De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school.
Part 7
--"Een doel? Als het leven voor ons een doel heeft, dan is 't een onbekend doel en wat baat dit doel aan het individu? De gemeenschap lijdt niet, de gemeenschap geniet niet. Wat lijdt dat is het individu. En wat is het doel van zelfs de groote individuen petieterig en onbeduidend. Korten tijd na hun dood is al hun werk weer tot niet vergaan. Die dame vond er juist zoo'n voldoening in, te leven voor het geheel, en te kunnen zeggen: ik heb mijn deel gehad. Ik zie daar niets anders in dan dat men zich paait met een inbeelding. Ik zie dat niet anders in. Maar wat de menschen zoo dikwijls denken, dat pessimisme gelijk staat met nurkschheid, melancholie, mopperen ... dat is volstrekt onjuist. Integendeel. In mijn schatting kijkt juist een pessimist nuchter en onbevooroordeeld het leven in. Als ik er voor stond en ik moest er nog in, dan zou ik zeggen: ik doe het niet. Maar nu ik er eenmaal in ben zeg ik: laat ik nu zorgen dat ik zoo min mogelijk nadeel doe en mij zoo goed mogelijk schik."
MOET MEN VOOR HET PESSIMISME PROPAGANDA MAKEN?
--"Acht u het in dit verband dan niet een voordeel dat men in de gemeenschap zoo min mogelijk slapende honden wakker maakt, en de menschen nooit aan het denken brengt over zulke onderwerpen?"
--"Dat zou ik een voordeel kunnen achten, zeker. Maar als wij dat een voordeel achten, dan komen wij volmaakt in strijd met alle ontwikkeling, en eigenlijk moet je dan wenschen dat de menschen op een laag peil van ontwikkeling blijven. En dan zou je de kerk gelijk kunnen geven. Die houdt de menschen dom en de priesters zeggen: wij weten liet alléén. Maar àls de wereld nu eenmaal vooruit moet gaan, dan werk je dat op die manier toch weer tegen. En ik voor mij geloof dat de wereld,--al is het geen vooruitgang,--zich toch geleidelijk ontwikkelt. Werk je die ontwikkeling tegen, dan breekt de wereld zich baan met een revolutie, want op den duur hou' je de ontwikkeling toch niet tegen. Een poosje kan dat lukken en dan komt de groote botsing."
--"Hoe denkt u dan over de groote maatschappelijke stroomingen van onzen tijd?"
EMANTS EN HET SOCIALISTISCH IDEAAL.
--"U bedoelt het socialisme? Ik zie daar een zeer optimistisch getint verschijnsel in--en waarom? omdat de socialisten kunnen vechten tegen bepaalde misbruiken en een ideaal kunnen maken van wat ze willen invoeren. Dat zal nog lang kunnen duren, omdat ze het vooreerst nog niet kunnen invoeren. Maar als ze het eenmaal verwezenlijkt hebben--laten we de eerste periode van strijd nu eens over springen--dan zal de ellende van hun systeem weer even duidelijk worden als de ellende van ons systeem. Wàt de fouten van elk systeem zijn, dat weet ik niet. Maar ik neem aan dat het te voorschijn komen van de schaduwzijde onvermijdelijk is ... Als mij gevraagd wordt: hoe denk je den ontwikkelingsgang van de menschheid? dan zeg ik: Altijd weer strijden voor nieuwe idealen, totdat ten slotte alle idealen zoo'n beetje uitgeput blijken en dan inzien dat men toch niets bereikt. In het gemeenschaps-leven zie ik wel iets moois. Welk ideaal daarna zal komen, dat weet ik niet en dat hoef ik niet te weten. Maar van elk ideaal zie ik onmiddellijk zich ontwikkelen de schaduwzijde.... Neem bijv. eens het ideaal van de openbaarheid in regeeringszaken, de critiek door de publieke opinie. Na de uitvinding van de boekdrukkunst en van de kranten had je niet meer dat geheime wroeten. De vreedzame strijd kwam in plaats van den bloedigen strijd.... Maar wat een verbazend geknoei krijg je niet met die publieke opinie! Hoe wordt er niet mee gesold! Wat worden de menschen niet voor den gek gehouden! Wat knoeien niet alle gouvernementen om een openbare meening te fabrieken! Daar zet het ideaal zich toch om in zijn tegendeel. En zoo zal het mij niet verwonderen als het socialisme, het ideaal van de gemeenschap, zich ook in zijn tegendeel omzet. Misschien in een gevaarlijke tyrannie, die nu al wordt voorspeld. Ik weet natuurlijk niet of het zoo zal gaan. Maar ten slotte zie ik alle idealen misloopen.... En het eind van alle leven moet dus zijn: het inzicht dat onmogelijk te bereiken is eenig batig saldo in geluk. Daargelaten natuurlijk de quaestie of we niet voor dien tijd in de ijsperiode zijn overgegaan en allemaal bevroren zijn. Want dat kan ook."
--Dan is het misschien wel een beetje voorbarig u de vraag te stellen wat wij menschen tegen dien tijd zullen doen.
"DE MOREELE IJSPERIODE."
--"Als er niets meer te strijden valt--dan worden wij overvallen door de moreele ijsperiode--dat is grenzelóóze verveling. Wat blijft er dan anders over dan verveling? En dat is toch wel het ergste wat je zoowat hebben kan."
Tot mijn geluk, waarde lezer, houdt de heer Emants er een byzonder ... economisch stook-systeem op na, gelijk ge weet. Dat ik genoegzaam bij mijn positieven bleef om hem mijn volgende vraag te stellen, o lezer, ge hebt het te danken aan de tamelijk volmaakte natuur, die in kwistige harmonie hèm met kouwe voeten, mij met een gashaard begiftigde. Ge ziet: niet alleen idealen slaan om in hun tegendeel.
-"En hoe is deze opvatting in uw werk tot uiting gekomen?"
LILITH EN LOKI DE EENIGE WERKEN DIE EEN WERELDBESCHOUWING BELICHAMEN.
--"Dat is eigenlijk maar tweemaal gebeurd. Eens in _Lilith_ en een andermaal in _Godenschemering_, dat ik later heb veranderd in _Loki_. In deze twee gedichten ligt een levensbeschouwing. In mijn andere werk niet rechtstreeks. Ze zijn er tenminste niet uit ontstaan. Ik wil graag aannemen dat de levensbeschouwing, die achter in je hoofd zit, invloed heeft op de dingen die je weergeeft als je in de wereld rondkijkt. Maar voor zoover ik weet is al mijn latere werk observatie. Nooit heb ik er meer aan gedacht een persoon te maken tot belichaming van een levensbeschouwing. De menschen beweren wel eens anders. Maar dan vraag ik: waarom zegt die persoon mijn gedachten en die andere niet?"
EMANTS STREVEN NAAR OBJECTIVITEIT.
"Natuurlijk, alles is door mij heen gegaan maar tegen een opzettelijk op den voorgrond springen van mijn persoonlijke gedachten heb ik mij altijd verzet. Er wordt zoo dikwijls gezegd: wanneer iemand een roman schrijft, dan moet hij daarin leggen zijn gevoelens. Ik zeg: die zullen er wel van zelf in komen. Hij moet trachten te geven het gevoel van zijn personage en dat is het zijne niet. Ja, heelemaal objectief kun je niet zijn. Je kan nu eenmaal niet in de huid van een ander kruipen. Maar je moet altijd trachten je personen objectief te zien. Ik zeg _meenen_, omdat je je subjectiviteit niet weg kan cijferen. Maar je moet er naar streven, als een god boven den boel te zweven. Wil je dat niet, dan moet je komen tot die verschrikkelijke subjectieve werken die alleen als lyrische poëzie heel mooi kunnen zijn."
LILITH.
Maar nu de idée van _Lilith_; ten eerste: de wellust houdt de wereld eigenlijk in stand. Dat is Lilith. En die wellust, de kern van den mensch, betreurt dat hij uit zijn slaap is gewekt en eigenlijk een scheppend god is geworden.
LOKI, HET INTELLECT.
"_Godenschemering_" is de strijd--dien je in de wereld ook ziet--tusschen gevoel en verstand. Ik vind dat in dit opzicht het intellect zeer verkeerd wordt beschouwd en te veel wordt achteraf gezet, vooral in de kunst en niet alleen daar, maar in het heele leven.[1] Ik vind: de heele ontwikkeling van de menschheid is de ontwikkeling van het intellect. We zijn iets zachter van zeden geworden--ook door het verstand. Maar overigens zie ik niet in, dat de menschen van duizend jaar geleden verschillen van de menschen van nu,--àls het niet was door het verstand. Je hoort redeneeren over "het koude verstand" en vrouwen spreken over "die vervloekte logica". Welnu, Loki is voor mij _het_ verstand.
[1] "Wat trof me in de Edda, terwijl de ergernis, waarvan ik sprak, in mij woelde?--Dat het verstand, in de Noorsche godenwereld belichaamd in Loki, door de goden al net zoo behandeld werd, als 't in onze hedendaagsche samenleving behandeld wordt door de menschen.--Verkeren de goden in nood, Aanstonds roepen ze Loki's hulp aan, begroeten ze hem als hun redder, smeken en vleien ze hem; maar is het gevaar afgewend en willen ze weer onbezorgd van het leven gaan genieten, dan doen ze dadelijk hun best Loki op een afstand te houden. En woedend worden ze als Loki toont hen te doorzien, als hij tal van misslagen, ongerechtigdheden, overtredingen van eigen wetten hun meedogenloos voor de voeten werpt. Dan noemen ze hem lasteraar en zouden ze in hun domheid hem maar liefst op staande voet vermorzelen en vernietigen. Alsof daardoor 't kwaad hersteld zou worden en Loki ongelijk zou krijgen! Levert hij eindelik het bewijs, dat hun onsterfelikheid maar een waan is en dat zelfs het moederhart, zoo hoog door Odien aangeslagen, niets vermag tegen het noodlottig verband van oorzaak en gevolg, dan binden ze hem tot straf met de darmen van zijn zoon aan een rotsblok vast en bevestigen zij boven zijn hoofd een slang, wier brandend vergift voortdurend neerdruipt op zijn hoofd." (Uit "_Hoe Loki ontstond_" door Marc. Emants, Groot Nederland, October 1908.)
"LOKI" GEEN EIGENLIJK SYMBOLISCH GEDICHT.
Hadd' ik een symbolisch gedicht willen maken, dan zou ik alle dingen die ik over Loki in de Edda's vond er niet bij hebben gehaald. Maar aangezien ik in Loki vrijwel vond wat ik zocht, heb ik die figuur ook tamelijk wel onveranderd gelaten. Het heeft mij nooit aangelokt: een gedicht te maken van geheel nieuwe personen. Ik geloof niet dat ik het goed zou hebben gedaan. Het is heel wat anders: als je vindt de stof, daarin de atmosfeer te zoeken of te lèggen, dan van begin af een heel nieuw verhaal te gaan dichten. Het is te dòen natuurlijk, ik zeg niet dat anderen het niet moeten doen, maar het werk heeft mij nooit byzonder aangelokt. En daar heb je nu dezelfde quaestie waar we het straks al over hadden: ik bedenk nooit iets van dien aard. Het komt zoo van zelf bij mij op dat ik die of die stof moet gaan bewerken. Ik heb me nog nooit voorgenomen: nu ga ik dit of dat eens doen. Nee: ineens zie ik de dingen voor me en dan denk ik: hè dat kon wel eens zoo. Dat doe ik dan. Ik maak het af, of ik maak het niet af, maar als ik 't doe, dan doe ik het zóó. En dat ik zou zeggen: nu ga ik eens een gedicht maken van de wereldschepping of zoo'n abstract onderwerp, dat is mij nooit gebeurd. Altijd heeft de stof die ik haast klaar voor mij zag zich aan mij opgedrongen.
EMANTS EN DE "NIEUWE RICHTING."
--"Tegenover de literatuur van uw tijd rekent men uw werk als van een nieuwe richting, niet waar? Hoe zou' u de verhouding tusschen die twee richtingen omschrijven?"
--"_Niets heeft mij meer verwonderd dan dat_. 't Ging zoo. Ik zette mij aan 't schrijven vooral op aandringen van Smit Kleine. Die wou een nieuw tijdschrift stichten. Ik voelde niet de minste behoefte aan wat nieuws. Ik genoot van dit en van dat, van sommige dingen die ik las, maar ik had heelemaal geen behoefte om zelf iets nieuws te maken. Maar er kwamen dingen die zich aan mij opdrongen. Het eerste wat ik schreef was _Bergkristal_ van Oberammergau. Ik was daar geweest, had rondgekeken, maar ik was er niet heengegaan met het idée dat ik er later iets van zou maken. En toen zeiden de menschen tot mijn verbazing: _dit is iets nieuws_. Het trok de aandacht. Ik vond het zoo byzonder niet. Een nieuwe gedachtegang of iets dat zou frappeeren, dat vond ik er niet in Ik zei tegen Smit Kleine: "Ja, god, als zich wat aan me voordoet dan wil ik met alle plezier schrijven, maar om nu zoo'n tijdschrift te gaan vullen ... ik heb heelemaal geen lust om geregeld te gaan zitten schrijven." "Da's niets", zei hij, "dat zal ik wel doen. Als jij maar nu en dan een stukje geeft."--Toen ben ik naar Monte-Carlo gegaan en daar heb ik drie novellen van gemaakt--en toen was het weer uit voor een heele poos."
HIJ WILDE ZICH ZELF BLIJVEN.
Op een goeie dag heb ik iets gemerkt van de beweging van '80. Die interesseerde me in het begin niet heel erg. Wat ik er van las ... nu, het meeste lokte me al heel weinig. Maar naarmate ik er in kwam, trof ik er enkele dingen aan die ik heel mooi vond. Het afbrekende vond ik mooier dan het opbouwende. En daar las ik me opeens dat ik was de _Johannes de Dooper_ van de nieuwere literatuur. Toen heb ik verbaasder gestaan dan ooit. Ik was mij niet bewust, iets nieuws te hebben geprofeteerd of ingeleid. Ik heb doodeenvoudig geschreven wat zich aan mij opdrong. Nooit aan nieuwe richting, zelfs niet aan richting gedacht. Het kan wel zijn dat ze gelijk hadden. Maar bij mij was het dan toch heelemaal onbewust. Naderhand heb ik een gevoel gehad,--en dat heb ik bij alle mogelijke dingen in mijn leven,--dat ik me niet van mij zelf wil laten afbrengen. Ik wil wel uit mij zelf tot een ander gevoelen komen, maar ik wil mij niet laten leiden door den geest van een ander. Ik heb altijd sterk de neiging gehad om mijn eigen zin te volgen, in wat dan ook. Jawel, mijn ideeën zweven ook maar niet vrij op me af, ze ontstaan ook door aanraking met de wereld, maar ze moeten dan ongemerkt die invloeden ondergaan. Ik wil daarom nooit meedoen met een of andere kliek. Wanneer twee, drie, vier, vijf heeren in die kliek een beetje anders denken dan ik, dan moet ik toch weer uit die kliek gaan òf mij laten lijmen tot iets dat me niet lokt. Ik heb mij zelf willen blijven ook op het gebied van de literatuur en dat was geen verstandelijke overweging, maar iets dat uit mijn persoonlijkheid opkwam.... Maar één keer van mijn leven heb ik mij werkelijk laten overtuigen, en dat was met de nieuwe spelling. Kollewijn kwam eens bij me, en vroeg me of ik daaraan mee wou doen. Ik bedankte natuurlijk, maar toen heeft hij net zoolang gepraat dat ik volkomen was omgeslagen. Als iemand me ompraat, ziet u, dat is mij wel, maar dan moet ik ten slotte sterk het gevoel hebben dat ik het zelf heelemaal meen, en dat ik die gedachte niet overneem.
--"Maar dan ziet u nu, achteraf, toch wel beter dan toen, wat uw beteekenis is geweest?"
HIJ ZIET OOK THANS NIET IN, WELKE NIEUWE RICHTING HIJ HEEFT INGELEID.
--"Nee, dat zie ik niet in. Met dien verstande: ik wil niet zeggen, dat de mannen van de Nieuwe Gids mij per sé hadden moeten afbreken, dat niet. Maar ik kan niet zeggen, waarom men mij als het ware eenigszins tot de hunnen heeft gerekend. Ik vind het wel heel aardig! Ik heb er niets tegen. Ik vond 't toen ook heel aardig. Je hebt natuurlijk liever dat iemand je bijvalt, dan dat hij vijandig tegenover je staat. Maar tusschen dat gevoel van aangenaam vinden en ... begrijpen is nogal eenig verschil. Ja, uit één oogpunt zou ik het kunnen begrijpen: ik heb nl. een grooten hekel gehad en dien heb ik nog, aan conventioneele taal en conventioneele woorden. Zoodra ik in een boek vind menschen die met conventioneele phrasen werken, dan haat ik dat boek zoo hard ik maar haten kan. Ik heb altijd gestreefd naar het juiste woord. Daar hecht ik nog aan. Het is mij natuurlijk wel gebeurd dat ik conventioneele woorden gebruikte en dat ik er niet op lette, maar het streven blijft er toch. Van elk woord moet ik weten dat ik dat bepaald bedoel. Zij, die in het begin althans, óók zoo sterk tegen de conventie gekant waren, moeten in mij een medestander hebben gevoeld, daar kan ik wel in komen."
DE OVERDREVEN VEREERING VAN DE WOORDKUNST.
Maar er is toch één opzicht waarin ik heelemaal niet met ze mee kan gaan en dat is de overdreven vereering van de woordkunst, waardoor alles is gereduceerd op klank, rythme en taalschoon. Het middel wordt dan doel. De hoofdzaak is toch maar wàt je schrijft en het hòe verdwijnt daarbij dikwijls. Als ik wel eens een schrijver lees, die een grauw armebuurtje op een triestigen dag weer beschrijft, dan kan ik dat heel mooi vinden, maar als ik een auteur ontmoet die niets anders doet dan dat, dan zeg ik: wat vind ik dat toch allemachtig pover!
--"Aan welke schrijvers geeft u dan de voorkeur?"
--"De man die het meeste invloed heeft gehad op mijn denken is Heine, Heinrich Heine. Die had ik altijd open op mijn schrijftafel liggen. En daarvan heb ik een ding altijd over gehouden: dat ik een haat heb aan al wat ze noemen "onschuldige scherts". "Der Witz muss schlagen!" dat is er bij mij altijd in gebleven. En dat heeft mij de heerlijkste voldoening gegeven. Mijn moeder kon kort voor haar sterven zeggen: "Als Marcellus eens een geestigheid wil vertellen dan is niets hem te heilig.""
GEEN ONSCHULDIGE GRAPPEN!
Als ik denk aan die eigenschap van mij--die ik weet!--dan denk ik daarbij altijd aan Heine. Daarom heb ik ook nooit kunnen verdragen wat ze noemen luim of boert. Dat zijn van die onschuldige grappen die de menschen heel aardig vinden--maar ik zit er met een ijskoud gezicht bij. Als ik zoo'n grap van af het tooneel hoor, dan geniet ik absoluut niet meer van het heele stuk. Verleden Maandag nog: toen werd er in "Oefening" een monoloog van mij voorgedragen, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan. Ik dacht dat ik 't nog al schikkelijk had gemaakt, maar "God wat ben je weer hatelijk geweest!" zei een dame naast me. Ja, zelfs bij een feestelijke gelegenheid heb ik me niet in kunnen houden. Maar den volgenden dag stond er in het "Vaderland" dat de monoloog was geestig geweest, maar "uiterst goedmoedig". En dat klapte me nog meer om m'n ooren dan die dame met haar "hatelijk".
Wat Hollandsche boeken betreft heb ik erg veel van de Camera Obscura gehouden. Indertijd, ziet u? Nu is 't weer anders geworden. Indertijd was 't een zeer beteekenend werk. Dat is 't trouwens nog. Maar eigenlijk is het toch ook wel een beetje goedmoedig en daardoor ben ik misschien wat terug gekomen op mijn eerste oordeel. Dat oordeel dateert trouwens uit den tijd dat ik de boeken nog niet critisch genoeg beschouwde. Mijn haat tegen dat goedmoedige is ook de reden dat ik nooit van Dickens heb kunnen houden. Ik heb veel van 'm gelezen en 't amuseerde mij wel, maar tegelijkertijd hinderde 't mij. Dikwijls had ik lust om te zeggen: Jasses, schei toch uit met je flauwiteiten: we weten 't nu wel! Ik vind Dickens flauw, met hier en daar een mooi trekje, en dat appreciëer ik ook wel.
--En houdt U u ook op de hoogte van onze moderne schrijvers? Mij dunkt, U moet over sommigen er van een eigenaardig oordeel hebben.
ER IS GEEN BIJHOUDEN AAN!
--"Voor zoover dat bij te houden is! Ik wil uit de andere landen ook wel eens wat lezen.
"Ik lees graag over Philosophie, over Spiritisme. Maar er zijn onder onze moderne auteurs een paar waar ik erg veel van hou'. Zoo bv. van Mevrouw Boudier-Bakker; van Heijermans heb ik ook veel gelezen; van Querido ook het een en ander; er is trouwens bijna geen een of ik ken er wel een werk of wat van. Maar een boek dat mij erg lief is, is "Een zwakke" van Coenen."
--"Vindt u het uit maatschappij-oogpunt wel te verdedigen dat zulke zwaarmoedige boeken openbaar worden gemaakt?"
ZWAARMOEDIGE KUNST UIT MAATSCHAPPELIJK OOGPUNT.
"Ik heb me dikwijls afgevraagd of het uit maatschappij-oogpunt misschien niet beter was dat er heelemaal geen literatuur bestond. Ik weet niet of 't lezen van romans de menschen wel goed doet. Ik heb ook nooit iets gezien van den veredelenden invloed van de kunst, waar de menschen het soms over hebben. Is een kunstenaar dan zoo'n nobel mensch? daar heb ik nooit iets van kunnen zien. Ik stel den kunstenaar volstrekt niet hoog--mij zelf er bij. Maar de goeie werking die je van boeken kunt waarnemen dat is tweeërlei. De eerste werking zou kunnen zijn dat de menschen in hun leegen tijd misschien allerlei kwaad uitvoerden en nu op een niet-kwade manier hun leegen tijd doorbrengen.
"En de tweede werking heeft meer betrekking op flinke, ware boeken, en die is: dat de menschen er het leven uit leeren kennen. Ik bedoel volstrekt niet alleen realistische boeken: sprookjes kunnen ook waar zijn. Alleen: het werk mag niet gefabriekt zijn voor den smaak van het publiek. Het moeten zijn boeken waarin de schrijver onbewimpeld geeft zijn eigen opvatting van het leven: zóó zie ik 't! Waarbij niets wordt weggelaten uit angst om de menschen te kwetsen, waarbij niets wordt ingevoegd om de menschen te leeren of te prikkelen. Alleen zeggen: zóó zie ik de menschen, moet de kunstenaar. Maar dan moet hij ook lezers treffen die de stof weten te verteren, niet oppervlakkig lezen, geen verkeerde gevolgtrekkingen maken, wat toch zooveel gebeurt. Maar in dat geval kun je spreken van nuttige werking van kunst."
--"Om nu op mijn vraag terug te komen: denkt u dat het goed is, speciaal in onzen tijd, boeken uit te geven die niet alleen pessimistisch maar bovendien nog melancholisch zijn?"
--"Ja, ik kan aannemen dat dat niet goed werkt op de menschen. Maar daarom zou ik om den drommel niet willen dat Coenen zijn mond hield. Dat is misschien heel egoïstisch van me. Best mogelijk. Ik heb weinig gevoel voor de gemeenschap in het algemeen."
EMANTS' ERVARINGEN MET EEN LUGUBER BOEK.
Laat ik u nu eens vertellen van mijn boek "Een nagelaten bekentenis". Dat is de geschiedenis van; een dégénéré, die eindigt met zijn vrouw te vermoorden. Het boek begint met de woorden: "ik heb mijn vrouw vermoord", en dan ontwikkelt hij zijn levensgeschiedenis: hoe hij tot die daad is gekomen. Het boek is goed gerecenseerd, maar het publiek vindt het verschrikkelijk, afschuwelijk, dat weet ik wel. Van Nouhuys haalde het onlangs weer aan, toen hij sprak over het Dagboek van een Hypochonder, van Everts. Dat is volgens hem minder doorvoeld. Dit boek is als je wil pessimistisch, hoewel op een andere manier dan het werk van Frans Coenen: Het is minder een stemmingsboek. Het is meer: die man doorkeken tot in zijn binnenste: gekeken hoe hij tot zoo'n ellendige daad komt. En nu kunt u niet wéten: hòeveel brieven ik heb gekregen van menschen die zeggen: ik ben net zoo. Nog geen drie maanden geleden kreeg ik een brief uit Amsterdam: u weet niet hoe dankbaar of ik ben, dat ik dat boek heb gelezen. Ook kreeg ik een brief van een dame, die had een neef, en die neef was ook zoo. Of ik een vereeniging wou stichten die dergelijke dégénéré's onder haar hoede nam en door het leven leidde. Dat was natuurlijk niets voor mij ... Maar aan den anderen kant hoorde ik van een dame, die had daar haar eigen man in herkend, en die man had zich zelf herkend en nu kwamen al die zenuwverschijnselen weer bij 'm terug. Tusschen twee haakjes: die man was heelemaal niet mijn model geweest. Maar dat ziet u nu wel in: van een eigenlijke bepaalde werking van een boek kun je moeilijk spreken: dat hangt zooveel af van je individuen. Ik bijvoorbeeld heb die neiging tot melancholie in me gehad en een boek van Coenen zal me beroerder maken dan ik ben, doordat ik meen iets te herkennen dat ik ook in mijn binnenste voel. Ik leef verschrikkelijk onder den invloed van atmospheer. Komt er een zonnestraaltje binnen dan ben ik een ander mensch. Maar nu komt er zoo'n akelige regendag, somber, luguber, kil ... dan ben ik te ellendig om te denken. Maar dat is geen pessimisme. Dat is melancholische stemming. Ik kan slecht tegen donker weer in ons klimaat. Daarom heb ik zoo'n heerlijk gevoel in de bergen. Daar mag 't zoo hard regenen als 't wil, die beroerde stemmingen die ik hier soms heb krijg ik dáár niet. Zoo kan ik ook niet tegen een groote stad. Als ik in Parijs of in Berlijn ben, dan loop ik er zoo gauw mogelijk weer uit. Ik zou nooit in een stad willen wonen die meer dan 500.000 inwoners heeft. Dat is voor mij het maximum. Ik geef je alle mooie dingen die er zijn cadeau: ik kan er haast niet van genieten, zoo drukt mij een groote stad. Ik geniet er het meest van als ik er weer uit ben.
VOOR EN TEGEN VAN MENSCH-ONTLEDENDE LITERATUUR.