# De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school.

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-mannen-van-80-aan-het-woord-een-onderzoek-vaar-eenige-begins-dc8bf394/index.md

Kijk: er zijn natuurlijk ook menschen wier levensopvatting eenvoudig is: literatuur. Die alles kennen uit de boeken. En dat is de schaduwzijde die het voordeel na zich sleept. Maar vele menschen, als die zich eenvoudig moesten vergenoegen met hun eigen ondervinding--gesteld dat we eens kunnen aannemen: er is geen bellettrie, er zijn geen boeken die den omgang en de botsingen van de menschen met elkaar weergeven,--dan geloof ik dat die menschen een heeleboel aan levensopvatting zouden missen wat ze nu wel hebben, en dat ze een heeleboel armer en bekrompener zouden worden. Door eigen ondervinding weten de menschen eigenlijk maar van heel kleine kringetjes iets af.... En dat zie je ook aan de critieken die de menschen op boeken uitoefenen. Ik heb dikwijls gezien dat sommige voorvallen in boeken,--hetzij dat ik ze zelf zoo heb ondervonden, hetzij dat ze mij met mijn ondervinding aannemelijk voorkomen,--door sommige menschen met weinig ondervinding aanstonds worden veroordeeld: Dat is onmogelijk, dat kan zoo niet gebeurd zijn. Daar komen ze altijd mee aanzetten. Een voorbeeld. U kent wel "Ida Westerman", dat vind ik een heel lief boek: daar steekt veel goeds in. Daar vind ik zoo juist in beschreven dat gevoel: dat dat meisje niet kàn gelooven, dat haar aanstaande maar voort leeft in zijn ongeloof. Zij kan dat beschouwen als een afdwaling van een oogenblik, maar dat 't blijft, neen, dat gaat boven haar bevatting.

--"Bepaalt deze opvatting uw voorkeur voor een of andere richting"?

ZIJN LIEFSTE BOEKEN.

--"Ik ben er erg voor, alle richtingen zooveel mogelijk te waardeeren. Maar er zijn natuurlijk boeken die me meer, andere die me minder aanlokken. Ik hou' erg veel van het psychologische in de literatuur. En waar me dat ontbreekt, waar ik me moet vergenoegen met de beschrijving van het uiterlijke der dingen of van stemmingen, daar voel ik altijd iets onvoldaans. Nu kan ik echter wel toegeven van bijv. de ouwe Bourget, de Bourget van zijn eerste romans, de psycholoog bij uitnemendheid, die zoover ging in zijn ontleding dat hij de plastiek wel wat verwaarloosde,... ik kan toegeven dat dat een gebrek in hem was, omdat je bij hem niet meer ziet de dingen. Maar daar staat tegenover, dat zijn mensch-analyse verbazend mooi is, erg mooi. Nu kom je ook weer tot dit: wanneer in een boek de psychologische analyse vereischt veel woorden, en je wil daarbij nu ook geven een uitvoerige beschrijving van het milieu, dan zou je roman ontzettend dik worden. En dat is een moeilijk vraagstuk: wat je dan eigenlijk moet weglaten. Maar: ik hou' dus van de mensch-ontleding. Je moet natuurlijk ook weer samenstellen uit die analyse; je moet synthese geven, je moet ze in actie geven: hoe klein die actie ook moge zijn. Je moet uit je boek als het ware je menschen pròeven en zeggen: nu begrijp ik hun daden.

"Heyermans is in sommige werken wel een man naar mijn hart. Ik hou' erg veel van "Op hoop van zegen",--iets minder maar toch nog veel van "Ghetto"--maar met zijn overige tooneelstukken kan ik absoluut geen vriendschap sluiten.... Maar zegt u er toch vooral goed bij, dat ik dit zeg: zonder daarbij de bedoeling te hebben de schrijvers die ik noem te critiseeren! "Biecht eener schuldige" vind ik weer een erg goed boek.--

"En zoo staat 't ook met mijn oordeel over onze dichters: In het algemeen met iemand meegaan kan ik niet. Maar bij Kloos en bij Van Eeden vind ik enkele dingen mooi. Er zijn ook opstellen van Aletrino die ik erg mooi vind; een van die twee pleegzusters, hoe heet ze ook weer?... heb ik met plezier gelezen. Maar ik zou toch niet willen schrijven zooals hij schrijft. Er is iets in zijn werk dat me niet bevalt ... hij is zoo vaag van omtrek....

"Querido vind ik een man die werkelijk heel veel kan: een zeer begaafd auteur ... maar zijn boeken kan ik niet genieten. Die rijste-brijberg van woorden, daar kan ik niet doorheen. Je hebt in "Levensgang" een beschrijving die erg wordt geprezen, en telkens wordt aangehaald als iets heel moois.... Toen ik die las, en ik was halfweg gekomen, toen dacht ik: waar ben ik nou? ben ik boven op de Alpen, ben ik in een cathedraal? Ik heb altijd willen hebben, dat, als ik een boek las, ik zoo min mogelijk van de woorden merkte. Ik wil dat een boek mij de gebeurtenissen voor oogen stelt, dat ik de menschen zie leven, hoor praten. Dat ik--zooals men 't wel eens heeft uitgedrukt--als het ware den stank van een kaas ruik of van wat dan ook. Maar ik moet totaal vergeten in welke woorden dat tot mij is gekomen. Ik moet niet genieten van elk woord apart."

WAAROM HIJ DE "WOORDKUNST" VEROORDEELT.

--"Daarmede veroordeelt u dus de woordkunst als zoodanig?"

--"Ja: de misbruiken die de schrijvers maken van beschrijvingen en schilderingen in woorden, zijn geheel in strijd met Lessing's voorschrift. Een voortschrijdende handeling kun je beschrijven, maar wat eenmaal een schilderij is als het ware, als je dat beschrijft: dan heb je in je woorden iets dat voortgaat, maar de zaak zelf die staat stil. Nu kun je daaraan wel tegemoet komen. Als bijv. een persoon een landschap ziet, die persoon zijn oogen te laten richten van het eene punt naar het andere. Dan komt je persoon in handeling, terwijl toch je natuur stil staat. Ik heb altijd gepoogd, waar ik voelde eenigzins te moeten beschrijven: dat zoo te doen. Ik láát de dingen zien door iemand in actie.--De juistheid van Lessing's aanmerkingen heb ik nooit zoo sterk gevoeld als bij 't lezen van die woordkunst. Je raakt er uit, je krijgt geen indruk. Dat heb ik juist tegen Querido: dat ik uit zijn beschrijvingen geen indruk krijg. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik sommige personen-in-actie van Querido niet uitmuntend vind. De dochter van den juwelier in "Levensgang", Kees de strooper. Uitstekend. Sommige tooneeltjes uit de Kermisbeschrijving in "Menschenwee".... Maar ik zou dat boek tot op de helft willen reduceeren. Hij is tè uitbundig en daardoor verlies ik er mijn aandacht bij. Kunstenaarsleven, zijn laatste boek, vind ik heel wat minder dan de andere. "Zegepraal" daarentegen vind ik goed, om het juist weergegeven gemoedsleven. Maar met zijn wijze van werken kan ik ook al weer niet mee: Nee, dat werkwoorden maken van zelfstandige naamwoorden, o god nee, dat kan ik niet hebben!... Een heel enkele keer kun je zoo'n buitenissigheid wel gebruiken. Maar als het regel wordt, dan doet het zeer onaangenaam aan."

--"Hoe is eigenlijk uw wijze van werken?"

ZIJN MODELLEN.

"De personen komen in mij op mèt hun handelingen tegelijk. Dat is iets dat zich aan mij opdringt. Gegevens verzamelen? ja, dat doe ik ook: ik heb schriften vol. Als ik een of andere uitdrukking hoor die ik typisch vind, dan schrijf ik die op. Maar, eenmaal opgeschreven, blijft-ie wel in mijn hoofd. Dan hoef ik hem ook niet meer na te slaan. In mijn dialoog vindt u altijd uitdrukkingen die ik heb gehoord. En bij het schrijven heb ik altijd bepaalde personen die ik voor me zie. Natuurlijk gebruik ik een zelfde persoon wel eens twee-driemaal, telkens van een andere kant bekeken. Maar ik gebruik altijd mij bekende personen als model. En daarmee heb ik dan wel eens gekke resultaten. De menschen weten dat natuurlijk wel een beetje van me ... ze vertellen me niet alles meer. Maar als ze aan het raden gaan: wie bedoelt-ie nu eigenlijk? dan hebben ze de plank glad mis meestal. Komt 't doordat ze zoo'n persoon toevallig niet kennen, komt 't doordat ik slecht heb geschetst, ik weet't niet. Altijd gebruik ik personen die ik ontmoet heb, en als ik een stuk ontwerp, dan kunt u in mijn concepten de menschen vinden onder hun _werkelijken_ naam. Eerst later verander ik die namen. Dat is gemakkelijker voor me. Dan denk ik een poosje na: welken naam zal ik jou nu geven, en hoe zal ik jou eigenlijk noemen? Trouwens, Ibsen dee dat ook, dat heeft hij me zelf gezegd. Ik vroeg hem er eens naar en hij antwoordde: Neen, mijn figuren zijn personen en geen symbolen. Maar, zei Ibsen, levens worden soms van zelf symboliek als je ze scherp bekijkt. Al mijn personen heb ik uit de werkelijkheid en daar ga ik zoo ver in, dat ik zelfs hun taalfouten in mijn werk opneem."

--"En doet u dat instinctief of berust dat op een bepaalde overtuiging."

--"Dat gaat bij mij stelselmatig zoo. Querido heeft eens geschreven: je hoeft alles niet gezien te hebben, je hoeft alles niet te weten. Als je zoo'n klein beetje gezien hebt, dan maak je er zóó een boek van. Neen, zeg ik, je moet zóóóó veel gezien hebben, en dan maak je er een heel klein boekje van. Ik breng nooit personen in levensomstandigheden die ik niet ken. Ik wou dolgraag een socialistisch boek schrijven, maar ik doe 't niet omdat ik het leven van die fabrieksarbeiders niet ken. Toen ik een boek schreef over het boerenleven ben ik bij dien boer gaan logeeren. De menschen die ik in mijn Monte-Carlo-novellen beschrijf heb ik allemaal gezien, allemaal gezien.... Nu zeggen de menschen: "Schep met je fantazie." Ja, maar die is altijd ontoereikend; je weet niet of die zuiver is of onzuiver. Ik weet bijv. dat verschillende menschen zoo heel verschillend hun zinnen maken. Die kun je natuurlijk wel uitvinden, maar beter is, dat je ze van ieder individu persoonlijk weet. De meeste menschen letten daar niet op: die hooren iemand spreken en daarmee uit. Maar de zinsbouw van de menschen loopt erg uiteen. En als ik die menschen behandel, dan moet ik ze persoonlijk hooren praten."

--"Maar geeft u dat geen gevoel van schennis, als u zoo personen uit uw naaste omgeving in het openbaar ontleedt?"

DOODE NATUUR EN GEKRENKTE MODELLEN.

--"Dat heb ik wel eens gehad, maar ik zeg maar: Als ik dat niet doe, dan kan ik niet werken. Een schilder gaat naar buiten: een slootje schilderen; en die man is heel gelukkig: want de dingen kunnen 't hem niet verwijten. Maar ik moet net zoo iets met de menschen doen, en dat kan ik niet helpen. Ze zeggen wel eens van me: Hij heeft zijn heele familie beschreven. In hemelsnaam. Ik kan 't niet helpen!

"Maar dat brengt me natuurlijk wel eens in rare omstandigheden. Je hebt menschen met heele beroerde familieverhoudingen en die willen zich wreken over het een of ander, en dan komen ze bij me en ze zeggen: "We willen u alles vertellen, haarfijn, als u er een roman van maakt". Maar dat is niets voor mij: Ik wil 't heel graag allemaal aanhooren, geef ik ze dan ten antwoord, maar of ik er een roman van kan maken, dat beloof ik niet ... en dan willen ze me doorgaans niets vertellen.--"

Ons praatje was ten einde: twaalf uur. We babbelden nog wat over graphologie, waarvan Emants een ernstig beoefenaar is. En namen haastig afscheid.... Een belletje rinkelde en ik trad uit de werkkamer van donker dof hout, de breede, breede trappen af; werd door de degelijk-ernstige dienstbode geleid naar 't geel-belichte perzische kamertje waar de gesluierde Fatma uithangt; kleedde mij sneller dan ik verwacht had; stapte schutterig de straat in, met achter mij de degelijke poort van dat ruime, holle heerenhuis.--

AUG. VERMEYLEN

[Illustratie: AUG. VERMEYLEN Jeugdportret]

[Illustratie: AUG. VERMEYLEN]

AUG. VERMEYLEN

Als je met 'm door Brussel wandelt, heuvel-op-heuvel-af, dan is hij joviaal en praat honderd uit, maakt geestige opmerkingen, lacht en gebaart ... en zit je met 'm in 'n "staminée" voor een flesch "Gueuze-Lambic" dan gaat-ie ophalen over z'n jeugd, tapt moppen en kan zich heel lang vroolijk maken over 'n groepje "zwanzers" die in 'n schemerhoekje half weggedoken pret hebben over niets, en schateren omdat hun Brusselsch gemoed 't nu eenmaal zoo wil. Maar als je nu in je journaliste-snuggerheid meent 'm op zijn gemak te hebben gebracht, en van de gelegenheid gaat gebruik maken om 'm te spreken over z'n werk, dan schijnt hij zich eensklaps te herinneren, dat hij ook nog ... Professor is,--gaat heel erg op zijn woorden passen: "Nee-nee, spreek me daar niet van als ik u bidden mag ... wacht totdat wij thuis zijn.... En als ge wat over mijn persoon wilt weten, vraag 't dan aan mijne vrienden. Die zullen u veel beter kunnen inlichten, mijn kunstbroeders."

Toch, naarmate ik hem beter leerde kennen, begreep ik wel dat niet in zijn professorschap de reden van zijn terughoudendheid moet worden gezocht. Hij lacht er wat mee, met zijn "professorschap". Geen student die hem als "professor" zou durven aanspreken!

Ik zat in z'n werkkamer en door 't wijd-geopende venster zag ik golvende bosschen die stonden in blauwen zomerbrand.

Vermeylen was op z'n hoede. Geen onverkoren woord kwam er uit! Toen ik hem 'n vraag stelde, haalde hij leukweg zijn twee bundels "Verzamelde Opstellen" voor den dag, benevens zijn brochure "Les Lettres néerlandaises en Belgique depuis 1830", alsmede 'n paar jaargangen van 't Tijdschrift "Vlaanderen".

"Zoo!... zeggen mijn vrienden, dat ik zoo sterk aandring op grammaticale nauwkeurigheid? Zoo! Wij zullen zien...." En hij aan 't bladeren, terwijl-ie de titels van sommige hoofdstukken halfluid bromde. Eindelijk, na 'n half uurtje:

--"Nee, ik kan tot mijn spijt niets vinden.... Ik kan maar niet begrijpen wat mijn vrienden bedoeld hebben.... Ik herinner mij niet, ooit zoo iets te hebben gezegd.... Integendeel, ik heb, meen ik, altijd verkondigd, dat 'n schrijver of 'n dichter alle theorie moet vertrappen als zijn kunst 't gebiedt...."

KUNST EN LEVEN.

"Voor mij is de grondslag van gezonde Kunst: een schoon gezond geestelijk leven. 'n Schrijver moet leven als 'n gewoon mensch en zich vooral niet opsluiten.... Valsch noem ik 't sonnetten te schrijven over zaken, die men niet heeft ondervonden, of over landen, die men niet heeft gezien. Altijd vensters open ... ja, ja wij hebben 'ier een prachtig uitzicht ... maar ik bedoel dat niet alleen materieel maar ook geestelijk...."

Toen was alle "zwânzerij" in 'm gezakt. Ingehouden-ernstig, z'n woorden lang overdenkend, opkomende geestdrift terug-dringend met geweld of spot, begon-ie me te vertellen over zijn arbeid: 'n Professorale redevoering, die ik niet te onderbreken waagde....

--"'t Eenige literaire werk dat ik heb voortgebracht, en dat ik wensch te erkennen als mijn werk is "De Wandelende Jood.""

Alles wat daar buiten staat, dat zijn zaken van zeer betrekkelijk belang--àlles, zonder uitzondering. Later zullen we zien of mijn besprekingen en mijn kritieken invloed hebben uitgeoefend of niet. Maar nogmaals: dat zijn dingen waarover ik mij niet bekreun en als literatuur beschouw ik ze niet.

Over 't algemeen heb ik die opstellen niet geschreven uit innerlijken aandrang, maar alleen omdat er nu eenmaal 'n bewegingk bestond, en 'n Tijdschrift dat dikwijls op mij rekende, 'n Een enkel maal omdat ik ineens lust kreeg, om sommige gedachten, die tegenwoordig gangbaar zijn, tegen te spreken.

Ik schrijf niet gaarne. Ik moet mij zelf altijd opwinden om wat te schrijven.... Afgezien natuurlijk van mijn literair werk dat ik niet op termijn behoef in te leveren....

ZIJN STREVEN NAAR "PERFECTIE."

Ik schrijf de dingen pas op, als ze heelemaal rijp zijn, en gewoonlijk duurt dat lang bij mij. Ik ben erg gesteld op 't perfect-zijn van mijn werk. Ik kan niets uit mijn handen laten gaan of 't moet volkomen doorwerkt zijn.... En vluchtig werken is mij onmogelijk.

Over dien "Wandelende Jood" heb 'k heel lang gearbeid. Niet omdat de zaak niet klaar genoeg in mijn hoofd zat, maar enkel en alleen omdat ik er zoo op gesteld ben, literair werk zoo lang mogelijk te laten rijpen.

Ik tracht zoo zuiver mogelijk te schrijven ... ieder woord juist àlles te doen zeggen wat 't zeggen kan.... 't Wordt dan werk dat moeizaam is voortgebracht ... 'n beetje zooals Flaubert schreef.

Ik moet lang over een volzin werken om 'm juist te krijgen. Daardoor ben ik geneigd, te gaan houden van literair werk, dat niet te breedsprakig is--woordkunst in dien zin, dat ieder woord zijn eigen waarde heeft..., terwijl sommige Vlaamsche schrijvers op dit punt 'n beetje slordig zijn....

"DE WANDELENDE JOOD."

Om nu tot mijn boek terug te keeren: 't is 'n werk dat ik sedert den leeftijd, waarin ik tot literair bewustzijn ben gekomen, sedert mijn 17de of 18de jaar in mij heb gedragen.... 't Is waar: toen had het 'n anderen vorm: 't Was toen "de Verzoeking van den H. Antonius". Van mijn prilste jeugd dacht ik daar al aan, en in den loop der jaren heb 'k sommige passages daarvan ook al geschreven.... Maar ik kost niet klaar geraken ... 't was voor mij ondoenlijk alles saâm te dringen in 't kader van mijn verhaal.... Maar ik wachtte rustig, en eens in '97--'k was pas getrouwd, daarom herinner ik 't mij zoo goed--zat ik in mijn hof en 'k las Goethe[1] ... en 't werd mij opeens duidelijk dat de Legende van "De Wandelende Jood" geschikt zou zijn om alles te bevatten wat ik wilde zeggen.... Dat schoot mij te binnen, en die zelfden dag heb ik 't heele plan met alle symbolen en allegories uitgewerkt. Dat heb ik toen nog negen jaar in mij omgedragen ... en al dien tijd heb ik voortgewerkt.... Want zoolang als ik nog met den H. Antonius zat te tobben bleef 't materiáál en werd 't geen kunst.

[1] Der Ewige Jude.

HET SCHRIJVEN ZELF.

Aan 't schrijven zelf, daar heb ik eigenlijk maar 'n paar jaar aan gewerkt. [1] Ik ben 'n geest die van zeer schoone constructies houdt en ik let er voortdurend op, dat ieder woord zijn eigen kracht toont, en dat de subtielste schakeeringen er van tot hun recht komen. Nu merkt men dat in den "Wandelende Jood" niet zoozeer op. Want ik heb tevens gezocht naar 'n niet al te literaire uitdrukkingswijze, en 't klinkt u misschien vreemd,--als ik lang op 'n volzin gewerkt heb is hij dikwijls veel eenvoudiger geworden dan hij in 't begin was.

Elk woord hangt voor mij samen met 't gevoel dat 't uitdrukt, door z'n structuur, door z'n klank, door alles. Ik bedoel niet den conventioneelen zin van 't woord, maar 't gevoel er van, net zooals van Looy 't opvat. Alleen tracht ik misschien eenvoudiger te blijven en minder middelen te gebruiken om 'n zeker effect te bereiken. Ik wil heel sober zijn. Er staat in mijn boek geen enkele zin waarvan ik mij niet zeer nauwlettend rekenschap heb gegeven, waarin ik niet angstvallig heb nagegaan wat ieder woordje in dat bepaalde verband te beduiden heeft....

En toch,... zoo'n zin is niet 't werk van 't kalme bewustzijn, 't Gebeurt mij wel dat ik niet juist gestemd ben en dan kan ik niets vinden.... En er zijn wel andere zaken, die men onmiddellijk vindt. Dan voel ik wel dat 't goed is, maar of dat nu ontleed kan worden, dat weet ik niet.

Voorlezen? U doet mij daar een vreemd verzoek. Ik houd er niet van, uit mijn werk aan anderen voor te lezen.... Maar enfin, u vraagt 't, en ik zal de hardste niet zijn.

Daar zijn in mijn werk van die vondsten die ik zeer gelukkig heet en waarmee ik blij was. Zoo, ik sla 't boek op ... op goed geluk ... en God zegene den greep.... Hier,... page 75.

"Toen de haan hem wakker kraaide, was het woud door de open deur gezien, al blauwig van den vroegen uchtend; een rozige straal gleed van het vensterken in de kluis, en buiten was er getjilp en gefluit van meezen en merels in de koelte."

Ik was al heel gelukkig toen ik dat geschreven had omdat ik daarin een synthetisch beeld geef ... dat vochtige ... dien blauwigen nevel tusschen de boomen van 'n woud voel ik daar zoo uit.... Dat klinkt mij zoo goed: al blauwig van den vroegen uchtend ... ik zeg hier uchtend en niet: morgend ... ook al weer om de zelfde reden ... dat komt zoo van zelf.

Ja, ik schrijf uiterst langzaam ... herwerk sommige volzinnen wel drie of vier maal. Maar er zijn natuurlijk ook plaatsen waar men om zoo te zeggen zelf niet meer schrijft ... plaatsen waar men meegesleept wordt door z'n ... door z'n ... hà-ha-ha-ha-hà.... Enfin, ik wil zeggen: waar 't gemakkelijk gaat, allez!

Heel 't begin is nog al moeizaam geschreven, dat wil zeggen de eerste bladzijden, en Verwey heeft er van gezegd, dat de taal eenigzins geforceerd is. Maar ik voor mij geloof ... wel, ik geloof dat-ie gelijk heeft, voilà.

Overigens ... 't boek is nu al van drie jaar geleden in dezen vorm ... ik kon 't niet loslaten, ik kon 't niet uit m'n handen laten gaan voordat 't me geheel bevredigde ... dat is nu eenmaal 'n ziekte van me.... Maar met uitzondering van 't begin moet ik u zeggen, dat ik er niets aan zou weten te veranderen.

De menschen bespreken mijn boek als 'n werk van de gedachte en ik wenschte 't te zien besproken als 'n werk van literatuur. Een gedachte op zich zelf heeft toch geen kunstwaarde, wel? Nee, natuurlijk niet, evenmin als 'n feit op zich zelf. Kunstwaarde krijgt 'n gedachte eerst, als ze niet meer zuiver verstandelijk blijft maar ... ja, hoe zal ik 't zeggen?... ineenvloeit tot 'n geheimzinnig complex....

Neen ik zeg 't u nogmaals: ik bèn niet uitgegaan van gedachten, ik ben uitgegaan van gevoelens. Juist door de uitwerking ... door 't schrijven,... zijn de gedachten mij duídelijk geworden ... maar ik ben in geen geval ... in géén gevàl van gedachten.... Oi-oi-oi-!... dan had ik er eenvoudiglijk een tractaatje van gemaakt, en geen literair werk!

Wat de stijl betreft sta ik op 't zelfde standpunt als Flaubert.... Van hem heb ik veel geleerd ... maar wat ik vooral aan 'm te danken heb, dat is wel, dat ik mijn kracht zoek in soberheid, in de economie van de effectmiddelen. Ik geloof dat één enkel middel meestal voldoende is.... Ik wil wel trachten u te zeggen wat ik bedoel.... Laten we dien eenen zin nog eens hernemen.... Als ik schrijf: al blauwig van den vroegen uchtend, dan zou een ander geneigd zijn, een heele beschrijving van 't woud te geven met allerlei effectmiddelen, niet waar? maar ik wil zoo beknopt mogelijk blijven. Ik voor mij geloof, dat men in de moderne literatuur wat al te zeer de strekking heeft om veel middelen aan te wenden.

Ik acht mij niet gebonden door sommige zaken. Ik zal er niet tegenop zien een nieuw woord te gebruiken of 'n nieuwe wending, als dat mij noodig schijnt. Een schrijver moet uitgaan van zijn gevoel en ons precies vertellen wat er in 'm is. Ik houd niet van overdreven veel stijlmiddelen.... Zelfs bij van Looy zijn zinnen, waar 't gebruik van sommige dingen mij geheel overbodig voorkomt. Hij heeft 't misschien noodzakelijk gevonden, maar mij lijken ze bijna nutteloos. Levende werkelijkheid wil ik geven, zonder al te veel de sensatie te ontleden....

"Maar de lezer? Als die nu niet...."

--"Als de lezer niet zooveel effect krijgt als ik wilde geven: Zijn schuld. Dan moeten de menschen maar aandachtig leeren kijken wat er staat. Maar wacht wat, ik heb daarover ergens iets geschreven. Hier: ik heb 't over een vertaling van Flaubert.... Als ik daar in lees: "De grachten vol water stonden" dan vind ik dat 'n nutteloos verdraaien van den zin. De essentiëele fout, ik bedoel als vertaling van Flaubert, ligt hierin, dat hier meer getracht wordt naar 't weergeven van elk détail, zoo nauwkeurig mogelijk, dan naar de klassieke zuiverheid, die bij hem 't geheel zoo streng beheerscht. En dat mag men toch wel eischen van 'n vertáling."

[1] 128 blz. zeer ruim gedrukt.

VERMEYLEN OVER DE NOORD-NEDERLANDSCHE LITERATUUR.

De Noord-Nederlanders? Ja, die schijnen mij toe minder te letten op de pure schoonheid van bouw. Een gebrek aan soberheid, een overdreven gebruik van stijlmiddelen, aan-zie ik als 'n zwakte van Noord-Nederlanders. Ja, ik vind 't gebrek aan goeden smaak het publiek de schoonheid van 'n détail onder den neus te willen duwen.

SCHRIJVER EN PUBLIEK.

Als de menschen razend vlug lezen en alleen om te weten wat 'r gebeurt--zooals ze 'n prul-romannetje zouden lezen--dan voelen ze de intenties van den schrijver toch niet. Dan gaan ze, er op attent gemaakt, sommige kleinigheden misschien afzonderlijk voelen en ze zeggen: "Kijk wat is dat artistiek!" Nu, vergeef mij de snoodheid, ik vind dat misselijk.... Zonder dat ze misschien ieder détail voelen, moeten de menschen toch onder den indruk komen van wat ik ze te zeggen heb. Ieder wóórd is natuurlijk wel uitgekozen, maar de indruk mag toch niet 'n ontleden van elk détail zijn. Ik ben er veel meer op gesteld, dat men de zaken voele met d' atmosfeer die er om is. Kunt g' er mee om? Ehwel daar tracht ik naar.

