De Lotgevallen van Tom Sawyer

Chapter 13

Chapter 134,091 wordsPublic domain

"We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en 't zou hem niet veel baten, want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken."

"Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan heeft."

"Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet eerder gehangen werd."

"Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam, zij hem zouden _lynchen_ [3]--en dat zouden zij doen ook."

De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijze voort, doch het gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht met een vage hoop in het hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit den weg zouden worden geruimd. Doch er gebeurde niets; de engelen en feeën schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken.

Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan; zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven Potter wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt, konden zij hem deze kleine giften zonder moeite toereiken.

Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk aangedaan,--doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide:

"Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: 'Ik placht al de vliegers en dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen waar de beste visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans, nu hij in nood is, hebben zij allen den ouden Muff vergeten--allen behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,' zeg ik, en ik vergeet hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd, in mijne dronkenschap,--anders begrijp ik niet, hoe ik het gedaan kon hebben,--en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja, 't beste wat ze met mij doen kunnen. Doch daar zullen wij niet verder over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te goed voor mij geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinkt nooit te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; 't is zoo'n troost, vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig voelt,--en ik zie ze hier nooit, behalve die van jelui. Goede, vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe handen kunnen wel door de tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes, die Muff Potters last verlicht hebben en welke, als ze maar konden, dien wel heelemaal zouden wegnemen!"

Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende dagen was hij al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar gedreven werd, ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan te blijven. Huck ondervond hetzelfde en de beide knapen vermeden elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch dezelfde vreeselijke betoovering dreef hen altijd weder naar het gebouw terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal in- of uitslenterde, doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws; het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan den avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het feit door Injun Joe's verklaring volkomen was bewezen en dat er geen twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury.

Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was de groote dag. De beide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten, kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit en werd zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet minder viel Injun Joe in 't oog, verstaald als altijd. Na eene kleine pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting voor geopend. Daarop volgde het gewone gefluister onder de leden der balie en het bijeenverzamelen der stukken. Deze bijzonderheden en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het indrukwekkende dezer bijeenkomst te verhoogen en de vergadering in de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen die verklaarde, dat hij Muff Potter in den vroegen morgen van den dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen en onmiddellijk daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager;

"Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?"

De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond weder neer, toen zijn verdediger zeide:

"Ik heb hem geene vragen te doen."

De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had, antwoordde de advocaat van Potter:

"Ik heb ook dezen niets te vragen."

Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.--Was deze advocaat van plan zijn cliënt het leven te doen verliezen, zonder een enkele poging te wagen om hem te redden?

Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrent de schuld verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen aftrekken zonder kruisvragen te ondergaan.

Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo goed wisten te herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot geen hunner werd door Potters verdediger een vraag gericht.

De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van de zijde van den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop:

Door de beëedigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze taak is hiermede geëindigd.

Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl er in de gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden blijk.

De verdediger stond op en sprak:

"Mijnheer de Voorzitter!

"Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd, dat wij zouden trachten aan te toonen, dat onze cliënt bij het plegen dezer ontzettende daad handelde in een toestand van waanzin, ontstaan uit misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij zijn op dat voornemen teruggekomen; die verdediging zullen wij niet voeren." (En toen tot den deurwaarder) "Roep Thomas Sawyer."

De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding en belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt uit. De eed werd hem afgenomen.

"Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht geweest?"

Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden adem, doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en trachtte hij zijne stem te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide:

"Op het kerkhof!"

"Een weinig luider, als 't u belieft. Wees niet bang.--Gij waart....?"

"Op het kerkhof!"

Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe.

"Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?"

"Ja, mijnheer."

"Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?"

"Zoo dicht, als ik thans bij u sta."

"Hieldt gij u verborgen of niet?"

"Verborgen, mijnheer."

"Waar?"

"Achter de olmboomen, aan den rand van het graf."

Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit.

"Hadt gij niemand bij u?"

"Ja, mijnheer. Ik was daar met..."

"Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen. Hadt gij iets bij u?"

Tom aarzelde en keek verlegen voor zich.

"Spreek vrij uit, mijn jongen;--wees niet bedeesd. 't Is altijd braaf on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het kerkhof genomen?"

"Niets dan een--een doode kat!"

Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken.

"Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in uw eigen taal;--sla niets over en wees niet bang."

Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak, en het duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open mond en ingehouden adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen aandacht bereikte haar toppunt, toen de jongen zeide:

"En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun Joe met het mes op hem toe en...."

Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen.

HOOFDSTUK XXV.

Tom was ten tweede male de held van den dag,--het troetelkind der ouden van dagen, het voorwerp van afgunst der jeugd. Zijn naam werd zelfs door de drukpers onsterfelijk gemaakt, want hij werd eervol in het "Peterburgsche blaadje" vermeld. Er waren er zelfs, die in hem, indien hij aan de galg ontkwam, een toekomstigen President zagen.

Zooals dat gewoonlijk gaat, koesterde de veranderlijke, onredelijke wereld Muff Potter aan haar hart en vertroetelde hem even dwaas als zij hem te voren had beschimpt. Doch aangezien deze gewoonte de menschheid eer tot lof dan tot blaam strekt, zou het onheusch zijn er haar een verwijt van te maken.

De eerstvolgende dagen waren voor Tom een tijdperk van onvermengd genot, maar zijne nachten waren vreeselijk. Het beeld van Injun Joe vervolgde hem in zijn droomen en de moordenaar stond gedurig voor hem, met verdelging in zijn oog. De knaap was er voor geen geld toe te bewegen om na zonsondergang de deur uit te gaan. De arme Huck verkeerde in denzelfden toestand van ellende en schrik, want Tom had den avond voor den rechtsdag de geheele geschiedenis aan den pleitbezorger verteld, en Huck was doodbang dat het uitlekken zou, dat ook hij in de zaak betrokken was, ofschoon de vlucht van Injun Joe hem de marteling gespaard had van op 's Hofs zitting getuigenis te moeten afleggen.

Sedert Toms bezwaard geweten hem in den laten avond naar het huis van den advocaat gedreven had en deze het huiveringwekkend verhaal had ontwrongen aan lippen, die door de vreeselijkste en geheimzinnigste eeden gesloten waren geweest, had Huck zijn vertrouwen in de menschheid voor eeuwig verloren. Zoolang het daglicht scheen, maakte Muff Potters dankbaarheid Tom blijde dat hij gesproken had; maar zoodra de avond was gedaald, zou hij om alles gewild hebben dat zijn mond gesloten was gebleven. Het eene oogenblik bekroop hem de vrees, dat Injun Joe nooit gevat zou worden, en het andere beefde hij bij de gedachte dat het wel zou gebeuren. Het was hem alsof hij niet weder vrij zou ademen, voordat die man dood was en hij zijn lijk had gezien. Geldsommen waren uitgeloofd, men had het land doorkruist, doch er werd geen Injun Joe gevonden. Op zekeren dag kwam er uit St Louis een van die alwetende, ontzagwekkende wonderen in menschengedaante, een agent van de geheime politie, hoofdschuddend en met een voornaam gezicht te St Peterburg en maakte dien kolossalen opgang, welke leden van dat verheven lichaam altijd maken. Hij kwam zeggen dat hij den "sleutel" gevonden had. Doch aangezien men geen "sleutel" wegens moord kon ophangen, bracht het bezoek van den grooten man weinig licht aan en voelde Tom zich al even bezwaard als vroeger. De eene dag voor en de andere na ging voorbij, zonder dat hem het drukkend wicht van den angst werd afgenomen.

HOOFDSTUK XXVI.

Er komt een tijd in elk wel ingericht jongensleven, dat hij door eene vurige begeerte wordt aangegrepen om ergens een verborgen schat te gaan zoeken. Dat verlangen bekroop plotseling Tom. Hij stapte de deur uit om Joe Harper op te zoeken, doch zonder baat. Toen ging hij naar Ben Rogers; helaas! deze was visschen. Weldra echter liep hij Huck tegen 't lijf en de beruchte straatjongen stond hem te woord. Tom nam hem met zich naar een eenzame plaats en deelde in vertrouwen zijn voornemen mede. Huck werd bereid gevonden; hij had gaarne de hand in elke onderneming, welke genot beloofde en geen geld kostte, daar hij een lastigen overvloed van die soort van tijd had, die _geen_ geld is.

"Waar zullen wij graven!" vroeg Huck.

"O, overal!"

"Zoo, zijn dan overal schatten begraven?"

"Neen, waarachtig niet. Zij zijn meestal op allervreemdste plaatsen verborgen, Huck;--somtijds op eilanden en ook wel in verrotte kisten, onder een tak van een ouden dooden boom op welken de maan te middernacht haar schaduw werpt. Doch doorgaans vindt men ze veel in den grond onder spookhuizen."

"Wie verstopt ze?"

"Wel de roovers natuurlijk.--Wie anders, denk je. De catechiseermeester van de zondagsschool?"

"Ik weet het zoo niet. Indien ik een schat had, zou ik hem niet verstoppen: ik zou er hem doorlappen om een lekker leventje te hebben."

"Ik ook; maar roovers doen dat niet; zij verbergen hem en laten hem waar hij is."

"Komen zij hem nooit halen?"

"Neen; zij hebben er wel plan op, maar zij vergeten doorgaans de plaats, waar zij hem verstopt hebben, of zij gaan dood. Hoe dan ook, hij blijft lang onder den grond liggen en begint te roesten; en in verloop van tijd vindt de een of ander een oud geel stukje papier, dat hem zegt waar de schat begraven is;--een papiertje dat men in een week niet ontcijferen kan, omdat het schrift enkel uit teekens en hiëroglyphen bestaat."

"Hiëro... wat?"

"Hiëroglyphen! Dat zijn prentjes en dingen, schijnbaar zonder beteekenis."

"Heb jij ook van die papiertjes, Tom?"

"Neen."

"Hoe kun je dan de teekenen uitvinden?"

"Wel, ik heb geen teekenen noodig. Schatten worden ook wel onder een spookhuis begraven of op een eiland, of onder een dooden boom met vooruitstekende takken. Wij hebben het op Jacksons Island al zoo wat geprobeerd en nu kunnen wij weer ergens anders aan den gang gaan. Daar heb je bij voorbeeld het oude spookhuis, Hill-House Branch, en verder zijn er een menigte boomen met doode takken."

"Vindt men ze onder alle?"

"Wat praat je toch! Natuurlijk niet!"

"Hoe weet je dan onder welke je moet zoeken?"

"Wij moeten ze alle uitgraven."

"Maar, Tom, dan kunnen wij den geheelen zomer wel aan den gang blijven!"

"Wat kan dat schelen? Verbeeld je, dat we eens een koperen pot vinden met honderd roestige dollars er in, of een verrotte kist met diamanten. Wat zou je daarvan zeggen?"

Hucks oogen glinsterden.

"Dat is zat, meer dan zat voor mij. Geef mij de honderd dollars, dan mag jij de diamanten houden!"

"Afgesproken! De diamanten zijn lang niet te verwerpen. Sommigen zijn twintig dollars het stuk waard. Er zijn er haast geen, die je onder de zes verkoopen kunt."

"Wezenlijk? Is dat zoo?"

"Zeker; dat weet iedereen. Heb je er nooit een gezien, Huck?"

"Niet, dat ik mij herinner!"

"O, de koningen hebben ze bij menigte."

"Maar ik ken geen enkelen koning, Tom."

"Dat wil ik wel gelooven. Hier zijn geen koningen; maar als je eens naar Europa gingt, zou je er een mud in het rond zien springen."

"Springen zij?"

"Springen,--eend! Wel neen!"

"Wel, waarom zeg je het dan?"

"Och, ik bedoelde alleen maar, dat je ze zien zoudt,--maar niet zien springen, natuurlijk niet. Waarom zouden zij dat doen? Ik meen, dat je er den grond mede bezaaid zoudt zien, evenals bij dien Richard den Bultenaar."

"Richard ...? Hoe heet hij nog meer?"

"Hij heeft geen anderen naam. Koningen hebben alleen maar één voornaam.

"Zoo?"

"Zeker, zoo is 't."

"Nu, als ze dat prettig vinden, laten ze hun gang gaan. Ik zou geen koning willen zijn, om alleen maar één voornaam te hebben, evenals de nikkers.--Maar zeg, waar ga je eerst graven?"

"Dat weet ik nog niet. Zullen wij eerst beginnen onder dien ouden dooden tak op den heuvel, aan de overzijde van Hill-House Branch?"

"Akkoord."

De knapen wisten een gebrekkige bijl en een schoffel machtig te worden en ondernamen de voetreis van anderhalf uur. Zij kwamen bezweet en hijgend aan en legden zich onder de schaduw van een olmboom neder om uit te rusten en een pijp te rooken.

"Het bevalt mij," zei Tom.

"Mij ook," antwoordde Huck.

"Zeg eens, Huck, als wij hier den schat vinden, wat doe jij dan met jouw aandeel?"

"Ik? Ik koop elken dag een pastei en een glas sodawater en ik ga naar elk paardenspel dat hier in de buurt komt. Ik verzeker je, dat ik het er van nemen zal."

"Zou je er niets van opsparen?"

"Opsparen? Waarvoor zou dat dienen?"

"Om wat te hebben om later van te leven."

"O, dat hoeft niet, als ik dat deed, zou Pop op een goeden dag terugkomen en er zijne klauwen op zetten, om er spoedig een eind aan te maken.--Wat doe jij met jouw part?"

"Ik koop een nieuwe trom, een sabel, een roode das, een groote poppenkast--en ik ga trouwen."

"Trouwen?"

"Ja zeker."

"Tom, ben je mal, of wat scheelt je?"

"Wacht maar: je zult het zien gebeuren."

"Hemel, dat is nu het gekste ding, dat je doen kunt. Denk maar eens aan Pop en mijne moeder; ze deden niets dan vechten. Ik herinner mij dat als den dag van gisteren."

"Dat doet er niet toe. Het meisje, waarmede ik ga trouwen, zal niet vechten."

"Tom, ik geloof dat zij allen hetzelfde zijn. Je kunt ze allen over één kam scheeren. Ik zou me, als ik jou was, nog eens bedenken eer ik dat deed. Ik zeg je, dat het je berouwen zal. Hoe heet die meid?"

"'t Is geen meid;--'t is een meisje."

"Dat is hetzelfde; sommigen zeggen meid en anderen meisje. 't Is allebei goed. Hoe is haar naam?"

"Ik zal hem je later zeggen; nu nog niet."

"Ook al goed. Alleen als je gaat trouwen, zal ik verlatener zijn dan ooit."

"Neen, dat zul je niet, want je zult bij ons komen inwonen. Laat ons nu maar spoedig opstaan en aan het graven gaan."

Zij werkten een half uur in het zweet hun aanschijns, doch zonder gevolg. Zij zwoegden nog een half uur, weder zonder baat. Toen zeide Huck:

"Worden die schatten altijd zoo diep begraven als deze?"

"Somtijds, niet altijd. Meestal niet. Ik geloof, dat wij op de verkeerde plaats zijn."

Zij kozen daarom een andere plek uit en begonnen weder. De arbeid ging wat langzamer, doch zij maakten toch vorderingen en hielden het zwijgend eenigen tijd vol. Eindelijk ging Huck op zijne spade leunen, veegde zich met zijn mouw de parelen zweet van het voorhoofd en zeide:

"Waar ga je graven, wanneer wij door dezen boom heen zijn?"

"Dan konden wij den ouden boom bij Cardiff Hill, achter het huis van de weduwe wel eens opdelven."

"Dat zal wel een goede zijn. Maar zal de weduwe ons den schat niet afnemen, Tom? 't is op haar land."

"Zij hem ons afnemen? Laat zij 't eens probeeren. Al wie een verborgen schat vindt, mag hem houden. Het doet er niet toe op wiens land het is."

Huck was met dit argument tevreden. De arbeid werd voortgezet. Eindelijk zeide Huck:

"Verduiveld, wij zijn zeker weer op de verkeerde plaats. Wat denk jij ervan?"

"Het is erg vreemd, Huck. Ik begrijp het niet. Soms komen er wel eens heksen tusschenbeide. Ik denk, dat dit nu het geval is."

"Onzin! Heksen kunnen niets doen bij daglicht."

"Ja, dat is waar ook. Daar dacht ik niet aan. O, ik weet al wat het is. Wat zijn wij toch uilskuikens! Wij moeten zien te ontdekken, op welken tak tegen middernacht de schaduw van de maan valt, en onder dien tak graven."

"Vervloekt! dus hebben wij monnikenwerk gedaan. Nu zullen wij van nacht terugkomen. 't Is een verduiveld lange weg. Kun jij de deur uitkomen?"

"Ik denk het wel. Wij moeten het van nacht doen ook, want als iemand deze gaten ziet, zal hij het dadelijk begrijpen en zelf gaan zoeken."

"Goed, dan zal ik van nacht weer komen miauwen."

"Best. Laat ons de spaden zoolang in het kreupelbosch verbergen."

De knapen waren ter bestemder tijd op de afgesproken plaats en zaten in de schaduw van den boom te wachten. Het was een eenzaam oord en eene van oudsher plechtige ure. Geesten fluisterden door de ruischende bladeren, spoken loerden in sombere hoeken, het holklinkend geblaf van een hond werd in de verte gehoord en door een uil met zijne grafstem beantwoord. De knapen waren geheel onder den indruk dezer ernstige zaken en spraken bijna geen woord. Na een poosje meenden zij, dat het wel twaalf uren zou zijn; zij gaven nauwkeurig acht op de schaduwen en gingen aan het graven. De hoop begon in hun hart te herleven; hunne belangstelling werd grooter en hun vlijt hield daarmede gelijken tred. Het gat werd al dieper en dieper en telkens, wanneer de bijl op iets hards sloeg, sprong hun hart op van vreugde. Doch de eene teleurstelling volgde de andere. Het was nooit iets anders dan een steen of een paar stukken van beenderen. Eindelijk zeide Tom:

"Het zal niet baten Huck; wij zijn alweer aan den verkeerden boom."

"Maar wij kunnen niet verkeerd zijn: wij hebben precies de beschaduwde plek genomen."

"Dat weet ik wel, maar er is iets anders."

"Wat dan?"

"Dat wij naar den tijd geraden hebben. Waarschijnlijk was het te laat of te vroeg."

Huck liet zijn schop vallen.

"Daar zul je het hebben," zeide hij. "Dat is het vervelende ervan. Wij kunnen nooit het juiste oogenblik bepalen, en buitendien, 't is hier al te griezelig om dezen tijd van den nacht, met ronddolende spoken en geesten. Ik heb een gevoel, alsof er voortdurend iets achter mij staat, en ik durf mij nauwelijks omkeeren, omdat er anderen achter mij kunnen zijn, die hun kans afwachten. Ik heb gebeefd als een riet, zoolang ik hier gestaan heb."

"Ik ook, Huck. Zij leggen meestal een dooden man in den kuil, onder den boom waarin zij een schat geborgen hebben."

"Hemelsche vader!"

"Ja, dat doen zij. Dat heb ik altijd gehoord."

"Tom, ik houd er niet van, om in de buurt van doode menschen te zwerven. Je hebt er altijd min of meer last van."

"Ik ben er ook niet voor om ze aan den gang te maken, Huck. Verbeeld je eens, dat er zijn schedel opstak en begon te praten."

"Spreek er niet van, Tom; 't is te vreeselijk."

"Gij hebt gelijk, Huck. Ik voel mij niets op mijn gemak."

"Zeg eens Tom, zullen wij deze plaats opgeven en het ergens anders gaan beproeven?"

"Goed. Ik geloof ook dat het beter zal zijn. Waar moeten we nu heen?"

Tom bedacht zich een oogenblik en zeide toen:

"Naar het spookhuis."

"Dank je; ik houd niet van spookhuizen, Tom. Daar zie je gezichten nog akeliger dan die van doode menschen. Lijken mogen praten, maar ze schuiven niet, als je er niet op verdacht bent, langs je heen in een lijkkleed, om over de schouders te kijken, en ze kunnen ook niet met hunne tanden knarsen, zooals een spook doet. Ik zou het besterven, Tom--en iedereen met mij."

"Ja maar, Huck, spoken sluipen alleen 's nachts rond; zij zullen ons over dag het graven niet beletten."