heeft Nicolas Lémery van zijne protestantsche gevoelens geleden.

Nicolas Lémery was als eenvoudig artsenijmengersbediende naar Parijs gekomen, om er de scheikunde te beoefenen, maar al spoedig wist hij zich zonder meesters te redden en had hij een scheikunde op zijn eigen hand. Te Montpellier, waar hij in een apotheek werkzaam was, gaf hij lessen, welke daar grooten opgang maakten. Al de hoogleeraren en een aantal belangstellenden woonden zijne voordrachten bij.

In 1672 keerde Lémery naar Parijs terug. Hij verkeerde en schitterde in de geleerde kringen als een ster van de eerste grootte en werd opgemerkt door Condé, die hem verder begunstigde. Daar hij gaarne een scheikundige werkplaats wilde bezitten, zocht hij meester-apotheker te worden, 't geen hem gelukte. Dadelijk daarna opende hij zijne lessen in de straat Galande. Hij werd hier door belangstellenden als belegerd. Tal van dames woonde zijne voordrachten bij; zijn huis was vol leerlingen; de straat was een kolonie van hoorders en discipelen. Gansch Parijs moest er wezen. 's Avonds hield hij een soort van open tafel, en de studenten achtten het een groote eer bij hem genoodigd te worden.

Die groote bijval, door Nicolas Lémery geoogst, laat zich gemakkelijk verklaren. De chemie was een warwinkel van dwaasheden, duistere woorden van geheimzinnige kunstenarijen. »Lémery was de eerste," zegt Fontenelle, »die de werkelijke en de opzettelijke duisterheden van de scheikunde deed opklaren, die haar tot duidelijker en eenvoudiger denkbeelden herleidde, die hare noodelooze barbaarsche termen ophief, die niets beloofde, dan wat hij vermocht te geven. Vandaar dit succes."

Ten einde meer tot allen te spreken, maakte Lémery in 1675 zijn »Leer der Scheikunde" openbaar, waarvan uitgave na uitgave verscheen en die grooten opgang maakte. Gedurende meer dan een eeuw heeft dit boek voor een autoriteit gegolden. Twintig malen in Frankrijk herdrukt, in bijna alle europeesche talen overgezet, is het de gids, het wetboek, het onmisbare handboek geweest van de scheikundigen der 18de eeuw, en toen de wetenschap een algeheele vernieuwing had ondergaan, toen na honderd jaren alles hervormd geworden was, sloeg men nog langen tijd in Lémery's boek zekere kleine praktische bijzonderheden en proefnemingen op, die men elders niet kon vinden, en die haar waarde blijven behouden, zoowel door haar duidelijkheid als haar juistheid en zekerheid.

Zoo stond dan de groote Lémery, want zoo begon hij genoemd te worden, op het toppunt van zijn heerlijkheid. Zijn roem kende geen mededinging en zijn zaak schonk hem welvaart en fortuin. Maar dit geluk zou niet duren.

»Kom na tien jaren weder,"--aldus Dumas in zijne »Chemische lessen",--»en gij vindt de straat Galande ontruimd en verlaten. Lémery is verdwenen, zijne toestellen zijn verkocht of hier en daar verstrooid. Heel deze wereld der wetenschap is verjaagd, heel die luister heeft uitgeschenen, heel die glorie is getaand en dat wegens een enkel, maar een onvergeeflijk misdrijf: Lémery was protestant." In 1681 werd hij genoodzaakt zijn bedrijf te laten varen en zijne lessen te staken. Hij vluchtte naar Engeland; het verlangen naar zijn vaderland echter dringt hem naar Frankrijk terug te keeren. Hier bleef hij eenigen tijd en werd doctor in de geneeskunst; maar ook daarvan had hij weinig genot. Het edict van Nantes verdreef ook hem. Protestantsche geneesheeren mochten er niet zijn; en zoo bleef hij op den leeftijd van veertig jaren, zonder hulpmiddelen, de armoede ter prooi, en daarbij omringd van een huisgezin, dat zich--en met recht--een gelukkig leven had voorgespiegeld.

De wetenschap, de rust, het familieleven gingen bij hem boven godsdienstige overtuiging. Hij ging tot het katholicisme over, kreeg een aanstelling bij de Academie van Wetenschappen, gaf een geschrift over het antimonium uit en stelde zich voor nog meer te leveren; maar verscheidene aanvallen van beroerte maakten hem eerst ongeschikt voor den arbeid, en in 1715 een einde aan zijn leven. Bijna gansch Europa heeft de chemie van hem geleerd. Hij was arbeidzaam en verdeelde zijn tijd tusschen het studeervertrek, het laboratorium, zijne patiënten en de academie, en wel is in zijn leven openbaar geworden hoeveel tijd hij tot zijne beschikking heeft, die hem weet uit te koopen.

»Omstreeks het jaar 1773," zoo verhaalt de schrijver I. B. Dumas, »verschenen op het tooneel der wereld drie mannen, die een gansche verandering zouden brengen in de wetenschappen. Van verschillenden landaard, leeftijd en maatschappelijken stand, van verschillenden aanleg ook in geestvermogens, hebben zij allen aan een zelfde taak met gelijken moed gearbeid--geenszins echter met hetzelfde geluk."

Dit driemanschap bestaat uit Scheele, Priestley en Lavoisier.

Scheele werd te Stralsund in zweedsch Pommeren geboren, op den 9den December 1742. In zijn jongensjaren was hij leerling bij een apotheker. Zijn leven was zoo vol van teleurstellingen en tegenheden, dat het was, alsof een booze geest hem vervolgde. Hij was schuw van aard en tot in het overdrevene zedig, zoodat hij van zijne makkers dikwijls veel te lijden had. Hij was zoo werkzaam, dat hij den tijd, dien hij voor zijne studie noodig had, aan den slaap ontwoekerde.

Scheele verliet Stockholm voor Upsala, waar Bergman de chemie onderwees. Bergman behoorde tot die menschen, die alles wat zij aanvatten, verbeteren, vernieuwen. Ook hij is een slachtoffer van den arbeid, daar zijn onvermoeide werkzaamheid grooter was, dan zijne krachten, die toch reeds niet velen waren, dragen konden.

Toen Scheele in Upsala kwam, wachtte Bergman hem op. Hij werd Scheele's beschermer en maakte door gansch Europa de ontdekkingen bekend, waarmee deze de wetenschap verrijkte.

Intusschen was Scheele, hoe gelukkig en voorspoedig in zijne studiën en ontdekkingen, zeer ongelukkig in zijne levensomstandigheden. Terwijl zijn naam in Frankrijk, Engeland en Duitschland schitterde, was hij in zijn eigen vaderland een onbekende. De Koning van Zweden op een reis buitenslands telkens over Scheele hoorende spreken, besloot dezen verdienstelijken onderdaan een bewijs te geven van zijn hoogachting, en wenschte hem een ridderorde te vereeren.

»Scheele, Scheele!" zei de minister, »wat is dat voor een man?"

Men wist zoo weinig wie hij was, dat de ridderorde op de borst van een verkeerden Scheele te recht kwam.

Verloofd met een weduwe, die een apotheek had en voor bemiddeld doorging, terwijl haar zaak inderdaad met schulden bezwaard was, bleef hij niettemin trouw aan zijn gegeven woord, 't er voor houdende, dat wie zich zelven waardig acht iets aan te nemen, ook bereid moet wezen tot geven. Zoo stond een leven vol moeite en zorg voor de deur, terwijl hij gerekend had op een onbekommerd bestaan, dat hij der wetenschap alleen zou toewijden. Zijne studiën werden telkens afgebroken door zijne zorgen om de schulden van zijnen winkel af te doen. Maar Scheele wist met weinig middelen veel te verrichten. Met een paar buizen en retorten deed hij de eene ontdekking na de andere. Niets kwam hem ter hand of hij vond en zag er iets nieuws in. Hij wees drie nieuwe zelfstandigheden aan: het manganesium, het chloor, het baryt en vond de zuurstof. Verschillende zuren zijn door hem ontdekt, zooals het wijnsteen-, het fluorkiezel-, het citroen- en het galnootenzuur. Wildet gij hem bij alles volgen, dan zoudt gij alle onderdeelen der chemie moeten doorloopen, en gij zoudt u overtuigen van de buigzaamheid van zijn geest, de vruchtbaarheid van zijn manier van onderzoek en de vastheid zijner hand, zoodat hij altijd komt waar hij wezen moet.

Eindelijk zou de arme geleerde zich voor zijn arbeid beloond zien. De laatste schuld was betaald; hij zou zich nu eerst recht vestigen, hij zou in het huwelijk treden.... maar op zijn trouwdag werd hij door hevige koortsen aangegrepen en den 22sten Mei 1786 stierf Scheele op den leeftijd van 42 jaren.

Hij was de eenvoud zelf. Zij, die uit nieuwsgierigheid en belangstelling soms van verre den grooten geleerde kwamen bezoeken, vonden hem met een boezelaar vóór in zijn winkel staan. Daarvoor dan waren zij soms van verre gekomen! Maar wie het hart op de rechte plaats had, vond deze eenvoudige verschijning zeker juist boven alles merkwaardig en beminnelijk.

Terwijl Scheele in Zweden zijn waarlijk belangrijken arbeid verrichtte, was ook in Engeland een groot geleerde bezig de grondslagen te leggen voor de nieuwere seheikunde. 't Was Priestley, die 30 Maart 1733 te Fieldhead bij Leeds in Yorkshire geboren werd. Zijn vader, die lakenfabrikant was, wilde hem voor dat vak opleiden, maar de jongen vond het meeste behagen in godgeleerde vraagstukken, en kenmerkte zich door een bijzonder opgewekte godsdienstigheid. Hij verloor al vroeg zijn moeder en kwam bij een zijner tantes in huis, bij wie hij zijn eigenaardigen smaak ongehinderd volgen kon. De goede vrouw had haar huis in een soort van godsdienstig rendez-vous herschapen, waar alle gezindten en alle secten hare vertegenwoordigers hadden. Priestley groeide aldus op in een kring, binnen welken hij aan zijn lust voor godsdienstige gesprekken ruimschoots kon voldoen. Hij gaf zich dan ook met hart en ziel aan deze zaken over, verdiepte zich in de Schrift en leerde Chaldeeuwsch, Syrisch en Arabisch. Hij toonde een zeer groote vatbaarheid om talen te leeren, en deed er voor zijn genoegen meetkunde bij.

Hij besloot zich aan de Kerk en het kerkelijke ambt te wijden, trad ergens in Suffolk als prediker op en vestigde zich later te Nantwich in Chester, waar hij een school bestuurde en door spaarzaamheid en matigheid zoo veel wist uit te winnen, dat hij eenige natuurkundige werktuigen en met name een electriseermachine en een luchtpomp kon aankoopen, waarmee hij proeven deed voor zijne leerlingen. Wel hielden nog altijd godgeleerde vragen hem bezig, maar reeds in 1761 werd hij naar Warrington beroepen om in de oude talen te onderwijzen, en nu trad hij met ernst de wetenschappelijke loopbaan in.

Een reis door Priestley naar Londen gedaan, besliste over zijn toekomst. Het toeval bracht hem in aanraking met Benjamin Franklin, en een gesprek, met dezen gehouden, bracht hem op het denkbeeld de geschiedenis te bestudeeren der ontdekkingen op het punt van de electriciteit. Franklin juichte zijn plan toe, en nauwelijks was er een jaar verstreken of Priestley had een belangrijk werk over de »Geschiedenis der Electriciteit" geschreven, waarin het eerste begin en de vorderingen van dit onderdeel der natuurkunde met veel helderheid en orde zijn meegedeeld. Enkele proeven, die hij zelf nam, gaven hem een zekere bekendheid in de geleerde wereld. Tot dokter benoemd, zag hij ook de deuren van de Koninklijke Maatschappij van Londen voor zich opengaan.