De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school.

Part 4

Chapter 4 3,842 words Public domain Markdown

--Denkt u, dat het publiek het verschil begrijpt tusschen proza en verzen? Want dat zijn twee heel verschillende dingen, net zoo goed als hout iets anders is dan steen. U weet: er is altijd streven, om het te doen voorkomen, alsof het verschil tusschen die twee eigenlijk iets bijkomstigs is. Daar ben ik het heelemaal niet mee eens. Zie, als je loopt, dan maak je passen in een door de nuttigheid voorgeschreven richting en orde, maar als je danst, dan wordt de richting je voorgeschreven door de schoonheid, dan ga je werken met maten. En daarvan maakt in de taal de dichter zijn werk. Ik merk zoo goed, hoezeer mijn gedichten zich onderscheiden van mijn proza. Er is natuurlijk ook wel proza, dat de enkele bedoeling van duidelijkheid zoozeer verlaat, dat het op verzen gaat lijken, maar dat is een tusschensoort en het is eigenlijk niet wat proza behoort te zijn, nl., een klare, lucide verstandsuiting in de eerste plaats. Hetzelfde verschil bestaat er tusschen zingen en zeggen: Als ik u iets vertel, dan houd ik rekening met mijn gedachten, dan overdenk ik telkens de dingen, die ik heb voor te dragen. Maar als ik zing, dan is het voldoende, dat ik kreten slaak, ook al hebben die geen gedachte-samenhang. Jacques Perk heeft zich in dit opzicht eens zoo teekenend uitgelaten: "Het kost mij geen moeite, voor mijn rijmen gedachten te vinden," heeft hij ergens gezegd. En dat is de heele zaak. Mijn woorden volgen een door de schoonheid voorgeschreven richting; ik laat mijn heele leven lang mijn woorden dansen in de maat, en dat is eigenlijk het mooiste wat ik weet.

--"Maar u moet toch ook wat te vertellen hebben."

HIJ BEHOEFT NIET ALTIJD IETS TE "VERTELLEN."

"Neen, dat hoeft niet. Ik heb mij meer dan eens tot schrijven gezet, zonder dat ik wist wat er komen zou. Ik zou u er voorbeelden van kunnen geven, dat ik enkel een zekere behoef te voelde aan klanken, aan een woorden-dans...."

--Wilt gij mij misschien dan eens zoo'n voorbeeld geven?

--Ik spreek niet graag over mijn eigen werk in byzonderheden.

--En ik zou u toch zoo dankbaar zijn, als u mij nu eens één gedicht wilde aanwijzen, dat u bent gaan schrijven om de klanken enkel en alleen....

--Nu, als u het dan genoegen doet, dan zal ik er even een voor u opzoeken. Hier:

NACHT IN HET ALHAMBRA.

De dichter.

Waar is de flonk'ring, waar 't geklater, Waarmee mijn straal de zon beklom? Het diepst en reinst is 't donk're water, Dat slaapt in ondergrondsche kom.

Deze klanken brachten mij op het Alhambra, waar ik geweest ben, en mijn herinnering daarvan. U hebt daar een leeuwenfontein, en de oppasser had mij verteld, dat die alleen spuit als er vorstelijke bezoekers komen. En ik ging verder:

De hooge gasten zijn verdwenen, De schaduw is aan 't overlenen, En in de hooge en blanke zaal Gaat door de smalle en marm'ren goten Het laatste water weggevloten, In stroompjes, kronkelend en schraal....

Zoo ga ik dan nog een heel stuk door. Het eigenaardige van dit gedicht is, dat het niet is gepremediteerd, dat ik het phantaseerde onder 't schrijven. Maar het publiek begrijpt in het algemeen niet, dat het in de eerste plaats om zang te doen is, en dat daarom de maten zoo belangrijk zijn. Evenals het spelen op een viool, brengen die onze fantasie in beweging, en daarom is de maat ook het wezenlijke voor den dichter, waaruit hem blijkt, hoe eigenlijk zijn innerlijk leven is.

--U sprak zooeven over den invloed, dien de dichter oefent op de maatschappij. Denkt u, omgekeerd, niet, dat maatschappelijke omstandigheden ook weer den dichter beïnvloeden?

MAATSCHAPPIJ EN DICHTER.

--Ik geloof, dat maatschappelijke omstandigheden tegenover het feit van het ontstaan van een talent niet zooveel beteekenen als de menschen wel eens denken. In groote gezinnen, waar de kinderen onder dezelfde condities leven, ziet men soms, dat één er van zich byzonder onderscheidt, en daar hebben de maatschappelijke omstandigheden dus al byzonder weinig te zeggen gehad. Natuurlijk, ze spelen hun rol en er gaat niets verloren; en ik geloof zeker, dat, is het talent er eenmaal, de maatschappelijke omstandigheden op zijn uitingen invloed hebben. Is hij sterk, de geniale man, dan zal hij van zijn uitingen niet afzien; is hij zwak, dan gaat hij ten onder of wordt gewijzigd. Als ik gedichten lees, dan merk ik ook altijd, dat de dichter heeft een bepaalden stijl, waarvan hij kan zeggen: dit is van mij; maar hij toont dien stijl nooit, zonder iets van buiten, en wat dat "iets" zal zijn, dat is toch maar toeval. Met de bundels, waarvan ik zooeven sprak, de verzen, die ik heb geschreven toen ik tot bezonkenheid kwam, was dit ook zoo; daar zat een heele reeks denkbeelden in, een plan, een soort van levensbeschouwing, en door alle ondervindingen, die ik opdeed, kon ik toch dat schema van mijn gedachten bijeen houden. In al die jaren veranderde dat bijna niet. En toch zijn al die gedichten mij zoozeer door het toeval ingegeven, dat ik ze bijna gelegenheidsgedichten zou kunnen noemen.

STIJL.

Maar de stijl, die is natuurlijk van mij zelf, en over dien stijl zou ik graag nog wat willen zeggen. Dat is eigenlijk een ander woord voor wat ik straks "ons binnenste" noemde, het geestelijke in de kunst. Het zit ook al in het woord: het stellige beteekent 't. Het Nederlandsche geestesleven wordt langzamerhand gestuwd naar een allerstelligsten vorm van uiting. Dat is ook zoo met de poëzie, met de schilderkunst, met de architectuur, en ook met de politieke organisatie. Het is bv. heelemaal niet toevallig, dat wij tegenwoordig een scherp afgescheiden arbeiderspartij hebben, terwijl er vroeger allerlei anarchistische stroomingen waren.

DE TIJD VAN DE STIJLGEVING.

Het is nu de tijd van de stijlgeving, zou ik kunnen zeggen, en in de laatste jaren zoek ik naar een stijl voor de poëzie. De Nieuwe-Gids-kunst had wel een aantal mooie uitingen, maar geen eigen stijl. U weet wel, onze poëzie was toentertijd grootendeels ontleend aan Engelsche voorbeelden, en daar was in andere landen ook iets dergelijks. Maar wij zien bv. in Frankrijk, dat de Régnier in zijn laatste werk is geworden de meest Fransche van zijn landgenooten, stijl heeft gekregen: een nationaal-Franschen stijl. In Duitschland zien wij ook zoo iets gebeuren. Daar werkte Stefan George onder den invloed van Baudelaire en Malarmé, en in zijn laatste werk is hij typisch-Duitsch geworden.

DE KUNSTENAAR "ALS ZOODANIG" EN ZIJN PERIODE.

En nu wordt tegenwoordig niet voldoende begrepen, dat de kunstenaar als zoodanig zijn beteekenis heeft voor de maatschappij. Als een periode achter den rug is, en zij heeft geen eigen stijl gehad, dan wordt daar een verwijt van gemaakt. Dan zegt men: dat was wel een gevoelige tijd, maar een eigen stijl hadden de menschen toen niet. En nu kom ik weer tot Berlage en Verster, die zoeken in hun kunst kracht in een eigen stijl. Zoo zoek ik in de poëzie. Hier is geen sprake van wat men persoonlijken stijl zou kunnen noemen. Die bezit ieder, die goed schrijft. Het komt er hier op aan iets eigenaardigs in zijn werk vast te leggen, dat in staat is een tijd te kenmerken in tegenstelling tot vroegere en latere tijdperken. Dit heeft met maatschappelijke invloeden in zooverre te maken, dat allerlei gevoelens slechts gezegd kunnen worden, als de maatschappij ze deelt, en dat is in een verbrokkelden tijd als de onze dikwijls erg moeilijk. Vooral voor de architectuur is dat waar. Wil die kunst tot uiting komen, dan is een samen-werking van allerlei uiteenloopende maatschappelijke machten noodzakelijk.

WAT NIET GEZEGD KAN WORDEN.

Zoo wordt de vorm van ons werk dikwijls door niet-kunstenaars bepaald: Wij kunnen niet werken zooals wij willen, als de maatschappij ons niet verstaat. Daarom verschijnen er ook zoo weinig drama's. Er is geen eenheid in ons maatschappelijk leven. Nu kan ik er wel aan toevoegen, dat dit mij eerder heeft geprikkeld dan teruggehouden. Maar wat er van zou zijn geworden, van mijn werk, als ik minder ruimte tot rustige overpeinzing en een zwakkere gezondheid had gehad, ik zou het niet durven zeggen.... En nu bedien ik mij nog wel hoofdzakelijk van een vorm, die zich wendt tot den enkeling. Een vers wordt door één lezer alleen óók genoten. Maar tot drama-schrijven zijn wij geen van allen ruim gekomen. Doe ik het een enkelen keer, dan weet ik toch wel, dat het niet voor de menigte is. En als u nu nog overweegt, dat een gedicht in een bundel eigenlijk pas zijn waarde krijgt door de plaats, die het inneemt in het geheele werk, dan zult u wel begrijpen, dat, al laat de maatschappij mij toe te spreken, ik toch nog verre moet staan van een groot deel van mijn lezers.

* * * * *

Vrienden, laat den dichter nu rustig achter in zijn eenzame kamer. Zooals hij mij zijn gedachten vertelde, heeft hij ze nog nooit neergeschreven ... zoo in vogelvlucht.

En laat mij nu, zonder mij meer te vragen, door regen en wind langs de duinen naar huis keeren: Ik heb zooveel te denken....

FREDERIK VAN EEDEN

[Illustratie: FREDERIK VAN EEDEN Jeugdportret]

[Illustratie: FREDERIK VAN EEDEN Portret uit den Walden-tijd]

FREDERIK VAN EEDEN

--"Ik heb daarnet een zoon gekregen, en overmorgen vertrek ik naar Amerika".

Met deze woorden trad hij in het zonnige logeer-vertrek, waar ik een kwartiertje had gezeten, in hoop en vreeze. Hij leek heel slank, heel vlug, en--ondanks zijn baardigen profete-kop met de zware denkvoren over 't voorhoofd en naast de oogen--heel jeugdig. Met zijn eigenaardigen, half-sarcastischen lach ging hij bij 't laai-lichte venster zitten; en waarschuwde mij, dat hij maar heel weinig tijd had, ieder oogenblik kon worden weggeroepen; bovendien niet de minste neiging tot vertellen voelde, maar zijn best wilde doen, mijn vragen duidelijk te beantwoorden. Ook moest ik hem beloven: goed te doen uitkomen, dat ik ons gesprek leidde, dat de onderwerpen die hij zou aanroeren, waren onderwerpen van mijn keuze.

Ik meende goed te doen, hem niet te vragen naar biographische byzonderheden; en, om aan te sturen op dieper liggende dingen, verzocht ik hem, uiteen te zetten, wat hem wezenlijk scheidde van de Nieuwe-Gids-dichters bij wie hij zich toch oorspronkelijk had aangesloten.

HOE VAN EEDEN DE NIEUWE GIDSRICHTING BEGRIJPT.

--"'t Was heel merkwaardig," dus begon hij, "dat de mannen van '80 zich zoo nauw verwant voelden aan Shelley. Maar zij vergaten, toen zij enkele goede dingen van hem overnamen, wat bij Shelley hoofdzaak is geweest, nl. zijn ethische beteekenis. Hij is de leidsman geworden van Kloos en Verwey, doordat hij was een groot dichter. Maar Shelley was voornamelijk een groot en goed mensch, een die direct opkwam voor het verdrukte volk van Ierland, en in het begin van de negentiende eeuw de anarchistische ideeën in den goeden zin het sterkst vertegenwoordigde. Hij was door-en-door een maatschappijmensch in zijn streven."

--"U oordeelde dus dat het streven van de Nieuwe-Gids-dichters anti-maatschappelijk was?"

LITERAIR DICHTERSCHAP EN MAATSCHAPPELIJK DICHTERSCHAP.

--"Ja: zij waren in hun smaak zeer precieus, en de consequentie daar van werd, dat zij zich trotsch stelden tegenover de maatschappij. Kloos was eigenlijk de persoon dien ik bestreed, omdat hij, naast zijn goed begrip van het literaire dichterschap, verdedigde een slecht begrip van het maatschappelijke dichterschap. Hij was vijandig aan de maatschappij, en al laat dit zich heel goed verklaren door zijn positie in het algemeen, het bleef mij antipathiek. De band die ons bond was zuiver literair. Hij was de man, die mooie dingen schreef, die goede verzen kon onderscheiden van slechte. Maar een gemeenschappelijken band van maatschappelijk idealisme, een band, zooals de groote Duitschers in hun bloeitijd hadden, dien hadden wij niet."

--"Maar brengt de aard van de nieuwere poëzie niet mee, dat de dichter individualistisch moet zijn?"

DE INVLOED VAN KLOOS MAAKTE DE NIEUWE RICHTING INDIVIDUALISTISCH.

--"Ik geef toe: een individu met de eigenschappen van Kloos moet zoo staan tegenover de buitenwereld. Maar de invloed van dat individu heeft de groep gemaakt. Als Perk had blijven leven, die meer was een idealistisch man in Schiller's zin, dan waren de gebeurtenissen misschien heel anders geloopen. Dat karakter van te zijn zeer kieskeurig, eclectisch, van zich zelf te beschouwen als uitverkoren, van zich zelve te stellen als een kleine groep begenadigden tegenover de groote domme bende, van te gelooven, dat men de schoonheid in pacht had, dàt ging uit van Kloos."

NIETZSCHE EN MULTATULI.

Het ligt in onzen tijd, zich zoo te gedragen als Nietzsche heeft gedaan, maar een man als Multatuli dee' 't toch volstrekt niet. Al heeft die later het publiek veracht, zijn streven richtte zich op de maatschappij, en van het literaire dichterschap wou hij niets weten. Ik geef toe ook, dat Multatuli daarin fout ging, in zijn afkeer van het literaire dichterschap, maar van zijn maatschappelijk idealisme had Kloos wel een beetje kunnen gebruiken.

TENDENZ-KUNST DAN?

Ik voor mij wilde dus vereenigen: het menschelijk idealisme met het streven naar literaire volmaaktheid, en dat juist heeft Shelley vóór mij gewild.... O, het is zoo dwaas te spreken van tendenz-kunst. Dat moet U eens goed navertellen, dat is nuttig voor de menschen van onzen tijd, en ik zal probeeren het ten duidelijkste te zeggen: Men hoort bijvoorbeeld door menschen, die op het oogenblik behooren tot het kliekje van Kloos,--ik zal geen namen noemen,--hoort men praten van tendenz-literatuur, die heelemaal verkeerd zou zijn, en daarmede bedoelen zij, alle literatuur die een zeker menschelijk idealisme vertegenwoordigt.

ZIJ VERGETEN HUN MEESTER SHELLEY.

Welnu, het zou goed zijn als die eens overdachten, wat hun groote meester Shelley daarover heeft geschreven. Want die maakte tendenz-kunst in hun zin. Hij verheerlijkt zonder ophouden "the noble", "the beautiful", "the honest", alle goeie menschelijke eigenschappen. Zij zeggen: moraal in de kunst is nonsens. Maar Shelley, die de grootste lyricus geweest is, is voortdurend vervuld van ethisch idealisme. En ik, ik ging volkomen mee met de voorkeur, die zij geven aan het mooie vers boven het leelijke. Maar nooit kon ik meegaan met de negatie van al wat men moraal noemt, door hun beweging voorgestaan.

--"Noemt U het toevallig, dat menschen met sterk idealisme ook beschikten over veel taalvermogen?"

ALGEMEEN MENSCHELIJK STREVEN EN TAAL VERMOGEN.

"Dat berust op diepe gronden. Ik heb daar een duidelijk uitgesproken meening over, waarom een heel diep en algemeen-menschelijk streven meestal samengaat met een groot taalvermogen. Ik zal die meening schriftelijk uiteen zetten. Laat ik U hier alleen zeggen: neen, ik geloof niet, dat we hier staan voor een toevalligheid. Maar hierbij moeten wij ook in het oog houden, dat die twee niet altijd in dezelfde mate samengaan. Schiller bv. was een man van voornamelijk ethische kracht, een, die niet bezat het groote lyrische vermogen van Shelley. Maar hij bezat volkomen wat ook Shelley bezat, de groote, nobele menschelijkheid, en daardoor alleen werd er een dichter uit hem. Dat hadden zij, de mannen van '80, in Schiller volkomen genegeerd. En zoodra ik vol ging houden, dat dit algemeen-menschelijke niet mocht worden losgelaten, vond ik Kloos tegenover me. Mijn eerste verzet tegen Kloos begon: toen hij de expressie "een goed mensch" uit de taal wou schrappen."

--"Nu komt er een onnoozele vraag: Wilt u dan alle tendenz-literatuur als kunst laten gelden?"

HET KENMERK VAN VERKEERDE TENDENZ-LITERATUUR.

--"Neen, er is verkeerde tendenz-literatuur, die, waarbij een zekere moraal wordt gepredikt. Dat is de tendenz, die bv. Schiller niet wilde. Ik zou u citaten kunnen geven, waaruit blijkt, dat hij valsch noemt: werk, dat den lezer of den aanschouwer wil meesleepen in deze of gene richting. Wat is dan het verschil, zult u vragen. Dit:--dat de kunstenaar, die een zuiver kunstwerk maakt, daarbij wordt bewogen door de schoonheid van zijn idealen, ook al zijn dit ethische idealen. De mensch, die onzuiver werk maakt, denkt om den invloed, dien hij op anderen zal hebben, tracht zijn lezers over te halen tot zijn overtuiging. Dit nu kan een echt kunstenaar als zoodanig niets schelen. Die let alleen op de schoonheid van hetgeen hij voor zich ziet. Let u op een van de hoofdwerken van Shelley, dan voelt u, dat hij in grenzelooze bewondering is voor hoog-menschelijke eigenschappen. Maar u merkt niet in hem de kleinste poging om iemand te bekeeren tot zijn opvattingen. Als die bekeering komt, dan moet ze komen door de schoonheid van wat hij te aanschouwen geeft. Maar wat hij u laat zien, dat zijn ethische dingen, menschelijke, moreele schoonheid. Daartegenover stel nu eens de boeken van Mevrouw Goedkoop-Van Beek en Donk, of Barthold Meryan van Cornélie Huygens. Daar komen goede gedeelten in, maar als geheel staan zij onder den invloed van wat de auteur wilde verrichten onder de menschen."

--"In hoeverre houdt deze opvatting van u verband met uw bekend artikel, waarin men zoo vreemd heeft gevonden de vergelijking tusschen de gedichten van Hélène Swarth en ... "snert?""

TOEN DE OOGEN HEM OPENGINGEN.

--"U moet niet vergelijken artikelen en kunstwerk. Artikelen willen wel degelijk overtuigen. Artikelen zijn werkingen van minder rang,--zooals ik altijd heb gezegd,--die voor mij de beteekenis hebben van vrijmaking. Ik geef toe, dat ik wat ruw ben geweest in 't veroordeelen van 't zwakke werk van Hélène Swarth. Maar het is voor mij heilzaam geweest, dat ik die artikelen, waarop u doelt, heb geschreven. Ze maakten me los, ze maakten me vrij. Ik heb mij vrijgevochten van mijn verbond met menschen, die ik niet als kameraad kon beschouwen....

"Ja, mijn oogen zijn eerst langzamerhand opengegaan voor de verschillen tusschen hen en mij. Ik wil graag toegeven, dat ik blind ben geweest voor veel slechts in hen. Ik heb ze altijd edelmoediger behandeld dan zij mij. Maar het is van begin af mijn fout geweest, dat ik eerst het goede zag in de menschen, en eerst veel later het kwade. Nu ik mijn leven overdenk, begrijp ik niet, hoe ik het zoo lang heb kunnen stellen met ze. Intusschen, als kunstenaar ben ik altijd van hen onafhankelijk gebleven. Wij ondergingen gelijke invloeden, maar ik ging mijn eigen weg. Kloos zelf is veel sterker onder invloed van Perk en de Engelsche lyrici geweest dan ik onder dien van Kloos of anderen. Het eerste deel van de "De Kleine Johannes" bracht mij tot ze. Ik herinner mij nog goed, dat ze bij mij kwamen, om dat werk in "De Nieuwe Gids" opgenomen te krijgen. En de stukken, die ik er later bij heb gemaakt, die sluiten er nauwkeurig bij aan, die heb ik zonder moeite in dezelfde richting gehouden. In mijn kunstrichting is dan ook geenerlei verandering gekomen. Wat zich wel heeft gewijzigd, dat is de verhouding in mijn werk tusschen het episch-lyrische element en het dramatische."

DRAMATISCH WERK.

"Waarschijnlijk zou ik meer dramatisch werk hebben geleverd, als de theater-directeuren mij beter tegemoet waren gekomen. Maar toen die te geringe waardeering toonden voor mijn werk, ben ik mij meer gaan bewegen in epische en lyrische richting. Pas in den laatsten tijd heb ik getracht dat in te halen. En ik wil daarmee voortgaan."

--"Acht u het dan verdedigbaar, u door uiterlijke omstandigheden zoo te laten leiden?"

--"Ik heb mij niet laten leiden. Integendeel. Nadat "Don Torribio" geweigerd was,--een goed stuk, dat toen gespeeld had moeten worden,--nadat het net zoo was gegaan met "Het Poortje"; ging ik werk maken als "De Broeders" en "Lioba". Dat voldeed meer aan mijn verlangen. Een schrander directeur had mij moeten zeggen: Kijk, daarvan is iets te maken voor het tooneel. In Duitschland is men mij beter tegemoet gekomen. "De Broeders" heb ik nu omgewerkt voor tooneel, en "Lioba" gá ik omwerken. Dat mag u gebrek aan doorzettingsvermogen tegenover de theater-directeuren noemen, ik heb op deze wijze toegegeven aan mijn hoogsten smaak. Wat ik toen gemaakt heb, vond ik beter, dan wat ik anders gemaakt zou hebben. Ik erken nu, dat het goed is, iets te maken, dat tevens speelbaar is. Iets dat zoo mooi is als het beste dat wij in ons hoofd hebben, maar dat toch door de massa wordt gewaardeerd, dat is mijn grootste zoeken.--"

--"Denkt u dus, dat de massa zoo hooge uitingen kan waardeeren?"

KUNSTENAAR EN "DE MASSA."

--"Ik acht het mogelijk, dat een groot dichter iets maakt, dat zoo speelbaar is als het werk van Ibsen, en lyrisch en dramatisch zoo hoog staat als 't werk van Shelley. Shakespeare is daarvan het beste voorbeeld. Literair mooi, en toch altijd pakkend. Ik vind Ibsen als literair dichter niet hoog staan, absoluut niet, maar zijn groote verdienste is, dat hij een manier heeft gevonden, om het publiek iets te zeggen van af het tooneel. Menschen als Verwey en Van Deyssel mogen op Ibsen neerzien ... maar ondertusschen! ze mochten willen, dat ze zijn bekwaamheid hadden om het publiek te treffen. Een dichter die niet kan spreken tot het groote volk, die ... die is niets!"

--"Ik moet nog eens terug komen op mijn vraag: Denkt u, dat het mooie, diepe in Ibsen kàn begrepen worden door de groote massa? Als een heele zaal, zooals ik ergens beschreven heb, "klok-klok" roept, op het oogenblik, dat Oswald in "Spoken" zijn moeder om champagne smeekt,... en dat is nog niet eens het grootste moment van het drama ... dan kan men toch moeilijk zeggen...."

--"Ja, de engelebak."

... Als ik de engelebak bedoelde, dan zou ik aan die vraag niet zooveel beteekenis hechten. Neen, ik bedoel in dit geval, en in honderd andere gevallen: het grootste deel van het gewone publiek.

--"Dat doet er niets toe. Het zal dikwijls gebeuren, dat de aanschouwers van het stuk niets terecht brengen. Wij kunnen aannemen, dat van de menschen, die Ibsen zien, niet een derde de diepere waarde van de stukken snapt."

DE WAARDE VAN PRESTIGE

Maar zijn prestige is gevestigd. Er is geen mensch, die op hem durft neerzien. Als hij werkelijk iets beters te zeggen hadd' gehad, dan was hij een kracht geworden in de samenleving. Hij is een naam. En als hij iets te verkondigen hadd' gehad, dat het groote publiek gelukkig hadd' gemaakt, dan was die naam enorm geworden, en had enorm ook kunnen wèrken. Dat is niet gebeurd, omdat hij een zwakke levensbeschouwing verkondigde: het pessimisme. Maar zijn dramatisch vermogen had van buitengewoon groote beteekenis kunnen worden.... Wat geeft 't of driekwart van de menschen, die er bij zitten hem niet begrijpt! Zij weten, dat is die-of-die, een groot man, en we mogen er niet om lachen.... Denkt u, dat iemand bij een Wagner-voorstelling durft lachen? Ik heb het nooit gezien, hoewel er honderden zijn, die het wel zouden willen.

--"Ik moet u wel slecht begrepen hebben. Zooals ik u nu begrijp wordt het prestige van den dichter een soort waarschuwing, die de menschen in bedwang houdt."

DE MENSCHEN MOETEN GELEID WORDEN.

--"Nee, dat werkt dieper door. Ik kan de meerderheid van de menschen niet anders beschouwen dan als kinderen, die geleid moeten worden. Ze kunnen alleen geleid worden door de opinie van anderen, en dat is heel noodig. De invloed van Schiller in Duitschland bv. is zeer groot, en werkt zegenrijk. Dat heb ik kunnen merken. En dat komt alleen, doordat de menschen, die hem toch niet kunnen waardeeren, zijn meening niet durven aantasten. Zijn geweldige naam houdt ze in bedwang."

--"M.a.w.: zijn meening wordt gesuggereerd aan...."