De Lof der Zotheid

Chapter 9

Chapter 93,286 wordsPublic domain

Zeg mij eens, welken potsenmaker, welken marktschreeuwer zoudt gij liever willen zien dan die luidjes, wanneer zij bij hun preeken zoo allerpotsierlijkst redevoeren en toch daarbij, tot aller vermaak, de voorschriften trachten op te volgen, welke de meesters in de welsprekendheid gegeven hebben? Goede hemel, wat maken zij een gebaren, wat weten zij naar omstandigheden hun stem te veranderen, wat spreken zij zangerig, wat zwaaien zij heen en weer, wat trekken zij telkens weer andere gezichten, wat vullen zij de heele kerk met hun geschreeuw! En deze kunst van preeken gaat van hand tot hand van het eene broedertje naar het andere, alsof het een groot geheim was. Ofschoon ik er eigenlijk niets van mag weten, wil ik toch op de gis af het een en ander daaromtrent meedeelen. Eerst roepen zij de hulp van boven in, een gewoonte, die zij van de dichters overgenomen hebben; vervolgens, als zij over de christelijke liefde het woord zullen voeren, ontleenen zij hun inleiding aan de Egyptische rivier den Nijl, of als zij de geheimenis van het kruis zullen uiteenzetten, dan is het zeker een gelukkige vondst met den Babylonischen draak Bel [309] te beginnen, of als zij over het vasten willen spreken, dan vangen zij aan met de twaalf teekens van den dierenriem, of als zij het geloof tot hun onderwerp gekozen hebben, houden zij een lange voorafspraak over de kwadratuur van den cirkel. Zelf ben ik onder het gehoor geweest van iemand, die bij uitstek zot was--ik vergiste me, geleerd was, wilde ik zeggen--: toen hij voor een zeer talrijk gehoor de geheimenis van de goddelijke drieëenheid zou uiteenzetten sloeg hij, om een proef te geven van zijn buitengewone geleerdheid en tevens de ooren der Godgeleerden te voldoen, een geheel nieuwen weg in. Hij begon namelijk met de letters, de lettergrepen en de woorden en behandelde verder de overeenstemming van naamwoord en werkwoord, van bijvoegelijk en zelfstandig naamwoord tot groote bevreemding van velen, van wie sommigen reeds het bekende gezegde van Horatius in hun baard bromden: Wat wil hij toch met al dien flauwen onzin? Ten slotte kwam zijn betoog hierop neer, dat in de eerste beginselen der spraakkunst het beeld der geheele drieëenheid in zulke scherpe omtrekken voorhanden was, dat geen wiskunstenaar het op het bord duidelijker kon teekenen. Aan deze rede had deze groote godgeleerde volle acht maanden zoo in het zweet zijns aanschijns gewerkt, dat hij ook thans nog slechter ziet dan een mol; geen wonder, want hij heeft zeker al de scherpte zijner oogen verbruikt aan het wetten van zijn geest. Maar de man voelt volstrekt geen spijt over het verlies van zijn gezicht en hij gelooft veeleer, dat hij zijn roem voor een geringen prijs heeft gekocht. Ik heb ook onder het gehoor van een anderen prediker van tachtig jaar gezeten, die zulk een Godgeleerde was, dat men kon meenen Scotus zelf in levenden lijve weer voor zich te zien. Toen hij de geheimenis van Jezus' naam den volke zou uitleggen, betoogde hij met een verbazende scherpzinnigheid, dat al wat daaromtrent kan gezegd worden, reeds in de letters zelf van het woord school. Want dat het woord slechts in drie naamvallen verbogen wordt, was volgens hem, blijkbaar een beeld van de goddelijke drieëenheid. Voorts was hierin een onuitsprekelijke geheimenis verborgen, dat de eerste naamval Jesus uitging op s, de vierde Jesum op m en de derde Jesu op u, want door deze drie lettertjes werd aangeduid, dat hij de summus, medius en ultimus [310] is. Met den passer was een nog diepzinniger geheim in het woord te vinden. Hij splitste Jesus zoo in twee gelijke deelen, dat natuurlijk de derde letter in het midden bleef staan. Vervolgens bewees hij, dat die letter in het Hebreeuwsch Syn heet, welk woord in de Schotsche taal, zoo ik mij niet vergis, zonde [311] beteekent, waaruit zonneklaar zou blijken, dat Jesus de zonden der wereld wegneemt. Naar dezen zoo vreemden aanhef zaten allen, bovenal de Godgeleerden, van verbazing met open mond te luisteren, zoodat het weinig scheelde, of het ware hun gegaan als vroeger Niobe [312]; maar mij zou haast hetzelfde overkomen zijn als den Priapus van vijgenhout, die tot zijn ongeluk toeschouwer was van Canidia en Sagana [313]. Daar bestond waarlijk wel reden voor. Want wanneer heeft bij de Grieken de beroemde Demosthenes, of bij de Romeinen Cicero zulk een slimme inleiding uitgedacht? Zij beschouwden elke inleiding als gebrekkig, die niet behoorlijk samenhing met hun onderwerp: zij vroegen, of niet ook de zwijnenhoeders op zoo'n wijze beginnen, wier eenige leermeesteres immers de natuur is. Maar deze geleerde lui meenen, dat hun "voorlooper"--zoo noemen zij het--dan eerst bij uitstek aan de eischen der redekunst zal voldoen, als hij nergens iets met den overigen inhoud gemeen heeft, zoodat hun hoorder vol verwondering die bekende woorden [314] bij zichzelf mompelt: Waar moet dat nu heen? In de derde plaats [315] verklaren zij, als eigenlijke preek, een klein stukje uit het evangelie, maar zij doen dit haastig en oppervlakkig, terwijl dit alleen hoofdzaak behoorde te zijn. In de vierde plaats neemt de spreker een geheel ander karakter aan en brengt een theologische kwestie ter sprake, welke dikwijls tusschen hemel en aarde zweeft, in de meening, dat ook dit tot de kunst behoort. Dan eerst komt de theologische trots recht voor den dag en zij proppen ons de ooren vol met allerlei prachtige namen, als daar zijn: verheven leeraars, scherpzinnige en hoogstscherpzinnige leeraars, onweerlegbare leeraars [316], enz. Dan schermen zij tegenover het domme volk met syllogismen, maior's, minor's [317], conclusies, corollariën [318], de flauwste supposities en meer dan scholastieken onzin. Zoo rest nog het vijfde bedrijf, waarin de spreker zich een volmaakt kunstenaar behoort te toonen. Dan komen zij me aan met het een of ander zot en dom sprookje, ontleend, zoo ik het wel heb, aan den Spieghel historiael [319] of de Jeesten der Romeinen [320], en geven er een allegorische, zedekundige en godsdienstige verklaring van. En op deze wijze raken zij gereed met hun Chimaera, een monster, zooals zelfs Horatius zich niet kon voorstellen, toen hij een schilderij beschreef waarop een wezen voorkwam o.a. met een vrouwenkop op een paardennek [321]. Maar zij hebben een klokje hooren luiden, dat het begin eener rede bedaard en volstrekt niet schreeuwerig behoort te zijn. Daarom beginnen zij, als zij aanheffen, zoo zacht, dat zij zelf hun eigen stem niet hooren, alsof het eenig nut had iets te zeggen, dat niemand verstaat. Hun is ter oore gekomen, dat men nu en dan heftige uitroepen moet gebruiken om de harten der hoorders te roeren. Daarom verheffen zij, terwijl ze overigens zacht spreken, nu en dan plotseling hun stem en schreeuwen als bezetenen, ook wanneer dit volstrekt niet noodig is. Men zou zweren, dat de man nieskruid [322] noodig heeft, daar hij meent, dat zoo'n stemverheffing een onverschillige zaak is. Daarenboven omdat zij gehoord hebben, dat de taal der preek gaandeweg warmer behoort te worden, zetten zij bij de verschillende deelen, na het begin, zoo goed als het gaat, te hebben voorgedragen, spoedig hun stem ook bij het dorste onderwerp op een verbazende wijze uit, zoodat men eindelijk, als zij ophouden, denkt, dat hun de adem begeven heeft. Ten slotte hebben zij geleerd, dat ook de boert een eisch der redekunst is, en daarom trachten zij ook zelf hun rede met eenige kwinkslagen te kruiden, maar lieve Venus [323], zoo geestig en zoo van pas, dat men er niets anders van kan zeggen dan: Een ezel bij de lier [324]. Ook bijten zij somtijds, maar zij doen dit zoo, dat ze meer kittelen dan wonden. Dán kan men hen het zekerst vleiers noemen, als zij het willen doen voorkomen, dat zij ronduit de waarheid zeggen. Kortom hun geheele voordracht is van dien aard, dat men zou zweren, dat zij alles van marktschreeuwers geleerd hebben, die het trouwens verre van hen winnen. Toch gelijken beide soorten van lieden zoozeer op elkander, dat niemand kan twijfelen, of dezen hebben van genen of genen van dezen hun kunst van spreken geleerd. Natuurlijk door mijn toedoen vinden dezen toch nog lieden, die, als zij naar hen luisteren, meenen zich onder het gehoor van onvervalschte Demosthenessen en Cicero's te bevinden. Hiertoe behooren voornamelijk de kooplieden en de vrouwen, wier ooren zij alleen trachten te behagen, omdat de eersten hun een klein gedeelte van het oneerlijk verworven goed als buit plegen af te staan, als zij hun maar goed naar den mond weten te praten. De laatsten zijn om deze reden vooral dien stand genegen, omdat zij gewoonlijk in hun boezem alle grieven uitstorten, die zij soms tegen hun mannen koesteren. Nu ziet ge, geloof ik, wel in, hoeveel verplichting dit slag van menschen jegens mij heeft, daar zij door allerlei onbeduidende plechtigheden en belachelijke dwaasheden, gepaard aan een hard geschreeuw, een soort van tirannie over de wereld uitoefenen en zich met mannen als Paulus en Antonius [325] op een lijn stellen.

HOOFDSTUK LV.

Vorsten.

Maar ik laat die acteurs, die even ondankbare verloochenaars mijner weldaden als goddelooze schijnheiligen zijn, gaarne rusten. Want ik wensch reeds lang het een en ander in het midden te brengen over de vorsten en hooggeplaatste hovelingen, die mij zoo ongehuicheld en met een zulken edelen mannen waardige rondborstigheid dienen. Als zij maar een greintje gezond verstand hadden, zou er dan iets droevigers of afschuwelijkers bestaan dan hun leven? Want geen mensch ter wereld zal wel door een meineed of vadermoord de heerschappij meer willen koopen, als hij bedenkt, welk een reusachtigen last hij op zijn schouders torst, die inderdaad als vorst wil optreden. Immers hij, die het roer van staat hanteert, heeft de algemeene, niet zijn eigen zaken te behartigen; hij behoort over niets dan over de staatsbelangen te denken; hij mag van de wetten, die hij zelf niet alleen geeft, maar ook uitvoert, zelfs geen duimbreed afwijken; hij moet de eerlijkheid van alle overheden en beambten waarborgen; hij alleen is aan aller blikken blootgesteld, daar hij of als een goed gesternte door onbesproken gedrag de wereld hoogst gelukkig, of als een verderfelijke komeet haar diep ongelukkig kan maken. Hij vergete niet, dat de ondeugden van andere menschen niet zoozeer gevoeld worden noch haar gevolgen zich zoover uitstrekken; dat een vorst op zulk een hoog standpunt zich bevindt, dat, als hij maar een weinig van den weg der deugd afwijkt, hij al dadelijk het leven van een groot aantal menschen bederft, voorts omdat de bevoorrechte toestand der vorsten zooveel meebrengt, dat hen op een dwaalspoor voert, als daar zijn genietingen, vrijheid, pluimstrijkerij, weelde, hij daarom des te meer zijn best moet doen en zorgvuldiger waken, dat hij zelfs niet door het bedrog van anderen in het vervullen van zijn plichten te kort schiet: eindelijk, om nu niet te spreken van al de lagen en den haat, waaraan hij blootgesteld is, en al wat hem gevaar en vrees veroorzaakt, dat hem het oordeel van dien waren koning boven het hoofd hangt, die na korten tijd van hem rekenschap zal vorderen van ook het kleinste vergrijp en dit des te strenger, hoe hooger hij in het bewind geplaatst is geweest. Als een vorst dit, zeg ik, en zeer veel van dien aard bij zich overwoog,--en dit zou hij doen, als hij wijs was--dan zou hij evenmin lekker kunnen slapen als eten. Maar nu hebben zij 't aan mijn goedheid te danken dat zij al deze zorgen aan de goden overlaten, zelf een lekker leventje leiden en naar niemand luisteren behalve naar hem, die hun iets aangenaams weet te zeggen, om zoo van alle kommer vrij te blijven. Zij gelooven hun taak als vorst in alle opzichten vervuld te hebben, als zij gedurig jagen, als zij mooie paarden houden, als zij ambten en posten te hunnen bate verkoopen, als zij dagelijks nieuwe middelen uitdenken om de beurzen hunner onderdanen lichter en hun schatkist zwaarder te maken, maar zoo, dat zij geschikte gronden weten te vinden om deze handelwijze, ook al is zij hoogst onbillijk, toch eenigen schijn van billijkheid te geven. Zij voegen daarbij met opzet een weinig vleierij om zoo de gemoederen van hun volk, hoe dan ook, voor zich in te nemen. Stelt u hen eens voor oogen, zooals zij niet zelden zijn, onbekend met de wetten, schier vijanden van de staatsbelangen, immer tuk op hun eigen voordeel, de slaven der zinnelijkheid, vol afkeer van geleerdheid, vol afkeer ook van de vrijheid en waarheid, over niets minder dan over het heil van den staat denkende, maar alles naar hun willekeur en naar hun belang afmetende; geeft vervolgens zulk een vorst een gouden halsketting, het toonbeeld van alle eendrachtig samenhangende deugden; voorts een met paarlen versierde kroon, zeker bestemd om hem te herinneren, dat hij in alle heldendeugden boven zijn medemenschen moet uitmunten; daarenboven een schepter, het symbool der rechtvaardigheid en volslagen onomkoopbaarheid; eindelijk den purperen mantel, het bewijs van een warme liefde jegens den staat: als een vorst deze dracht vergeleek met zijn levenswandel, dan geloof ik, dat hij zich diep zou schamen over zijn sieraden en vreezen, dat de een of ander neuswijze schelm dezen tragischen opschik zoo zou verklaren, dat de drager een voorwerp van den algemeenen spot werd.

HOOFDSTUK LVI.

Hovelingen.

Wat zal ik nu van de hovelingen zeggen? Ofschoon de meesten van hen de meest kruipende, slaafsche, laffe en lage wezens zijn, willen zij toch voor de eersten in alles doorgaan. Slechts in dit ééne opzicht zijn zij hoogst bescheiden, dat zij zich tevreden stellen goud, paarlen, purper en de overige teekenen van deugd en wijsheid te pronk te dragen, maar de beoefening dier eigenschappen zelf gaarne in haar geheel aan anderen overlaten. Zij verbeelden zich hierom volop gelukkig te zijn, omdat zij den koning "Heer" mogen noemen, omdat zij met drie woorden [326] hebben leeren groeten, omdat zij hoofsche titels telkens weten te pas te brengen: "zijn Doorluchtigheid, zijn Hoogheid" en "zijn Majesteit," omdat zij alle schaamtegevoel volkomen hebben afgelegd en aardig weten te vleien. Want dat zijn de eigenschappen, die een waar edelman en hoveling behoort te bezitten. Maar als gij hun levenswijze meer van nabij bekijkt, dan zult ge ongetwijfeld vinden, dat zij, evenals de Phaeaciërs en de vrijers van Penelope, een lui en lekker leventje leiden; het overige van het liedje kent ge wel, zoodat de Echo het U beter zal verhalen dan ik [327]. Men slaapt tot den middag; dan staat er een huiskapelaan bij hun bed om, terwijl men nog haast op bed ligt, vlug een mis te lezen. Dan spoedig iets gebruiken en men heeft dit nauwelijks op, of het tweede ontbijt wacht. Daarna houdt men zich bezig met dobbelen, schaakspel, loterij, hansworsten, narren, lichtekooien, aardigheden, onwelvoegelijkheden. Intusschen neemt men weer de een of andere versnapering. Dan is de beurt weer aan het middagmaal, waarop drinkgelagen volgen, die zich waarachtig niet tot één bepalen. En zoo gaan, zonder dat het leventje ooit verveelt, uren, dagen, maanden, jaren en geslachten voorbij. Zelf ga ik soms met een gevoel van welgedaanheid heen, als ik hen een grooten staat zie maken, terwijl onder de hofdames ieder zich des te nader bij de goden rekent, naarmate zij een grooter sleep draagt, terwijl de eene edelman den ander met zijn arm voortduwt om zoo te schijnen dichter bij zijn Jupiter te zijn, terwijl ieder des te hooger dunk van zichzelf heeft, naarmate de ketting, die hij torst, zwaarder is, opdat hij zoo ook zijn kracht, niet slechts zijn rijkdom kan toonen.

HOOFDSTUK LVII.

Bisschoppen.

Reeds sinds langen tijd trachten de Pausen, Kardinalen en Bischoppen met allen ijver de vorsten in hun levensopvatting te evenaren en zij winnen het zelfs haast van hen. Maar als men eens ernstig overweegt, waaraan het linnen kleed van sneeuwwitte kleur herinnert, namelijk aan een in allen opzichte onberispelijk levensgedrag: wat de tweehoornige myter beteekent, wier beide toppen door denzelfden knoop zijn samengebonden, b.v. een volmaakte kennis van het nieuwe, zoowel als van het oude verbond: wat de handen door handschoenen beveiligd, nl. de reine, van alle besmetting der menschelijke zaken vrije bediening der Sacramenten: wat de herdersstaf, nl. de nimmer slapende zorg voor de toevertrouwde kudde: wat het kruis, dat voor hen uit wordt gedragen, nl. het overwinnen van alle menschelijke hartstochten: als iemand dit alles, zeg ik, en nog zooveel meer overweegt, zal hij dan geen droevig en kommervol leven leiden? Maar nu hebben zij een lekker leventje, terwijl zij zichzelf vet mesten. En wat verder de zorg voor hun schapen aangaat, die laten zij of aan Christus zelf over, of zij dragen haar op aan de broeders, zooals zij ze noemen, en aan plaatsvervangers. Zij herinneren zich zelfs de beteekenis van hun naam, bisschop (opziener), niet, waardoor toch arbeid, zorg en kommer wordt aangeduid. Maar als het aankomt op het inpalmen van geld, dan treden zij geheel als bisschoppen op en dan is hun bisschopschap niet ijdel.

HOOFDSTUK LVIII.

Kardinalen.

Als de Kardinalen op dezelfde wijze bedenken, dat zij opvolgers der apostelen geworden zijn en dat daarom van hen gevorderd wordt wat genen verricht hebben; vervolgens, dat zij geen meesters, maar uitdeelers aller geestelijke gaven zijn, waarvan zij spoedig zeer nauwkeurig rekenschap zullen geven: ja, als zij zelfs een weinigje nadenken over hun kleedij en zoo bij zichzelf redeneeren: wat beteekent deze blanke kleedij? Niet soms een geheel vlekkeloozen levenswandel? Wat het purper van mijn onderkleed? Niet soms de vurigste liefde tot God? Wat verder het opperkleed, dat met zijn ruime plooien zoo wijd golft, dat het zelfs het geheele muildier van den Hoogeerwaardigen heer omvat, hoewel het alleen groot genoeg is om zelfs een kameel te bedekken? Beteekent het niet de liefde, die zich zoo wijd mogelijk uitstrekt om allen te hulp te komen, d. i. om te leeren, aan te sporen, te troosten, te berispen, te vermanen, oorlogen bij te leggen, goddelooze vorsten te weerstaan en niet alleen zijn schatten, maar zelfs zijn bloed gaarne ten behoeve van de christelijke kudde ten beste te geven? En waartoe dienen hun ook schatten, daar zij plaatsvervangers zijn van de arme apostelen? Als zij dit alles overwogen, zeg ik, zouden zij dat ambt niet begeeren, ja zelfs gaarne daarvan afstand doen of in allen gevalle een zeer moeilijk en kommervol leven leiden, zooals die oude apostelen gedaan hebben.

HOOFDSTUK LIX.

Pausen.

En dan de Pausen, die Christus' plaatsvervangers zijn, als zij hem in zijn leven trachten te evenaren, nl. in zijn armoede, werkzaamheid, leer, kruis, levensverachting, als zij denken of aan hun naam Paus, d.i. vader, of aan hun bijnaam, n.l. allerheiligste, wat is er dan wel treurigers in de wereld denkbaar? Of wie zou die waardigheid voor zijn gansche vermogen willen koopen, of haar, als hij haar door geld verworven heeft, met het zwaard, met vergif en met allerlei gewelddadige middelen verdedigen? Van hoeveel voordeelen zou de wijsheid hen berooven, als zij eenmaal ingang bij hen vond? Wat zei ik: de wijsheid? Neen, zelfs een korreltje van dat zout, waarvan Christus melding maakt [328]. Zooveel schatten, zooveel eerbewijzen, zooveel heerschappij, zooveel overwinningen, zooveel ambten, zooveel dispensaties, zooveel inkomsten, zooveel aflaten, zooveel paarden, muilezels, wachters, zooveel genietingen. Gij ziet, welk een markt, welk een ruime oogst, welk een zee van goederen ik in weinig woorden heb samengevat. In hun plaats zal zij (de wijsheid) vigiliën, vasten, tranen, toespraken, preeken, studiën, zuchten en duizenden dergelijke ellenden invoeren. Maar men moet niet over het hoofd zien, dat dan zooveel schrijvers, zooveel kopiïsten, zooveel snelschrijvers, zooveel advocaten, zooveel promotoren [329], zooveel secretarissen, zooveel muilezeldrijvers, zooveel paardenknechten, zooveel wisselaars, zooveel koppelaars (haast had ik er nog meer weekelijke benamingen aan toegevoegd, maar ik vrees, dat die voor de ooren te hard zullen zijn), kort en goed, een zoo groote drom van menschen, die den Roomschen stoel tot schande, ik vergiste mij daar, tot sieraad strekt, meende ik, honger zou moeten lijden.