De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school.
Part 2
"De menschen kennen mij uit mijn hartstochtelijke periode. Uit den tijd, dat je iedereen, die niet werkt naar je zin, beschouwt als aanrander van het ideaal. Ieder, die den hartstocht voor het schoone in zich heeft, zal mijn woestheid van vroeger verontschuldigen niet alleen, maar ook begrijpen, dat het goed is: de menschen zoo eens te lijf te gaan.... Is dat nu werkelijk waar, wat u zegt? Zijn er menschen, die denken, dat ik niet kan lachen? U leert mij nu toch wel van een andere zijde kennen, nietwaar? En bovendien, er zijn, meen ik, in mijn "Verzamelde Opstellen" toch wel artikelen, waar vroolijke zetten in voorkomen. Maar die zal men dan zeker beschouwen als een kwaadaardig grijnzen, en het heeft er dan ook soms wel iets van.... O, in mijn jeugd heb ik wel tijden gekend, dat ik heel weinig lachte. Toen was ik vervuld van een heiligen ernst, en dat is ook mooi...."
--"Bent u overigens van oordeel, dat men uw optreden juist geappreciëerd heeft?"
"Ik weet het niet. Ik spreek zoo weinig menschen. Het is mij niet zoo dikwijls gebeurd, een lezer te ontmoeten, die buiten de literatuur en buiten de pers staat. Maar als je wel eens zoo'n gewonen doorsnee-lezer spreekt, dan krijg je de wonderlijkste dingen te hooren. Dan merk je wel, dat je boeken met een heel ander idee gelezen worden, dan je er zelf in wilde leggen. Iedereen denkt, dat ik iets wil propageeren, buiten de kunst als zoodanig om. Toen ik de "Kleine Republiek" deed verschijnen, vroegen de menschen mij: "O, u is zeker tegen kostscholen?" Omdat ik in mijn werk een kostschool op een realistische manier had beschreven. Dat is absoluut onjuist. Dan zou ik tegen àlles zijn, ten slotte. Ik zeg ook niet, dat ik voorstander ben van kostscholen, maar ik beweer, dat het een heel andere quaestie is."
SCHRIJVER EN PUBLIEK.
Het blijkt mij, dat men mij leest om de vreemdste redenen. Als ze een roman niet lezen om de tendenz, dat komt het meeste voor, dan doen ze het om eens te verifieeren of sommige plekken in ons land, waar ze ook geweest zijn, overeenstemmen met mijn beschrijvingen. Of het uitkomt, begrijpt u? Net als de menschen, die een museum bezoeken om te kijken of de beenen van een figuur op een schilderij te lang zijn, en of de kostuums wel overeenkomen met een opgave, die ze in een geschiedenisboek hebben gevonden. Zoo heeft een criticus van mijn werk "Een Liefde" opgemerkt, dat ik daarin vermeld een kind, dat ik liet spreken toen het pas een maand of zes was. U moet goed begrijpen, wat ik nu zeggen ga:
Ik acht het niet wenschelijk, dat zoo iets voorkomt in een roman. Maar ik vind, dat het er uit een oogpunt van kunst heelemaal niet toe doet. Zoo iets kan ik een zeer oppervlakkige fout noemen, een kleine onjuistheid. Maar het is er heelemaal niet om te doen, een zoo correct mogelijk samenstel van dergelijke feiten te geven. Het is mij er om te doen, den lezer een reeks tafereelen te vertellen, die hem als voorstelling in zijn verbeelding aangenaam moeten aandoen. Het is natuurlijk ook wel heel aardig als er geen drukfouten voorkomen in een roman, maar ik vraag u, doet een drukfout, of doen hònderd drukfouten in een boek iets af of toe aan de kunstwaarde er van? Ik schrijf om de menschen hoog genoegen te verschaffen. En wanneer ik nu wel eens heel moeilijke dingen schrijf, met vreemde, wellicht verwròngen woordverbindingen dan moet men daar niet uit afleiden, dat het publiek mij niet kan schelen en dat ik dat alles maar voor mij zelf en alleen voor mij zelf doe, of uitsluitend voor de literatoren.
EERST MOET ZIJN WERK HEM GENOT SCHENKEN.
"Maar, indien ik van mijn werk wil verwachten, dat het anderen genot verschaft, dan moet ik eerst zèlf van dat werk een groot genot ondervinden. En is het eenmaal zóó ver, dan zend ik het de wereld in, in de hoop, dat er zooveel mogelijk anderen zijn, die er evenveel genoegen aan zullen beleven."
--"Maar voelt u er dan niets voor, den kring van de menschen, die u begrijpen, wijder te maken, door uw stijl wat eenvoudig te houden, of, vergeef mij die uitdrukking, een beetje te menageeren?"
"Zeker voel ik daarvoor en ik heb met dat idee zelfs een heel boek geschreven. Ik bedoel de "Biografie" van mijn vader. Ik meen, dat ieder, die het leest, ieder woordje zal kunnen begrijpen. Ik wil dat ook wel altijd doen, voor zoover het overeen zou komen met mijn kunstinzicht. Maar ik ben overtuigd, dat ik daar niets voor mag opofferen, en mijn kunstwerk moet overeenkomen met wat ik zou schrijven: indien ik alleen op de wereld stond.
"In den laatsten tijd heb ik geschreven een menigte schetsen, die men "Adriaantjes" is gaan noemen. Daar komen geen gewrongen woordvormen in voor, en toch vinden veel menschen ze verschrikkelijk vervelend. Daarin geef ik bij voorbeeld bladzijden lang de beschrijving van zoo een tafel. Dat is de meest volstrekte toepassing van het "De kunst om de kunst", om zoo te zeggen. Men kan dit werk alleen goedvinden, wanneer men ze uit een oogpunt van kunst beschouwt.
"Op 'n tentoonstelling van "Arti" heb ik eens gezien een schilderij, dat voorstelde een stuk hei, met niets er op: Geen tafereelen, geen kind, dat afscheid neemt van zijn moeder, geen figuren, geen lammetje, geen koetje, geen herder, geen hondje ... niets. En toch vond ik dat doek het mooiste van de heele tentoonstelling. Dergelijke ideeën nu heb ik ook, wanneer ik bladzijden lang zoo een tafel beschrijf."
DE "GRENZEN" VAN LETTER- EN SCHILDERKUNST.
"Nu is het nog een heel aardige quaestie, hoeverre mijn theoretisch begrip in de literatuur gewenscht is:--De kunstenaar beweegt zich volgens mij niet binnen zekere grenzen. Het is mijn idée, dat men b.v. in de letterkunde evengoed schilderen mag als het er op aankomt. De beeldhouwer Rodin heeft eens gemaakt een beeld van Balzac, en daarvan werd gezegd: "Het is geen beeldhouwkunst, want een beeld moet aan alle kanten afgerond zijn". Dit nu boezemt mij geen belang in. Het werkstuk van Rodin geeft mij een heerlijken indruk en of het nu beeldhouwwerk is of niet, dat kan mij niet verder schelen. Het is iets moois en laat het nu uit 'n oogpunt van theorie een fout zijn, dan beweer ik, dat het is een allergelukkigste fout".
--"Wat denkt u van onze literatuur op het oogenblik?"
"Dat is zoo gauw niet te zeggen. Ik zie om te beginnen geen afscheiding tusschen wat men is gaan noemen de generatie van 1880 en die van 1890 of 1900. Het is mij niet duidelijk, dat daar markant verschil tusschen zou zijn in bedoeling en prestatie".
--"Als ik u dan eens een groep mag opnoemen; wat denkt u van de "Nieuwe Tijd"-groep."
DE SOCIALISTISCHE DICHTERS.
"Ik geloof, dat daar uitstekende talenten bij zijn. Neem b.v. Gorter. Of neem een nieuwen bundel van mevrouw Roland Holst, die ik juist bezig ben te bestudeeren: "Opwaartsche wegen". Dat is werkelijk heel mooi. En ik voel verschrikkelijk veel voor de dichters van de "Nieuwe Tijd". Niet, dat ik socialist zou zijn. Ik ben niets van dien aard, en allerminst een socialist. U herinnert u, dat ik daar indertijd een groote polemiek over had met Van der Goes. Nu, ik denk er nòg zoo over. Ik bewonder in hooge mate de dichtkunst van Gorter en zijn vrienden.[1] Maar ik ben van meening, dat zij even mooie poëzie zouden geven als ze hun leven aan iets anders hadden geschonken. Ik geloof, dat ze ons altijd poëzie, en even goede poëzie, zouden voortbrengen, in welke beweging ze zich ook zouden bevinden. De keuze van hun onderwerp zou anders zijn, de aard van de uitbeelding dezelfde."
--"Wat denkt u van die schrijvers, die in de gewone woorden van het dagelijksche leven, de menschen en toestanden beschrijven, die zij hebben waargenomen? zonder de bedoeling iets moois te maken, en dikwijls met het uitdrukkelijk voornemen niet "literair" of "artistiek" te zijn."
[1] Zie blz. 89.
ZEKERE "SCHETSEN"-SCHRIJVERS.
"Ik geloof, dat men heel goed, zonder nieuwe woordvormen te maken, goeie kunst kan produceeren. Men kan ook kunst voortbrengen zonder er zich bepaald op toe te leggen. Een zin van zoo'n schrijver kan toch dikwijls een bepaald rythme hebben, hetzij dat dit er met bewustzijn in wordt gelegd, hetzij dat het vanzelf uit den auteur opwelt."
TENDENZ-KUNST.
"Deze schrijvers zullen blijvenden invloed hebben op onze literatuur, zoolang ze, in weerwil van het niet begeeren, toch, huns ondanks, kunst geven. Neem b.v. Heyermans. Die is, volgens mijn meening, een van onze beste kunstenaars. Die schrijft ook met een strekking. En het kan zelfs zijn: dat die strekking invloed oefent op zijn manier van uitbeelden, invloed ten goede wil ik zeggen.... Maar dat kan ik niet nagaan. Dat speelt zich in zijn binnenste af. Ik wil alleen maar zeggen, dat tendentieuse kunst ook goede kunst kan zijn."
--"Een laatste vraag! Zullen wij binnenkort nog een uitvoerig werk van u krijgen?"
HOE HIJ WERKT.
"Ik werk heel vreemd. Aan de meeste dingen ben ik mijn heele leven bezig. En ik publiceer ze bij gedeelten. Dat gaat zoo maar altijd door; b.v. ik zal een drama beginnen. Daar werk ik eenigen tijd aan, maar het bevalt mij heelemaal niet. Dan leg ik het opzij. Maar een poosje later neem ik het weer op, en werk het over. Dat gaat heel onregelmatig. En als ik na een poosje zoo'n stuk in handen krijg, dan kan het mij gebeuren, dat ik denk: Het was toch zoo kwaad niet. Zoo zijn mijn meeste werken door mijn geheele leven geborduurd. Bijna niets heb ik aan een stuk geschreven.
"Soms heb ik wel eens lust: mij geheel in eenzaamheid terug te trekken, geen enkel persoon te spreken en heel in de stilte verder te werken. Ik heb dat vroeger wel eens gedaan. Toen woonde ik in België, in Luxemburg, acht maanden lang boven op een hoogen berg, midden in de sneeuw. Toen stond ik voor dag en dauw op: 's morgens om een uur of zes had ik al een heel stuk geschreven doorgaans. Maar ik bewoog mij toen ook veel in de open lucht. Dat moet je doen, anders wordt de eenzaamheid gevaarlijk. In dien tijd heb ik mijn "Kleine Republiek" geschreven. Ik zeg u dit om u te doen begrijpen, hoeveel werkkracht de eenzaamheid mij geeft, en welk een gelijkmatigheid zij in mijn arbeid doet komen.
"Op dit oogenblik ben ik bezig aan een drama. Maar wanneer het verschijnt, weet ik niet. Ik moet het eerst opgevoerd krijgen, en ik weet niet of het mij lukken zal. Want dat is niet zoo gemakkelijk. Er komen allerlei vreemde decoraties aan te pas".
Toen zette ik een streep in mijn aan teekenboekje, want ik moest oppassen mijn trein niet te missen. Jammer, want de tong van den Meester werd losser, en ik voelde, dat ik diep genoeg in zijn persoon was doorgedrongen om hem door enkele korte vraagjes te brengen: tot het aanroeren van details, wier bespreking een zekere zenuwspanning vereischt. En die spanning, die gedachte-helderheid, leek mij aanwezig.
Maar ik moest weg. Nog enkele minuten waren mij gelaten. En ik vroeg hem of ik even om mij heen mocht kijken.
--Zeker! een aardig idee.
Het was maar een eenvoudige kamer. In het midden een zeer groote tafel met groen laken bekleed. Daarop: dubbele boekenrij. Veel boeken langs de wanden en in de hooge vensternissen. Ook een ruw-houten behangerstafel: plank op schragen, met bundels papieren. Een simpele olielamp verlichtte het geheel. De wanden stonden in schemer en vaag onderscheidde ik een witte vrouwe-buste in een hoek. Achter mij op den oud-Hollandschen schouw een terra-cotta relief, dat beeldde een mannekop met hoekigen schedelbouw en stuggen baard: Den èchten Van Deyssel, zou ik gezegd hebben....
... Indien de meneer in den trijpen voltaire, de vriendelijke meneer, met zijn netjes geschoren kaken en zijn stijve snorren, niet reeds lang de "echte" Van Deyssel voor mij was geworden.
Toen stapte ik het treedje, waarvoor ik begin van den avond had moeten oppassen, weer af, liet mij door den Meester brengen op den weg, die "het voordeel heeft, dat men hem niet missen kàn". We gingen langs een smal zandpad, en hij gaf mij duwtjes, en trekjes aan mijn mouw, om mij niet te doen afdwalen. "U moet maar naar boven kijken," zei hij nog. "Geen beter middel om op het pad te blijven".
Het was zeer donker om ons heen. Tusschen de boomtoppen, denne-toppen, werd ik vaagjes 't diepe hemelblauw gewaar. Van den weg viel niets te onderscheiden.
Ook van den Meester niet. En dat vond ik maar heel goed ook, want dat Van Deyssel ... zie je: Van Deyssel; zijn tijd gebruikte, om mij iets te wijzen, dat ik waarschijnlijk met wat moeite zelf wel hadd' gevonden ... dat kon ik toch niet goed zetten. En hoewel ik zeer had genoten in zijn bijzijn, voelde ik mij verlicht, toen hij mij zijn hand tot afscheid bood. Zijn zwàre schrijvershand.
En ik sloeg den weg in, "dien men niet missen kàn"....
WILLEM KLOOS
[Illustratie: WILLEM KLOOS naar een ets van W. Witsen.]
[Illustratie: WILLEM KLOOS]
WILLEM KLOOS
... Dan zal ik maar van wal steken:
Ik werd geboren in 1859, de datum zal er wel niet toe doen. Eerst ben ik op een instituut geweest, zooals je die toen had, en met mijn tiende jaar ging ik naar de lagere burgerschool, om mij voor te bereiden voor de H.B.S. In 1877 deed ik eindexamen van de H.B.S., nam toen twee jaar privaatles en ging daarna in de klassieke letteren studeeren.
Als jongen dacht ik nog niet zooveel aan verzen. Ik had 't lànd, als ik een vers las, want ... dan las ik natuurlijk Hollandsche verzen, en die vond ik vreeselijk vervelend. Totdat ik uit mij zelven er toe kwam, ik was zeventien jaar,--een vers te gaan maken. Veel verzen kwamen er echter niet voor den dag. Ik had mij toen verdiept in Grote's "History of Greece", en was zoo vol van Griekenland, dat ik in '78 mijn "Rhodopis" maakte. Daarop volgden Duitsche verzen, alweer met heel lange tusschenpoozen. Ik las in dien tijd erg veel Duitsch: Platen, Goethe, Schiller ... en ik leefde ook met mijn gedachten eenigszins in het Duitsch. Ook mijn studie van de klassieke literatuur moet hierop van invloed zijn geweest, omdat mijn grammatica's en tekstuitgaven in die taal waren geschreven.
Dit studeeren beviel mij niets: ik zat daar op 't college, dat duurde alles zoo verschrikkelijk lang; alles moest ik afluisteren en opschrijven ... ik had mijn collegegeld voor een vollen cursus al voldaan, maar 'k heb mij op de les niet meer vertoond. Ik vond 't veel practischer voor mij zelf te gaan werken, totdat ik den candidaatsrang zou hebben behaald. Dat ging natuurlijk ook niet zoo byzonder snel, want ik had intusschen mijn liefhebberij voor de literatuur, maar in '84 deed ik toch examen, en ik ben geslaagd.
Ziet u, toen ik nog op de H.B.S. was, trokken die oude talen mij aan, er was iets geheimzinnigs in, en ik dacht: daar wil ik meer van weten.
Als candidaat ben ik naar Brussel verhuisd; daar heb ik kamers gehuurd en bleef er 3/4 jaar wonen. Intusschen waren "Sappho" en "Okeanos" ontstaan. Deze gedichten behandelden alweer Grieksche onderwerpen, en dat kon ook bijna niet anders, want ik leefde voortdurend in de oude wereld.
"DANK U MENEER, VERDER NIET."
Begin '85 verhuisde ik weer naar Amsterdam. Nu had zich 't geval voorgedaan, dat ik heel moeilijk plaatsing kon vinden voor hetgeen ik produceerde. Gewoonlijk nam men een kleinigheidje van mij aan, en zei dan: "Dank u, meneer, verder niet." Ik had ook al critieken geschreven in de "Spectator" en een paar maal in de "Amsterdammer", en ook De Koo zei al heel gauw: "Nu niet meer!" Men had niet graag, dat ik namen van levende letterkundigen noemde. Als ik nu over de zaak nadenk, sta ik verbaasd. Want mijn artikelen waren volstrekt niet revolutionnair, integendeel: heel kalm en rustig gesteld. Ik week maar weinig af van wat je gewoonlijk hoorde. En toch: men wilde er niet aan.
Langzamerhand was ik buitenlandsche literatuur mooi gaan vinden, terwijl de literatuur van den dag in Holland mij zoo onverschillig liet als de versjes van den aschkarreman. Ik keurde er in af, dat het werk uit dien tijd mij zoo koud liet als een steen. Ik dacht telkens: ik ben toch niet verstoken van literair gevoel, ik kan sommige dingen toch erg mooi vinden.... En ik las Beets en Ten Kate, en zei in me zelf: "Wat heb ik daar nou toch aan!" Het sloeg niet bij me in.
Nu, er waren in Amsterdam nog een paar jongelui, die ongeveer dezelfde gedachten hadden op dit punt als ik. Met hun werk deden zij dezelfde ervaringen op: de redacties wilden er niets van plaatsen.
HERINNERING AAN JACQUES PERK.
Op een goeden dag wandelde ik eens in de Kalverstraat bij de Halvemaansteeg, en een lang, blond jongmensch kwam lachend op mij toe. "Dag Kloos", zei hij, en hij stak zijn hand uit. "Ga jij met me mee!"--Ik dacht: die vergist zich, ik ken 'm niet....
"Ken je me niet?" vroeg 't jongmensch. Ik zeg "Neen". "Wel", antwoordde hij, "ik ben Jacques Perk. We zijn samen op de H.B.S. geweest; ik zat in 3b en jij in 3a". Toen begon 't wat in me te dagen, ik herkende hem zoo'n beetje. Hij wou graag kennis met mij maken, want hij had 't een en ander van mij gelezen, en schreef zelf ook verzen, naar hij vertelde. Ik praatte dan met hem, ging met 'm mee, en hij las mij voor zijn "Mathilde". Daar werd ik geweldig door getroffen. Wat blikkie! dacht ik, dáár heb je nou een Hollandsch dichter, dàt zijn mooie verzen. Heel wat anders dan wat je gewoonlijk las in boeken, tijdschriften, couranten. Dàt was 't nieuwe. En ik zei 'm dat ook.
HET NIEUWE.
"God", zeg ik, "dat is mooi". En Perk: "Nou, dat doet me verschrikkelijk veel pleizier, want jij bent de eerste, die dat zegt". Ik weer: "Hè, daar hoor ik van op". En hij: "Ja, overal lachen ze mij er om uit. Ik had vroeger wel eens versjes geschreven, maar die beteekenden niet veel, maar nu ik met dit voor den dag kom, zeggen ze allemaal: dat is onzin".
Ik vroeg 'm toen, wat Vosmaer er van zei. Ik hield dien voor een modern mensch (wat hij ook voor zijn tijd was). Maar 't bleek, dat hij van Perk niet veel drukte maakte.
Ik heb toen nog lang met Perk omgegaan; hij studeerde in de rechten, ik in de letteren, en we kwamen veel bij elkaar. Maar hij is gestorven, 1-1/2 jaar later, zonder dat de officieele grootheden hem hadden erkend. Hij had intusschen al heel wat verzen van zijn "Mathilde" teruggekregen....
DE UITGAVE VAN "MATHILDE."
Uit gewoonte bleef ik nog van tijd tot tijd bezoeken afleggen, bij zijn familie, en eens zei ik tegen z'n vader, een heel goeden, vriendelijken man: "Dominee", zei ik, "weet u wel, dat Jacques verzen heeft nagelaten?"--"Jawel", zei de vader,... "maar wàs dat wel veel?"--"Zeker", meende ik, "'t was prachtig, en 't moet worden uitgegeven".--"Zou je denken?"--"Ja zéker!"--"Nu, mij is't goed, maar hoe zullen we dat gedaan krijgen?"
De oude heer Perk meende, dat wij een man van naam moesten opduiken, die zich er voor wilde spannen. En wij wendden ons tot Vosmaer. Die had er eigenlijk gezegd niet veel zin in, zag er een beetje tegen op ... hij meldde ons, dat hij 't te druk had. Dominee Perk meende toen, dat 't misschien goed zou zijn, den ouden heer Alberdingk Thijm in den arm te nemen, maar ik vond, dat er dan heelemaal niets van terecht zou komen. En nogmaals ging ik naar Vosmaer en verzocht hem, 't toch in Godsnaam maar te doen omdat ik anders vreesde, dat Alberdingk Thijm 't in handen zou krijgen. Ik wist 't: Vosmaer was niet gesteld op de Katholieken. En: 't lukte. Vosmaer wilde 't dan wel doen, mits hij geheel mocht vertrouwen op mij, m.a.w. mits hij er eigenlijk geen verderen last mede had. Ik deed dan ook al 't werk. Ik kreeg een grooten koffer vol met handschriften van Jacques Perk, en die heb ik allemaal doorgekeken, om te weten, of er iets bruikbaars bij was, met het resultaat, dat ik uit zijn vroegere leven niets kon doen verschijnen. U zult wel de bloemlezing kennen, die Betsy Perk later heeft uitgegeven. Welnu, dat is allemaal rijmelarij zonder kunstwaarde. Daar kwam nog bij, dat de uitgever had gezegd: "'t Mag niet te groot worden, en 't mag' niet te veel kosten," en de man was blij, dat er niets voor den dag kwam buiten "Mathilde", "Iris" en enkele losse verzen.
Van "Mathilde" bestonden verschillende lezingen, en die heb ik nauwkeurig vergeleken. Dat was het eigenlijke practische werk. Vosmaer maakte de inleiding en zoo kwam de bundel tot stand. Het boekje vond algemeene afkeuring. Alleen de "Spectator" vond 't mooi. 't Publiek wilde er heelemaal niet aan. De eerste editie verscheen in '82, maar in '97 kwam pas de tweede druk. Daarna ging 't in stormpas en wij houden nu aan den zevenden druk. Zes edities in tien jaar! Men meent wel eens, dat Perk aanstonds in triomf werd binnengehaald, maar u ziet: daar is heelemaal niets van aan....
WAAR EEN MENSCH NIET BIJ KAN.
Of er verband bestaat tusschen het optreden van Perk en het optreden van de overige dichters uit dien tijd? Ja, nu gaat u spreken over dingen, waar een mensen niet bij kan. De oude vrome menschen zullen zeggen, dat God 't zoo gewild heeft, maar "God" is een woord, gelijk ieder ander, 't Zegt mij heelemaal niets. Maar als u mijn opinie vraagt, dan zou ik zeggen, dat er bestond een gemeenschappelijke onder-strooming, een gemeenschappelijke, geestelijke ondergrond bedoel ik dan het onbewuste, dat allen menschen gemeen is. Wij zijn niets dan kijkgaten, waardoor de onbewustheid naar 't zijnde ziet, dat wil zeggen: naar zich zelf. Er zit een geestelijke essentie achter alles, achter de sterren ook, en achter de wolken, en die kijkt door de individuen naar zich zelf. Het individu is het onbewuste, dat bewust geworden is, langzamerhand: van zuigeling af tot volwassen mensch steeg de bewustheid. Zoo, in den geheimzinnigen ondergrond der dingen, moet er tusschen alle verschijnselen wel verband bestaan. Er gebeuren zoo in een menschenleven heel gekke dingen, maar de wereld is een redelijk geheel en geen chaos. De heele boel was suf in dien tijd, waarover wij 't hebben; de letterkundigen, 't publiek, waren letterlijk in slaap gevallen. Nu schijnt 't mij heel redelijk, dat daar uit de onbewustheid reactie tegen kwam, dat er drang ontstond, om nieuw leven te brengen, en dat degenen, die het daarover eens waren, tot elkander kwamen. Waren die menschen apart gebleven, dan hadden zij niet met elkander gewerkt, niet elkander begrepen, en de zaken waren gebleven als vroeger.
DE OPRICHTING VAN "DE NIEUWE GIDS."
Wij trachtten nu samen een tijdschrift te stichten en zochten een uitgever, maar wij hebben heel dikwijls bot gevangen. Eindelijk kwam ik op de gedachte, eens aan te loopen bij een uitgever, vlak bij mij in de buurt, die toen pas begon. Dat was Versluys. Die wilde ons tijdschrift wel aanpakken, mits er een beetje geld kon worden gestort. Maar wij waren met ons vijven onbemiddelde studenten: Van Eeden, toen nog geen dokter, Kloos, Willem Paap, Van der Goes, Albert Verwey.
Eindelijk slaagde Van Eeden er in, wat geld los te krijgen van zijn familie, en ik heb ook wat geldelijken steun ontvangen van een dame, die ik kende. Die was ook in de literatuur, had wat novellen geschreven,-- haar naam doet er niet toe--en die zei: "Fidutie heb ik er niet in, maar ik kan 't missen, hier heb je duizend gulden." Zoo werd dan de "Nieuwe Gids" opgericht, direct erg afgekeurd door de pers. Maar succes hadden wij tamelijk spoedig.
MEDEWERKERS.
Het was een algemeen tijdschrift. Niet alleen letterkundigen werkten er aan mee. Zoo had je jonge schilders, die het noodig vonden, nieuwe ideeën, afwijkend van de algemeen geldende opinie, over hun kunst te boekstaven. Jan Veth behoorde tot onze eerste medewerkers. Ook Bolland, toen nog geen professor, maar leeraar aan het gymnasium te Batavia, kwam tot ons, want niemand wilde iets van hem opnemen. Wij waren de eersten, die wijsgeerige opstellen van hem publiceerden. Eén ervaring hadden wij allen gemeen: de officieele grootheden zeiden tot ons: "Neen, dank je, we willen je niet."
HET WOORD EEN LEVEND WEZEN.