Chapter 6
Vergis ik mij niet, dan lijkt hun de reuk van de uitwerpselen dezer dieren even aangenaam als die van kaneel. Welk een genot vinden zij verder in het afhakken van een stuk wild. Stieren en hamels mag het gemeene volk afhakken, maar, dat een ander dan een edelman zulk een dier in stukken snijdt, is allerminst geoorloofd. Hij hakt met ontbloot hoofd, met gebogen knieën, met een opzettelijk daartoe bestemd mes--want dit mag niet met het eerste het beste geschieden--,met bepaalde gebaren, bepaalde stukken, in bepaalde volgorde van het beest af, hoogst zorgvuldig, als gold het een godsdienstige plechtigheid. Vol verbazing staat intusschen het volk zwijgend om hem heen en kijkt de vertooning aan als een wonder, ofschoon het iets dergelijks meer dan duizendmaal gezien heeft. En wien het geluk ten deel valt iets van het beest te proeven, die meent inderdaad heel wat deftiger te worden. Terwijl ze dus door het onafgebroken vervolgen en eten van de wilde beesten niets anders bereiken, dan dat ze zelf haast verdierlijken, gelooven zij desniettemin een leventje te leiden als een koning. Hun slacht dat soort van menschen het meest, die branden van een onverzadelijke lust tot bouwen, zoodat zij nu eens het ronde door het vierkante en dan weer het vierkante door het ronde vervangen. Hun hartstocht kent paal noch perk, totdat zij aan den bedelstaf geraakt geen dak boven 't hoofd en niets meer te eten hebben. Wat dan? Zij hebben intusschen ettelijke genotvolle jaren doorgebracht. Het dichtst bij dezen komen, mijns inziens althans, zij, die door nieuwe en geheime kunstmiddelen het wezen der dingen trachten te veranderen en te land en ter zee jacht maken op een vijfde grondstof, de quintessens [173]. Zij zijn zoo vervuld van dit bekoorlijke droombeeld, dat hun moeilijkheden noch kosten ooit verdrieten, en met een verbazende scherpzinnigheid denken zij telkens iets uit om zichzelf opnieuw te foppen en het zelfbedrog aangenaam te maken, totdat zij, na hun geheele vermogen te hebben doorgebracht, volstrekt niets meer overhouden om hun oventje te stoken. Zij houden evenwel niet op die zalige droomen te droomen en anderen naar hun beste krachten tot het najagen van hetzelfde geluk aan te sporen. Voelen zij zich eindelijk in al hun verwachtingen teleurgesteld, dan rest hun toch nog één kernspreuk, waaruit volop troost te putten valt:
Bij groote daân is reeds de wil genoeg.
Dan geven zij den korten duur van het leven de schuld, als niet toereikend voor den grooten omvang van hun taak. Wat verder de dobbelaars aangaat, ik twijfel wel eenigszins, of hun een plaats in ons gezelschap toekomt. Het is evenwel een in allen opzicht dwaas en belachelijk schouwspel sommige menschen daaraan zoo verslaafd te zien, dat, zoodra zij den klank der dobbelsteenen hooren, het hart onmiddellijk in hen opspringt en hevig begint te kloppen. Als zij dan, altijd weer verlokt door de hoop om te winnen, hun geheele vermogen verloren hebben, hun scheepje op de klip van het spel, die vrij wat meer te duchten is dan Malea [174], schipbreuk heeft geleden en zij ternauwernood het bloote lijf er af gebracht hebben, dan bedriegen zij nog alle anderen liever dan den winner, om niet voor mannen van weinig karakter door te gaan. Zelfs op hun ouden dag en reeds half blind spelen zij nog met behulp van glazen oogen. Eindelijk als de jicht, het verdiende loon voor hun levenswijze, hun handen onbruikbaar maakt, dan huren ze zelfs iemand om in hun plaats te werpen. Zeker is het spel een aangenaam werk, maar het ontaardt gewoonlijk in een dollen hartstocht en behoort dan bij de furiën, niet bij mij thuis.
HOOFDSTUK XL.
Bijgeloovigen.
Maar ongetwijfeld behoort dat slag van menschen tot de onzen, die zich vermeien in het hooren of vertellen van wonderen en gedrochtelijke leugens en nooit genoeg hebben van zulke verhalen, als er iets bovennatuurlijks in voorkomt over verschijningen, over spoken, over geesten, over de hel en over tallooze andere mirakels van dit soort. Hoe meer zulke verhalen in strijd zijn met de waarheid, des te eerder vinden zij geloof en des te aangenamer kittelen zij de ooren. En zij zijn niet alleen van verbazend veel nut om de verveling te verdrijven, maar er valt ook bij te verdienen, vooral voor priesters en predikers. Nauw verwant met dezen zijn verder diegenen, die tot de wel dwaze maar toch behagelijke overtuiging zijn gekomen, dat, als zij maar het een of andere beeld, van hout of geschilderd, van den Polyphemus Christophorus [175] zien, zij op dien dag niet zullen omkomen, of, dat wie een beeld van St. Barbara [176] met bepaalde woorden groet, ongedeerd uit den strijd zal terugkeeren, of als iemand zich op bepaalde dagen met bepaalde kaarsjes en bepaalde schietgebeden tot St. Erasmus [177] wendt, hij binnenkort rijk zal worden. Zoo hebben zij een Hercules in St. Joris [178] gevonden, zooals ze ook een tweeden Hippolytus [179] hebben. Zijn [180] paard, dat zij vol diepen eerbied met allerlei sieradiën tooien, bewijzen zij bijna goddelijke eer en zij trachten het telkens weer door het een of ander nieuw geschenkje voor zich te winnen; bij den metalen helm van den heilige te zweren, wordt als een vorstelijke eed beschouwd. Wat te zeggen van hen, die zichzelf paaien met onware aflaatbrieven [181] en de tijdruimten van het vagevuur met wateruurwerken afmeten, waarbij ze nauwkeurig de eeuwen, jaren, maanden, dagen en uren, als wiskundig vaststaande, zonder dat een fout mogelijk is, weten op te geven. Of van hen, die steunende op eenige tooverformulieren en gebeden, die de een of andere vrome bedrieger hetzij voor zijn pleizier, hetzij om er iets aan te verdienen heeft uitgedacht, zichzelf alles voorspiegelen, geld, eer, genot, volop eten en drinken, eeuwigdurende gezondheid, een lang leven en een krachtigen ouderdom, eindelijk een plaatsje dicht bij Christus in den hemel, ofschoon zij het liefst willen, dat dit geluk hun zeer laat te beurt valle, d.w.z. dat eerst, als de genoegens dezer wereld, waaraan zij met hart en ziel hangen, hen trots hun tegenstribbelingen in den steek laten, dan die hemelsche zaligheden hun deel worden. Zoo heb je me bijv. den een of anderen koopman of soldaat of rechter, die door het opofferen van een enkel penningsken uit zijn door roof gewonnen schatten meent den geheelen zondenpoel zijns levens op eenmaal gereinigd te hebben en zooveel meineed, zooveel wellust, zooveel dronkenschap, zooveel twist, zooveel moord, zooveel bedrog, zooveel trouweloosheid, zooveel verraad als bij contract afgekocht beschouwt en wel zoo afgekocht, dat hij van voren af aan een nieuwe reeks van misdaden mag beginnen. Maar wie zijn dwazer, neen laat ik liever zeggen gelukkiger, dan zij, die door dagelijks die bekende zeven versjes der heilige psalmen op te zeggen zichzelf nog meer dan het hoogste geluk belooven? Deze tooverversjes zijn, naar men wil, aan den heiligen Bernard medegedeeld door een zekeren duivel, die wel geestig, maar toch meer een onnoozele hals dan een slimmerd was; want hij werd leelijk door hem bij den neus genomen [182].
En dergelijke verhalen, zoo dwaas, dat ik mij zelf er schier voor schaam, vinden desniettemin algemeenen bijval niet alleen bij het domme volk, maar zelfs bij de openbare godsdienstleeraren. Is 't voorts haast niet even dwaas, dat iedere streek aanspraak maakt op haar eigen heilige, dat men de verschillende werkzaamheden onder hen verdeelt, en aan ieder ook zijn eigen ceremoniën toewijst, zoodat de een moet helpen bij tandpijn, gene zijn bijstand verleenen bij het kraambed, een derde een gestolen voorwerp terugbezorgen, een vierde als gunstig gesternte bij een schipbreuk moet stralen, een vijfde het vee beschermen, enz. Want het zou hoogst vervelend worden alles op te sommen. Er zijn er ook, die in meer zaken tegelijk invloed hebben, vooral de moedermaagd, aan wie het gros der menschen haast grooter macht toekent dan aan haar zoon.
HOOFDSTUK XLI.
Vervolg.
Maar wat vragen de menschen dan toch wel van deze heiligen, dat niet met de zotheid samenhangt? Kom, zeg eens, hebt gij onder zooveel wijgeschenken, waarmee ge de wanden en zelfs de gewelven van sommige kerken bedekt ziet, ooit een van iemand gevonden, die van de zotheid bevrijd was of ook maar een zier wijzer was geworden? De een heeft door zwemmen het lijf gered. Een tweede bracht er het leven af, niettegenstaande hij een gevaarlijke wond van den vijand had ontvangen. Een derde ging op het slagveld, waar zijn makkers streden, dapper op den loop en had het geluk te ontkomen. Een vierde, die aan de galg hing, kwam er af door den een of anderen den dieven gunstigen heilige, om zoo eenige door hun schatten al te bezwaarde lieden nog verder te kunnen ontlasten. Een vijfde wist de deuren van zijn gevangenis open te breken en zich uit de voeten te maken. Een zesde herstelde van de koorts tot grooten spijt van zijn arts. Een zevende nam vergif in, maar dit bezorgde hem een ruime ontlasting, zoodat het hem in plaats van den dood genezing bracht, alles behalve tot genoegen van zijn vrouw [183], daar ze nu moeite en kosten voor niets had besteed. Een achtste, wiens wagen omviel, bracht toch zijn paarden ongedeerd naar huis. Een negende werd levend onder de puinhoopen van een ingestort huis weggehaald. Een tiende slaagde er in den echtgenoot te ontkomen, die hem bij zijn vrouw betrapte. Maar nergens vindt men een dankbetuiging voor het verdrijven van zotheid. Zoo zoet is het volslagen gemis van wijsheid, dat de menschen bidden van alles eerder bevrijd te worden dan van de zotheid. Maar wat waag ik mij in dezen Oceaan van bijgeloovigheden?
Neen, bezat ik honderd tongen, honderd monden, Stem van ijzer, 't was m' onmooglijk vormen, namen Op te noemen van de botte zotternije [184].
In die mate krioelt het geheele leven aller Christenen van dergelijke dolheden, die echter de priesters zonder eenig bezwaar niet alleen toelaten, maar zelfs bevorderen, omdat zij zeer goed weten, welke voordeeltjes daaruit bij voortduring voor hen te winnen zijn. Indien nu te midden van dit alles de een of andere hatelijke wijze opstaat en deze waarheden verkondigt: Als ge goed geleefd hebt, zult ge geen slechten dood hebben; ge koopt u vrij van uw zonden, als ge bij uw penningsken voegt den afkeer van misdaden, voorts tranen, nachtwaken, gebeden, vasten en tevens een geheelen ommekeer in uw levenswijze; dán zal deze heilige u gunstig zijn, als gij zijn levenswijze tracht na te volgen--als, zeg ik, die wijze deze en dergelijke woorden hun toeroept, dan kunt ge begrijpen, welk een stoornis hij eensklaps weer brengt in de gemoederen van menschen, die nog pas zoo gelukkig waren. Tot deze bent behooren zij, die bij hun leven zulke nauwkeurige bepalingen maken omtrent hun lijkstaatsie, dat zij zelfs in alle bijzonderheden voorschrijven, hoeveel fakkels, hoeveel lijkbidders, hoeveel zangers, hoeveel rouwkomedianten zij daarbij willen hebben, alsof zij zelf iets van die voorstelling zouden merken of de dooden zich schamen als het lijk niet met praal onder den grond werd gestopt, en dat alles met een toewijding, als waren zij pas gekozen aedilen [185] en beijverden zij zich om spelen of een gastmaal te geven.
HOOFDSTUK XLII.
Dwazen, die zich op hun adellijken titel laten voorstaan.
Al maak ik nog zulk een haast, kan ik toch hen niet met stilzwijgen voorbijloopen, die, ofschoon zij in geen enkel opzicht van den gemeensten handwerksman verschillen, toch zich heel wat laten voorstaan op een ijdelen adellijken titel.
De een brengt zijn geslacht terug tot Aeneas [186], een tweede tot Brutus [187], een derde tot Arcturus [188]. Zij laten u overal de beelden en portretten van hun voorouders zien. Zij tellen het aantal hunner over- en betovergrootvaders en vermelden hun oude bijnamen, terwijl zij zelf niet veel beter zijn dan een stom beeld, ja haast nog minder dan die konterfeitsels, waarmee zij pralen. Desniettemin leiden zij tengevolge van deze zoete eigenliefde een allergelukkigst leven en het ontbreekt niet aan even groote zotten, die tegen dit soort van stomme dieren als tegen goden vol eerbied opzien. Maar wat spreek ik over het een of andere soort van menschen, alsof er niet bewijzen genoeg zijn, dat die eigenliefde overal de meesten onbeschrijfelijk gelukkig maakt. Immers de een, al is hij leelijker dan elke aap, verbeeldt zich in allen opzichte een Nireus [189] te zijn; een ander gelooft, zoodra hij drie lijnen met een passer getrokken heeft, dat hij op ende op een Euclides [190] is; een derde zingt bij de lier als een ezel en, schoon zijn stem nog leelijker klinkt dan die van een haan, als hij zijn hen bijt, acht hij zich toch een tweeden Hermogenes [191]. Maar verreweg de aangenaamste soort van waanzin bestaat hierin, dat sommigen snoeven op elke gave, die een der hunnen bezit, alsof zij zelf die bezaten. Tot dezen behoorde die gelukzalige rijkaard bij Seneca [192], die als hij een verhaaltje zou vertellen, slaven bij de hand had om hem de namen zijner helden in te fluisteren; ja, hij zou zelfs niet geaarzeld hebben zich aan een vuistgevecht te wagen, ofschoon hij zoo zwak was, dat men hem slechts met kunst en vliegwerk in het leven hield, in het volle vertrouwen op het aantal reusachtig sterke slaven, die hij thuis had. Waartoe behoef ik nog te spreken over de beoefenaars van kunst en wetenschap? Zij bezitten allen zonder onderscheid zulk een bijzonder soort van eigenliefde, dat men onder hen eerder iemand aantreft, die van zijn aanspraken op een van zijn vader geërfd stukje grond dan van die op vernuft afstand wil doen. Bovenal is het echter een eigenaardigheid van tooneelspelers, zangers, redenaars en dichters, dat de grootste stumper het onbeschaamdst is in zijn zelfbehagen, het meest zijn eigen lof verkondigt en overal rondbazuint. En--ieder vindt een spekje voor zijn bekje, of laat ik het liever zoo zeggen, hoe onzinniger iets is, des te meer bewonderaars vindt het. Het gaat hiermee als met al hetgeen verkeerd is, dat allerwege met bijval wordt opgenomen, en wel omdat de meeste menschen, zooals wij boven opmerkten, aan de Zotheid onderworpen zijn. Daarom, als iemand een stommerik is en hij daardoor niet alleen voor zichzelf veel aangenamer is, maar ook een grooter schaar bewonderaars trekt, waarom zou hij dan toch wel aan de ware geleerdheid de voorkeur geven, die hem vooreerst veel kost, hem dan vervelender en blooder maakt en eindelijk bij veel minder in den smaak valt?
HOOFDSTUK XLIII.
Ieder mensch, volk of stad is de eigenliefde ingeplant.
Verder ben ik overtuigd, dat de natuur, zooals zij in ieder mensch zijn bijzondere, zoo ook in ieder volk en haast iedere stad een eigenliefde heeft geplant, die ik een gemeenschappelijke zou kunnen noemen. Dit is de reden, waarom de Britten voor zich aanspraak maken op schoonheid, muzikaal talent en een rijkelijk voorzienen disch; de Schotten trotsch zijn op hun adel en verwantschap met vorsten en daarenboven op hun spitsvondige redeneeringen; de Franschen meenen, dat zij beschaafde manieren op alle andere volken voor hebben; de Parijzenaars den roem van kennis der godgeleerdheid, met uitsluiting van bijna alle andere stervelingen, zich in 't bijzonder aanmatigen; [193] de Italianen zich begaafdheid voor de fraaie letteren en welsprekendheid toeschrijven, en allen zich op dezen grond vermeien in de verbeelding, dat zij alleen ter wereld geen barbaren zijn. In dit orkest van gelukkigen spelen de Romeinen de eerste viool en zij droomen nog altijd allergenoegelijkst van dat beroemde oude Rome. De Venetianen zijn gelukkig door den dunk, dien zij koesteren omtrent hun adel; de Grieken beschouwen zich als de vaders der wetenschappen en pochen op de oude eeretitels hunner hooggeprezen helden; de Turken en dat geheele samenraapsel van werkelijk barbaarsche volken matigen zich zelf den lof van godsdienstigheid aan en spotten met het bijgeloof der Christenen. Maar het is nog veel mooier, dat de Joden ook thans nog steeds op hun Messias blijven wachten en tot op den huidigen dag met hand en tand aan hun Mozes [194] vasthouden. De Spanjaarden behouden zich alleen allen krijgsroem voor en de Duitschers verheffen zich op de lengte hunner lichamen en hun kennis van de tooverkunst.
HOOFDSTUK XLIV.
De voordeelen, die de Eigenliefde en haar zuster, de Pluimstrijkerij, verschaffen.
Om nu niet alles in bijzonderheden na te gaan, gij ziet nu zeker wel in, hoeveel genot de eigenliefde overal aan alle menschen afzonderlijk en tezamen verschaft, de Eigenliefde, met wie haar zuster, de Pluimstrijkerij, bijna op één lijn te stellen is. Want de Eigenliefde is niets anders dan het streelen van zichzelf: doet men het een ander, dan is het zeker Vleierij. Deze staat echter tegenwoordig in een kwaden reuk, doch alleen bij hen, die zich meer storen aan de namen der zaken dan aan de zaken zelf. Men meent, dat goede trouw kwalijk samengaat met vleierij; maar dat dit volstrekt niet het geval is, had men zelfs uit het voorbeeld van stomme dieren wel kunnen leeren. Want welk beest vleit meer dan de hond? Maar aan den anderen kant, is er wel één getrouwer? Wat weet een eekhoorntje niet den mensch te liefkoozen, wien hij toch meer dan alle andere schepselen genegen is? Gij meent immers niet, dat wreede leeuwen, bloedgierige tijgers of toornige panters van grooter nut zijn voor het leven der menschen? Wel valt het niet te ontkennen, dat er een soort van verderfelijke vleierij bestaat, waardoor sommige valschaards en spotters stumpers ongelukkig maken, maar de mijne heeft haar oorsprong in een soort van aangeboren welwillendheid en zij komt veel dichter bij de deugd dan hetgeen men daartegenover stelt, de lompheid met de zoo onaangename en vervelende norschheid, waarvan Horatius spreekt. Mijn vleierij richt de terneergeslagen gemoederen op, troost de bedroefden, prikkelt de soezers, maakt de slaapkoppen wakker, brengt de zieken weer op de been, bedaart de hartstochten, knoopt liefdesbanden en houdt ze in stand. De jeugd weet ze lust voor de beoefening der wetenschappen in te boezemen, de grijsaards vervroolijkt ze, den vorsten weet ze, onder den schijn van loftuitingen, vermaningen en wijze lessen toe te dienen. Kortom zij bewerkt, dat ieder in zichzelf een grooter welbehagen vindt, hetgeen toch zeker wel een hoogst belangrijk gedeelte van het geluk uitmaakt. Bewijzen muilezels, wien het jeukt, elkaar geen zeer gewichtigen dienst, wanneer de een den ander krabt [195]? Laat ik er nu maar niet van spreken, dat die vleierij een groot deel uitmaakt van die hooggeprezen welsprekendheid, een nog grooter van de geneeskunde en het grootste van de dichtkunst: kortom, dat door haar de geheele menschelijke samenleving verzoet en gekruid wordt.
HOOFDSTUK XLV.
Het geluk hangt af van de meening der menschen.
Maar, werpt men mij tegen, het is toch een ongeluk te dwalen. Neen, het is veeleer het hoogste ongeluk niet te dwalen, 't Is toch al te onzinnig te meenen, dat 's menschen geluk gelegen is in de dingen zelf. Het hangt af van de meeningen daaromtrent. Immers de menschelijke zaken zijn zoo duister en afwisselend, dat men niets helder en klaar kan weten, zooals terecht beweerd is door mijn Academisten [196], die zich van alle wijsgeeren nog het minst op hun kennis laten voorstaan. Zoo men al iets kan weten, dan lijdt daaronder zelfs maar al te dikwijls het levensgenot. Eindelijk is de menschelijke geest zoo gevormd, dat de schijn veel meer vat op hem heeft dan de waarheid. Mocht iemand een duidelijke en voor de hand liggende proef daarvan willen nemen, laat hij dan in de kerken den dienst gaan bijwonen. Dan zal hij, als de preek over een ernstig onderwerp handelt, allen zien dutten, gapen en misselijk worden van verveling. Maar als die schreeuwer--ik vergiste me daar, spreker wilde ik zeggen--, zooals zij dat dikwijls doen, het een of ander oudewijvenverhaaltje begint, dan worden allen wakker, richten zich op en luisteren met open mond. Zoo gaat het ook met een heilige, over wiens leven veel sprookjes en gedichten bestaan (wilt ge hiervan een voorbeeld, denk dan aan St. Joris of St. Christophorus of St. Barbara [197]). Ge zult vinden, dat men hem veel meer eerbied bewijst dan Petrus of Paulus of ook Christus zelf. Maar dit onderwerp behoort hier niet thuis. Hoeveel minder kost verder deze vermeerdering van het geluk! De zaken zelf moet men zich immers vaak met groote moeite eigen maken, zelfs de onbeduidendste, zooals de spraakkunst, maar een meening kan men zeer gemakkelijk opvatten, die echter van evenveel of van nog meer nut is voor het geluk. Denk eens na: als iemand zoutevisch eet, zoo bedorven, dat een ander den stank niet kan uitstaan, maar het hem smaakt als godenspijs, eilieve, wat doet het dan af tot zijn genot? Omgekeerd, als een steur iemand misselijk maakt, wat zal die dan tot zijn levensgeluk bijdragen? Als iemand een bij uitstek leelijke vrouw heeft, die echter, volgens het oordeel van haar man, wel met Venus zelf kan wedijveren, zou dat niet even goed zijn, alsof zij inderdaad schoon was? Als iemand een houten bord, leelijk met rood en geel besmeerd, vol bewondering en eerbied aanstaart, in de vaste overtuiging, dat het een schilderij van Apelles of Zeuxis [198] is, zou hij dan niet zelfs gelukkiger zijn dan de man, die voor hoogen prijs het werk dier kunstenaars gekocht heeft en misschien nog minder genot smaakt bij het bezien van die schilderijen? Ik ken een naamgenoot van mij [199], die aan zijn jonge vrouw eenige valsche edelgesteenten ten geschenke gaf en haar door zijn welbespraaktheid--want hij was niet op zijn mondje gevallen--wist te overtuigen, dat zij niet alleen echt en natuurlijk waren, maar ook een onschatbare waarde bezaten. Wat, bid ik u, maakte het voor het vrouwtje voor verschil, dat ze haar oogen zoowel als haar hart aan die stukjes glas ophaalde en die prullen als kostbaren schat zorgvuldig opborg? Intusschen had haar man niet alleen geen groote kosten te maken, maar hij genoot ook van de dwaling zijner echtgenoot, wier toegenegenheid hij even goed bezat, als wanneer hij haar dure geschenken gegeven had. Denkt ge inderdaad, dat er onderscheid is tusschen hen, die in de bekende grot van Plato [200] de schaduwen en beelden der verschillende dingen aanstaren, mits hun verlangen maar niet verder gaat en zij niet ontevreden worden met hun lot, en den wijze, die, na de grot verlaten te hebben, de werkelijke dingen ziet? Als Mycillus [201] bij Lucianus dien rijken en gouden droom steeds had mogen blijven droomen, was er volstrekt voor hem geen reden geweest om een ander geluk te wenschen. Er bestaat dus óf geen verschil óf, zoo er eenig verschil bestaat, verdient de toestand der zotten zelfs de voorkeur, vooreerst omdat hun geluk hun zeer weinig kost, niet meer dan een weinigje overtuiging, en verder, omdat zij het genot daarvan met zeer velen deelen.
HOOFDSTUK XLVI.
De Zotheid schenkt aan alle menschen haar zegeningen.
Ook is het bezit van geen goed aangenaam zonder iemand, die het met ons deelt. Immers wie weet niet, hoe klein het aantal wijzen is, zoo er al één in de wereld gevonden wordt? Toch weten de Grieken er uit zooveel eeuwen in 't geheel zeven [202] op te tellen, maar ik mag sterven, als iemand bij een nauwkeuriger onderzoek onder hen wel een half--of laat ik liever zeggen--een kwartwijze kan vinden.