De Lotgevallen van Tom Sawyer

Chapter 11

Chapter 114,128 wordsPublic domain

Op school werd aan Tom en Joe zoo het hof gemaakt en werden ze zoozeer bewonderd, dat de beide helden weldra onuitstaanbaar pedant werden. Zij begonnen hunne avonturen aan gretig luisterende toehoorders te vertellen, doch brachten het nooit verder, dan het begin; want eene verbeelding als de hunne, steeds klaar om nieuwe stof aan te brengen, zou moeielijk tot een eind hebben kunnen komen. En toen zij ten slotte hunne pijpen voor den dag haalden en kalm de rookwolken in het rond bliezen, hadden zij het toppunt van roem bereikt.

Tom was tot het besluit gekomen, dat hij thans wel van Becky Thatcher kon afzien. Zijne glorie was hem genoeg en voor deze alleen zou hij voortaan leven. Nu hij zulk een voornaam persoon geworden was, kon het wel eens zijn, dat zij lust kreeg bij te draaien. Welnu, als zij dat deed, zou zij ervaren, dat hij even onverschillig kon zijn als sommige andere lieden.

Daar kwam zij juist toevallig aan. Tom deed alsof hij haar niet zag en voegde zich bij een ander troepje jongens en meisjes, met wie hij dadelijk een druk gesprek aanknoopte. Spoedig ontwaarde hij, dat Becky met gloeiende wangen en schitterende oogen, vroolijk nu achter dan vooruit huppelde, schijnbaar met hart en ziel krijgertje speelde en het uitgilde van 't lachen, wanneer zij een van haar kameraadjes gevangen had. Maar het ontging hem niet, dat zij hare vangsten altijd in zijne buurt deed en dan tersluiks naar hem keek.

Dit streelde zijne booze ijdelheid ongemeen en deed hem, in plaats van hem voor haar te winnen, nog meer op zijne hoede zijn, om door taal noch teeken te verraden, dat hij haar toeleg bemerkte. Weldra gaf zij vruchteloos de moeite op en ging onder het slaken van zware zuchten besluiteloos op en neer wandelen, terwijl zij nu en dan heimelijk veelbeteekenende blikken op Tom wierp. Het viel haar op, dat Tom drukker met Amy Lawrence praatte dan met iemand anders. Dit gezicht verbitterde haar zoozeer, dat zij het besluit nam naar huis te gaan. Doch hare verraderlijke voetjes droegen haar tegen wil en dank naar de plaats, waar Tom en Amy stonden. Met geveinsde opgewektheid zeide zij dicht bij Toms oor tot een meisje:

"Wel, Marie Austin, ondeugende meid, waarom ben je niet op de zondagsschool geweest?"

"Ik ben er geweest. Heb je me niet gezien?"

"Neen. Waart ge er? Waar heb je gezeten?"

"In de klasse van juffrouw Peters, waar ik altijd zit. Ik heb jou wel gezien."

"Zoo! Hoe mal, dat ik jou niet zag! Ik had je van de pic-nic willen vertellen, die gegeven wordt."

"O, dat is heerlijk! En wie geeft die?"

"Mijn ma!"

"O, heertje, ik hoop dat zij mij ook vragen zal."

"Natuurlijk; het is mijn partij. Zij vraagt iedereen, die ik hebben wil."

"Verrukkelijk!--wanneer zal het gebeuren?"

"Al spoedig. In de vacantie, denk ik."

"Voortreffelijk!--Je vraagt zeker al de jongens en meisjes?"

"Ja, al mijne kennissen, dat is te zeggen, al de jongens en meisjes, die lief tegen mij zijn," en meteen werd er tersluiks naar Tom gekeken. Doch deze had het juist ontzettend druk met Amy Lawrence over het vreeselijke onweer op het eiland en over den bliksem, die den grooten vijgeboom aan spaanders sloeg, terwijl hij, Tom, op geen tien pas afstands stond.

"En mag ik ook komen?"

"Ja."

"En ik?" zeide Sally Rogers.

"Ja."

"En ik ook!" riep Suze Harper. "En Joe?"

"Ja."

En zoo ging het met vroolijk handgeklap voort, totdat de geheele troep om eene uitnoodiging gebedeld had, behalve Tom en Amy. Deze twee keerden koeltjes de anderen den rug toe en wandelden pratende voort. Becky's lippen begonnen te beven en hare oogen schoten vol tranen, en ofschoon zij deze teekenen van smart onder een vroolijk gelaat en een eindeloos gekeuvel zocht te verbergen, was de pret van de pic-nic en eigenlijk van alles af. Zoodra zij zulks onopgemerkt doen kon, sloop zij heen en ging in een hoekje zitten, om, zooals haar geslacht dat noemt, eens flink "uit te huilen." Daar bleef zij, gebelgd over hare gekrenkte ijdelheid, zitten, totdat de schoolbel haar gelui deed hooren. Toen stond zij met wraak in het hart op, schudde met een vergramd gelaat haar gevlochten haarbos en mompelde, dat zij wel wist wat zij doen zou.

Bij het uitgaan der school zette Tom zijne hofmakerij aan Amy Lawrence met onuitsprekelijke zelfvoldoening voort. Hij bleef voortdurend in den omtrek, in de hoop van Becky te vinden en haar door zijn wreed spel te kwellen. Eindelijk ontdekte hij haar--en de hooge temperatuur zijner gemoedsstemming daalde op eens tot het vriespunt.

Zij zat welbehaaglijk op een bankje achter de school, in een boek prentjes te kijken met Alfred Temple, en zij waren zoo in hunne beschouwing verdiept en hielden hunne hoofden zoo dicht bij elkaar, dat er buiten hen en het prentenboek niets in de wereld scheen te bestaan.

Een vuur van jaloezie gloeide Tom door de aderen. Hij verwenschte zichzelven, omdat hij de kans tot eene verzoening met Becky zoo jammerlijk had verspeeld. Hij noemde zich een dwaas en de Hemel weet wat niet al meer, en het huilen stond hem nader dan het lachen. De naast hem loopende Amy keuvelde lustig voort en juichte in haar hart,--doch Toms tong scheen hem aan het verhemelte te kleven. Hij hoorde niet wat Amy zeide, en wanneer zij stilhield om op een antwoord te wachten, kwamen er onsamenhangende, verwarde klanken, die veeltijds op de vraag niet sloegen. Niettemin bleef hij achter het schoolgebouw op-en nederloopen, om zich de oogballen met het hatelijk schouwspel te pijnigen. Hij kon niet anders, en de gedachte dat Becky Thatcher niet eens scheen te vermoeden dat hij in het land der levenden was, maakte hem bijna krankzinnig.

Toch zag zij het maar al te goed en wist zij dat zij veld won ook, en was blijde dat hij nu ondervond, wat zij had uitgestaan. Amys vroolijk gebabbel werd hem ondraaglijk. Tom begon verontschuldigingen te maken en zeide dat hij naar huis moest om te werken, daar het laat werd. Doch tevergeefs: het vogeltje kirde altijd maar voort: "Ik wou, dat ze naar de maan vloog! Zal ik dan nooit van haar afkomen?" Eindelijk zeide hij dat hij weg moest, en het meisje antwoordde argeloos, dat zij zorgen zou morgenochtend weder op haar post te zijn. En hij spoedde zich voort en haatte haar om die belofte.

"Een andere jongen!" sprak Tom tot zich zelven en knarste met de tanden. "Zij mocht, wat mij betreft, elken jongen van de plaats genomen hebben, behalve dien vromen Piet, die zich zoo mooi kleedt en zoo voornaam is! Best, jongen! ik heb je een pak gegeven den eersten dag dat je hier kwaamt, en je zult er nog een hebben. Wacht je beurt maar af. Dan gaat het zoo!"

En toen ging hij in zijne verbeelding aan het afkloppen van den jongen, maakte de bewegingen van "iemand een pak geven"--en sloeg, schopte in de lucht, onder het uitroepen van: "Ziezoo, dat 's voor jou goed? Heb je nou genoeg, zeg? Laat dit je een les zijn."

Toen snelde hij naar huis. Hij kon de gedachte aan Amys dankbaar geluk en aan dat andere tooneel niet meer verdragen. Becky intusschen zette hare plaatjesbeschouwing met Alfred voort; maar toen de minuten voortkropen en er geen Tom kwam, verloor haar zegepraal iets van haar luister en verdween hare belangstelling. Zij werd rusteloos en afgetrokken en eindelijk neerslachtig. Een paar malen spitste zij de ooren bij het geluid van een voetstap, maar de hoop, waarmede zij zich streelde, bleek ijdel te zijn. Er kwam geen Tom. Eindelijk voelde zij zich zoo ellendig, dat zij goud zou gegeven hebben, indien zij het niet zoover had laten komen. Toen de arme Alfred, ziende dat zij--hoe het kwam wist hij niet--ophield hem haar aandacht te schenken, zijn ijver verdubbelde en gedurig uitriep: "O, hier is een mooi plaatje, kijk eens!" verloor zij alle geduld en zeide:

"O, kwel mij niet langer! Het kan mij niet schelen," en in tranen uitbarstende, stond zij op en ging heen.

Alfred liep haar achterna en trachtte haar te troosten, doch zij zeide:

"Ga weg en laat mij met rust. Ik heb een hekel aan je!"

De arme jongen zag haar verbijsterd aan en kon maar niet begrijpen, wat hij toch misdaan had.--Zij had hem zoo even nog gezegd, dat zij den geheelen middag prenten wilde kijken, en nu liep zij schreiend van hem weg.

Ontstemd zette hij zich in de leege school neder. Hij was boos en gekrenkt en vond spoedig den sleutel tot de waarheid;--het meisje had hem eenvoudig tot speelbal gemaakt, om haar woede tegen Tom Sawyer te koelen. Deze gedachte verminderde zijn haat tegen Tom niet en hij zon op een middel, om hem een poets te spelen, zonder er zelf in te loopen. Daar viel zijn oog op Toms leesboek. Dat was een schoone gelegenheid. Hij sloeg de les op, welke dien middag gelezen moest worden en bekladde die flink met inkt.

Becky, die op dat oogenblik toevallig naar binnen keek, zag de daad en verwijderde zich zonder iets van hare ontdekking te laten merken. Zij ging huiswaarts in de hoop Tom tegen te komen om hem alles te vertellen. Tom zou er haar erkentelijk voor zijn en hun verschil zou worden bijgelegd. Maar eer zij halverwegen was, kwam zij van haar plan terug. De gedachte aan Toms behandeling bij gelegenheid van de te berde gebrachte pic-nic kwam haar weder voor den geest en vernieuwde haar spijt. Zij besloot aan te zien, dat hij, ter zake van de vlekken in zijn boek, slaag kreeg en nam zich voor hem nog op den koop toe voor eeuwig te haten.

HOOFDSTUK XX.

Tom kwam te huis in een allertreurigste gemoedsstemming, en de eerste woorden, die zijne tante tot hem richtte, bewezen hem dat bij haar geen troost voor zijn verdriet te vinden was, want het luidde terstond:

"Tom, ik zou wel grooten lust hebben je levend te villen!"

"Wat heb ik dan gedaan, tantelief?"

"Genoeg om die straf te verdienen. Zoodra je weg waart, ben ik, oude gekkin, naar Sientje Harper geloopen, in de hoop van haar al den onzin over dien droom van jou te doen gelooven, en daar vertelt zij mij, dat zij van Joe gehoord heeft, dat je de rivier overgezwommen bent en 's avonds onder mijn bed alles hebt afgeluisterd wat wij dien nacht gesproken hebben. Tom, ik weet niet wat er van een jongen groeien moet, die zich zoo gedraagt als jij. Ik schaam me dood, als ik er aan denk, dat je me stilletjes, zonder een gezicht te vertrekken, naar Sientje Harper hebt laten gaan!"

Uit dat oogpunt had Tom de zaak nog niet beschouwd. Het verhaal, dat hem vóór schooltijd zoo ijselijk grappig had toegeschenen, was nu een gemeene leugen geworden. Hij liet het hoofd hangen en wist niet wat hij zeggen zou. Eindelijk stamelde hij:

"Tantelief, ik wou dat ik het niet gedaan had, maar ik deed het zonder nadenken."

"O kind, je denkt nooit,--behalve wanneer het je zelf geldt. Je dacht wel, toen je in den pikdonkeren nacht van Jackson Island kwaamt afzakken, om ons over onze droefheid uit te lachen, en toen je mij met een leugen over een droom voor den gek hield; maar om medelijden met ons te hebben en ons angst te sparen, daaraan had je niet gedacht."

"Tante, ik weet dat het gemeen was, maar waarlijk het was mijne bedoeling niet zoo slecht te zijn,--neen, wezenlijk niet. En dan dien nacht ben ik heusch niet gekomen om u uit te lachen."

"Waarom kwam je dan?"

"Eigenlijk om u te zeggen, dat ge niet ongerust over ons behoefdet te wezen, omdat wij niet verdronken waren.

"Tom, Tom, ik zou het dankbaarste schepsel van de wereld zijn, indien ik gelooven kon, dat je ooit zulk een goede gedachte gehad hebt, maar je weet best, dat het niet zoo was."

"Waarachtig, tante, ik heb het daarom gedaan;--ik mag sterven, als het niet waar is."

"Tom lieg niet,--doe dat toch niet. Dat maakt het geval nog honderdmaal erger."

"Ik lieg niet, tantelief; het is de waarheid. Ik wilde u verdriet sparen; daarom alléén ben ik gekomen."

"Ik zou een wereld geven, als ik 't gelooven kon; hij zou eene macht van zonde bedekken. Ik zou er dan bijna blij om zijn, dat gij zijt weggeloopen en zoo slecht hebt gehandeld. Maar 't is niet aan te nemen; want waarom heb je het dan niet gezegd, kind?"

"Wel, ziet u, tantelief, toen ik over den lijkdienst hoorde spreken, werd ik zoo vervuld door het heerlijk denkbeeld om mij met Joe en Huck in de kerk te verbergen, dat ik het niet over mij kon verkrijgen den boel te bederven, en daarom stak ik de boomschors weder in den zak"

"Welke boomschors?"

"Och de schors, waarop ik geschreven had, dat wij zeeroovers waren. Ik wou nu, dat u maar wakker geworden waart, toen ik u kuste; wezenlijk, dat wou ik."

"Heb je mij gezoend?"

"Ja zeker."

"Stellig, Tom?"

"Ja, wezenlijk, tantetje,--op mijn woord van eer."

"Waarom heb je dat gedaan, Tom?"

"Omdat ik het zoo lief van u vond, dat ge zoo bedroefd over mij waart;--dat speet mij zoo."

De woorden klonken als de waarheid. De oude tante kon eene kleine trilling in hare stem niet verbergen, toen zij sprak:

"Kus mij nog eens, Tom!--en loop dan naar school en plaag mij niet meer"

Toen hij weg was, ging tante Polly naar een kleerkast en haalde daaruit het buisje, dat Tom tijdens zijn zeerooverschap had aangehad. Zij hield het een oogenblik in de hand en zeide tot zich zelve:

"Neen, ik durf niet.--Arme jongen, ik weet zeker dat hij gelogen heeft,--maar het was een gezegende, driewerf gezegende leugen! Ik hoop, dat de Heer.... neen, ik weet zeker, dat Hij hem vergeven zal, omdat het zoo lief van hem was, dat hij het vertelde. Maar ik wil er geen onderzoek naar doen."

Zij legde het buisje weg en bleef een oogenblik in gedachten verzonken, voor de kast staan. Tweemaal stak zij de hand uit, om het kleedingstuk nog eens op te nemen en twee malen bedwong zij zich. Nogmaals, en dezen keer waagde zij het, zich zelve troost insprekende met de gedachte: "Het is een goede leugen--een beste leugen; ik zal het mij niet aantrekken dat het onwaar is."--En het buisje werd doorzocht. En daar vond ze Toms stukje hout en las onder een vloed van tranen de woorden, die er op geschreven stonden, zeggende:

"Nu kan ik het den jongen vergeven, ook al had hij millioenen zonden begaan."

HOOFDSTUK XXI.

Er was iets in Tante Polly's wijze van doen, toen zij Tom omhelsde, dat zijne neerslachtigheid verdreef en hem weder vroolijk en gelukkig maakte. Hij ging naar school en smaakte het genot op den hoek van Meadow Lane toevallig Becky Tatcher tegen te komen. Zijn gemoedstoestand bepaalde doorgaans zijne handelingen. Zonder een oogenblik te aarzelen, liep hij naar haar toe en zeide:

"Ik heb je vandaag heel gemeen behandeld, Becky, en dat spijt mij. Ik zal het nooit van mijn leven weer doen. Zullen wij, als je blieft, maar weder goede vrienden worden?"

Het meisje hield stil, keek hem met een blik vol verachting aan en zeide:

"Wilt u de goedheid hebben, mijnheer Thomas Sawyer u bij uw eigen vrienden te houden. Ik denk mij niet meer met u te bemoeien."

En het hoofd in den nek werpende, ging zij voorbij.

Tom was zoo verpletterd, dat hij zelfs de tegenwoordigheid van geest miste om te zeggen:

"Ik geef geen zier om je, nufje dundoek," totdat het geschikte oogenblik voor dien uitval voorbij was. Dus zweeg hij met een woedend gezicht. Ziedende van toorn stapte hij de schoolplaats binnen en mompelde, dat hij wou dat zij een jongen was, om het haar eens fiks in te peperen. Toen hij haar voorbijging, wierp hij haar een paar hatelijkheden naar het hoofd, die behoorlijk teruggeslingerd werden, en de hoop op het herstel van den vrede scheen onherroepelijk verloren. Becky kon in hare drift den tijd haast niet afwachten, waarop de les zou beginnen en zij Tom zou zien afrossen voor het beschadigde leesboek. Indien zij nog een oogenblik plan had on Alfred Temple ten toon te stellen, was dit voornemen door Toms beleedigende schimpscheuten geheel uit hare ziel verdwenen.

Arm kind! zij wist niet, hoezeer zij op weg was zich een wereld van verdriet te bezorgen.

De schoolmeester, de heer Dobbins, was een man, die den middelbaren leeftijd bereikt had onder het drukkend lijden van onbevredigde eerzucht. Zijne lievelingswensch was geneesheer te worden, doch geldgebrek had hem verhinderd het hooger dan tot schoolmeester te brengen. Toch was de liefde tot de studie hem bijgebleven. Hij nam ten minste iederen dag een geheimzinnig boek uit de lessenaar on zich daarin te verdiepen, zoodra de verschillende klassen hunne lessen hadden opgezegd.

Dat boek hield hij achter slot en grendel,--doch er was geen deugniet in de gansche school, die niet brandde van begeerte het eens in te zien. Daartoe echter bood zich de kans nooit aan. Elke scholier had zijne of hare eigen meening over den inhoud van het boek, doch er was geen middel om het rechte er van te weten te komen.

Toen nu op dezen achtermiddag Becky langs den lessenaar schoof, die vlak bij de deur stond, zag zij dat de sleutel in het slot stak. Welk eene kostelijke gelegenheid! Zij keek in het rond, zag dat zij alleen was en geen seconde later had zij het boek in de hand. Het titelblad, "De Ontleedkunde, door Professor N. N." maakte haar niet veel wijzer. Derhalve sloeg zij bladen op. Op eens ontdekte haar oog, op eene der eerste bladzijden, een prachtige gekleurde gravure van een naakt menschenbeeld. Op hetzelfde oogenblik viel er een schaduw op het blad en stapte Tom Sawyer de deur in, die een vluchtigen blik op het afbeeldsel wierp. In haar haast om het boek dicht te slaan, was Becky ongelukkig genoeg het blad met de figuren door midden te scheuren. Zij wierp het boek in de lessenaar, draaide den sleutel om en barstte uit in tranen van schaamte en verdriet.

"Tom Sawyer," snikte zij, "ik vind het gemeen van je om achter iemand aan te sluipen en hem te begluren."

"Hoe wist ik, dat je iets stond te bekijken?"

"Je moest je schamen, Tom Sawyer; ik weet, dat je me zult verklikken, en o, wat zal ik beginnen! Ik zal slaag krijgen,--ik die nog nooit op school een klap gehad heb!"

Zij stampte met haar voetje op den grond en vervolgde:

"Wees maar zoo laag als je wilt! Ik weet iets, dat hier zal plaats hebben. Wacht maar en je zult eens wat zien."--En zij vloog de school uit en barstte opnieuw in tranen los.

Tom stond stil, geheel overbluft door dien uitval. Toen zeide hij tot zichzelven:

"Welk een vreemd soort van wezens zijn die meisjes! Nooit op school geslagen! Wat zou een pak ransel! Juist iets voor een meisje: zij zijn zoo laf en kleinzeerig. Zij hebben geen ruggegraat. Natuurlijk zal ik die dwaze meid niet aan den ouden Dobbins gaan verklappen; er zijn wel andere middelen om haar klein te krijgen, die niet zoo gemeen zijn. Maar wat moet er met het boek gedaan worden? De oude Dobbins zal vragen, wie het gescheurd heeft. Niemand zal antwoorden. Dan zal hij doen als altijd en de meisjes beurt om beurt ondervragen, en wanneer hij bij het meisje komt dat het gedaan heeft, zal hij het weten zonder dat het gezegd wordt. De meisjes verraden zich altijd.--Becky zal klappen krijgen; 't is een naar geval, maar ik zie er geen gat in om het te verraden."

Tom peinsde nog een oogenblik over de zaak en riep toen uit: "In orde! Zij wou mij in de klem zien; laat haar dat genot hebben."

Daarop voegde hij zich bij de "krijgertje" spelende schooljeugd, totdat de meester kwam en de school begon. Toms gedachten dwaalden gedurig van zijn werk af en telkens, wanneer hij een blik naar den meisjes-kant wierp, werd hij ontroerd door het gelaat van Becky. Alles te zamen genomen, behoefde hij geen medelijden met haar te hebben en toch was hij diep met haar begaan. Toen de ontdekking van het leesboek gedaan werd, was Tom voor een tijdlang geheel vervuld van zijn eigen leed en werd Becky uit hare verdooving wakker. Zij volgde het proces met groote belangstelling, want zij wist, dat Tom niets tegen de beschuldiging, van inkt op het boek gemorst te hebben, kon inbrengen. Tom ontkende het feit, en maakte door die ontkenning de zaak eer erger dan beter. Becky maakte zich wijs, dat zij er schik in had, doch eene stem in haar binnenste fluisterde haar toe, dat zulks het geval niet was. Toen het er zeer bedenkelijk voor Tom begon uit te zien, voelde zij eene sterke neiging om op te staan en Alfred Temple aan te klagen, doch zij bedwong zich en legde zich de verplichting op om stil te blijven zitten. "Immers," dus sprak zij bij zichzelve, "hij zal zeker zeggen, dat ik die plaat gescheurd heb. Neen, al kon ik hem er het leven mede redden, ik zeg het niet."

Tom kreeg de hem toegedachte zweepslagen en ging kalm naar zijne zitplaats terug, in den waan dat hij, misschien zonder het te bemerken, onder het krijgertje spelen, den inkpot op het boek had laten vallen.--Hij had maar uit gewoonte ontkend en uit beginsel zich bij de ontkentenis gehouden.

Een geheel uur ging voorbij. De meester zat op zijn troon te knikkebollen, daar het gebrom der studeerende jeugd hem altijd slaperig maakte. Langzamerhand echter richtte hij zich op, gaapte, ontsloot zijn lessenaar en greep naar zijn boek, doch scheen het niet met zichzelven eens te kunnen worden, of hij lezen zou al dan niet. Het meerendeel der scholieren zag droomerig van hun werk op, doch er waren er twee, die met de oogen vol belangstelling zijne beweging gadesloegen.

Een tijdlang hield de heer Dobbins gedachteloos zijn boek in de hand, doch eindelijk vlijde hij zich op zijn stoel neder on te lezen.

Tom wierp een blik op Becky, en het arme kind zag er uit als een hulpeloos, opgejaagd haasje, dat het geweer op zich ziet aanleggen. Oogenblikkelijk werd zijn geschil met haar vergeten. Er moest redding komen en dadelijk ook. Doch het dreigend gevaar scheen zijne vindingrijkheid te verstompten. Goddank! daar schoot hem iets te binnen. Hij zou de bank uitgaan, het boek grijpen, de deur uitspringen en er mede wegloopen! Doch een minuut wankelens, tot het nemen van dit besluit, was genoeg om zijne kans verloren te doen gaan. De meester had het boek geopend. Het was te laat; er was niets aan te doen; Becky was reddeloos verloren!

Het volgende oogenblik zag de meester zijne leerlingen in het gelaat, met een blik, die al de kinderen de oogen deed neerslaan. Gedurende tien tellen heerschte er een angstige stilte, waarin de meester kracht tot toornen verzamelde. Toen sprak hij:

"Wie heeft dit boek gescheurd?"

Er werd geen geluid vernomen. Men zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De meester zag gezicht voor gezicht aan, om teekenen van schuld te ontdekken?"

"Benjamin Hogers, hebt gij dit boek gescheurd?"

Een ontkennend antwoord, gevolgd door een pauze.

"Jozef Harper, gij?"

Weder een ontkennend antwoord. Tom werd onder de kwelling van den langzamen voortgang der zaak, hoe langer hoe onrustiger. De meester onderzocht nauwkeurig de lange rijen jongensgezichten en wendde zich toen tot de meisjes.

"Amy Lawrence?"

Een ontkennend hoofdschudden.

"Gracie Willer?"

Hetzelfde gebaar.

"Suze Harper, hebt gij het gedaan?"

Weder een ontkennend antwoord. Het volgende meisje was Becky Thatcher. Tom beefde van het hoofd tot de voeten.

"Rebekka Thatcher"--(Tom keek naar haar gelaat; het was bleek van angst) "hebt gij,--neen, zie mij aan" --(zij hief de handen smeekend omhoog)--"hebt gij dit boek gescheurd?"

Snel als de bliksem schoot Tom eene gedachte door de ziel. Hij sprong op en gilde:

"Ik heb het gedaan!"

De schooljeugd stond versteld over zulk eene onbegrijpelijke dwaasheid. Tom bleef een oogenblik staan om tot zichzelven te komen, en toen hij de bank uitstapte om zijne straf te ondergaan, werd hij door de bewondering en de dankbare aanbidding, die hem uit Becky's oogen tegenstraalden, betaald voor honderd zweepslagen.

Door zijne edele daad zelf in verrukking gebracht, verdroeg hij zonder een geluid te geven, de onbarmhartigste geeseling, waaraan de heer Dobbins zich ooit had schuldig gemaakt, en hoorde hij ook met volkomen onverschilligheid de wreede uitspraak aan, om twee uren school te blijven. Immers hij wist, wie met het grootste geduld buiten op hem wachten zou, totdat zijne straf geleden was.