De Lof der Zotheid

Chapter 7

Chapter 73,673 wordsPublic domain

Zeker staat onder de vele lofwaardige eigenschappen van Bacchus deze terecht het hoogst, dat hij de muizenissen wegspoelt, maar dit geschiedt slechts voor een korte poos, want zoodra iemand zijn roes heeft uitgeslapen, komen de beslommeringen, aanstonds met een wit vierspan [203], zooals men zegt, aanrennen. Hoeveel rijker en krachtiger is niet mijn gave, waardoor ik den geest in een voortdurenden roes doe verkeeren en hem volop vreugde en genot en opgewondenheid schenk en wel, zonder dat het eenige moeite kost. Want ik onthoud niemand ter wereld mijn weldaden, terwijl de overige goden aan verschillende menschen verschillende voorrechten schenken. Niet overal wast edele en zachte wijn [204] om de zorgen te verdrijven en rijke hoop in de aderen te storten. Hoe weinigen viel een bevallige gestalte, de gave van Venus, ten deel. Nog zeldzamer is Mercurius' geschenk, de welsprekendheid. Niet bijzonder talrijk zijn zij, die schatten aan Hercules' [205] gunst te danken hebben. De Homerische Jupiter geeft niet den eersten den besten de heerschappij. Vaak is Mars geen van beide legers gunstig. Niet weinigen gaan bedroefd weg van Apollo's drievoet [206]. Dikwijls bliksemt Saturnus' zoon [207]. Phoebus [208] zendt nu en dan door zijn schichten dood en verderf. Neptunus vernietigt meer levens dan hij redt. Om nu niet uit te weiden over wezens als die Veiovis [209], Pluto [210], Ate [211], Poena [212], Febris [213] en andere van dit slag, geen goden maar beulen,--ik, Zotheid, ben de eenige, wier zegeningen ten allen tijde allen zonder onderscheid omvatten.

HOOFDSTUK XLVII.

Haar goedaardigheid.

Gelijk ik onverschillig ben voor geloften, zoo vorder ik in toorn geen zoenoffers, als er eenige godsdienstplechtigheid verzuimd is. Evenmin beweeg ik hemel en aarde, wanneer iemand de overige goden te gast noodigt en mij thuis laat of mij geen deel gunt in den walm der geslachte offerdieren [214]. Want de overige goden zijn op dit punt zoo kitteloorig, dat het haast voordeeliger en zelfs veiliger is hun dienst te verwaarloozen dan hen te vereeren. Het gaat hun als sommigen menschen, die zoo lastig en prikkelbaar zijn, dat de grootste verwijdering te verkiezen is boven vriendschappelijken omgang. Maar niemand, werpt men mij tegen, offert aan de Zotheid of sticht haar een tempel. Nu, deze ondankbaarheid, zooals ik reeds opgemerkt heb, verbaast mij wel eenigszins. Maar ik ben te goedaardig om dit kwalijk te nemen; ik voel er trouwens ook volstrekt geen behoefte aan. Want waarom zou ik wierookkorrels of offermeel, of een bok, of een zwijn verlangen, nu de geheele wereld mij die hulde bewijst, welke zelfs van de Godgeleerden de hoogste goedkeuring wegdraagt? Zou ik soms Diana benijden, omdat men haar menschenbloed offert [215]? Ik meen, dat mij dan de meeste eerbied betoond wordt, als men mij overal, zooals allen inderdaad doen, in den geest opneemt, in gedrag navolgt en in leven mij gelijkt. Dit is een eeredienst, die zelfs bij de Christenen niet veel voorkomt. Welk een hoop menschen steekt er niet voor de Moedermaagd een waskaars aan en dat wel midden op den dag, als 't volstrekt niet noodig is? Hoe weinigen zijn er daarentegen, die haar in reinheid, zedigheid en liefde voor de dingen, die hierboven zijn, trachten nabij te komen? Want dat is eerst de ware eeredienst en die den hemelingen verreweg het meest behaagt. Daarenboven, waarom zou ik een tempel verlangen, daar toch de geheele wereld, zou ik meenen, de prachtigste tempel voor mij is? Het ontbreekt mij nergens aan priesters dan daar, waar geen menschen zijn. Zoo dwaas ben ik niet, dat ik steenen beelden verlang, die onzen [216] eeredienst soms benadeelen, als namelijk door die botteriken en stommeriken de afbeeldingen der heiligen in plaats van henzelf worden aangebeden. Wij verkeeren dan in hetzelfde geval als zij, die door hun plaatsvervangers verdrongen worden. Ik geloof, dat er voor mij zooveel standbeelden zijn opgericht, als er menschen bestaan, daar ze tegen wil en dank mijn levend evenbeeld zijn. Daarom bestaat er voor mij volstrekt geen reden om de overige goden te benijden, indien men in verschillende hoeken der aarde aan verschillende van hen eer bewijst en wel op vaste dagen; zooals op Rhodus aan Phoebus, op Cyprus aan Venus, te Argos [217] aan Juno, te Athene aan Minerva, op den Olympus aan Jupiter, te Tarente aan Neptunus, te Lampsacus [218] aan Priapus, mits de geheele wereld steeds voortga mij gemeenschappelijke offers te brengen, die ik verre boven de andere verkies.

HOOFDSTUK XLVIII.

Verschillende soorten en vormen der Zotheid.

Mocht iemand soms meenen, dat deze beweringen meer aanmatigend dan waar zijn, welnu, dan willen wij even een blik slaan in het leven der menschen, opdat het ons klaar worde, niet alleen hoeveel zij mij verschuldigd zijn, maar ook hoe hoog zij mij schatten, de hoogsten even goed als de laagsten. Wij zullen het leven van elkeen wel niet behoeven na te gaan, want dit zou al te veel tijd kosten, maar alleen dat van de hoogst geplaatsten, naar wie men de overigen zeker gemakkelijk kan afmeten. Want waartoe zou het dienen, te spreken over Jan Rap en zijn maat, die toch zonder kwestie geheel mijn eigendom zijn? Zij vertoonen immers de Zotheid overal in zulk een rijkdom van vormen en verzinnen dagelijks zooveel nieuwe, dat zelfs geen duizend Democritussen [219] daarover genoeg zouden kunnen lachen: alhoewel er voor die Democritussen zelf dan weer een andere Democritus noodig zoude zijn. Ja, gij kunt u zelfs niet voorstellen, wat al stof tot gelach, spotternij en vreugde die menschenkinderen dagelijks den Goden verschaffen. Deze besteden namelijk de voormiddaguren, wanneer ze nog nuchter zijn, aan beraadslagingen, die veelal in twisten ontaarden, en aan het luisteren naar geloften. Later, als zij reeds vol nectar zijn en geen lust meer gevoelen om zich met iets ernstigs bezig te houden, dan gaan ze zitten op het plekje van den hemel, dat het meest naar voren uitsteekt, en nemen, met het hoofd voorover, een kijkje van hetgeen de menschen zooal doen. Ze kennen geen prettiger schouwspel. Lieve hemel, wat is dat voor een tooneel! Wat krioelen de zotten dooreen! Want ik pleeg ook zelf nu en dan in de rijen der dichtergoden zitting te nemen. Hier is er een smoorlijk verliefd op een meisje en, hoe minder zij van hem houdt, des te vuriger wordt zijn hartstocht. Daar trouwt er iemand een bruidschat, niet een huisvrouw. Een derde heeft zijn vrouw voor ieder veil. Weer een ander is jaloersch en bewaakt haar gangen als een Argus [220]. Daar hebt ge iemand, die in rouw waarlijk ongeloofelijke dwaasheden doet en zegt en zelfs als het ware tooneelspelers huurt om de rouwkomedie op te voeren. Nog een ander stort tranen bij het graf van zijn stiefmoeder. Deze legt alles, wat hij maar heeft kunnen bijeenschrapen, aan zijn buikje ten koste, om na een korte poos dapper honger te lijden. Het grootste geluk van gene bestaat in slapen en leegloopen. Er zijn ook menschen, die het zich zeer druk maken met het behartigen der zaken van anderen, maar hun eigen verwaarloozen. Enkelen leenen geld en, terwijl zij in schulden steken, wanen zij zich rijk, maar zij gaan spoedig over den kop. Voor een ander is het een zaligheid zelf armoede te lijden om zijn erfgenaam rijk te maken. Deze vliegt om een klein en dan nog wel onzeker winstje te behalen over alle zeeën en geeft aan de golven en de winden zijn leven prijs, dat voor geen geld weer te koop is. Gene wil zich liever door den oorlog schatten verwerven dan zijn leven veilig in rust thuis doorbrengen. Er zijn er ook, die meenen, dat men door jacht te maken op de erfenissen van kinderlooze grijsaards het allergemakkelijkst tot rijkdom geraakt, en het ontbreekt ook niet aan dezulken, die hetzelfde doel liever najagen door smoorlijk te verlieven op oude vrouwen met veel geld. Maar dan eerst vermaakt zich het godenpubliek het meest ten koste van die twee soorten van lieden, als die visschers van menschen in hun eigen netten gevangen worden. De allerzotste en gemeenste slag van menschen echter zijn de kooplieden, daar zij het allergemeenste beroep uitoefenen en dat wel op de gemeenste wijze. Alhoewel zij bij elke gelegenheid liegen, valsch zweren, stelen, bedriegen en zwendelen, houden zij toch hun stand voor den hoogsten op grond hiervan, dat zij om alle vingers gouden ringen dragen. Het ontbreekt dan ook niet aan vleiende kloosterbroertjes, die hen bewonderen en openlijk achtbare lieden noemen, natuurlijk met het doel om zelf ook een beetje te krijgen van het onrechtvaardig verworven goed. Elders kan men eenige Pythagoreeërs [221] zien, die alles zoo zeer als gemeen goed beschouwen, dat zij al wat zij ergens onbewaakt aantreffen, kalmpjes wegnemen, alsof het hun bij erfenis ware ten deel gevallen. Er zijn er ook, die alleen rijk in hun wenschen zijn en meenen, dat eenige lieflijke droombeelden, die zij zich scheppen, voor hun geluk voldoende zijn. Sommigen willen gaarne buitenshuis voor rijk doorgaan en lijden thuis met mannenmoed honger. Deze haast zich al wat hij bezit, door te brengen, gene gaart schatten bijeen door alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Deze werft om de volksgunst en eereambten, gene vindt zijn genoegen aan den huiselijken haard. Niet weinigen voeren eindelooze processen en doen om strijd hun best ten einde een steeds uitstellenden rechter en een even oneerlijken advocaat te verrijken. Deze zint op nieuwigheden, gene zet iets groots op het touw. Een ander gaat naar Jeruzalem, Rome of naar den heiligen Jacobus [222], waar hij niets te maken heeft, terwijl hij thuis vrouw en kinderen achterlaat. Kortom zaagt ge die ontelbare beroeringen onder de menschen van de maan af, zooals vroeger Menippus [223], dan zoudt ge meenen een troep vliegen of muggen te zien, die met elkander twisten, oorlog voeren, elkaar lagen leggen, rooven, spelen, dartelen, geboren worden, vallen en sterven. Neen, het is haast ongelooflijk, welk een beweging zulk een klein en kort levend schepseltje maakt en hoeveel treurigs het te zien geeft. Want menigmaal ziet men het geweld zelfs van een onbeduidenden oorlog of van een besmettelijke ziekte vele duizenden te gelijker tijd wegsleepen en verdelgen.

HOOFDSTUK XLIX.

Taalmeesters.

Maar ik zou zelf al zeer dwaas zijn en het volkomen verdienen, dat Democritus het over mij uitschaterde, indien ik voortging de vormen, waarin zich 's volks dwaasheden en dolheden openbaren, op te tellen. Ik wil mij tegen hen aangorden, die in de oogen van hun medemenschen voor wijs doorgaan en, zooals het spreekwoord zegt, dien gouden tak trachten te vinden [224]. Onder hen bekleeden de taalmeesters den eersten rang, dat voorzeker het allerrampzaligste, treurigste en het meest bij de goden gehate slag van menschen zou zijn, als ik de ongemakken van hun zoo ellendig beroep niet door een genoegelijk soort van waanzin verzachtte. Want niet een vijfvoudige vloek, zooals een Grieksch puntdicht aantoont, rust op hen, maar een duizendvoudige, daar zij altijd uitgehongerd en vuil hun leven slijten in hun maar al te bekende scholen; wat zei ik, in scholen, neen veeleer dienen ze vertrekken vol kwellingen des geestes en des lichaams of rosmolens, of folterkamers te heeten. Daar worden zij, omringd door troepen van jongens, oud onder hun moeilijk werk, doof door al het geschreeuw en teren weg door al het vuil en den stank. Nogthans, tengevolge van mijn goedertierenheid verbeelden zij zich de eersten aller menschen te zijn. Zoozeer zijn zij met zichzelf ingenomen, als zij hun schuw troepje door hun barsch gezicht en dreigende woorden angstig maken, als ze met plakken, roeden en zweepen den ongelukkigen het vleesch van het lijf halen en, 't voorbeeld van den ezel van Cyme [225] volgend, op alle mogelijke wijzen hun wreedaardige luim botvieren. Intusschen verbeelden zij zich, dat al dat vuil keurige netheid is, den stank vindt hun neus mariolein en die ellendige slavernij gaat bij hen voor een koningschap door, zoodat ze hun tirannie niet tegen de heerschappij van een Phalaris [226] of Dionysius [227] willen ruilen. Maar nog veel gelukkiger zijn zij door een ongehoord hoogen dunk van hun geleerdheid. Alhoewel zij den knapen niets dan dolheden instampen, zien zij toch, God betere het, uit de hoogte neer op iederen Palaemon en op iederen Donatus [228] en zij weten het door allerlei kunstgrepen tot mijn verbazing zoo ver te brengen, dat malle moertjes en stomme vaders hen voor diegenen houden, voor wie zij zichzelf uitgeven. Hierbij dient men nog het eigenaardig genot te voegen, telkens als er een van hen den naam van Anchises' [229] moeder, of een niet algemeen bekend woord op een half vergaan stuk perkament aantreft [230], of als iemand een oud stuk steen, waarop zich eenige verminkte letters bevinden, ergens opgraaft. Goede hemel, dan komt er geen eind aan hun uitgelatenheid, triomfkreten en lofzangen; het is alsof zij Afrika ten onder gebracht of eenige steden als Babylon ingenomen hebben [231]. En als zij bewonderaars vinden voor hun zoutelooze verzen zonder eenig dichterlijk vuur, waarmee ze overal te koop loopen, dan gelooven zij al dadelijk, dat niets minder dan Maro's [232] geest in hun boezem is gevaren. Maar het alleraardigste is, als zij elkander wederkeerig vol bewondering prijzen en beurtelings in het zonnetje zetten. Als soms een ander zich in een woordje vergist en het toeval wil, dat iemand van hen, wiens gezicht wat scherper is, de fout merkt, hemelsche goedheid, wat heeft men dan dadelijk de poppen aan het dansen! wat een vechten, schelden en uitvaren tegen elkander! Ik mag mij de ongenade van alle taalmeesters op den hals halen, als ik een enkele leugen zeg--ik ken een zeer bekwaam man, een geleerde van den eersten rang in het Grieksch, het Latijn, de Wiskunde, de Wijsbegeerte en de Geneeskunde. Hij is reeds zestig jaar oud en kwelt en pijnigt zich sinds meer dan twintig jaar met niets anders dan met de spraakkunst, in de meening, dat zijn geluk dan volmaakt zal zijn, als hem een leven gegund wordt, lang genoeg om zeker uit te maken, hoe de acht rededeelen behooren onderscheiden te worden, iets, dat tot nog toe geen Griek of Romein geheel heeft kunnen tot stand brengen [233]--alsof het een misdrijf ware groot genoeg om zelfs een oorlog over te beginnen, zoo iemand aan een voegwoord een beteekenis toekende, waarop slechts bijwoorden aanspraak hebben. En hierom, al bestaan er evenveel spraakkunsten als er spraakkunstenaars zijn, ja nog meer--immers mijn vriend Aldus [234] alleen heeft meer dan vijfmaal een spraakkunst uitgegeven--, toch komt er nooit zulk een boek uit, hoe barbaarsch en onaangenaam ook geschreven, of hij leest het nauwkeurig door, naijverig op iedereen, die op dit gebied met eenige nieuwe dwaasheid voor den dag komt en steeds gefolterd door de vrees, dat soms iemand hem dezen roem voor den neus zal wegkapen en den arbeid van zooveel jaren doen verloren gaan. Wilt gij dit liever waanzin dan wel dwaasheid noemen? Mij is het vrij onverschillig, mits gij slechts erkent, dat men het mij te danken heeft, dat een overigens diep rampzalig schepsel zulk een trap van geluk bereikt, dat het zijn lot zelfs niet met dat van een Perzisch koning [235] wenscht te verruilen.

HOOFDSTUK L.

Dichters.

Minder verplichting aan mij hebben de dichters, ofschoon zij zeker uit den aard van hun beroep tot mijn partij behooren, want zij zijn vrije menschen, zooals het spreekwoord [236] wil, wier eenig genot bestaat in het streelen van de ooren der dwazen en dan nog wel met loutere nietigheden en belachelijke verhaaltjes. Desniettemin meenen zij, hoe vreemd het moge klinken, op grond hiervan niet alleen zichzelf, maar ook anderen de onsterfelijkheid en een godenleven te mogen beloven. Met deze bent staan bovenal Eigenliefde en Vleierij [237] op een zeer vertrouwelijken voet en bij geen enkel slag van menschen vind ik oprechter of standvastiger aanbidders. Verder behooren de redekunstenaars, hoewel zij soms valsch spel spelen en heulen met de wijsgeeren, zeker ook tot onze partij, hetgeen vooral hieruit blijkt, dat ze, behalve andere beuzelarijen, zoo nauwkeurig en zoo veel over de kunst van schertsen geschreven hebben [238]. Zoo geeft de schrijver van de aan Herennius opgedragen Redekunst [239], wie hij dan ook moge geweest zijn, de dwaasheid zelfs een plaats onder de soorten van geestigheden en komt bij Quintilianus [240], verreweg den eersten man van dezen kring, een hoofdstuk voor over het lachen, dat nog uitvoeriger is dan de Ilias [241], en hechten zij zooveel waarde aan de zotheid, dat dikwijls een uit gebrek aan bewijsgronden verloren zaak, desniettemin door lachen gewonnen wordt. Niemand zal toch wel van oordeel zijn, dat het buiten het gebied der Zotheid ligt door lachwekkende gezegden de menschen te doen schateren en dat nog wel volgens de regelen der kunst. Tot deze klasse behooren ook zij, die door het uitgeven van boeken jacht maken op onsterfelijken roem. Zij hebben allen de hoogste verplichting aan mij, maar in de eerste plaats zij, die louter beuzelarijen op het papier kladden. Want zij, die hun wetenschappelijke geschriften inrichten naar den smaak van een paar geleerden en geen bezwaar hebben tegen een vonnis van Persius of Laelius [242], zijn, mijns inziens, meer te beklagen dan te benijden, omdat zij zichzelf voortdurend kwellen. Zij voegen in, veranderen, schrappen, schrijven opnieuw, herhalen, werken om, dikken aan, houden negen jaar lang hun werk weggesloten [243], zonder zichzelf ooit te voldoen, en koopen een ijdele belooning bestaande in den lof van zeer weinigen, tot zulk een hoogen prijs, ten koste van zooveel nachtwaken en met zooveel opoffering van den zoo genotrijken slaap, voor zooveel zweetdroppels, voor zooveel kruisen. Voeg nu daarbij het verlies van gezondheid, het ruïneeren der schoonheid des lichaams, slechte oogen of zelfs blindheid, armoede, den haat der menschen, onthouding van alle genoegens, een vroegen ouderdom, een ontijdigen dood en wat dies meer zij. Ten koste van zooveel leed meent die wijze de goedkeuring van een paar leepoogen [244] te moeten koopen. Maar de schrijver naar mijn hart--hoeveel gelukkiger is zijn waanzin, als hij zonder eenig hoofdbreken alles, juist zooals het hem invalt of uit de pen vloeit, zelfs zijn droomerijen op staanden voet te boek stelt, wat hem alleen maar een beetje papier kost, overtuigd, dat hoe beuzelachtiger beuzelarijen hij neerschrijft, hij op de goedkeuring van des te meer menschen, namelijk van alle zotten en stommeriken, mag rekenen. Het valt toch zeker niet moeilijk zich onverschillig te toonen voor het oordeel van anderhalven geleerde, zoo zij al die geschriften lezen. Of wat zal de stem van enkele wijzen beteekenen te midden van den ontelbaren hoop van lieden, die daartegenin schreeuwen? Maar nog wijzer zijn zij, die werken van anderen voor de hunne uitgeven en den roem, door dezen ten koste van veel arbeid verkregen, op hun naam weten over te brengen, in 't vertrouwen natuurlijk, dat al worden zij ook volkomen overtuigd van letterdieverij, hun intusschen toch het genot voor eenigen tijd ten goede zal komen. Het is de moeite waard op te letten, hoezeer zij met zichzelf ingenomen zijn, als zij algemeen geprezen worden, als men onder het volk op hen wijst zeggend "daar heb je dien knappen kerel," als hun werken bij de boekverkoopers te koop liggen, als er aan het hoofd van alle bladzijden drie namen [245] te lezen staan, vooral als deze uit den vreemde zijn en gelijken op tooverwoorden. Maar bij den Hemel, wat zijn het anders dan namen? Voorts, hoe weinigen zullen ze kennen, als men let op den reusachtigen omvang der wereld, en hoeveel kleiner zal nog het aantal zijn van hen, die ze zullen prijzen, in aanmerking genomen, dat de smaken ook van de ongeleerden zoo verschillend zijn. Daarenboven worden die namen zelf niet zelden verdicht of aan de boeken der ouden ontleend, daar de een gaarne Telemachus [246] wil heeten, een ander Sthenelus [247] of Laërtes [248], deze Polycrates [249], gene Thrasymachus [250], zoodat men al even goed op den titel den naam Kameleon of Pompoen, of in de taal der wijsgeeren Alpha of Beta [251] zou kunnen zetten. Maar het aardigste is, als die dwazen en domooren elkander over en weer in brieven, gedichten en lofzangen ophemelen. Zoo verklaart deze genen voor een Alcaeus, gene hem voor een Callimachus [252], gene staat volgens dezen boven M. Tullius [253], deze acht hem geleerder dan Plato. Ook zoeken zij soms een tegenstander om door een wedstrijd met hem zich een grooteren naam te verwerven:

En weiflend splitst 't gemeen zich in vijand'ge kampen [254],

totdat beide legerhoofden na den gelukkig gevoerden strijd als overwinnaar heengaan en beide een zegepraal vieren. De wijze lacht hierom wetend, dat het inderdaad een groote dwaasheid is. Want wie kan dat loochenen? Maar zij leiden intusschen door mijn goedheid een aangenaam leventje en zouden hun zegepralen zelfs niet met die der Scipio's [255] willen ruilen. Toch hebben ondertusschen ook de verstandigen zelf geen geringe verplichting aan mij, doordat zij er steeds recht hartelijk om lachen en genieten van den waanzin van anderen: dit kunnen zij zeker niet ontkennen zonder zich aan de allergrofste ondankbaarheid schuldig te maken.

HOOFDSTUK LI.

Rechtsgeleerden.

Onder de geleerden matigen de rechtsgeleerden zich wel de allereerste plaats aan en meer dan iemand anders zijn zij met zichzelf ingenomen. Door den steen van Sisyphus [256] aanhoudend voort te wentelen en duizend wetten in één adem samen te flansen, onverschillig omtrent welk onderwerp, door verklaringen op verklaringen, zienswijzen op zienswijzen te stapelen, maken zij, dat de beoefening van dat vak voor het allermoeilijkst doorgaat. Want al wat veel inspanning kost, dat houden zij aanstonds ook voor voortreffelijk. Laten wij bij dezen nog de beoefenaars van de kunst van disputeeren en de sophisten [257] voegen, een slag van menschen, nog klapachtiger dan al de bekkens te Dodona [258], zoodat ieder hunner het gerust tegen twintig uitgezochte babbelaarsters kan opnemen. Zeker zouden ze nog gelukkiger zijn, als zij enkel goed van den tongriem gesneden waren en niet tevens zoo twistziek, dat ze altijd door over 's keizers baard te vechten en uit overdreven strijdlust gewoonlijk de waarheid uit het oog verloren. Hen maakt echter hun eigenliefde recht gelukkig, want met een paar sluitredenen gewapend durven zij onverwijld iedereen over ieder onderwerp te lijf gaan. Trouwens hun stijfhoofdigheid maakt hen onoverwinnelijk, ook al hadden zij een tegenpartij even krachtig van longen als Stentor [259].

HOOFDSTUK LII.

Wijsgeeren.