De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school.

Part 6

Chapter 6 4,006 words Public domain Markdown

Toen ben ik begonnen aan mijn eersten roman: "Egoïsme", een Haagsch verhaal in twee deelen, dat in 1893 verscheen. Wat die roman in had, kan ik u in een paar woorden zeggen: Als je wat ouwer wordt, hè? en je hebt bovendien wat studie van 't onderwerp gemaakt, dan ga je 't leven wat ernstiger beschouwen, je gaat je vragen stellen, en dan voel je vooral die eene vraag telkens in je opkomen: "Hoe moet je eigenlijk het geluk in 't leven vinden?" Misschien zou ik daar nu een ander antwoord op hebben dan toen,... ik weet niet ... later dùrf je die vraag zoo niet meer stellen ... maar al komt er veel deceptie in je leven ... een kern moet er toch blijven waar je onder alle omstandigheden je geluk in zoekt. Dat thema heb ik in mijn roman behandeld: Een jong, mooi vrouwtje--trouwt met een succesman--heeft allerlei teleurstellingen--en komt tot deze conclusie: dat je 't geluk niet van buiten af kunt verwachten: dat je 't in je zelf moet zoeken.

"Nu, ik hoop, dat je in je huwelijk even gelukkig zult zijn als ik,... dat is mijn beste, allerbeste wensch."

"En terwijl zij zich afwendt, om op haar beurt plaats te maken voor een anderen bezoeker met een anderen wensch, glimmen in haar ooghoeken twee smartelijke tranen, zooals jagers zeggen wel eens in de lieve oogen van een aangeschoten hert te hebben gezien."

Deze roman is uitverkocht. Niet meer te krijgen.

En verder is het met mij gegaan zooals met ieder ander schrijver: Je blijft doorwerken, doorwerken, doorwerken. Ik moest er natuurlijk wat anders bij doen--mijn journalistieke arbeid. Daarmee zijn we nu zoowat gekomen tot de oprichting van de "Hollandsche Revue."

DE HOLLANDSCHE REVUE.

Dat ging heel eigenaardig: Ik reisde naar Engeland toe en op de boot ontmoette ik Vincent Loosjes, den Haarlemschen uitgever, die een kennis van mij was. Daar zat ik 's avonds mee in de rookkamer,--en hoe het nu precies geloopen is weet ik niet, maar uit het gesprek dat we toen voerden is ontstaan het plan voor de "Revue". Hij kende mijn werk in de richting van figuurteekening en karakteranalyse, mijn parlementaire portretten. Iets dergelijks zijn de _Karakterschetsen_, die ik iedere maand geef. Ik ben met dat woord "karakterschets" niet erg ingenomen: de menschen hechten er een veel te geleerde beteekenis aan; een diepgaande psychologische ontleding was mijn bedoeling niet.... We hadden goed gedaan daar een anderen titel voor te bedenken, maar dat merk je later pas. Mijn bedoeling is, te laten zien dat er overal om ons heen menschen leven die op een of ander gebied uitmunten, en hoe zwaar hun strijd is om hun mooie denkbeelden te verwezenlijken. Leg dus meer nadruk op "schets" dan op "karakter", dan komt u er misschien. Ik geloof dat 't Kerdijk was, die de Revue een "maandelijksche encyclopaedie" heeft genoemd. Dat mag ik hooren! Ik durf gerust zeggen, dat ik met dat tijdschrift iets nieuws gaf, al lijkt 't tegenwoordig gewoontjes. Het idée om de menschen te kieken in hun intérieur was nieuw in mijn tijd. Mijn eerste karakterschets was die van Dr. A. Kuyper. Ik heb ernstig getracht _objectief_ en volkomen getrouw weer te geven wat ik van hem te weten kwam. En vergeet niet: Kuyper is van een heel andere richting dan ik--bovendien verkeerde ik zelf nog in een twijfel-periode. Kuyper heeft die zaak nog al aardig opgevat: hij had er schik in en bij wijze van souvenir, heeft hij me een cadeau gestuurd: Zijn "Encyclopaedie van de heilige Godgeleerdheid" in drie deelen. Hier staan ze.

Ja, op een heel kleine uitzondering na heb ik dit heelemaal alleen gemaakt ... al die dertien jaargangen, die u daar ziet. En ik mag wel zeggen: het is een geluk dat ik al die dertien jaar nooit ziek ben geweest, zoodat ik nooit één ding heb moeten verzuimen,--wat een wònder is.

Ik heb dikwijls het voorrecht gehad op menschen te mogen wijzen, waar men eigenlijk niets van wist. Zoo bv. op Mevrouw Kempers, de soldaten-moeder; dat beste brave mensch dat zoo ongelukkig was. Jonker Graafland, de held van Atjeh ... Nelly van Kol ... Ja, dat was wel aardig. In 1898, toen de Koningin aan de regeering kwam. Ik gaf een mooi portret van Koningin Wilhelmina, en sprak de hoop uit, dat ik later een Koningin in haar zou mogen huldigen. Dàt ze 't was moest ze nog toonen; maar kon ik nog geen hulde brengen aan het "_Kind-Koningin_," ik verheugde mij er in, te mogen wijzen op onze "_koningin der kinderen_," op Nelly.... Later, toen zij afscheid nam van haar tijdschrift "De Vrouw", heeft zij gememoreerd, dat de groote opgang van dat blad dagteekende van mijn artikel.

Die "Revue" is een enorm stuk werk, een stuk léven bijna. En daar hij mij in aanraking heeft gebracht met menschen van allerlei richting, hoop ik dat hij mijn blik heeft verruimd.

In 1904 heb ik nog uitgegeven "Uit de snijkamer", waarin de meest verschillende zijden van mijn kunnen zijn vertegenwoordigd. Hoe ik aan dien naam kom? Heel eenvoudig: De snijkamer is de plaats waar je de menschen open maakt en kijkt wat er van binnen in zit. Ik tracht ze psychisch van binnen te bekijken, ik opereer ze, om te zien wat er in ze is omgegaan. En sedert 1 Januari ben ik in de redactie van de "Nieuwe Gids" gekomen.

NETSCHER OVER ONZE LITERATUUR.

Wat mijn meening over de schrijvers van den laatsten tijd betreft: Van Deyssel en Kloos zijn voor mij wel twee van de meest byzondere figuren die we hebben. Alleen betreur ik het, dat van Deyssel terecht is gekomen in de "Kleinmalerei", dat hij niet 't groote werk heeft gemaakt, _het_ boek van de eeuw, _de_ moderne roman, die ik jarenlang van hem verwachtte. Ook vind ik 't groot jammer, dat Kloos zich heeft opgesloten in één byzondere levensuiting....

Dat hangt samen daarmee: dat ik behoefte heb gevoeld, mij te bewegen in allerlei richtingen.

DE ARTIST EN "HET OPENBARE LEVEN."

Een artist moet als 't ware wortelen in 't maatschappelijke leven ... ik geloof,--als ik die plantkundige taal nog even mag gebruiken,--dat de improductiviteit van veel artisten hieruit te verklaren is, dat zij al 't voedsel uit de lucht willen halen en niets uit de aarde. De enorme productiviteit van Zola, die ons verbaast, van Balzac, die honderd deelen heeft nagelaten, danken wij aan de omstandigheid dat die mannen altijd voeling hebben gehouden met wat buiten de kunst gebeurt. En dat hebben zij als artist verwerkt. Ja, een dichter die "versjes" wil maken, die mag op zijn kamer blijven zitten. Maar wil je een groot man worden, dan moet je leven midden in den strijd van je geslacht. Al weet je voor 't oogenblik niet altijd wat je er uit haalt, later zie je, dat je ervaringen zich van zelf door je werk hebben gevlochten. Als Van Deyssel dat gedaan had, dan zou hij de heerlijke, weelderige productiviteit van een Balzac bezitten ... dàt is je ware! Ik ben een aanbidder van veel werken, van 'n massa werken. Ik heb alle eerbied voor Flaubert die dertig jaar aan één boek werkte ... maar wat heeft hij nagelaten? zes, zeven boeken. En kijk nu die andere menschen eens ... wat een geweldige produktie ... dat zijn de reuzeboomen in 't bosch geworden.

NETSCHER IN DE POLITIEK.

Ik heb mij daarom ook in de politiek willen bewegen, dat is menschenplicht ... als je in de gemeenschap leeft, dan moet je geen kloosterleven leiden, al ben je artist. In de laatste 15 jaren treed ik regelmatig op als spreker, ik was meermalen candidaat voor de Tweede Kamer en ik ben hier in Santpoort tot lid van den Raad gekozen,--op de eerste vergadering die ik bijwoonde werd ik tot Wethouder benoemd. In een interessante gemeente, een gemeente waar iets te werken valt.--Ik heb hier o.a. de afdeeling Onderwijs, die nog al in mijn richting ligt. Ik heb getracht de positie van onze onderwijzers zooveel mogelijk te verbeteren, en, naar men zegt, voldoet de regeling die ik heb ontworpen aan billijke eischen.--Ik behoor tot de vrijz. democratische partij; in 1901 was ik bij degenen die een oproep in de kranten plaatsten om ons af te scheiden van de liberalen,--u weet 't ging toen om de urgentie van 't kiesrecht.

In 1903 heb ik hier 't mijne gedaan om de eerste staking van 't spoor- en tramwegpersoneel te doen slagen. En toen de tweede staking uitbrak, heb ik de menschen met raad en daad bijgestaan, al kon ik hun optreden niet meer goedkeuren. Later ben ik bemiddelaar geweest tusschen personeel en directie.

Ik werk ook veel voor den Bond voor Staatspensioneering. Ik ben nu uitgenoodigd om met Ds. Van Krevelen naar Denemarken te gaan, teneinde 't Deensche stelsel te bestudeeren. Met nog een paar heeren ben ik uitgenoodigd, een wetsontwerp op het Staatspensioen te maken ... voor de Bond natuurlijk.

En eindelijk ben ik in het hoofdbestuur van de vereeniging tot Bevordering van de Bijenteelt ... ik hou' zelf ook bijen ... kijk,... hier hebt u een pot van mijn mooiste lindehoning,... straks zal ik u de boomen wijzen waar mijn bijen te gast gaan. Ik interesseer me byzonder voor de bestrijding van 't geknoei met de honig.... O Ja: Voorzitter van de kiesvereeniging hier ... van "Vreemdelingenverkeer", tooneelverslaggever aan het Haarlemsch dagblad.... Tot over mijn ooren in 't werk.... Kijk, mijn agenda is goed gevuld ... en daarbij, Goddank, altijd gezond.

TOEKOMSTPLANNEN.

Het groote ideaal van mijn leven op literair gebied is nog eens een roman te kunnen schrijven over de visschers. We zijn altijd een visschersvolk geweest, en je hebt schilders genoeg die hun onderwerpen in onze zeedorpen zoeken,--maar literair heeft nog niemand daar iets van gemaakt.

Met de visschers in "Op hoop van Zegen" van Heijermans staat 't net als met Cremer's boertjes. Heijermans laat ze bij elkaar komen: visschersvrouwen en de dochter van den reeder en ieder doet op haar beurt een verhaaltje. En dan die nonsens dat die man, als 't schip is vergaan, telephoneert naar de assurantie en ten antwoord krijgt: "Kom morgen 't geld maar halen." Nonsens, zoo is 't leven niet.--Nu heb ik een uitnoodiging gekregen van de trawler-maatschappij in IJmuiden, om een reis naar IJsland mee te maken. Dat heb ik verleden jaar al willen doen, hè? maar door allerlei drukte heb ik me toen terug laten houden.

Dan heb ik plan voor een grooten roman die hier in den polder zal spelen, in Sparendam. Een prachtige plaats! 't Echte Hollandsche waterlandschap krijg je daar. In zoo'n mooi, stil Hollandsch dorp wil ik een drama laten gebeuren. Daar heb ik een massa gegevens voor. En dan, maar daar heb ik al iets van klaar liggen: Een roman die zal hietten: "'t Drama op de molen". Een molen die heelemaal alleen in den reusachtigen verlaten winterpolder staat te malen, 'n Paar menschen wonen op die molen: en dan laat ik onder die paar menschen een moordgeschiedenis gebeuren. De molenaar wordt verzopen in de tocht door zijn vrouw en een van z'n knechts, omdat die knecht 't houdt met de vrouw. Dat moet ook echt-Hollandsch worden. Ik ben er nog steeds in mijn hoofd mee bezig.

Nu schrijf ik aan een werk dat ik met graagte op mij heb genomen: Het tweede deel van een boek over ons eigen land, uitgegeven door den A.N.W.B. Die streek hier: Kennemerland, West-Friesland, 't Bloembollenland, de doode steden aan de Zuiderzee; dat typisch- Hollandsche mooi in onze duinstreek en onze waterstreek ... dat wil ik in woorden verheerlijken. Als we een mooie dag weer hebben ga ik er nog al eens op uit om rond te kijken ... dat moesten meer menschen doen ... jonge 't is zoo mooi.

En ... (Netscher's sterke hand streek driftig een lucifertje af) en binnenkort moet ik weer de boer op voor de verkiezingen.... Altijd te doen ... altijd bezigheden. Dat moet. Dat heb ik noodig. Voor de zuiverheid van je visie is 't noodzakelijk dat je je op ander gebied beweegt; voor de frischheid van je impressie. Mijn werkkring in de gemeente brengt mij met een massa menschen in aanraking, in allerlei omstandigheden waarin je ze niet ontmoet als je gewoon burger bent. Denk eens: je belastingzaken en je onderwijszaken, die ik onderzoeken moet. Dat verrijkt mijn geest nog dagelijks. Vooral dat IJmuiden is prachtig hè? Dat stadje, dat in tien jaren iets gewòrden is, met zijn energieke visschers, die frissche kerels, die nauwelijks hun hand kunnen teekenen, maar toch in staat zijn een groote zaak te leiden.--

En nu meneer ben ik uitgepraat. Wat zou u zeggen van een groote wandeling? Alles staat in de rijp ... 't is weer om van te watertanden, hier aan de voet van 't duin. Aangenomen? Vooruit dan maar ... Denk er om, ik heb lange beenen. Toen Querido hier was heb ik 'm doodgeloopen, z'n tong hing 'm uit z'n mond. Durft u 't er op wagen?

MARCELLUS EMANTS

[Illustratie: MARCELLUS EMANTS Jeugdportret]

[Illustratie: MARCELLUS EMANTS]

MARCELLUS EMANTS

Breed, hol patriciërshuis, koud van gevel. Degelijke stille dienstbode, die een gewoon-houten deur mij opende. Uit het portaal stond ik bedremmeld in 't schel-gele licht, in de dwelmende atmospheer van een Oostersch cabinet met rijkelijk-getinte tapijten, bizarre uitstallingen van kostbare steenen, naast den kleinen divan een tafeltje met turksche water-pijp, aan de zoldering een lamp van gedreven koper, matgeel. Voor mij aan den wand, achter een sluier ten halve: een vrouwe-kop in enkele trekjes afgebeeld. "Fatma" stond daar onder in erg Europeesche letters, die spotten met de Arabische krul-karakters, welke ik verwachtte. Toen: een tapijt schoof weg, een gewoon-houten deur kwam naakt; de degelijk-ernstige dienstbode riep met gedempte stem mij weer in de gang, waar ik--van jas en hoed ontdaan en aan 't tapijt nog gewend, --gemakkelijk mij bewoog en misbaarlijk-zware stappen patste op de marmerplaten. Een paar breede schouwburg-trappen. De koud-lichte werkkamer, stoelen, tafel, boekenkasten, schrijfbureel en vensternissen, alles van dof-en-donker hout en minutieus besneden. Emants met zijn rug naar 't licht, zoodat ik zijn nuchter gelaat met de gouden bril en de zwarte grijzende sik maar vaagjes onderscheidde ... in de witte glansen van 't West-licht.

Wij spraken aanstonds over de temperatuur. Ik was verkleumd. De kamer was "centraal" verwarmd, maar Emants ontstak in de hooge smalle schouw een gashaard voor me, die hij aanstonds moest temperen, zoo gloeide dat kostelijke ding. Centrale verwarming gecombineerd met gashaard, dit werd me dra duidelijk, vormt een byzonder zuinig stook-systeem. Bij Emants moet met genie gestookt en verwarmd worden. Hij lijdt zoo verschrikkelijk aan kouwe-voeten! Alles al geprobeerd. Niets helpt. Netscher heeft goed beschreven, toen hij hem voorstelde: wandelend heel haastig als moest hij ergens heen. Die kouwe voeten plagen hem geweldig. Vergallen hem veel genot: Comedie, vergadering, rijtuig. Hij heeft een neiging, allerlei details uit zijn levensbeschouwing te verklaren met een beroep op zijn kwaal. Maar dat liet ik me niet wel-gevallen,--en aanstonds liep ons gesprek de gewenschte richting in:

EMANTS' VEELZIJDIGHEID.

"We hebben hier nog niet een leerstoel voor kunstgeschiedenis en dien had ik toen eigenlijk noodig. Natuurlijk begreep ik dat zelf toen niet, maar mijn ouders hadden het voor mij moeten begrijpen. En dat begrepen ze niet: in mijn familie is nooit aan kunst gedaan. De zaak was, dat ik me voor alles interesseerde en nog interesseer. Maar wat me in een of andere loopbaan lokte dat was niet de hoofdzaak maar een van de bijzaken. Eerst wilde ik militair worden. Waarom? Om het mooie pakkie. Later zag ik mijn oom die ingenieur was bruggen bouwen en ik vond dat een mooi en grootsch werk. Ik ging ook naar de polytechnische school, maar dat cijferen beviel me niet. Toen zei mijn papa: Je mag wel van studie veranderen, maar eerst moet je examen doen, anders is het net alsof je daarvoor bent blijven haperen. En toen ging ik in de Rechten studeeren. Maar dat rechtsgefrimel stond me ook niet aan. Al dat gepeuter om uit te maken of een bepaling toepasselijk is op een zeker geval, dat vond ik wel een oogenblik interessant, als alles, maar ik had er gauw genoeg van."

EMANTS ALS STUDENT.

Bovendien, het studentenleven: nóóit heb ik kunnen begrijpen het gezellige daarin, in dat bij elkaar zitten om te drinken, in leelijke tabaksrook ... ik kan niet tegen rook en rook ook zelf niet. In Leiden hield ik op een gezellig mensch te zijn. Ja, ik weet 't wel: bij de meeste menschen is het net anders om. Maar mij heeft het student-zijn uit 't leven gejaagd. Die duffe localen van de professoren, dat van den een naar den ander loopen door de vuiligheid en de kou', die aklige kille banken in het academiegebouw, nee! daar kon ik niet tegen. Ik heb dan ook niet afgestudeerd. Ik heb wel mijn candidaats gedaan. Maar toen stierf mijn ouwe heer, mijn moeder vond het niet bepaald noodig dat ik een titel haalde en toen ben ik direct op reis gegaan, de bergen in.

DE BERGEN.

De bergen! dat is altijd mijn hoofdgenot geweest. Ik voel me nergens zoo goed en zoo gezond als in de bergen. Sommige menschen vinden 't op zee zoo prettig. Ik niet. Op zee ben ik altijd beroerd. Maar in de bergen voel ik mij altijd "gehobener Stimmung". Ergens stilletjes te gaan zitten, geen mensch te zien en dan te werken, dat is het grootste genot dat ik kan hebben. Ieder jaar moet ik naar de bergen. Ik kan er om zoo te zeggen geen jaar buiten.

KUNSTENAAR EN MAATSCHAPPELIJK LEVEN.

Een maatschappelijke betrekking heb ik nooit gehad, omdat ik die doodeenvoudig nooit noodig had. Ik zou ook nooit geweten hebben, wat ik in zoo'n betrekking doen moest. Maar--ik moet toegeven--ik vind dat verkeerd. Ik vind 't veel beter dat iemand een baantje heeft dat hem gedwongen in aanraking brengt met menschen. Dat hadden mijn ouders voor mij in moeten zien. Later begin je er niet meer aan. Je kunt er wel een soort van plaatsvervanger voor vinden in het vereenigingsleven en ik beweeg me dan ook wel in het Alg. Nederlandsch Verbond, in het Tooneelverbond ... maar 't had véél beter geweest als ik een maatschappelijke betrekking--welke dan ook--had aangenomen.

--"Men krijgt wel eens den indruk, dat U bij al wat U schreef bent uitgegaan van ideeën. Is dat zoo?"

--"Ik heb altijd behoefte gehad, om iets dat mij treft--hetzij dat van buitenaf tot mij komt, hetzij dat 't in mijn binnenste ineens opleeft--neer te schrijven, weer te geven, in vorm te brengen."

HOE DE DINGEN HEM TREFFEN.

De dingen die mij treffen presenteeren zich onmiddellijk aan mij als roman of als tooneelstuk. Schrijven wordt dan een soort behoefte voor me. En het eigenaardige is, dat ik daarbij nooit denk aan de uitwerking die het op 't publiek zal hebben, aan de moraliseerende strekking of wat de menschen er bij denken. Het is een zuiver egoïstisch weergeven van wat mij treft. Daarom kan ik ook zoo goed begrijpen wat Goethe heeft gezegd ... ik weet de woorden niet precies meer ... dat iets zoo sterk in je kan zijn, dat het een goddelijke verlichting wordt het te uiten.

--"Maar dan moet ik U toch vragen: waarom stuurt U uw werk toch de wereld in?"

WAAROM HIJ ZIJN WERK PUBLICEERT.

--"Die vraag heb ik mij zelf ook dikwijls gesteld. En een bevredigend antwoord er op geven, dat kan ik eigenlijk niet. Ik weet 't niet. Ik heb eigenlijk niet de behoefte mijn werk de wereld in te sturen. Maar ik heb een zeker gevoel in mij, dat ik er minder aan zou doen, dat ik 't misschien heelemaal niet zou schrijven als 't niet de wereld in ging. Ik zou misschien nog wel beginnen, maar of ik 't af zou maken weet ik niet. Maar toch, ik schrijf ook heel wat dat niet de wereld ingaat. In die kast liggen een heele hoop tooneelstukken die ik nooit aan iemand gegeven heb. En ik ben ook een massa dingen begonnen, die ik nooit heb afgemaakt."

--"Werk van een andere soort misschien?"

--"Nee, dat kan ik niet zeggen. Soms beviel me het niet. Dat kwam b.v. ook wel zoo: dat ik, laat me zeggen een romàn, had gemaakt ter wille van een idée, van een enkel hoofdstuk. Later vond ik dat ik het veel beter ergens anders kon gebruiken en dan werkte ik hetzelfde op een andere manier uit."

"Wilt u nog eens op de grond-idée van uw werk terugkomen?"

HIJ KAN 'T NIET ANDERS.

--"Die ontstaat van zelf. Die is er voordat ik 't weet. Bijvoorbeeld: Mijn vrouw interesseert zich erg voor mijn werk. En juist met haar heb ik 't dikwijls over iets waarvan zij dan zegt: waarom doe je dat toch zoo? dat bevalt 't publiek niet. Dan zeg ik: dat kan ik niet veranderen. Dan moet 't maar geen mensch bevallen. Ik kan dat niet veranderen; dat is onmogelijk. Als ik eenmaal zie dat iets zus of zoo moet zijn, dan heb ik een gevoel van valschheid als ik er nog iets aan verander ter wille van het publiek. Dat kan ik niet. Kort geleden had ik om mijn vrouw een pleizier te doen een optimistisch slot aan een tooneelstuk geschreven. Zij had het schema voor dat slot gemaakt. En een paar dagen later zei ik: hier heb je de stukken er van. Ik heb 't onmiddellijk verscheurd. Ik kòn 't niet aanzien!..."

ZIJN ONAFHANKELIJKHEID.

Nou zal daar wel invloed op hebben, dat geloof ik wel, dat ik niet voor geld behoef te schrijven. Ik verbeeld me dat iemand die voor geld moet schrijven vanzelf door de omstandigheden gedwongen wordt veel meer rekening te houden met het publiek dan ik ... je behoeft je daarom nog niet te verkoopen! Ik kan begrijpen dat het van zelf in je binnenste zoo gaat. Maar wanneer je van geldzorgen onafhankelijk bent, dan kun je je eigenlijk beter laten gaan dan een ander: dat vind ik zoo duidelijk als twee maal twee vier.

HET PESSIMISME. IS EMANTS SCHOPENHAUERIAAN?

Om nu op mijn richting terug te komen: de richting in mijn werk waarvan ik mij zelf ook bewust ben, dat is mijn pessimisme. Wat ik daarmee bedoel wordt dikwijls verkeerd begrepen. Zij hebben mij dikwijls een Schopenhaueriaan genoemd en dat is in zooverre onjuist, dat ik hem natuurlijk wel een groot man vind ... maar waarom heb ik zooveel met hem op?--niet omdat hij mij ideeën heeft gegeven--maar omdat ik in goeien systematischen vorm bij hem terug vond wat ik zèlf al had, wat ik als jongen al onduidelijk in mij voelde leven: dat idée dat het verdriet of de slechte afloop of wat men kan noemen het pessimistische in de zaken: sterk overheerscht het optimistische, en dat het goeie een moment is dat toch weer slecht eindigt. Ik had laatst nog een briefwisseling met een dame, die groote bezwaren had tegen wat ik schreef in mijn artikel "_Hoe Loki ontstond_." Die schreef mij een langen brief waarin ze aankwam met het mooie in het leven.... Dat kon ik hiermee beantwoorden: Stel dat we de balans van het leven opmaken en we vinden een batig saldo aan wat de Duitscher noemt _Lust_, dan vind ik voor dat geval het idee van den ons steeds bedreigenden dood, van het onvermijdelijk moeten scheiden van de "Lust", zoo verschrikkelijk dat dit optimisme me nog pessimistischer lijkt dan mijn pessimisme. Waarom ik verder leef? Ik heb een dwazen instinctieven drang in mij om te leven en daarom ga ik er niet uit. Bij wie wil leven, bij die overheerscht eenvoudig de instinctieve drang en bij wie het verstand overheerscht, die moet inzien dat de kans om ongelukkig te zijn veel grooter is, dan de kans om gelukkig te zijn, dat de zoogenaamde optimistische beschouwing volkomen opweegt tegen wat we pessimisme noemen.

PESSIMISME EN GEMOEDSTOESTAND.

Maar u begrijpt wel, daarmee is niet gezegd dat ik een mopperaar ben. Welnee. Ik ben altijd van zeer opgeruimd humeur geweest. Dat is eenvoudig een je-schikken naar omstandigheden. Maar ik had veel liever niet geleefd. Ik ben er mijn ouders nooit dankbaar voor geweest dat ze mij het leven hebben gegeven.

--"Maar hebt u dan in uw leven niet een groot doel?"

HET FUTIELE VAN EEN LEVENSDOEL.