De Lotgevallen van Tom Sawyer

Chapter 18

Chapter 184,212 wordsPublic domain

"Huck, dat geld is nog altijd op 'nommer twee' gebleven."

"Wat zeg je?" Huck zag zijn makker scherp aan. "Hebt je het spoor van den schat teruggevonden, Tom?"

"Huck, hij is in de grot."

Hucks oogen schitterden.

"Zeg het nog eens, Tom!"

"Het geld is in de grot!"

"Tom,--zeg, meen je 't, of meen je 't niet?"

"Ik meen het, Huck, en ik zeg het in allen ernst. Wil je er met mij heen gaan en mij helpen het er uit te halen?"

"Waarachtig wil ik dat! Ik wil het, als wij er onzen weg kunnen vinden zonder gevaar van te verdwalen."

"Dat zal heel gemakkelijk gaan, Huck."

"Waarom denk je, dat het geld in....?"

"Huck wacht totdat wij er zijn. Als wij het er niet vinden krijg je mijn trom en alles wat ik in de wereld bezit. Waarachtig, dat krijg je."

"Best;--dat blijft afgesproken. Wanneer zullen we gaan?"

"Nu dadelijk, als je 't goedvindt. Ben je sterk genoeg?"

"Is het diep in de grot? Ik ben pas een dag of drie, vier op de been en ik kan, geloof ik, niet veel verder dan een half uur loopen, Tom."

"Als wij den weg volgen, die iedereen gaat, is het omstreeks drie uren gaans, maar ik weet een veel korteren, dien niemand kent. Huck, ik zal je er been brengen in een bootje. Ik zal het bootje hierheen roeien en ik zal alleen weer teruggaan. Je hoeft er je hand niet om te verleggen."

"Laat ons dan aanstonds maar vertrekken, Tom."

"Best. Wij hebben wat brood en vleesch noodig, benevens onze pijpen en een paar zakjes en een stuk of drie vliegertouwen en eenige van die nieuwerwetsche dingen, die ze lucifers noemen. Ik zeg je, dat ik wat gegeven had, als ik die gehad had, toen ik laatst in de grot was."

Even na twaalven namen de knapen een klein bootje in beslag, van een schipper die van huis was, en begaven zich onmiddellijk op weg. Toen zij op eenigen afstand van de "Holle Grot" waren, zeide Tom:

"Je ziet, dat die steile oeverkant langs de 'Holle Grot' er overal gelijk uitziet; geen huizen, geen houtwerven, niets dan kreupelhout. Maar zie je die witte plek daarginds, waar een aardstorting is geweest? Nu dat is een van mijn teekenen. Daar zullen wij aan wal gaan."

Zij gingen aan wal.

"Op deze plaats, Huck, zou je het hol, waar ik uitgekropen ben, met een hengelroede kunnen aanraken. Zie eens, of je het vinden kunt."

Huck keek naar alle kanten en vond niets. Tom stapte met hooge borst naar een dicht boschje van sumakhout en zeide:

"Hier is het, Huck; het is het aardigste holletje uit de gansche streek. Je moet het niet verklappen. Ik heb al lang zin gehad om roover te worden, maar ik wist, dat ik eerst zoo'n ding moest hebben als dit;--maar dat te vinden, daar zat het hem! Nu hebben wij het en wij zullen het alleen aan Joe Harper en Ben Rogers vertellen, want die zullen natuurlijk tot de bende behooren, anders zouden wij er niets aan hebben. De 'Bende van Tom Sawyer,' klinkt prachtig; doet het niet, Huck?"

"Ja, Tom, 't klinkt best. En wie zullen we bestelen?"

"Wel, iedereen. Verdwaalde lui;--dat is zoo de gewoonte."

"En ze doodmaken?"

"Neen, niet altijd. Ze in de grot opsluiten, totdat zij een losprijs betaald hebben."

"Wat is een losprijs."

"Geld. Je laat ze alles wat zij van hun vrienden krijgen kunnen, bijeengaren, en als ze dat, nadat je ze een jaar gehouden hebt, niet kunnen geven, maak je ze dood. Dat is zoo de gewone manier. Alleen de vrouwen worden niet vermoord. Die sluit je op, maar je vermoordt ze niet. Zij zijn altijd mooi en rijk en vreeselijk bang. Je berooft ze van haar horloges en dingen, maar je neemt in haar bijzijn altijd je hoed van je hoofd en spreekt beleefd tegen haar. Er zijn geen beleefder lui dan roovers, dat staat in alle boeken. De vrouwen gaan van je houden, en als ze een dag of veertien in de grot geweest zijn, houden ze op met schreien en dan kun je ze niet meer kwijtraken. Als je ze wegjoegt, zouden zij dadelijk omkeeren en terugkeeren. Dat kun je in alle rooversgeschiedenissen lezen."

"Jongens, dat is mij een leventje, Tom. Ik geloof, dat het prettiger is dan zeeroover te zijn.

"Ja; en 't is in sommige opzichten beter ook, omdat het dicht is bij huis, en bij de paardenspellen en alles."

Thans waren de jongens gereed en zij stapten, Tom in de voorhoede, de grot binnen. Zij kropen het gat door, maakten hunne aaneengebonden vliegertouwen aan een rotsblok vast en gingen verder. Weldra waren zij bij de bron, en het gezicht van die plaats joeg Tom eene rilling door de leden. Hij toonde Huck het overblijfsel van een kaarspit, op een stukje klei tegen den muur en beschreef hem, hoe hij en Becky de vlam hadden zien worstelen en sterven.

De knapen begonnen nu te fluisteren, want de stilte en de duisternis der plaats maakten hen een weinig benauwd. Zij gingen voort en traden de gangen in die Tom aanwees, totdat zij den valput bereikten. Hunne waskaarsen brachten hen tot de ontdekking, dat het geen echte afgrond was, maar slechts eene steile helling van klei, omstreeks twintig of dertig voet naar omlaag.

Tom fluisterde:

"Nu zal ik je wat laten kijken, Huck."

Hij hield zijne kaars omhoog en zeide:

"Kijk zoo ver om den hoek als je kunt. Zie je dat? Daar, op gindsche groote rots, die met kaarsvet is besmeerd."

"Tom, het is een kruis!"

"En waar is uw nommer twee?--Onder het kruis, hé? Vlak bij die rots zag ik Injun Joe zijne kaars snuiten, Huck."

Huck keek een oogenblik naar het geheimzinnige teeken en zeide met eene bevende stem:

"Tom, laat ons van hier weggaan!"

"Wat! En den schat laten staan?"

"Ja. De geest van Injun Joe dwaalt hier bepaald rond."

"Neen, dat doet hij niet, Huck; dat doet hij niet. Dat doet hij alleen op de plaats, waar hij stierf,--bij den ingang der grot, drie uren van hier."

"Neen, Tom, dat is zoo niet. De geesten dwalen, waar hun geld is. Ik ken hun gewoonte en jij weet het ook."

Tom begon bang te worden dat Huck gelijk had, en er rees twijfel op in zijn hart. Doch plotseling schoot hem iets te binnen. "Zie eens, Huck, hoe dwaas wij ons aanstellen! De geest van Injun Joe kan niet komen waar een kruis staat!"

Dat was een afdoende bewering, vond Huck. "Daar dacht ik niet aan; Tom. Maar, 't is waar. Dat kruis is een geluk voor ons. Ik geloof, dat wij nu wel kunnen afdalen, om naar de kist te zoeken."

Tom ging eerst en maakte, al dalende, groote indruksels van voetstappen in de klei. Huck volgde. Vier gangen leidden uit de kleine spelonk naar de plaats, waar de groote rots stond. De knapen namen drie dezer gangen op, doch zonder gevolg. In den vierden, die het dichtst bij den voet der rots was, vonden zij een kleinen inham, waarin een stroobed lag en een paar dekens, verder een paar oude bretels, een weinig spekvet en een paar rondom afgeknabbelde vogelpooten. De knapen zochten en doorzochten de plaats aan alle kanten, doch tevergeefs. Eindelijk zeide Tom:

"Hij zeide _onder_ het kruis. En dit is er bijna onder. Het kan niet onder de rots zelve zijn, want daar is de grond te hard."

Zij onderzochten alles nog eens en zetten zich toen ontmoedigd neder. Huck had niets te vertellen. Eindelijk zeide Tom:

"Kijk eens, Huck, aan deze zijde der rots zijn voetstappen en kaarsvet op de klei, doch niet aan den anderen kant. Ik weet, dat het geld toch onder de rots is. Ik ga de klei eens opgraven."

"Dat is zoo gek nog niet bedacht, Tom!" zeide Huck blijmoedig.

Toms mes van "echt" staal werd voor den dag gehaald, en hij had geen vier duim gegraven of hij krabbelde op hout.

"Hei, Huck! hoor je dat?"

Huck begon ook te graven en te krabbelen. Eenige planken werden spoedig gevonden en verwijderd. Zij dienden om een door de natuur gevormden kelder te verbergen, die zich onder de rots bevond. Tom kroop in dien kelder en hield zijne kaars zoo ver vooruit, als hem mogelijk was, doch kon--zoo zeide hij--niet tot aan het einde der kloof zien. Daarom stelde hij voor, haar geheel te doorzoeken. Hij bukte zich en stapte onder de rots door in den kelder. Een enge weg leide langzaam naar beneden. Hij volgde het kronkelend pad, eerst ter rechter- en toen ter linkerzijde, en Huck vlak achter hem. Op eens stond Tom voor eene kleine, halfronde, open plek en riep hij uit:

"Hemeltje, Huck, zie eens hier!"

Het was de kist, veilig en wel, in een klein, aardig holletje, bij een leege kruitdoos, een paar geweren in lederen overtrekken, twee of drie paar oude schoenen, een lederen gordel en eenig ander jachtgereedschap, doorweekt van het druppelend water.

"Eindelijk gevonden!" zeide Huck, terwijl hij met zijne handen in de vuile muntstukken grabbelde. "Ja, wij zijn rijk, Tom!"

"Huck, ik heb altijd gedacht, dat wij het geld krijgen zouden. Het is haast al te heerlijk om het te kunnen gelooven, maar wij hebben het, dat is zeker. Doch wij zullen hier niet blijven talmen, maar het er uitdragen. Laat mij eens zien, of ik die kist kan optillen."

Zij woog omstreeks vijftig pond. Tom kon haar optillen, wanneer hij haar schuin hield, maar haar niet dragen.

"Dat dacht ik wel," zeide hij. "In het spookhuis zag ik aan hun manier van dragen, dat zij zwaar was. Ik geloof dat het maar goed is, dat ik er aan gedacht heb de zakken mede te nemen."

Het geld was spoedig in de zakken, en de jongens namen ze op en droegen ze naar de rots met het kruis.

"Laat ons nu de geweren en de andere dingen halen," zeide Huck.

"Neen, Huck, die zullen wij hier laten. Dat zijn juist de zaken die wij noodig hebben, als wij op rooftochten uitgaan. Wij zullen ze hier laten en onze slemppartijen hier ook houden."

"Wat zijn slemppartijen?"

"Dat weet ik niet, maar roovers houden altijd slemppartijen en wij moeten zulks natuurlijk ook doen.--Kom mee, Huck, wij zijn hier lang genoeg geweest. Ik heb honger ook. Wij zullen eten en rooken, als wij in de boot zijn."

Kort daarop kwamen zij uit het sumakboschje te voorschijn, keken voorzichtig rond, vonden de kust veilig en zaten spoedig in het bootje te eten en te rooken. Toen de zon ter kimme daalde, stootten zij van wal en begaven zich op weg. Tom gleed in het schemerdonker, vroolijk met Huck keuvelende, langs den oever voort en zette voet aan wal, toen het geheel duister geworden was.

"Nu, Huck," zeide Tom, "wij zullen het geld op de vliering der houtloods van de weduwe brengen en morgen terugkomen om den boel te tellen en te verdeelen, en dan zullen wij een plaatsje in het bosch opzoeken, waar wij het geld veilig kunnen bewaren. Ga jij hier stil liggen en blijf op de kist passen, dan zal ik het kruiwagentje van Benny Taylor zien op te schommelen. Ik ben binnen een minuut weer bij je."

Hij verdween en kwam spoedig terug met het wagentje, waarin hij de beide zakken neerlegde, en nadat hij ze met eenige oude prullen bedekt had, gingen de knapen met hunne lading op weg.

Toen zij bij het huis van den boschwachter kwamen, hielden zij stil om te rusten. Juist toen zij weder verder wilden gaan, stapte de boschwachter uit de deur en zeide:

"Heila! wie is dat?"

"Huck Finn en Tom Sawyer!"

"Dat treft bijzonder. Gaat gauw met me mee, jongens; iedereen zit op jelui te wachten! Hier, spoedig maar, naar boven. Ik zal het wagentje wel dragen. 't Is waarachtig een vracht! Wat zit er in, steenen of oud ijzer?"

"Oud ijzer," zeide Tom.

"Dat dacht ik al; de jongens hier in de stad geven zich meer moeite om een paar brokken oud ijzer op te snorren, om die aan den smid voor den smeltoven te verkoopen, dan zij zouden overhebben voor geregeld werk, dat hun tweemaal zooveel opbracht. Maar dat is nu eenmaal de menschelijke natuur. Gauw maar, gauw maar!"

De jongens vroegen, waar die spoed voor diende.

"Dat doet er niet toe; je zult het zien, als wij bij de weduwe Douglas zijn."

Huck zeide, want hij was bevreesd valsch beschuldigd te worden, met zekeren angst:

"Mijnheer Jones, wij hebben niets gedaan?"

De boschwachter lachte.

"Wel, ik kan niets zeggen, mijn jongen. Ik weet nergens van. Ge zijt immers goede vrienden met de weduwe?"

"Ja. Zij is zoo goed voor mij geweest"

"Nu, dan is het in orde. Waarom zou je dan bang zijn?"

Deze vraag was in Hucks tragen geest nog niet beantwoord, toen hij zich met Tom in het salon van mevrouw Douglas geduwd zag. De boschwachter liet het wagentje bij de deur staan en volgde. Het geheele huis was prachtig verlicht en alle personen van gewicht waren daar bijeen. De Thatchers waren tegenwoordig, de Harpers, de Rogers', tante Polly, Sid, Marie, de predikant, de dokter en een menigte anderen, allen in hunne beste kleederen.

De weduwe ontving de knapen zoo hartelijk, als men twee jongens, die er uitzagen als zij, ontvangen kan. Zij waren van het hoofd tot de voeten met modder en kaarsvet besmeerd. Tante Polly werd vuurrood van schaamte, fronste hare wenkbrauwen en schudde haar hoofd tegen Tom. Doch niemand leed half zooveel al de knapen zelven. De boschwachter zeide:

"Tom was niet tehuis en ik had het juist opgegeven, toen ik hem en Huck vlak bij mijne deur tegen 't lijf liep, en ik bracht hen in aller ijl hier."

"En daar deedt ge goed aan," zeide de weduwe. "Komt met mij mede, jongens."

Zij nam hen met zich naar eene slaapkamer en zeide:

"Gaat u nu wasschen en kleeden. Hier zijn twee pakken nieuwe kleederen, hemden, sokken, alles bijeen. Zij zijn voor Huck.--Neen, geen dank, Huck! De boschwachter heeft er een voor u gekocht, en ik het andere. Maar zij zullen beide zeker passen. Stap er maar in. Wij zullen wachten. Komt beneden, als gij u gepoetst hebt."

Toen verliet zij hen.

HOOFDSTUK XXXV.

Zoodra de weduwe weg was, zeide Huck: "Tom, wij kunnen, als wij een touw hebben, ons naar beneden laten zakken. Het raam is niet hoog boven den grond."

"Waarom zouden wij dat doen?"

"Och, ik ben aan zoo'n troep menschen niet gewoon. Ik kan het niet uitstaan. Ik ga niet naar binnen, Tom."

"Och, onzin! 't Is niets. Ik geef er niet om en ik zal wel voor je praten."

Daar kwam Sid binnen.

"Tom," zeide hij, "tante heeft den geheelen middag op je zitten wachten. Marie had je zondagsche kleeren klaargelegd en iedereen heeft zich boos over je gemaakt. Zeg, is dat geen vet en klei dat er op je broek zit?"

"Nu, mijnheer Sidje, bemoei je met je eigen zaken. Waarvoor dient al dat lawaai daar binnen?"

"'t Is een van de partijen, die de weduwe zoo dikwijls geeft. Dezen keer is het voor den boschwachter en zijn zoons, omdat zij haar verleden week uit den nood gered hebben. En zeg,--ik zal je iets zeggen, als je het weten wilt."

"Wat dan?"

"Wel, de oude Jones zal van avond hier aan de menschen een geheim vertellen; maar ik heb alles afgeluisterd, toen hij het vandaag aan tante kwam zeggen, en ik geloof dat het nu geen geheim meer is. Iedereen weet het,--de weduwe ook, al doet ze net alsof zij het niet weet. Verbeeld je, Jones had beloofd dat Huck hier zou wezen; want hij kon het groote geheim niet aan den dag brengen zonder Huck, weet je?"

"Het geheim? Welk geheim, Sid?"

"Och, dat Huck de dieven bij de weduwe ontdekt heeft. Ik geloof dat Jones zich heel wat voorstelt van de verrassing, maar zij zal in 't water vallen."

Sid wreef zich tevreden in de handen.

"Sid, heb jij het verklapt?"

"Dat doet er niet toe. Iemand heeft het gedaan, dat is genoeg."

"Sid, er is maar één persoon in de geheele stad, gemeen genoeg om dat te doen, en dat ben jij. Als je in Hucks plaats geweest waart, zou je als een slang den heuvel afgekropen zijn en nooit iets van de dieven verteld hebben. Jij kunt niet anders dan gemeene dingen doen en jij kunt niet aanzien, dat er een ander geprezen wordt, omdat hij goed heeft gedaan. Daar, je behoeft er niet voor te bedanken, zooals de weduwe zegt." En Tom gaf Sid een klap om zijne ooren en schopte hem de deur uit, "Kom, ga het nu aan tantetje vertellen en morgen zul je er van lusten."

Niet lang hierna zaten al de gasten der weduwe aan tafel en een dozijn kinderen werden, naar de gewoonte van dat land en dien tijd, aan kleine tafeltjes, in dezelfde kamer opeengehoopt. Op een gepast oogenblik hield de heer Jones een kleine toespraak, waarin hij de weduwe zijn dank betuigde voor de eer die zij hem en zijnen zonen bewees; maar er was, zeide hij een ander persoon wiens nederigheid, enz. enz. Hij bracht het geheim van Hucks aandeel aan het vraagstuk op de treffendste wijze en met de schoonste dramatische wendingen, die hij in zijne macht had, voor den dag; doch de verrassing, die deze ontdekking veroorzaakte, was eenigszins gehuicheld, en het gejuich was niet zoo groot als het onder gelukkiger omstandigheden geweest zou zijn. Toch deed de weduwe haar best om een verrast gezicht te zetten en hoopte zulk een tal van complimenten en zooveel dankbaarheid op Hucks hoofd, dat de knaap den bijna ondraaglijken last zijner nieuwe kleeren haast vergat, door het onuitstaanbaar lijden van als een mikpunt voor ieders blikken en ieders loftuigingen gebruikt te worden. De weduwe zeide, dat zij Huck een tehuis zou geven onder haar dak en voor zijne opvoeding zou zorgen; en dat, als zij geld te missen had, zij hem een eerlijk beroep zou doen leeren.

Nu kwam de gelegenheid voor Tom en hij zeide:

"Huck heeft het niet noodig. Huck is rijk!"

Kieschheid alleen deed den lach terughouden, dien deze grappige uitval onwillekeurig uitlokte. Men zweeg en er ontstond eene onaangename stilte, die door Tom verbroken werd.

"Huck heeft geld genoeg. Jelui moogt het gelooven of niet, maar hij heeft bergen geld! O, jelui behoeft niet te lachen; ik kan het jelui laten zien. Wacht maar een minuut." Dit zeggende liep hij de deur uit.

De gasten zagen elkander verbijsterd en nieuwsgierig aan en keken daarna naar Huck, die geen woord sprak.

"Sid, wat scheelt Tom?" zeide tante Polly. "Hij.... Wel, er is met dien jongen niets aan te vangen. Ik heb nooit.... "

Tom kwam binnen, gebogen onder den last zijner zakken, en tante Polly eindigde haar volzin niet. Tom wierp de massa gele geldstukken op tafel en zeide:

"Daar--wat heb ik gezegd? Het geld is van ons beiden; Huck de helft en ik de helft."

Dit tooneel deed iedereen den adem inhouden. Allen keken; niemand sprak. Toen volgde er een eenstemmig geroep om eene verklaring van het geval. Tom zeide, dat hij die geven kon,--en dat deed hij. Het verhaal was lang, maar hoogst belangrijk, en de vergaderde menigte was sprakeloos van verbazing. Toen de knaap aan het einde was gekomen, zeide de boschwachter:

"Ik dacht, dat ik voor deze gelegenheid den gasten eene kleine verrassing had bereid, maar zij is, hierbij vergeleken, niets waard. Deze doet de mijne, ik moet het eerlijk bekennen, geheel in het niet zinken."

Het geld werd geteld. De som bedroeg over de twaalfduizend dollars. Het was meer dan een der aanwezigen ooit bijeen had gezien, ofschoon verscheidenen der hier vergaderde personen meer waard waren dan geheel de gevonden schat.

HOOFDSTUK XXXVI.

De lezer mag zich overtuigd houden, dat het buitenkansje van Tom en Huck eene groote opschudding in het eenvoudige, kleine stadje veroorzaakte. Zulk een groote som, in klinkende munt, was een bijna ongelooflijk bezit. Men sprak zoo veel over deze daad en verheerlijkte haar in zulk een mate, dat zij eindelijk het verstand van menigen ziekelijk opgewonden burger aan het wankelen bracht. Elk spookhuis te St. Petersburg en in de naburige dorpen werd onderzocht; de vloeren werden plank voor plank opgenomen en de fondamenten opgegraven en geplunderd, in de hoop van verborgen schatten op te leveren. En dat niet door kleine jongens, maar door volwassen menschen en ernstige, nuchtere lieden ook. Waar Tom en Huck ook verschenen, werden zij bewonderd en vol verbazing aangestaard. Alles wat zij deden, werd als iets heel bijzonders beschouwd. Zij hadden blijkbaar het vermogen verloren om gewone dingen te zeggen of te doen. Bovendien werd de geschiedenis van hun vroeger leven opgehaald en werden daarin bewijzen van een buitengewonen aanleg en een buitengewoon verstand ontdekt.

De weduwe Douglas zette Hucks geld uit tegen zes percent, en de heer Thatcher deed, op verzoek van tante Polly, hetzelfde voor Tom. De knapen hadden nu elk een ontzaglijk inkomen: een dollar voor elken werkdag en een halve voor de Zondagen. Het was juist zooveel als de dominee ontving,--neen, het was zooveel als hem was toegezegd, want hij kon het gewoonlijk niet bijeenkrijgen. Een en een kwart dollar was in die dagen voldoende weekgeld voor eens jongens kost, inwoning, kleeding en bewassching.

De heer Thatcher had een hoog denkbeeld van Tom Sawyer gekregen. Hij verklaarde, dat geen gewone jongen zijne dochter uit de grot zou gered hebben. Toen Becky haar vader in vertrouwen vertelde, hoe grootmoedig Tom hare zweepslagen op school op zich had genomen, was de rechter zichtbaar bewogen; en toen zij haar vader smeekte de vreeselijke leugen over het hoofd te zien, waaraan Tom zich had schuldig gemaakt, om de zweepslagen van hare schouders te nemen, zeide de rechter opgewonden, dat het een brave, een edele, een grootmoedige leugen was, een leugen die verdiende in Amerika's geschiedrollen te worden te boek gesteld.

Becky vond, dat haar vader er nooit zoo fier en mannelijk had uitgezien, als toen hij, onder het uiten dezer woorden, met van geestdrift schitterende oogen, de kamer doorliep. Geen wonder dat zij alles dadelijk aan Tom ging overbrieven!

De heer Thatcher hield zich overtuigd, dat Tom eens een groot rechtsgeleerde of een beroemd militair zou worden. Hij zeide dat hij zijn best zou doen, dat de knaap naar de Militaire Academie werd gezonden en dan naar de beste hoogeschool in het land, opdat hij voor beide vakken klaar zou zijn.

De schatten van Huck Finn en het feit dat hij onder de bescherming der weduwe Douglas kwam, brachten of liever trokken en sleurden hem in de maatschappij en zijn lijden was meer dan hij kon dragen. De dienstboden der weduwe hielden hem rein, zorgden dat hij er netjes uitzag, kamden en borstelden hem en legden hem 's nachts in ongemakkelijke bedden, waarop geen vlekje of spatje te ontdekken was. Hij moest met mes en vork eten, een servet gebruiken en een kopje en schoteltje; hij moest zijne lessen leeren, naar de kerk gaan en netjes spreken. Waarheen hij zich ook wendde, overal werd hij door de grendels en ketenen der beschaving ingesloten en aan handen en voeten gebonden.

Hij droeg zijne ellende drie weken lang, geduldig en onderworpen, en toen werd hij op zekeren dag gemist. Gedurende acht en veertig uren liet de weduwe overal naar hem zoeken. Het publiek was er diep mede begaan; men zocht rechts en links en de rivier werd zelfs gebaggerd. Den derden morgen nadat hij gemist was, ging Tom verstandig onder een paar leege vaten achter het verlaten slachthuis snuffelen en vond den vluchteling in een van deze. Huck had daar geslapen, hij had juist zijn ontbijt genuttigd, bestaande uit een paar armzalige stukjes brood en vleesch, die hij hier en daar had weggekaapt, en hij zat nu dood op zijn gemak in een okshoofd zijn pijpje te rooken. Hij was ongekamd, ongewasschen en gekleed in dezelfde oude lompen, die hem in de dagen, waarin hij nog vrij en gelukkig was, zulk een eigenaardig voorkomen gaven. Tom las hem de les, zeide hem hoezeer hij allen verontrust had en verzocht hem naar huis te gaan. Hucks gelaat verloor de uitdrukking van kalme tevredenheid en betrok.

Hij zeide:

"Spreek er niet van, Tom. Ik heb mijn best gedaan, maar het gaat niet; neen, het gaat niet voor mij: ik ben er niet aan gewoon. De weduwe is goed en vriendelijk; maar ik kan het niet bij haar uithouden. Ik moet alle ochtenden op hetzelfde uur opstaan en mij het vel van het lijf laten wasschen en kammen; zij wil mij niet eens in de schuur laten slapen; ik moet kleeren dragen waaronder ik bezwijk; en zij zijn zoo akelig mooi, dat ik er niet mede kan zitten, liggen, noch op den grond rollen; ik mag nergens aankomen en moet naar de kerk gaan. Ik mag er geene vliegen vangen, niet pruimen, en moet den geheelen Zondag schoenen dragen. De weduwe eet, als de bel luidt; zij gaat naar bed, als de bel luidt; zij staat op, als de bel luidt; en alles gaat zoo drommels geregeld, dat een gewoon mensch er niet tegen bestand is."

"Maar, Huck, zoo leeft iedereen."