De Lof der Zotheid

Chapter 8

Chapter 83,756 wordsPublic domain

Na dezen komen de wijsgeeren aan de beurt, eerbiedwaardig door hun baard en mantel, die ronduit verklaren dat zíj alleen wijs, maar alle overige stervelingen rondwarende schimmen [260] zijn. Maar hoe vermakelijk is niet de waanzin dier bouwmeesters van tallooze werelden, wanneer zij de zon, de maan, de sterren en andere hemellichamen als met duim of koord meten, van bliksemwinden, eklipsen en al wat verder onverklaarbaar is, zonder eenige aarzeling rekenschap geven, even alsof de natuur, toen zij de wereld schiep, hen in het geheim had genomen en zij uit de raadsvergadering der goden tot ons kwamen. Intusschen vermaakt de natuur zich kostelijk met hen en hun gissingen. Want dat er in hun kring volstrekt geen zekerheid bestaat, dat bewijzen ongetwijfeld de eindelooze geschillen, die over elk onderdeel tusschen henzelf gevoerd worden. En ofschoon zij volstrekt niets weten, geven zij zich toch voor alwetend uit en, terwijl zij zichzelf niet kennen en niet zelden geen sloot of steen op hun weg zien, hetzij omdat zij meestal slechte oogen hebben, hetzij omdat hun gedachten op den loop zijn, beroemen zij er zich toch op, dat zij voorstellingen, algemeene begrippen, afzonderlijke vormen, grondstoffen, eigenaardigheden en wezenlijkheden [261] zien, onderscheidingen zoo fijn, dat ik zelfs niet geloof, dat Lynceus [262] ze zou kunnen doorschouwen. Maar dan vooral zien zij laag neer op het oningewijde gemeen, als zij drie- en vierhoeken, cirkels en andere dergelijke meetkundige figuren, de een over de andere teekenen en als in een doolhof dooreen laten loopen, vervolgens letters als in slagorde scharen, die ze telkens en telkens weer nu eens op deze, dan weer op gene wijze rangschikken, om zoo onervarenen zand in de oogen te strooien. Het ontbreekt in hun kring ook niet aan lieden, die de toekomst uit de sterren voorspellen en mirakelen beloven, zooals geen toovenaar ze zou kunnen volbrengen, en zij zijn zoo gelukkig menschen te vinden, die ook dit geloovig aannemen.

HOOFDSTUK LIII.

Godgeleerden.

Misschien zou het beter zijn de Godgeleerden met stilzwijgen voorbij te gaan en niet in dezen modderpoel te roeren of slapende honden wakker te maken, omdat dit slag van menschen verbazend laatdunkend en prikkelbaar is. Zij zouden mij misschien bij drommen met duizenden conclusies te lijf gaan en dwingen te herroepen om, als ik dit mocht weigeren, op staanden voet de beschuldiging van ketterij uit te galmen. Want zij staan altijd dadelijk klaar om met dezen bliksem een ieder angst aan te jagen, wien zij niet bijzonder genegen zijn. Inderdaad, al valt het hun meer dan anderen zwaar mijn weldaden te erkennen, toch hebben ook zij groote verplichting aan mij. Gelukkig door hun eigenliefde zien zij, alsof zij zelf in den derden hemel [263] woonden, op alle overige stervelingen als op aardwormen uit de hoogte haast met een gevoel van medelijden neer. Veilig achter een drom van magistrale bepalingen, sluitredenen, gevolgtrekkingen, ontwikkelde en ingewikkelde voorstellingen bezitten zij zulk een tal van schuilhoeken, dat zelfs de ijzeren netten van Vulcanus hen niet kunnen vasthouden [264]. Zij weten te ontsnappen door middel van onderscheidingen, waardoor zij alle knoopen als met een bijl van Tenedos doorhakken [265], en altijd hebben zij pas uitgedachte woorden en monsterachtige uitdrukkingen in voorraad. Zoo verklaren zij verder geheel naar hun goedvinden de ondoorgrondelijkste geheimenissen bijv., op welke wijze de wereld geschapen is en geordend; langs welke wegen de erfzonde over het nageslacht gekomen is; op welke wijzen, in welke grootte en in hoe weinig tijd Christus in den schoot der heilige maagd voldragen is; hoe bij het avondmaal bijkomstige dingen afgescheiden van de substantie kunnen bestaan [266]. Maar dit is werk voor Jan en alleman. De volgende strijdvragen achten zij eerst groote en, om hun eigen woorden te bezigen, verlichte Godgeleerden waardig. Daarom worden zij bij deze, als zij soms voorkomen, recht wakker: kan er sprake zijn van een meetbaar tijdstip bij de goddelijke geboorte? Is Christus in meer dan één opzicht God's zoon? Is de stelling mogelijk: God, de vader, haat den zoon? Kan God de gestalte aannemen van een vrouw, een duivel, een ezel, een pompoen of een keisteen? Maar dan: hoe zou een pompoen gepreekt en wonderen verricht hebben en hoe had hij moeten gekruisigd worden? Wat zou Petrus gewijd hebben, als hij het misoffer had opgedragen gedurende den tijd, dat Christus' lichaam aan het kruis hing? Zou men Christus gedurende dienzelfden tijd een mensch hebben kunnen noemen? Zal het na de opstanding geoorloofd zijn te eten of te drinken? Blijkbaar willen zij reeds nu voorzorgsmaatregelen nemen tegen dien honger en dorst in de toekomst. Zij beschikken verder over een eindeloos aantal nog fijner haarklooverijen, over begrippen, betrekkingen, algemeene vormen, bijzondere eigenaardigheden, wezenlijkheden, zaken, alleen zichtbaar voor de oogen van hem, die zulke scherpe oogen bezit, dat hij in staat is ook door de dikste duisternis heen het nergens bestaande waar te nemen. Voeg hierbij nu hun stelregels, zoo paradoxaal, dat zelfs die orakelspreuken der Stoïcijnen [267], die men paradoxen pleegt te noemen, in vergelijking hiermede voor de platste en meest alledaagsche volkswijsheid kunnen doorgaan; zoo beweren zij bijv., dat het een lichter misdrijf is, duizend menschen van kant te maken dan éénmaal op den dag des Heeren een schoen voor een armen drommel te naaien, en dat het beter is de geheele wereld met al haar hebben en houden te laten vergaan, dan een enkel leugentje te zeggen, hoe onschuldig het ook moge zijn. Dan maken zij deze haarfijne fijnigheden nog fijner door allerlei middelen der scholastiek, zoodat men nog eerder uit de ergste doolhoven een uitweg kan vinden dan uit de ingewikkelde vertoogen der Realisten, Nominalisten, Thomisten, Albertisten, Occamisten, Scotisten [268]; en nu heb ik nog niet eens alle, maar slechts de voornaamste sekten opgenoemd. Zij allen bezitten zooveel geleerdheid, maar zijn ook zoo moeilijk te begrijpen, dat de apostelen zelf, naar ik meen, een geheel anderen geest zouden noodig hebben, als zij over deze onderwerpen met dit nieuwerwetsche geslacht van Godgeleerden moesten handgemeen worden. Zeker Paulus zou zijn geloofsmoed kunnen toonen, maar als hij zegt: [269] Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, dan strookt zijn bepaling al zeer weinig met den geest onzer magisters. Al was hij ook een voorbeeld van de christelijke liefde, zoo voldoen toch zijn verdeelingen evenmin als zijn bepalingen in het 13de hoofdstuk van den 1sten brief aan de Corinthiërs [270] aan de voorschriften der disputeerkunst. Wel vierden de apostelen vroom het avondmaal, maar als men hen ondervraagd had over de transsubstantiatie en de tijdgrenzen, waarbinnen die valt, over de wijze, waarop hetzelfde lichaam op verschillende plaatsen kan zijn, over het verschil tusschen Christus' lichaam in den hemel, aan het kruis en bij het sacrament van het avondmaal, op welk tijdstip de transsubstantiatie [271] plaats heeft, daar toch het geheel der rede, waardoor zij tot stand komt, zich in elkaar opvolgende woorden laat oplossen, dan zouden zij, mijns bedunkens, niet met dezelfde scherpzinnigheid geantwoord hebben, als waarmee de jongeren van Scotus dit alles bespreken en onderscheiden. Zij kenden Jezus' moeder, maar wie hunner wist zoo wijsgeerig als onze Godgeleerden aan te toonen, hoe zij bewaard is gebleven voor de van Adam geërfde zonde? Petrus ontving de sleutels en hij ontving ze van dengene, die ze zeker niet aan een onwaardige zou toevertrouwen, maar toch geloof ik niet, dat hij de fijne kwestie begrepen heeft--in alle gevalle heeft hij haar nergens aangeroerd--, hoe de sleutel der wetenschap ook in het bezit van hem kan zijn, die geen wetenschap bezit [272]. Zij doopten overal en toch hebben zij nergens onderwezen, waarin de bepaling van den doop bestaat, wat vorm en materie, bewerkende oorzaak en strekking betreft [273], en evenmin vindt men bij hen van zijn uitwischbaar of onuitwischbaar karakter [274] melding gemaakt. Zij baden wel, maar in den geest, zich houdend aan het bekende Evangeliewoord: God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid [275]. Maar het blijkt niet, dat hun toen geopenbaard is, dat men met denzelfden eerbied als tot Christus zelf moet bidden tot een beeldje, met houtskool op een wand geteekend, als het slechts twee uitgestoken vingers, lang haar en aan den aan het achterhoofd bevestigden stralenkrans drie punten heeft.

Immers wie kan dat begrijpen zonder zes en dertig volle jaren te hebben zoek gebracht met de natuurkunde en de bovennatuurkunde van Aristoteles en Scotus? Telkens opnieuw prenten de apostelen ons de leer der genade in, maar zij maken nergens een onderscheid tusschen de genade, die iemand in het bijzonder geschonken wordt, en de heiligmakende genade [276]. Zij sporen aan tot goede werken, maar maken geen onderscheid tusschen het werk met het oog op den werker en het werk op zichzelf beschouwd [277]. Zij prenten ons overal de christelijke liefde in zonder de aangeborene van de verworvene te scheiden en verklaren niet, of zij iets bijkomstigs dan wel iets essentieels, iets geschapens dan wel iets ongeschapens is. Zij verfoeien de zonde, maar ik mag sterven, zoo zij een wetenschappelijke bepaling hebben kunnen geven van hetgeen wij onder zonde verstaan, of zij moesten het van den geest der Scotisten geleerd hebben. Want ik kan maar niet gelooven, dat Paulus, de eenige man, naar wiens geleerdheid men die van allen kan afmeten, zoo herhaaldelijk onderzoekingen, geschillen, geslachtsregisters en, zooals hij ze zelf noemt, woordentwisten zou veroordeeld hebben [278], als hij zich op zulke spitsvondigheden verstaan had, terwijl nog bovendien alle strijd en geschil dier dagen boersch en grof moet heeten, vergeleken bij de meer dan Chrysippische [279] fijnheden van onze magisters. De heeren zijn evenwel hoogst bescheiden, want als de apostelen soms in hun geschriften te ruw en niet genoeg volgens de regelen onzer magisters zijn te werk gegaan, dan zijn ze wel zoo goed het niet te veroordeelen, maar er een geschikte uitlegging voor te vinden. Dit doen ze uit eerbied deels voor de oudheid, deels voor den apostolischen naam. Het zou dan waarachtig ook ver van billijk zijn hun zulke hooge eischen te stellen in zaken, waarover zij van hun leermeesters nooit zelfs een woord gehoord hadden. Als ditzelfde gebeurt bij Chrysostomus [280], Basilius [281] en Hieronymus [282], dan achten zij de kantteekening: "dit is niet houdbaar" voldoende. En toch hebben de apostelen heidensche wijsgeeren en Joden, die uit hun aard zeer stijfhoofdig zijn, weerlegd, maar meer door hun leven en wonderen dan door hun sluitredenen, en verder lieden niet vlug genoeg van begrip om, even als Scotus, het voor en het tegen van ook maar één stelling te verdedigen. En nu? Welke heiden, welke ketter zou niet terstond het veld ruimen voor zooveel ragfijne haarklooverijen, tenzij hij te dom is om ze te begrijpen of onbeschaamd genoeg om hen uit te jouwen of voorzien is van dezelfde valstrikken, zoodat de strijd voortaan gelijk staat? Dan zou men een gevecht hebben als tusschen twee toovenaars of tusschen twee bezitters van een tooverzwaard en 't zou hun gaan als Penelope met haar weefsel [283]. Zij zouden telkens weer opnieuw beginnen. Zelfs zouden de Christenen, volgens mijn oordeel, wijs handelen, als zij in plaats van die botte benden soldaten, waarvan zij sinds lang zich in den krijg met twijfelachtigen uitslag bedienen, de schreeuwerigste Scotisten en de stijfhoofdigste Occamisten en de onoverwinnelijke Albertisten met den geheelen troep Sophisten tegen de Turken en Saracenen lieten optrekken. Dan zouden zij zeker niet alleen een alleraardigst gevecht, maar ook een vroeger nooit aanschouwde overwinning te zien krijgen. Want wie is zoo koel, dat hij door hun spitsvondigheden niet in geestdrift ontvlamt? Wie zoo lamlendig, dat zulke prikkels hem niet in beweging brengen? Wie is zoo scherp van gezicht, dat het hem hierdoor niet stikdonker voor de oogen wordt? Maar gij meent zeker, dat al wat ik zeg, weinig meer is dan scherts. Het zou waarlijk geen wonder zijn, daar er zich ook onder de Godgeleerden zelf mannen bevinden van degelijker kennis, die walgen van deze, huns inziens, beuzelachtige theologische haarklooverijen. Er zijn er, die het als een soort van heiligschennis verfoeien en het als de hoogste goddeloosheid beschouwen over zulke geheimenissen, die meer aanbidding dan verklaring behoeven, met onreinen mond te spreken, met zulke onheilige heidensche spitsvondigheid te redeneeren, op zulk een aanmatigenden toon bepalingen te geven en de majesteit der goddelijke theologie met zulke platte, of laat ik liever zeggen, gemeene woorden en gedachten te bezoedelen. Intusschen smaken genen toch maar de zaligheid van zichzelf te behagen, ja, zichzelf toe te juichen, zoodat zij, dag en nacht bezig met die heerlijke kleingeestigheden, zelfs geen oogenblik beschikbaar hebben om ook maar éénmaal het evangelie of de brieven van Paulus op te slaan. Dit neemt niet weg, dat zij door zulk beuzelen in de scholen gelooven de geheele kerk--die anders zou instorten--even goed te schragen met de pijlers hunner sluitredenen, als Atlas bij de Dichters den hemel op zijn schouders torst.

Gij kunt u hun zaligheid moeilijk voorstellen, als zij de woorden der heilige schriften als was naar willekeur kneden en herkneden, als zij voor hun alreeds door eenige schoolvossen goedgekeurde conclusies meer gezag eischen dan voor Solon's [284] wetten, ja ze zelfs boven de pauselijke decreten willen gesteld hebben. Zich opwerpende tot zederechters der wereld dwingen zij om alles te herroepen, wat niet geheel strookt met hun directe en indirecte conclusies, en als orakeltaal klinkt hun verklaring: "Deze stelling geeft aanstoot, gene is te oneerbiedig, deze riekt naar ketterij, gene klinkt slecht." Ten slotte zou noch de doop, noch het evangelie, noch Paulus of Petrus, noch de heilige Hieronymus of Augustinus [285], noch zelfs Thomas [286], de grootste volgeling van Aristoteles, iemand tot een Christen kunnen maken zonder bekrachtiging der baccalaureï [287]. Want wie had wel ooit gedacht, dat hij geen Christen is, die zeide, dat deze twee uitdrukkingen: "gij pot stinkt" en "de pot stinkt".... hetzelfde beteekenden [288], indien die wijzen het niet geleeraard hadden? Hoe zou de kerk van zulke dikke nevels van dwalingen bevrijd zijn, die zelfs niemand ooit bij 't lezen zou gemerkt hebben, als zij die niet in stukken, voorzien van het grootzegel der Universiteit, aan het licht hadden gebracht? Maar voelen zij zich, dit doende, niet hoogst gelukkig? Is dit ook niet het geval, wanneer zij alles wat in de hel geschiedt, zoo haarfijn afschilderen, alsof zij in dien staat verscheiden jaren hadden doorgebracht? Voorts, als zij naar willekeur nieuwe hemels scheppen, waarbij zij ten slotte dien uitgestrekten en prachtigen voegen [289], ten einde den zielen der zaligen voldoende ruimte te geven om te kunnen wandelen of feestvieren of ook met den bal spelen. Met deze en duizenden andere dergelijke dwaasheden zijn hun hoofden zoo tot barstens toe opgevuld, dat, mijns bedunkens, zelfs Jupiters hersens niet zoo zwanger waren, toen hij van Pallas moest bevallen en de hulp van Vulcanus' bijl inriep [290].

Het moet u daarom niet bevreemden, als gij hun hoofd bij openbare disputen met tal van banden omwonden [291] ziet: Anders zouden zij immers geheel uiteenbarsten. Daarom pleeg ik zelf ook somtijds er om te lachen, wanneer zij zich verbeelden dan eerst echte Godgeleerden te zijn, als zij een taal voeren zoo barbaarsch en gemeen mogelijk; en terwijl zij zoo stamelen, dat ze slechts door iemand, die zelf stamelt, kunnen begrepen worden, noemen zij scherpzinnigheid, wat het volk niet kan begrijpen. Want zij achten het in strijd met de waardigheid der Heilige Schrift, als zij gedwongen worden zich aan de wetten der taalkenners te onderwerpen. Waarachtig, het is een vreemd soort majesteit der Theologen, als zij alleen het recht hebben gebrekkig te spreken, al hebben zij dit speciaal met veel onbeschaafde werklui gemeen. Ten slotte achten zij zich haast den goden gelijk, zoo vaak zij als het ware met heiligen eerbied als "Magister noster" [292] begroet worden, en zij meenen, dat in dien naam zelfs iets schuilt van hetzelfde gehalte als het vierletterig woord [293] bij de Joden. Daarom verklaren zij het voor ongeoorloofd, "MAGISTER NOSTER" anders dan met kapitale letters te schrijven, en als iemand averechts mocht zeggen "noster magister," dan heeft hij eens voor al de geheele majesteit van den Theologischen naam vernietigd.

HOOFDSTUK LIV.

Religieuzen en monniken.

Het dichtst bij hun geluk komen zij, die zich gewoonlijk religieuzen en monniken [294] noemen: beide benamingen zijn geheel onjuist, omdat niet alleen een aanzienlijk gedeelte van hen verre van religieus is, maar men hen ook meer dan andere menschen op alle plaatsen aantreft. Ik ben overtuigd, dat nergens ellendiger wezens zouden bestaan, als ik hun niet in veel opzichten te hulp kwam. Want ofschoon allen dit slag van menschen zoozeer verfoeien, dat ook een toevallige ontmoeting vast voor een slecht voorteeken doorgaat, koesteren zij in hun eigenliefde van zichzelf toch de hoogste gedachten. Vooreerst achten zij het een bewijs van de hoogste vroomheid, als zij zich zoo ver houden van alle wetenschap, dat zij zelfs niet kunnen lezen. Voorts als zij hun psalmen, die zij wel tellen, maar niet begrijpen, met hun ezelsstemmen in de kerken uitbalken, dan gelooven zij de ooren der heiligen hoogst aangenaam te streelen. Er bevinden zich ook eenigen onder hen, die met hun morsigheid en armoede te koop loopen en voor de deuren met luid gebrul brood vorderen, ja zelfs in alle herbergen, voer- en vaartuigen het hoogste woord voeren, waarlijk niet zonder groote schade voor de overige bedelaars. En op zulke wijze beweren die lieve luidjes door smerigheid, onwetendheid, lompheid en onbeschaamdheid ons het beeld van de apostelen weer voor oogen te stellen! Maar wat is koddiger dan hen alles te zien doen volgens een voorschrift, als het ware onder toepassing van wiskundige berekeningen, die het zonde zou zijn te verwaarloozen! Dit geldt van het aantal knoopen van hun sandalen, van de kleur hunner gordels, van het verschil in kleeding en de stof, waaruit die vervaardigd is, van de breedte van hun gordel in stroohalmen gemeten, van den vorm en omvang, die hun kap moet bezitten, van de grootte hunner tonsuur in duimen uitgedrukt en van de uren, die men behoort te slapen. En toch ziet iedereen duidelijk in, hoe ongelijk deze gelijkheid is bij zulk een verschil tusschen de menschen naar lichaam en geest. Zij echter achten zich op grond van deze beuzelingen niet slechts hoog boven anderen verheven, maar zij minachten ook elkander onderling en die belijders van de apostolische liefde brengen hemel en aarde in beweging wegens een kleed met een gordel buiten model of eenigszins te donker van kleur. Men kan onder hen eenigen aantreffen, die zoo streng religieus zijn, dat zij geen ander opperkleed willen gebruiken dan van geitenhaar en geen ander onderkleed dan van fijne wol; anderen daarentegen dragen boven linnen, onder wol; weder anderen zijn even bang voor het aanraken van geld als voor het zwaarste vergif, zonder dat zij zich daarom van wijn of vrouwen onthouden. Eindelijk geven zij zich hiervoor verbazend veel moeite om onderling in levenswijze geheel te verschillen. Wel verre van zich in te spannen om aan Christus gelijk te worden, is het hun veeleer te doen om ongelijk te zijn aan elkander. Voorts bestaat een groot gedeelte van hun geluk in hun bijnamen. Dezen scheppen behagen in den naam van Koorddragers (Kordeliers), van wie eenigen Coleten [295], anderen Minderbroeders [296], weer anderen Minstebroeders [297], nog anderen Bullisten [298] heeten. Dezen noemen zich Benedictijnen [299], genen Bernardijnen [300], dezen Brigidensen [301], genen Augustijnen [302], dezen Willemieten [303], genen Jacobieten [304], alsof het waarachtig te min ware Christenen te heeten. Velen hunner hechten zooveel aan hun ceremoniën en kinderachtige, door menschen geschapen, gewoonten, dat zij één hemel nog een schrale belooning achten voor hun schitterende verdiensten, waarbij zij niet bedenken, dat Christus, zonder op dit alles te letten, rekenschap van hen zal vorderen omtrent het opvolgen van zijn hoofdgebod, dat der christelijke liefde. De een zal dan op zijn buikje wijzen, dat dik en gespannen is door 't eten van allerlei visch [305]. Een ander zal optellen, hoe duizenden malen hij gevast heeft en zal in rekening brengen, dat zijn buik zoo vaak door een enkelen maaltijd haast gebarsten is. Nog een ander zal met een hoop ceremoniën aankomen, zoo groot, dat ze nauwelijks op zeven vrachtschepen kunnen vervoerd worden. Nog een ander zal er zich op beroemen, dat hij gedurende zestig jaar nooit een stuk geld heeft aangeraakt, dan met twee paar handschoenen om de vingers. Nog een ander zal met een monnikskap komen aandragen, zoo vuil en grof, dat zelfs geen schipper die aan zijn lijf zou willen hebben. Weer een ander zal in herinnering brengen, dat hij meer dan vijf en vijftig jaar als een spons zijn leven gesleten heeft, altijd vastgehecht aan dezelfde plek. Nog een ander zal aankomen met een stem heesch door zijn onafgebroken zingen, weer een ander met slaapziekte, die hij zich door het leven in de eenzaamheid op den hals heeft gehaald, een ander met een tong, die onbruikbaar is geworden door zijn onafgebroken stilzwijgen. Maar Christus zal hen in hun anders eindelooze snoeverijen stuiten met de vraag: "Vanwaar komt toch wel dit nieuwe soort van Joden [306]? Slechts één enkele wet erken ik in waarheid als de mijne, de eenige, waarover ik niets hoor. Reeds vroeger heb ik openlijk en onbewimpeld, zonder mij van eenige gelijkenis te bedienen, de erfenis mijns vaders beloofd niet aan monnikskappen, schietgebedjes of langdurig vasten, maar aan het betrachten van de liefde. Evenmin ken ik hen, die hun eigen goede werken maar al te goed kennen: zij, die voor nog heiliger dan ik willen doorgaan, mogen, zoo 't hun lust, zich een plaats verwerven in de hemelen der Abraxiërs [307] of voor zich een nieuwen hemel laten bouwen door hen, wier praatjes zij gesteld hebben boven mijn lessen."

Als zij die woorden hooren en zien, dat schippers en voerlieden hen voorgaan, met welke gezichten zullen zij dan, denkt gij wel, elkaar aanzien? Maar intusschen gevoelen zij zich door hun hoop gelukkig, hetgeen zij zeker in niet geringe mate aan mijn goedheid te danken hebben. Ofschoon zij zich niet met het staatsbestuur inlaten, heeft ieder toch met hen te rekenen, vooral met de bedelmonniken, omdat zij alle geheimen van de geheele wereld kennen uit den biechtstoel. Wel achten zij het ongeoorloofd deze geheimen te verraden, maar zij doen het toch, als zij soms te veel gedronken hebben en elkander met prettige verhaaltjes willen amuseeren: zij laten dan enkel de zaak gissen en verzwijgen de namen. Als iemand die wespen vertoornt, weten zij zich in hun volkssermoenen maar al te goed te wreken en hekelen hun vijand door hatelijke toespelingen, zoo ondubbelzinnig, dat men al heel dom moet zijn om hen niet te verstaan. Zij houden niet op tegen hem te blaffen, voordat men hun een lekker hapje toewerpt [308].