De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school.

Part 5

Chapter 5 4,069 words Public domain Markdown

--"Aan die menschen, die geen eigen meening kunnen hebben, maar die zoodoende langzamerhand een eigen meening krijgen. Dit is de groote winst van mijn laatste levensjaren: dat ik langzamerhand ben gaan begrijpen, dat de menschen nog niet mondig zijn. Dit is geen reden om op ze neer te zien. Maar men moet er toch rekening mee houden, en er zijn handelingen, zijn tactiek naar inrichten, als men het goed met ze meent. Men moet hun eigenaardigheden trachten te begrijpen, en naar die eigenaardigheden moet men ze beoordeelen. De bitterheid van Multatuli vindt zijn oorzaak daarin, dat hij de menschen niet kende en niet begreep. Als hij ze beter begrepen had, dan was hij ze nooit zoo bitter te lijf gegaan.... Als ze niet naar mij luisteren, dan is het mijn schuld. Dan begrijp ik ze niet. Dan stel ik ze te hoog. Mijn meening daaromtrent heb ik o.a. neergelegd in een "Gids"-artikel, dat het laatste hoofdstuk is geworden van de Duitsche uitgave van "De Blijde Wereld". Daarin geef ik de inzichten waartoe ik gekomen ben door mijn sociologische ervaringen, die hoogst noodig zijn geweest, en waarvan ik alle ellende en al de verliezen niet betreur. Want zij hebben alle bitterheid van mijn leven weggenomen."

ZONDER VERBITTERING!

Verbittering is altijd een bewijs van slecht begrip. Nietzsche en Multatuli beiden waren verbitterd doordat zij de massa niet goed begrepen.... Mijn stuk in "De Gids" is zoo bespottelijk slecht uitgelegd als ooit een stuk van mij is uitgelegd. Niemand heeft er een verstandig woord over gesproken. In een paar woorden gezegd, komt de inhoud hierop neer: Het juiste begrip van de massaal-psychologie en van de waarde van het kudde-instinct. Dat klinkt helaas niet mooi in onze taal, en "Herdeninstinkt" en "the voice of the herd" klinkt fraaier. Zeg dan liever "Groeps-instinct".

--"Wilt u nu weer aanknoopen bij wat u vertelde over uw afscheiding van "De Nieuwe-Gids"-groep?"

VAN EEDEN EN "DE NIEUWE TIJD."

--"Goed. Ik ben van die menschen weggegaan, zoodra ik voelde, dat de ethische schoonheid meer moest worden gehandhaafd, en ik mijn leven met deze overtuiging meer wilde doen harmoniëeren. U zult zeggen: Van der Goes heeft hetzelfde gedaan. Maar die is onder de hand in de dogmatiek verzeild geraakt. En daar is hij voor goed opgeborgen. Als geest is hij nu verloren. Ik daarentegen ben een verklaard vijand van alle dogmatiek, omdat hij den geest versteent, en daardoor het leven onmogelijk maakt. In iemand als Van der Goes is zoo'n overgang te begrijpen. Hij is altijd een droog intellect geweest, zonder krachtige eigen persoonlijkheid. Maar van Gorter is het meer te bejammeren. Bij hem ligt de fout in een gebrek aan intelligentie. Hij heeft fijn-gevoelige dingen, hij was een goed dichter, al is hij spoedig decadent geworden. Maar hij wist zich nooit recht te houden, hij heeft nooit een helderen kop gehad.... Dus, bij de mannen, die zich aan de sociaal-democratie verslingerd hebben kon ik mij al evenmin aansluiten. Mijn vrijheid is mij te lief. Ik ben dankbaar, dat ik dat toen direct begrepen heb. Want hoe meer ervaring ik opdeed, hoe stelliger ik overtuigd werd, dat ik de goede richting zoek en wat ik heb leeren inzien, wordt nu ook in andere landen begrepen, langzaam aan."

--"Ziet u een bepaald verband tusschen de leer van Marx en de ideeën van de Nieuwe-Gids-groep, zooals Van der Goes en Gorter ze vroeger beleden?"

--"Neen. Zij hadden iets noodig om zich aan vast te klampen. Zij hadden een leer noodig, en die hebben ze nu. Dat ze Marxist zijn geworden is toevallig. In vroeger eeuwen waren ze Calvinist geworden. Want ze zijn geen oorspronkelijke menschen, ze kunnen niet op zich zelf staan, ze hebben een dogma noodig. Ze moesten zich vasthouden aan een groote persoonlijkheid, en honderd jaar vroeger waren ze aanhangers geworden van Rousseau."

--"Voelt u niets voor hun meening, dat het schoon is, je persoonlijke idealen prijs te geven, om te werken voor de gemeenschap?"

PERSOONLIJKHEID.

--"Persoonlijkheid ... persoonlijkheid is een dubbelzinnig woord. Je persoonlijkheid handhaven, dat is goed, wanneer het beteekent: het oorspronkelijke in je. Maar stel je voorbijgaande eigenschappen op den voorgrond, dan is het verkeerd. Die twee dingen worden verward. Ik vind het soms heel loffelijk je individualiteit weg te redeneeren, je op te offeren voor grootere belangen. Maar ik moet tevens erkennen, dat in je individueel Zijn wordt gevonden de eenige bron voor wijsheid, voor de regeneratie van de menschheid. Alle mannen, die voor de wereld iets beteekenden, konden dat slechts door hun individualiteit. Uit hun innerlijke zielswezen putten zij de kracht en de wijsheid om de wereld te regenereeren. Alle dogmatisme is afdwalen van de innerlijke wijsheid. Dat is een vertrouwen op woorden, termen en uitspraken, zonder na te gaan hoe de zaken er in werkelijkheid uitzien. Alleen het individu dat de werkelijkheid nabij blijft en voelt kan verbetering brengen. Goethe heeft 't gezegd: "... da bleibt nur die Persönlichkeit", als alle gaven niets meer beteekenen, dan blijft de oorspronkelijke, niet napratende persoonlijkheid nog van waarde."

ZIJ ZOEKEN DE GROOTE PERSOONLIJKHEID.

"De persoonlijkheid is het tegendeel van conventie. Wat beteekent het, dat men steeds zoekt naar de portretten van groote mannen? dat ze in Amerika bv. altijd willen hebben: de persoon, de persoon! Het bewijst, dat men zoekt naar iemand, die bij de bron zit van het Weten. Men voelt dat vandaar de vernieuwing moet komen. Aan den eenen kant is het dus waar, dat men zijn persoonlijkheid moet opofferen, maar aan den anderen kant is het even waar, dat uit de persoonlijkheid alleen het nieuwe leven komen kan."

Gedurende het laatste deel van ons onderhoud werd de persoonlijkheid, die ík trachtte te begrijpen inderdaad àl te zeer "gezocht". In vijf minuten riep men hem minstens driemaal aan de spreekbuis, en de zinnen kwamen bij stukjes en brokjes uit hem. Nu zat er al wéér iemand beneden op hem te wachten, Hij had waarlijk geen tijd meer voor me.

Nog één vraag mocht ik hem stellen.--Als ik hem nu breng op de geruchten, die ze in den laatsten tijd verspreiden over de "bevrijdingsplannen", die hij in Amerika denkt uit te voeren, zoo dacht ik, dan weet ik meteen in hoeverre zijn inzichten zich in de pas verloopen jaren hebben gewijzigd. Wie kunstuiting en maatschappelijk ideaal wil doen harmoniëeren, kan mij over het eene niet inlichten, zonder het andere méde te bedoelen.

--"Wel," zei van Eeden, "over mijn plannen behoeven wij niet lang te praten. Verleden jaar ben ik vijf weken in Amerika geweest. Ik ben begonnen met een redevoering, die algemeen bekend is, en ook in het Hollandsch werd vertaald. En, nadat ik vijf weken lang had geconfereerd met Amerikanen, heb ik deze redevoering-hier uitgesproken in de "Economic Club" te New York, den dag voor mijn vertrek. In die rede vindt U uitgewerkt de plannen, die ik nu wil trachten te verwezenlijken. Ik ga nu heen, met het uitgesproken doel, te onderzoeken in hoeverre dat mogelijk is. Het niet-politieke socialisme, daarvoor werk ik, en langzamerhand zie ik, dat in alle landen, tot zelfs in Duitschland en in Amerika, meer en meer begrepen wordt, wat ik hier zooveel jaren heb gepredikt. De verbetering moet komen door economische middelen, niet door politieke. Die komen pas in de tweede plaats. Eerst moeten de economische grondslagen gelegd. Natuurlijk heb ik door mijn ervaringen hier in Holland geleerd: Als het eerste luchtschip verbrandt maakt men het tweede beter."

--"Wat is dan het groote verschil tusschen uw eerste "luchtschip" en uw tweede?"

HET NIEUWE LUCHTSCHIP.

--"Dat ik nu heb ingezien, dat de machines geen macht hebben, maar dat de machinist de macht uitmaakt. De coöperaties moeten worden geleid door schrandere, ervaren mannen-van-zaken, door commerciëele of industriëele genieën of talenten, kortom: van boven af. Of dat nu kapitalisten zijn of socialisten, het doet er niets toe. Mijn ondervinding met de vereeniging "Gemeenschappelijk Grondbezit" heeft mij geleerd, dat de arbeiders niet in staat zijn, zelfs maar een kleine onderneming voldoende te beheeren. En als men nu de schuld van de mislukking op mij gooit, die tracht af te wentelen van de arbeiders, dan bewijst men daarmede, wat ik al gezegd heb: dat het aankomt op de leiding. En spreekt u mij van gemeenschapsgevoel, dan zeg ik u, dat dit volstrekt niet gewaarborgd wordt door het etiket "socialisme". Ik heb langzamerhand geleerd, wat dat beteekent: socialistisch gemeenschapsgevoel. Niets! Bij kapitalisten is het dikwijls nog grooter dan bij zich-noemende socialisten. Maar ik verwacht van niemand groote opofferingen. Ik verwacht alleen, dat er wel eenige menschen zullen gevonden worden, die hun geld tegen redelijke condities zullen willen beleggen. En om deze zaak tot stand te brengen zijn een paar "vijf-percentsphilanthropen" voldoende, wat het geld betreft. En reeds nu heb ik gezien, dat ik mag hopen."

Daarmede was ons gesprek teneinde. Hij werd weer weggeroepen.

"Een mooi vak heb jullie," zei hij, voordat hij mij verliet, "een prachtig vak. Ik erken dat het goed is, menschen, die iets te zeggen hebben aan het spreken te brengen. Maar toch ... toen ik uw stukken over andere schrijvers las, toen dacht ik: Tot zoo iets leen ik me nooit. Omdat het altijd er uitziet alsof de geïnterviewde met zooveel zelfbehagen over zich zelf zit uit te pakken. Dat is meestal een schijn, die de goede reporter moet vermijden, door zijn eigen rol in 't interview duidelijk te laten uitkomen. Ik hoop, dat U dat doen zult en daarom leende ik mij er toch toe. Als het goed geschiedt, is het heel nuttig het publiek over een persoon in te lichten, en er schuilt meer trots en ijdelheid in het afwijzen dan in het aannemen van interviews."--

Hij leidde mij de trappen af. Hij leek heel slank, heel ondernemend, heel jeugdig.

27 Jan. '09.

FRANS NETSCHER

[Illustratie: FRANS NETSCHER]

FRANS NETSCHER

"Misschien weet u, dat ik in mijn jonge jaren nogal wat te danken heb gehad aan Jan ten Brink, die toen mijn leeraar was aan de H.B.S. in den Haag. Eerst ging ik school te Gorkum, en toen ik daar in de derde klas van de H.B.S. zat begon ik te schrijven. Van dat echte Hollandsche polderland, dat ik daar in den omtrek te zien kreeg, heb ik zoo een dingetje gemaakt en ik was heel blij, toen dat als feuilleton werd opgenomen in een plaatselijk blaadje, "De Gorkumsche Courant", hiette dat, geloof ik.

"Maar op de H.B.S. in den Haag dan, daar werden Ten Brink en A.W. Stellwagen de mannen, van wie ik leerde. Couperus was daar gelijk met mij; wij woonden dicht bij elkander, onze famieljes gingen met elkaar om en wij liepen 's middags na schooltijd met z'n twee in de Boschjes. Daar kwamen we Vosmaer nog al eens tegen,--die had toen juist zijn "Amazone" geschreven. En ook Emants, die we van aanzien kenden. We wisten zoo, dat 't Emants was, hè? Die "wandelde" altijd alsof hij heel haastig ergens naar toe moest.--"

LETTERKUNDIG LEVEN IN DEN HAAG.

"Goed! De man nu, die ons 't eerst er toe bracht, wat meer na te denken over kunst en zoo, dat was mijn neef Kolff, die niet erg bekend is, maar enorm veel heeft gedaan. Hij was de eerste, die--in "Het Vaderland"--De Bock, Maris en Mauve dorst verdedigen, die op de tentoonstellingen werden uitgelachen. Ook nam hij 't op voor Wagner, en was een van de eerste pelgrims naar Bayreuth. Hij las Zola al, voordat iemand bij ons er aan dacht, en ik bewaar nog altijd een pak brieven die Zola hem heeft gestuurd. Nu, die man dan dineerde eens in de week bij ons en dan kwam 't gesprek vanzelf op allerlei nieuwe dingen in literatuur en kunst. We zaten toen ook in een club "_'t Vlondertje_" hiette die; daar zaten dezelfde lui in als in de "Nederlandsche Spectator-Club", die bij Nijhoff vergaderde; je had daar ook Willem Maris, Boele van Hensbroek ... enfin een massa lui uit dien tijd. Die club kwam bijeen in een bierhuisje in de Kettingstraat, daar schonken ze heel lekker Duitsch bier. En naderhand verhuisden we naar Linken, een koffiehuis in de Spuistraat. In de pauze zag je daar dan ook de kamerleden komen om hun bittertje te drinken. Ik herinner mij nog levendig, dat Schaepman er dikwijls verscheen: een man als een boom; en een ander bekend Kamerlid, nogal klein van stuk en schraal, hoor ik met een dun stemmetje vragen: "Wat zult u gebruiken? meneer Schaepman"; en die reus bromde dan met zijn zware stem: "Geef me nog maar een grokkie!--""

HOE NETSCHER TOT ZOLA KWAM.

Mijn moeder vertelde dat Zola zoo gemeen was en mijn neef Kolff sprak dat tegen. Dat wekte mij op, hem ook eens te gaan lezen.... Toevallig vond ik zoo den schrijver, die uitte wat ik onbewust ín me had.... Ja, die collectie brieven, daar heb ik nog eens een gedeelte van willen publiceeren, met aanteekeningen, in "De Gids"--die waar de geschiedenis van zijn romans inkomt. Maar Van Hall zei: "Doe 't niet, want Van Hamel gaat er een studie over schrijven".

Op die wijze, en ook door Ten Brink, ben ik aan 't lezen van Zola gegaan en van zelf kwam ik toen op Flaubert, Balzac, de Goncourt's, Huysman en de heele cénâcle van Médan.

EERSTE WERK.

Ik ging toen op de cursus van Steger, bij de stenographische inrichting van de Staten-Generaal, want ik zocht een bijbaantje.... Keller en Johan Gram waren ook stenograaf geweest en ik dacht: schrijven en stenograaf-zijn gaat heel goed samen. Toen de cursus was afgeloopen, kreeg ik verlof om mij verder te oefenen op de tribune, en terwijl ik daar zat bedacht ik de schets: "_Een woelige dag in de Kamer_": het eerste stuk van mij dat de aandacht trok.

Ten Brink werd door minister Heemskerk tot professor benoemd en ook te Leiden ben ik hem blijven volgen. Samen met Schimmel was hij redacteur van "Nederland" en toen hij mijn stukje had gelezen, zei hij: "Geef mij dat voor "Nederland", maar zet er je naam niet bij, anders krijg je last met de menschen in de Kamer". En het verscheen onder 't pseudoniem _H. van den Berg_.

In dien tijd, bij Linken, had ik ook Ary Prins leeren kennen en die zei op een goeie dag: "Hei-je dat gelezen in 't "Amsterdammer Weekblad?"" (dat hiette toen nog niet "De Groene".) Daar stond een stuk in van Van Deyssel, die met mijn schets in "Nederland" heel ingenomen was.

KARAKTER VAN HET EERSTE WERK.

Mijn eerste bundel schetsen kwam nu spoedig bijeen. Ik schreef er nog meer "_Studies naar het naakt model_," naturalistisch, eenvoudig, waarin ik trachtte in voor 't oog onbeduidende menschen het interessante te zien. Die waren bij Mouton in den Haag verschenen, en Josselin de Jong had er teekeningen bij gemaakt.... Curieus is, dat ik een exemplaar met inscriptie, aan Jan ten Brink ten geschenke gegeven, twee jaar geleden weer in handen kreeg. Henri Dekking snuffelde in Rotterdam in 't stalletje van een boekenjood en vond daar 't boekje, met aanteekeningen van Ten Brink voorzien.--Daarin vindt u ook een jodenschetsje: "_Wat zal er van worden_?..." Bij de Nieuwe Kerk in den Haag zat in mijn jongen tijd een oud vrouwtje, met vijgen _en zoo_; ik kwam daar dikwijls voorbij en moest dan denken aan een klein meisje, dat mèt haar zat. Zoo kwam dat schetsje in de wereld. Ik weet dat Israëls daar verschrikkelijk mee was ingenomen. Jaren nadien zei hij me. "Ik heb nog eens zoo'n mooi ding van je gelezen."

SUCCES VAN HET NATURALISME.

Die bundel, de eerste van dat genre in ons land, was in twee, drie weken heelemaal uitverkocht, en onmiddellijk daarop kwam de tweede druk. En daar werd me Van Deyssel ineens wakker. Hij schreef een geweldigen aanval tegen me--een van de mooiste dingen, die hij ooit gemaakt heeft.

In de Kamer zat ik nog steeds op de tribune en maakte onder de hand mijn "Parlementaire portretten". Ik had tot buurman den toenmaligen hoofd-redacteur van "Het Vaderland", nu een van de directeuren van de Rijksverzekeringsbank. "Wil u dat misschien voor uw blad hebben?" vroeg ik 'm. Nu, hij vond 't stuk wel aardig, maar een beetje persoonlijk, en hij wou er liever niet aan. Toen ging ik er mee naar Jan C. de Vos, indertijd Hoofd-redacteur van de "Haagsche Courant" en, met Van Nouhuys, redacteur van "De Lantaren". "Jan C.", zeg 'k tegen 'm, "daar heb ik een dingetje gemaakt en dat willen ze aan 't Vaderland niet hebben". En Jan C., zooals die geschapen was, stoof op en riep: "Godv.... wat een flauwe kul is dat nu!" En hij drukt op een belletje. "Hé-je 't bij je?"--"Ja".--"Hier" zeid'-ie tegen den zetter, "onmiddellijk zetten."--"Moet je 't niet eerst lezen?"--"Nee, 't zal wel goed zijn."--Het is toen verschenen in "De Lantaren" en vanaf de tribune zag ik de geachte afgevaardigden zitten met een nummer waar 't in stond. "Het Vaderland" drukte 't toen toch af, met "Overgenomen uit "De Lantaren."" er bij. Nu was-ie gedekt!

Daarna zijn er nog andere parlementaire portretten gekomen en in 1889 gaf Warendorff den eersten bundel "In en om de Tweede Kamer" uit, waarvan hetzelfde jaar een tweede druk verscheen.

Intusschen werd de "Nieuwe Gids" opgericht. Paap was een vriend van me en in Amsterdam, op de Stadhouderskade geloof ik, heb ik bij hem gelogeerd. Daar maakte ik kennis met Van Eeden en Van Deyssel ... o ... o! dat was een vreemde tijd ... we waren nog jong ... jong en woelig, zal ik maar zeggen.

HOE DE "WOORDKUNST" ONTVANGEN WERD.

In een van de eerste afleveringen van "De Nieuwe Gids" schreef ik de schets "Herfst in 't woud". Dat was toen iets! Er stond in ... de boomen, daar loopt van dat sap langs, hè? Nu, dat had ik "snotterig" genoemd. Verbeel' je! Smit Kleine schreef daar een parodie op: "Voorjaar in 't woud".

Daarna kwam "Miss Nelly", de beschrijving van een Engelsche meid, zooals die stond te zingen in een tingel-tangel ... met al dat licht en die sigarenrook ... "Wip-billend" en "wieg-heupend" had ik daarin gezet ... dat waren toen nieuwe woorden. Ik heb toen voor 't eerst die malle woorden gebruikt, en daar is een storm van lol over opgegaan. Ik geloof dat 't toen Prof. Kalff is geweest, die daar met een ernstig gezicht een betoog over heeft gehouden. Moet dat niet zijn: "bil-wippend" en "heup-wiegend?" "Neen," zei ik, "dan ken je je taal niet, want je gebruikt toch zonder blikken of blozen woorden als "knipoogend."" Dat heb ik hem onder zijn neus gedauwd. Natuurlijk kwamen er weer allerlei parodieën ... maar tegenwoordig vindt men niets byzonders meer in die manier van schrijven.

JUSTUS VAN MAURIK

In die dagen was het Justus van Maurik voor en Justus van Maurik na. En toen heb ik een critiek geschreven op het valsche sentiment van dien man, die het volk heelemaal niet kende, en het evenmin teekende als Cremer boertjes teekende. Hij speculeerde op de goedkoope tranen van de burgerlui. En nu is een aardige byzonderheid wel deze: In den Haag daar had je en 't bestaat nog, het genootschap "Oefening kweekt kennis", waar allerlei professoren in gezeten hebben. Daar hielden ze in eere de gewoonte van "Het servetje": als er een spreker geweest was, werd er een soupee'tje gehouden, en meneeren die al 25 jaar in de club zaten, kwamen daar om 12 uur 's nachts borden erwtesoep en zware biefstukken met zware potten bier gebruiken. Nu zeiden wij: "Nee, hoor is, je artisten moet je goed betalen en eten dat moet je thuis doen." Maar er kwam geen verandering en de heeren kozen telkens dezelfde lui in 't bestuur. Toen besloten wij revolutie te maken. Op een mooien avond kwamen wij met z'n tachtigen ter vergadering. Dat overrompelde als 't ware het bestuur. En al de lui die 25 jaar lang zware biefstukken hadden genuttigd, die gingen d'r pardoes uit en ik kwam er o.a. in. Ik was een-en-twintig. Ik herinner mij nog dat de heele zaal opstond om mij achter den spreker te zien binnenkomen. Nu dan, Justus zou komen spreken en net was die critiek van mij verschenen. En hij schreef aan Campbell, directeur van de Koninkl. Bibliotheek, of die niet kon maken, dat ik wegbleef, want anders wou hij niet komen. Kinderachtig, hè? Zoo waren de menschen toen. Ik kwam er achter en toen heb ik hem een brieffie gestuurd, dat als ie alleen kwam voor die vijf-en-twintig pop, ik me wel niet zou vertoonen, die avond.

VAN EEDEN EN "HET SERVETJE."

Daar valt me nog een avontuur in: Van Eeden zou komen spreken en hij dineerde in Den Haag bij mijn moeder en mij.

--"Kan ik zoo naar "Oefening" gaan?" vroeg ie. Hij was als student gekleed in een gewoon colbertje. "Ben je mal, kerel? Ze lachen je uit!" Van Eeden natuurlijk ten einde raad, en het slot was dat hij mijn gekleede-jas zoolang aan kreeg. Nu ageerden wij in dien tijd nog tegen "het servetje" en als ik een spreker te pakken kon krijgen, dan stookte ik hem altijd op om niet mee te soupeeren. Maar 't gekke was, dat Van Eeden erg hield van lekker eten en na afloop had-ie zoo'n trek, dat-ie tòch wou gaan. "Ho jonge", zei ik, "da's niet afgesproken. Wil jij zware biefstukke nuttigen, ga dan je gang. Maar dan ook op staande voet mijn gekleede-jas terug!"

AUTEURSVERDRIET.

Met mijn tweeden bundel, "Menschen om ons" heb ik een naar avontuur beleefd. Kort na de verschijning ging de uitgever failliet. Voor de "Witte" in den Haag stonden ze met zoo'n open handwagentje te venten. Een kwartje een heel boek. Het is dan ook nooit herdrukt. Jammer, sommige van mijn beste dingen stonden er in.

Dan heb ik nog geschreven een brochure tegen Van der Goes. Die had Ten Brink aangevallen en ik betoogde dat er in Ten Brink, bij al zijn fouten, veel was dat ik kon waardeeren, dat hij in veel zaken onze voorganger was.

NETSCHER TE PARYS.

U moet weten dat ik stam uit een oude ambtenaars-famieje en dat mijn vader resident is geweest in Indië. Nu, mijn moeder werd hier ongesteld en moest voor haar gezondheid terug, naar Indië, hè? Ik heb haar weggebracht over Parijs en toen ik daar eenmaal was, heb ik geprofiteerd van de gelegenheid om kennis te maken met de naturalistische beweging, en o.a. met Zola, daar ik jarenlang mee had gecorrespondeerd (ik heb nog al zijn boeken met inschriften van zijn hand), met Huysmans en Paul Marguérite. Net in dien tijd was van Zola's "Germinal" een tooneelstuk gemaakt,--U weet--die verschillende bewerkingen gebeurden onder zijn toezicht. Maar met "Germinal" was hij niets ingenomen. "Och," zei hij, "ga er niet heen, je hebt er niets aan."

Huysmans,--ja dat is een goeie mop,--die was ambtenaar aan een ministerie, en daar had-ie de afdeeling: "Slachtoffers van de coup d'état van 1852". Ik kwam hem eens van zijn bureau halen: we zouden saam dineeren. En toen ik binnenkwam, zag ik dat ie haastig iets wegmoffelde onder een buvard. "O, ben jij 't", zeid'-ie, "neem me niet kwalijk, ik zat juist voor me zelf te werken".--

"Heb je dan zoo weinig te doen?"

--"Weinig? M'n chef hier naastaan zit kalm te werken aan de "Dictionnaire Larousse.""

THEORETISCHE STUDIE; HAAR NUT.

Ik heb van Huysmans in dien tijd veel geleerd. Ik ging toen ook aan de studie van psychologie, en ik las vooral Claude Bernard. Dàt was onze man. Of die wetenschap mij later te pas is gekomen, en mij geholpen heeft de menschen beter te begrijpen, dat zou ik niet kunnen zeggen. Misschien is mijn inzicht ook wel altijd intuïtief geweest.

Op een goeie dag ontdekte ik in een boekwinkel een werk van George Moore, den Engelschen Zola. Ik trad met hem in correspondentie en schreef in de ouwe "Gids" een artikel over hem, dat nogal opgang maakte. Curieus is wel,--de boekhandelaar vertelde me dat,--dat naar aanleiding van mijn Gids-artikel iemand uit 't Koninklijk Paleis,--U weet, zoo'n mosterdman met een enorme beremuts,--die was komen vragen naar de werken van Moore. Het naturalisme werd dus ook wel in hoogere kringen gelezen.

Laat ik u nog even wijzen op mijn tooneelkritiek in "De Amsterdammer" en mijn raadsverslagen in de "Haagsche Crt." toen Jan C. daar in zat. U in uw werkkring kent misschien ook wel de zoogenaamde "bedstêe" die in de raadszaal van onze residentie voor perstribune dient. Daar heb ik ook ... gebruik van gemaakt. En dan noem ik U nog een bundel schetsen: "Uit ons Parlement".

DE ROMAN "EGOÏSME."