De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school.

Part 3

Chapter 33,835 wordsPublic domain

Verband tusschen nieuwere schilderkunst en nieuwere woordkunst? Ja, de woorden waren voor ons niet langer abstracte, leege dingen, maar levende wezens, die wij voelden, en, de essentie van ieder woord sterk voelend, gingen wij beter schrijven. De prozastijl van tegenwoordig, ook de stijl van gewone menschen, is veel beter dan de stijl van die dagen. Men maakt thans veel minder gebruik van valsche beeldspraak, let meer op de waarde van ieder woord. En ook in de schilderkunst gebeurde iets dergelijks: men ging kleuren en lijnen voelen als levende dingen, niet meer als iets abstracts. Met de wijsbegeerte is het weer iets anders. Ik sprak u reeds van den invloed van 't onbewuste. Schopenhauer en v. Hartmann zeggen ook, dat alles voortkomt uit het onbewuste, dat het eerste, en misschien ook het laatste is. En nu zult u wel weten, dat Bolland in den beginne een aanhanger was van de "Philosophie des Unbewussten". Zoodoende moest ik wel verwantschap voelen tusschen zijn overtuiging en de mijne....

DE GROEP VALT UITEEN.

In '88 trad Verwey uit de redactie, om persoonlijke redenen. Naar mate Verwey meer volwassen man werd, pasten onze karakters minder bij elkaar: hij was een beetje moeilijk. Paap ging er dadelijk uit, nl. in '86. In 1890 kwam P.L. Tak tot ons, een braaf man, toen nog geen socialist. Maar in '94 trad hij met Van der Goes en Van Eeden weer uit onze groep. Ik bleef toen alleen achter en vereenigde mij met Tideman en Boeken. De "Nieuwe Gids" ging van Versluys over op Van Looy en werd toen alleen literair, en dat kwam doordat Van Looy's opinie in politiek niet overeenstemde met de onze.

HUWELIJK.

In 1900 ben ik getrouwd met Jeanne Reyneke van Stuwe, die toen, bij Veenstra, aan het hoofd stond van het tijdschriftje "Arcadia". Onze tijdschriften smolten toen samen, en zoo werd mijn vrouw redactrice van "De Nieuwe Gids", die sedert 1 Januari 1908 weer een algemeen tijdschrift is geworden.

ER IS MAAR EEN GOEDE RICHTING.

Wat mijn richting betreft: ik vind, dat er altijd maar één goede richting is geweest in de literatuur, nl. de richting, die goede kunst maakt. Maar je hebt ook altijd gehad allerlei partijtjes, die nog wat anders van de literatuur verlangen. Die willen er een of ander doel mee bevorderen, hun partijbelang b.v. Naar mijn meening is kunst, die iets anders doet dan denken aan zich zelf, nl. te trachten naar zuivere weergave van het leven, hetzij in den mensch, hetzij daarbuiten, een beetje van den rechten weg af. Zoodra je de bijgedachte hebt: ik wil 't leven zóó laten zien, dat de menschen onder den invloed van mijn werk op ideeën komen, die ze anders niet zouden hebben, moet je het leven een beetje verwringen, datgene er uitkiezen, waardoor die ideeën worden opgewekt, en zoodoende een eenigszins valsch beeld geven van het leven. Een slecht boek is niet objectief: het maakt een anderen indruk op je dan de werkelijkheid. Objectief kan werk alleen zijn, als 't verduiveld goeie kunst is.

KUNSTENAAR EN REFERENT.

Een boek kan natuurlijk wel goede historie zijn, zonder tot de kunst te worden gerekend. Een kunstwerk heeft een bepaald persoonlijk karakter, er spreekt een ziel uit, en iemand, die niets doet dan nuchtere feiten weergeven, terwijl die feiten buiten hem omgaan, is een referent, maar geen kunstenaar. Ja, van sommige schrijvers beweert men wel, dat zij de nuchtere werkelijkheid geven, maar heel dikwijls is dit niet zoo,--ook al beweren ze 't van zich zelf.

ONZE HEDENDAAGSCHE LITERATUUR.

Ja, ik vind, dat onze literatuur op 't oogenblik zeer gezond is, wel een beetje zwaarmoedig hier en daar, maar dat verandert de literaire waarde nog niet. Ik geloof niet, dat schrijvers er op uit moeten gaan, om hun medemenschen te vertroosten. Zegt een schrijver bij voorbaat dat hij een vertroostenden indruk wil maken, dan geeft hij zijn artistieke onafhankelijkheid prijs. Ik vind Frans Coenen, den zwaarmoedige, een van onze beste schrijvers, maar ik ben ook een groot bewonderaar van Cyriel Buysse, die dikwijls heel opgewekt kan schrijven. Ik lach gráág!

NEERDRUKKENDE KUNST.

Men mag kunst niet veroordeelen om haar neerdrukkenden invloed. Als zekere menschen daar niet tegen kunnen, dan moeten zij maar niet lezen. Literatuur wordt geschreven voor gezonde, sterke menschen. Zoo ook zijn gewone spijzen bestemd voor gezonde menschen, terwijl er voor menschen met een zwakke maag nog een diëtische kookkunst bestaat. Evenals een gewoon mensch eet, wat de tafel schaft, moet een gezond mensch ook alles kunnen lezen, wat de literatuur opbrengt.

KUNSTENAAR EN MAATSCHAPPIJ.

De kunstenaar schrijft in de eerste plaats om zich zelf uit te drukken. Een echt kunstenaar, ja! die zou ook schrijven als hij geen publiek had. Ik persoonlijk zou zeker doorschrijven, al trok niemand zich wat van mij aan.

VERGETEN KUNSTENAARS.

U moet weten, dat ik een soort liefhebberij heb voor oude, vergeten boeken. Het is mij een weemoedig genot, onder allerlei duffen rommel soms werken aan te treffen van groote literaire zuiverheid ... waarover niemand meer spreekt, die nagenoeg niemand kent, die in geen enkel handboek worden vermeld.--Hoe zal de Tijd huishouden onder de grooten van ònze dagen?...

Rekening houden met het bevattingsvermogen van het publiek? Wie schrijft zóó, dat hij volgens zijn eigen opinie begrepen kan worden door menschen die daar hoog genoeg voor staan, die mag aan zijn werk niets veranderen. Iets anders geldt natuurlijk voor dengene, die geschreven heeft zonder zich zuiver uit te drukken. Die moet wel naar klaarder vorm streven. Je naar het publiek richten is onzin. Neem een man van de straat, die een flinke opvoeding heeft genoten, maar zich nooit heeft ingelaten met literatuur, leg dien man een stuk van Shakespeare voor. Hij schrijft Engelsche brieven voor zijn zaak, die man, hij kent uitstekend Engelsch; maar u zult zien: van Shakespeare begrijpt hij niets. Dit neemt niet weg, dat die meneer een heel helder hoofd kan hebben.

OM LITERATUUR TE BEGRIJPEN....

Om literatuur te kunnen begrijpen, moet men er een beetje in thuis zijn. 't Gaat er mee als met schilderijen: men moet bepaald studie er van hebben gemaakt, om er een kunstoordeel over te kunnen vellen. Als een schrijver zich maar bewust is, dat hij precies heeft uitgedrukt wat hij wilde, dan is hij er. Vindt het publiek 't op dat oogenblik niet mooi, dan zal dat wel komen. Of misschien nooit komen. Ik herinner mij, dat Jacques Perk indertijd ook duister werd gevonden. Hij is zoo gewrongen, werd er gezegd. Men maakte er parodieën op. Een ontwikkeld mensch kan zich dat haast niet meer voorstellen nu, maar 25 jaar geleden was 't toch zoo.

HET PUBLIEK EN DE BOEKEN.

De moderne literatuur heeft zich, wat betreft de belangstelling van het lezende publiek, niet te beklagen. De goede auteurs worden wel gelezen. Maar 't groote ongeluk in ons land is: dat de menschen geen boeken kóópen. Ik heb nooit bij eenige familie, waar ik kwam, eens een paar flinke boeken gezien. Wie hier literair werk koopt: ik weet het niet. Misschien zijn 't de studenten. Gewone beschaafde menschen zeker niet. Ja, een vijf-en-twintig jaar geleden was dit anders. Beets b.v. werd veel gekocht, door vrome menschen, niet zoozeer omdat ze hem veel lazen, maar omdat zij hem zoo goed als een geschenk konden gebruiken.

"MEN" OORDEELT NIET ARTISTIEK.

Overigens ligt het in den aard van de menschen, zich niet al te veel met werkelijke kunst te bemoeien. De menschen oordeelen niet artistiek. Ze oordeelen op hun manier verstandelijk. Men leest waar men "bij kan". Justus van Maurik werd op groote schaal verkocht, omdat de menschen hem konden begrijpen. Maar Shakespeare niet, Goethe niet, Dante niet ... al zijn er velen, die deze namen voortdurend in den mond hebben.

ALBERT VERWEY

[Illustratie: ALBERT VERWEY Jeugdportret]

[Illustratie: ALBERT VERWEY]

ALBERT VERWEY

Noordwijk-aan-Zee.

Dit is nu eens een man, die niet zoo heel gemakkelijk vertelt. Toen ik--het schemerde, en ik had een langen, vermoeienden tocht achter den rug--tegenover hem zat, dacht ik al aanstonds: "Die laat zich niet gauw vangen". Ik had een echten, degelijken Hollander voor me, die zich instinctmatig een beetje op een afstand houdt, en er niet toe te brengen is, met een vreemde te spreken over de ideeën, die hij nu al zooveel jaren in zich omdraagt en steeds rijper voelt worden. Bovendien: "Ik ben overtuigd, meneer, dat er maar één vorm is, waarin men zich kan uiten, en dat is de vorm, die "het doet". Ik spreek niet graag over personen of boeken, over dingen, die nog niet als afgedaan worden beschouwd. Alles wat ik te zeggen heb, vindt u in mijn tijdschrift, in den besten vorm, dien ik er voor kon vinden. Mijn woorden zijn op een goudschaaltje gewogen, en zooals het daar staat, precies zoo bedoel ik het. Maar ga ik nu spreken, dan kan ik licht iets vergeten, iets anders te veel betonen ... en werkelijk, daar zou ik later veel spijt van hebben...."

Ik werd al bang, dat het mij niet gelukken zou, iets interessants mede te deelen omtrent dezen dichter. Ik voelde een soort gêne, kon er niet zoo gemakkelijk toe overgaan, hem te vragen naar byzonderheden uit zijn leven, naar datgene, dat men zoo graag leest. Zijn langdurige, eenzame overpeinzingen wennen er dezen man aan, zich in zijn spreken al heel spoedig boven den beganen grond te verheffen, te gaan uitweiden over principes, over wijsbegeerte, over de grenzen van zijn kunst, over het algemeene, waarvoor men zoo heel moeilijk woorden, zeer trage woorden vindt. Als men zoover is gekomen, worden de gedachten zoo licht en zoo ijl, dat men ze bijna ontheiligt door ze te zeggen.

Wat hij mij uit zijn vroeger leven mededeelde, was in zeer eenvoudige bewoordingen vervat. En gij vindt niet veel spannende avonturen in zijn verhaal:

SCHRIJVEN UIT LIEFHEBBERIJ.

"Hoe ga je schrijven? Omdat 't je invalt. Er is eigenlijk geen andere reden. Ik kan niet zeggen, dat er bij mij een bepaalde aanleiding aanwezig was. Liefhebberij, dat is de eenige oorzaak. Er waren te Amsterdam een paar jongelui, die een eigen tijdschrift noodig hadden, omdat ze, ja, voor het meerendeel wel medewerkten in de "Amsterdammer", maar daar sommige personen niet mochten aanvallen. In het algemeen moet u dit in aanmerking nemen: dat aan die wording van "De Nieuwe Gids" tegenwoordig wel veel waarde wordt gehecht,--het is nu eenmaal geschiedenis geworden, en ook is de invloed van ons eerste werk bij vele schrijvers en bij het groote publiek duidelijk te onderkennen,--maar ik verhoud mij daar wel wat anders tegen."

"EEN JAAR OF WAT UIT MIJN JEUGD."

Voor mij vertegenwoordigt die "Nieuwe Gids"-beweging maar een jaar of wat uit mijn jeugd, en niet meer. Zij vormt maar een heel klein stukje van mijn ontwikkeling, en daarna komt een groot aantal jaren, die voor mij veel belangrijker zijn. Natuurlijk! aan den invloed, dien wij zouden oefenen, werd door ons niet getwijfeld. Alle schrijvers van beteekenis in die dagen waren oud, en wij wisten vrij zeker, dat binnen enkele jaren hun onmiddellijke invloed een eind zou nemen. En was het een klein verschil, dat ons van de andere letterkundigen scheidde, dan hadden wij gedacht: het publiek zal ons een zelfstandige plaats toekennen en daarmee uit. Maar ons optreden wekte van begin af een groote animositeit. Alle letterkundigen van naam waren ons van begin af vijandig. Behalve Vosmaer! Beets, b.v., die toen al een oud man was, gaf in zijn latere bundels telkens kleine gedichtjes, die duidelijk steken op de opkomende jonge dichters bevatten.

DR. DOORENBOS.

Maar een ander oud man, een die trachtte ons verder te ontwikkelen, was dr. Doorenbos. Een hoogst eigenaardig man, geen eigenlijk docent. De meeste jongelui hadden geen oog voor hem. Maar des te meer voelden wij, die een anderen kant uit wilden, ons tot hem aangetrokken. Hij kwam voor al zijn meeningen uit, ook tegenover jongelui, en juist zijn onafhankelijkheidsgevoel maakte, dat hij op ons een invloed had, die te vergelijken is met den lateren invloed van Multatuli. Van der Goes, Kloos en ik, we waren zijn leerlingen op de H.B.S. met 5-jarigen cursus te Amsterdam, en als ik mij niet vergis, dan had Perk privaatlessen bij hem. Ook na de school bleven Kloos en Van der Goes in relatie met hem, en op deze wijze werd het langzamerhand gewoonte, op Zondagavond bij hem te komen, en daar onze afwijkende meeningen te bespreken. Bovendien was hij een tijdlang redacteur van het letterkundig gedeelte van de "Amsterdammer", en zoodoende kregen wij er veel in geplaatst. Maar toen onze "Nieuwe Gids" werd opgericht, toen werd de band toch losser, want hij, op zijn leeftijd, kon zich met onze uitsprekelijkheid niet geheel vereenigen. Toch heeft hij van uit Brussel nog een bijdrage gezonden.

Mijn medewerking aan dat tijdschrift heeft ook maar een jaar of drie geduurd, tot ongeveer '89. En in die periode waren de critische denkbeelden van de opkomende partij in hoofdzaak gezegd. Daarna kwamen tot breeder ontplooiing eenerzijds de boekbesprekingen van Van Deyssel en anderzijds het werk van Frederik van Eeden. Omstreeks 1890 werd, met een artikel van Alfons Diepenbrock, een andere strooming duidelijk.

DE STROOMING VAN 1890.

De "Nieuwe Gids" nl. bracht in hoofdzaak een kunst van gevoelsopwelling en indruk, evenwijdig loopend met het impressionisme in de schilderkunst. Er begon echter verlangen te komen naar een zekere bezonkenheid, naar meer innerlijk leven. Dat heeft Diepenbrock van Katholiek standpunt uit belicht.

DOEL VAN HET "TWEEMAANDEL. TIJDSCHRIFT."

Samen met Van Deyssel kwam ik toen tot de oprichting van het "Tweemaandelijksch Tijdschrift". Het doel was: te zoeken naar een kunst van meerdere bezonkenheid, maar waaraan poëzie en naturalistische waarneming gelijkelijk deel hadden.

Ons tijdschrift werkte dan ook een poos in die richting, en daardoor werd het bij uitstek geschikt, om de meest verschillende elementen bij elkaar te krijgen. Aan de eene zijde de dichters, en aan den anderen kant de naturalistische auteurs, die evenwel, bij voortduring, sterk in aantal toenamen. Na dien tijd heeft de richting in onze literatuur-ontwikkeling, die naar de bezonkenheid voerde, en naar het innerlijk leven, zich voortgezet. Maar dat het naturalisme zich onder de romanschrijvers nog steeds meer aanhang verwierf, dat had ten gevolge, dat door den aandrang van hun vaak minderwaardige bijdragen, de poëzie, die voornamelijk innerlijk leven zou uitdrukken, als het ware in een hoek werd gedrongen. Daardoor werd het voor mij wenschelijk, een tijdschrift te hebben, waarin het streven naar innerlijke poëzie op den duur de bovenhand zou kunnen krijgen.

OPRICHTING VAN "DE BEWEGING."

Dat werd "De Beweging". Mijn tijdschrift richt zich volstrekt niet tegen het naturalisme op zich zelf,--dat houd ik voor iets, dat altijd terug moet komen, en er ook altijd is, voor zoover geen enkele kunst kan leven zonder natuurbeschouwing. Maar op het sensitivistische in de romankunst wilde ik laten volgen een poging, om het innerlijke sterker tot uiting te brengen.

HET INNERLIJKE: GELIJK STREVEN OP ALLERLEI GEBIED.

Ook in het naar voren dringen van het constructieve element in de architectuur, en hier heb ik het werk van Berlage op het oog, zie ik een dergelijk verschijnsel. Ook in de latere schilderijen van Verster. Daar wordt niet meer weergegeven de aandoening, die de schilder kreeg van de werkelijkheid, ook niet meer de gevoelsontroering, die hij ervan kreeg, maar hij maakt van het voorwerp, dat hij buiten zich zag: een innerlijk bezit, in een licht van zich zelf gezet, en waar hij zijn geest in uitdrukt. Dat tot uiting komen van het georganiseerde innerlijk lijkt mij het kenmerkende van de laatste jaren en daarmede houdt, volgens mijn opvatting, ook het meer geaccentueerde optreden van professor Bolland verband.

--Die ontwikkeling kan dan natuurlijk ook in de geschiedenis van uw werk worden nagewezen?

DE GESCHIEDENIS VAN ZIJN WERK.

--Dat spreekt. Wat wij om ons heen zien gebeuren, is een projectie van wat in ons zelf gebeurt. In mijn eerste werk zit datgene, wat ons in den "Nieuwe Gids"-tijd bezig hield, ik wil zeggen: bewondering voor de natuur, hartstocht en gevoelsopwelling. In '90 trouwde ik, en op mijn huwelijk volgt een tijd van afgezonderd leven; en dàt bracht mee: een soort van inkeer, een gedachteleven, dat natuurlijk wel in den tijd lag, maar toch ook niet minder in mij zelf. De uiting van de bezonkenheid, die er toen over mij kwam, kunt u vinden in vijf bundels gedichten: "Aarde", "De nieuwe tuin", "Het brandende braam-bosch", "Dagen en daden", "De kristaltwijg". Die vijf vullen voor mij het tijdperk van teruggetrokkenheid. Na die periode voelde ik, dat er zoowel buiten als in mij zelf een andere wind waaide. Ik kwam uit mijn afzondering te voorschijn, ik voelde behoefte, om de wereld om mij heen op zekere wijze samen te vatten, te uiten wat ik over de wereld dacht. Het kenmerkende van onzen tijd, in allerlei kringen, in allerlei groepen, is een poging tot organisatie, dat wil zeggen: het aanwenden van geesteskracht op de massa. De "Beweging" is ook niet alleen een letterkundig tijdschrift. Juist het geestelijk zich organiseeren van alles wat op maatschappelijk gebied gebeurt, dat noem ik het mooie doel, waarvoor ik gaarne verschillende krachten zou bijeenbrengen. Vooral nu ik twee mede-redacteuren heb gekregen, De Boer voor wijsbegeerte en geschiedenis en De Vooys voor sociale zaken, hoop ik daarin te slagen. De pogingen tot organisatie zijn overal te vinden, maar de centra zijn door onderlinge geschillen voortdurend zwak. Die moeten aangesterkt worden. Zie, ik zal u vertellen wat ik onder organisatie versta:

GEESTELIJKE KUNST.

De natuur geeft een zekere stof, en de geest heeft er behoefte aan, op die stof kristalliseerend te werken, begeeft zich in die stof, en doet daardoor ontstaan een vorm, die niet een gril van den geest is, maar wel de wijze, waarop de natuur zich met dien geest verstaat. Nu begrijpt u meteen wat ik versta onder geestelijke kunst: zoolang de literatuur zich beweegt in indrukken, of in het gevoel, is het niet noodzakelijk, dat de schrijver vormen voortbrengt, die het voorkomen hebben van den noodzakelijken vorm, dien de stof moet aannemen.

Je hebt hier dat duinlandschap, je krijgt daar een indruk van, en het is mogelijk met dien indruk een gedicht samen te stellen.

Nu kijk je opnieuw, je voelt een aandoening, en die kun je uitdrukken, zonder veel van het landschap in je werk op te nemen.

Maar nu kijk je voor de derde maal, en nu is je blik zoo doordringend geworden, je geheele wezen neemt in zulk een mate deel aan de waarneming, dat de uitdrukking ervan geeft het wezen van je geest, èn het wezen van het landschap tevens. Dan ontstaat wat ik geestelijke kunst noem. Daaraan neemt de natuur wel degelijk deel, want je ziet de duinen; alléén: niet op de wijze van gewone waarneming zie je de natuur, maar als een een-wording met den geest. Dit nu brengt Berlage in de bouwkunst en Verster in de schilderkunst, en hoewel ik met deze mannen niet zoo zou praten over natuur en geest, zou ik gerust durven beweren: wij verstaan elkaar tòch wel!

DE ONZEGBAARHEID.

Er is in iedere uiting een onzegbaarheid, en die geven wij weer in den toon der verzen. Daarin zeggen wij eigenlijk, wat wij in de zinnen niet kunnen zeggen. Als de dichter dus een gedicht schrijft, dan staat zijn innerlijk in mogelijkheid voor je. Want natuurlijk: als het niet weer in je wordt opgewekt, dan is het dood.

Ieder gedicht geeft natuurlijk het innerlijk van den auteur weer. Daarzonder zou het geen waarde hebben. Nu zijn er menschen, die een voorbijgaanden indruk, een snelle opwelling geven, en dat mag dan hun innerlijk leven van het oogenblik zijn, het is toch maar heel weinig van wat het innerlijk wezen van een mensch zijn kan. Vindt u dienzelfden dichter op rijperen leeftijd terug, dan zult gij zien, dat hij dezelfde gevoelens weer in zich ontmoet heeft, maar nu zoo, dat ze niet meer vastzitten aan voorbijgaande indrukken. Gaat hij diezelfde hartstochten nu weergeven, diezelfde ontroeringen, overtuigingen, dan wordt dat een innerlijk leven van veel grooter beteekenis, iets, dat eigenlijk veel meer recht heeft op dien naam. In die richting nu heb ik gezocht, en in die richting zie ik ook het streven van onzen tijd gaan.

--"Wat is dan voor u het _eigenlijke_ in het streven van onzen tijd?"

WIJ GAAN NAAR HET RELIGIEUSE.

"Wij gaan meer en meer naar het religieuse, niet 't kerkelijk religieuse, maar naar een diep besef van wat blijvend is in de levensverhoudingen. En dat vind ik een essentiëel ding. Daar komt men langs den weg van de waarneming nooit toe. De gevoelens zijn in een mensch, of ze zijn er niet; maar ze komen er nooit door nauwlettend kijken."

DICHTER EN MAATSCHAPPIJ.

--"Stelt U u voor, dat een dichter invloed moet oefenen op zijn medemenschen?"

--"Zeker. In iederen dichter steekt niets anders dan een nieuwe mensch. Ik geloof niet, dat een dichter zich op den duur zou uiten, indien hij niet voelde, dat hij een menschentype vertegenwoordigde, dat desnoods voor hem zelf geen belichaming behoeft, maar dat hem toch bestemd lijkt, om ook door anderen te worden gezien. De geheele wereld wil een nieuwen mensch, en als iemand dat moet laten voelen, dan is het toch wel de dichter! Het is ook zoo'n verd ... valsche opvatting, dat kunst er enkel is, om den mensch aangenaam aan te doen. Het tegendeel is waar: kunst moet den mensch het uiterlijk-aangename ook wel eens ontnemen, en hem in zich zelf opmerkzaam maken op iets, dat beter is dan aangenaam!"

--"Er zijn toch wel dichters, die meenen, dat zij ook zouden werken als er geen menschen waren, en die aan het publiek maling hebben."

--"U weet: bij dergelijke gevoelens heb ik heel dicht gestaan, maar ik geloof, dat ik toen mij zelf nog niet kende. Want ga ik mijn latere ervaring na, dan wil ik u dit verklaren: als er één ding in staat is geweest, mij tot voortwerken te prikkelen, dan is het wel de sympathie van anderen, dan is het wel het idée, dat ik iets wàs voor mijn lezers. Een dichter, zooals ik mij er een droom, kan alleen in den omgang met anderen kracht vinden zijn taak te vervullen. Natuurlijk moet u dit niet verkeerd uitleggen: Als je schrijft, dan geef je je innerlijke wereld, zooals zij in je leeft, en dat zonder eenige bijgedachte. Maar hetgeen je te vertellen hebt zou niet bestaan zonder de menschen om je heen, zonder sympathie met andere menschen. Ik zou mij datgene, wat het leven beteekent, heel moeilijk kunnen voorstellen, zonder de menschheid er mede in verband te brengen. En dat zeg je voortdurend in je verzen: De beteekenis van het leven, en wat het leven voor je is...."

Verwey ging bij zijn venster staan en keek afgetrokken naar buiten. Wind gierde om zijn eenzaam huis, een regenvlaag striemde de glazen. Beneden door de vochtige duinen kroop langzaam een groepje mannen, blauwig-zwart.

De dichter zweeg. Zijn gezond, snugger gelaat was strak, werd stil-aan vroolijker. Hij lachte genoeglijk voor zich uit. Ik zag zijn heldere oogen leven. Hij kwam, handen in zijn zakken, voor mij staan, trok eens aan zijn sigaar, en vroeg:

PROZA EN VERZEN.