Chapter 5
Maar ik hoor in mijn verbeelding de wijsgeeren hiertegen hun stem verheffen. Juist hierin, zeggen zij, bestaat iemands ongeluk, dat hij in de macht der Zotheid is, dat hij dwaalt, zich vergist, onwetend is. Neen, dit is integendeel eerst mensch zijn. Waarom zij iemand om deze reden wel ongelukkig noemen, zie ik niet in, dewijl gij door uw geboorte, uw opvoeding, uw levensomstandigheden zoo geworden zijt en dit aller gemeenschappelijk lot is. Er is echter niets ongelukkig, wat in zijn natuurlijken toestand blijft, of iemand mocht misschien den mensch beklagenswaardig achten, omdat hij niet met de vogels kan vliegen, noch met de overige zoogdieren op vier voeten gaan, noch met horens gewapend is, zooals de stieren. Maar deze man zal, om zichzelf gelijk te blijven, ook het schoonste paard ongelukkig noemen, omdat het geen spraakkunst geleerd heeft en geen koeken eet, den stier ongelukkig, omdat hij ongeschikt is voor de gymnastiek. Derhalve, evenals een paard, onervaren in de spraakkunst, niet rampzalig is, zoo is ook een mensch door zijn dwaasheid niet ongelukkig, omdat zij een natuurlijke eigenschap van hem is. Maar nu komen de woordenzifters het ons weer lastig maken. Den mensch alleen, beweren zij, is de kennis der wetenschappen gegeven, om met behulp van dezen hetgeen van de natuur te weinig ontvangen is, door zijn verstand aan te vullen. Alsof het eenige schijn van waarheid had, dat de natuur, die voor de muggen en zelfs voor de kruiden en bloempjes zoo angstvallig gewaakt heeft, bij den mensch alleen zoo zou gedut hebben, dat hij de wetenschappen noodig had, welke Theut, de vijandige geest, tot verderf van het menschelijk geslacht heeft uitgevonden, de wetenschappen, waardoor ons geluk zoo weinig bevorderd wordt, dat zij juist datgene benadeelen, waartoe zij, naar men wil, zijn uitgevonden, zooals die verstandige koning dit bij Plato zoo keurig omtrent de uitvinding van het letterschrift betoogt [148]. Daarom behooren ook de wetenschappen tot die inkruipsels, welke, met zooveel andere, het menschelijke leven bedorven hebben en wel door toedoen van diezelfde wezens, aan wie alle wandaden haar oorsprong te danken hebben, de daemonen, die daaraan ook hun naam ontleenen, die men door "wetenden" zou kunnen verklaren [149]. Dat eenvoudige volk der gouden eeuw [150] kende immers de wapenen der wetenschappen niet en leefde alleen volgens de leiding en de stem der natuur. Waartoe had men toch de spraakkunst noodig, daar allen dezelfde taal bezigden en men met het spreken geen ander doel beoogde dan elkaar te verstaan? Wat nut had de redeneerkunst, toen er nooit verschil over tegenstrijdige gevoelens bestond? Wat behoefte gevoelde men aan de redekunst, toen niemand het zijn medemensch nog lastig maakte? Waartoe had men de wijsheid der wetten noodig, toen er nog geen onzedelijkheid bestond, waaruit ongetwijfeld de goede wetten zijn voortgekomen? Voorts waren zij te godsdienstig om uit goddelooze nieuwsgierigheid de geheimen der natuur, de afmetingen der gesternten, hun bewegingen, invloeden, de geheime oorzaken der dingen uit te vorschen; zij achtten het een gruwel, zoo een sterveling wijzer trachtte te zijn dan hem vergund was. Natuurlijk kwam de onzinnige gedachte om te weten wat aan gene zijde des hemels ligt, in het geheel niet bij hen op. Doch toen langzamerhand de reinheid der gouden eeuw verdween, zijn eerst, gelijk ik reeds opgemerkt heb, door die booze geesten kunsten en wetenschappen uitgevonden, maar zij waren weinig in aantal en deze vonden nog bij weinigen ingang. Later voegde het bijgeloof der Chaldeeërs [151] en de ledige lichtzinnigheid der Grieken tallooze andere hierbij, enkel en alleen tot pijniging der geesten, zoodat zeker de spraakkunst alleen volop in staat is het leven tot een onafgebroken foltering te maken.
HOOFDSTUK XXXIII.
Vervolg.
Toch zijn onder deze wetenschappen juist diegene het meest in eere, welke het dichtst onder het bereik van een gewoon menschelijk verstand m. a. w. van de Zotheid vallen. De godgeleerden hongeren, de natuurkundigen zijn in minachting, de sterrekundigen worden uitgelachen en om de professoren in de redeneerkunst bekommert zich niemand. Alleen de geneesheer weegt tegen vele andere mannen op [152]. En zelfs van dit slag van geleerden wordt iemand, hoe ongeleerder, vermeteler en onbedachtzamer hij is, des te meer geëerd zelfs bij de hooge heerschappen. En toch is de geneeskunde, vooral zooals zij nu door verscheidenen wordt uitgeoefend, zeker niets anders dan een beetje vleierij [153], even zoo goed als de redekunst. Na dezen wordt de volgende plaats aan de wetsverdraaiers toegewezen--ja, misschien komt hun de eerste wel toe--, wier beroep de wijsgeeren, om nu zelf niet voor mijn eigen gevoelen uit te komen, eenstemmig een vak voor ezels noemen. En toch worden de grootste zoowel als de kleinste zaken naar de willekeur van deze ezels beslecht. Hun uitgestrekte landgoederen nemen gaandeweg in omvang toe, terwijl de Godgeleerde intusschen, na de geheimenissen der Godheid in al haar schuilhoeken te hebben uitgevorscht, op zijn harde boonen blijft kauwen, in eeuwigen strijd met wandluizen en ander ongedierte: Gelijk dus de wetenschappen meer geluk hebben, die nauwer verwant zijn met de Zotheid, zoo zijn ook die menschen verreweg het gelukkigst, wien het vergund was, zich geheel te onthouden van alle verkeer met de wetenschappen en alleen de natuur als leidsvrouw te volgen, die in geen enkel opzicht ons in den steek laat, behalve wanneer wij soms in onzen overmoed de heilige grenzen van hetgeen den sterveling vergund is, willen overschrijden. De natuur haat al het gekunstelde en wat door geen kunst geleden heeft, tiert verreweg het weligst.
HOOFDSTUK XXXIV.
De dieren, die van al wat kunst is, verschoond blijven, zijn het gelukkigst.
Ziet ge dan niet, dat van al de overige soorten van schepselen, díé het gelukkigst leven, welke den grootsten afkeer van de wetenschappen hebben en zich enkel door de voorschriften der natuur laten leiden? Wat is er gelukkiger of bewonderenswaardiger dan de bijen? Maar zij hebben toch zelfs niet eens alle zintuigen. Wat kan de architectuur bij het stichten van gebouwen uitvinden, dat op haar werk gelijkt? Welk wijsgeer heeft ooit een staat uitgedacht, die den haren nabijkomt? Het paard daarentegen, omdat zijn zinnen veel overeenkomst hebben met die van den mensch en het met dezen is gaan samenwonen, deelt ook in de menschelijke rampen. Immers het spant niet zelden zijn laatste krachten in, daar het zich schaamt om in den wedren overwonnen te worden, en terwijl het in den oorlog de zege tracht te behalen, wordt het zoo gewond, dat het met zijn berijder in het stof bijt. Laat ik maar niet spreken van het wolfsgebit, de puntige sporen, den stal, die zijn kerker is, de zweep, den stok, het tuig, den berijder, kortom die geheele akelige slavernij, waaraan het zich uit eigen beweging onderworpen heeft, terwijl het, in navolging van dappere mannen, zich te hartstochtelijk op den vijand tracht te wreken. Hoeveel verkieslijker is het leven van vliegen en vogeltjes, die geheel naar het oogenblik en alleen naar het hun ingeschapen gevoel leven, mits de lagen der menschen het hun slechts vergunnen. Als zij soms in kooien opgesloten langzamerhand menschelijke klanken leeren na spreken, verliezen zij verbazend veel van hun natuurlijke schoonheid. Zoozeer heeft het natuurlijke in alles den voorrang boven het gekunstelde.
Daarom heb ik ook nooit lof genoeg voor dien haan, eenmaal Pythagoras [154], die na alleen alles geweest te zijn, wijsgeer, man, vrouw, koning, ambteloos burger, visch, paard, kikvorsch, als ik mij niet vergis, zelfs spons, toch geen schepsel rampzaliger achtte dan den mensch, omdat alle overige schepselen zich houden binnen de grenzen hun door de natuur aangewezen, maar de mensch alleen buiten zijn natuurlijken kring tracht te gaan.
HOOFDSTUK XXXV.
Dwazen, zotten, domkoppen en narren zijn veel gelukkiger dan wijzen.
Anderzijds stelt hij [155] de gewone menschen in veel opzichten boven de geleerden en groote mannen, en die Gryllus [156] was vrij wat wijzer dan de schrandere Ulixes, daar hij liever in een varkenskot wilde knorren dan met hem de speelbal worden van zooveel rampzalige ongevallen. Mijns inziens is Homerus, de vader der guiterijen, van geen ander gevoelen, daar hij niet alleen alle stervelingen herhaaldelijk rampzalige zwoegers noemt maar zelfs aan Ulixes, zijn model van wijsheid, meermalen den naam Ongelukskind geeft, zonder evenwel Paris of Aiax of Achilles [157] ergens zoo te betitelen. Waarom doet hij dit dan? Wel, omdat die slimme vos alles deed op raad van Pallas en al te wijs was, terwijl hij zich zoo ver mogelijk van de leiding der natuur verwijderde. Evenals dus onder de stervelingen zij het verst van het geluk afstaan, die zich op de wijsheid toeleggen, daar zij zeer zeker hierom juist dubbel dwaas zijn, omdat zij, ofschoon als menschen geboren, zonder om hun stand te denken, uit zucht om als de onsterfelijke Goden te leven, op het voorbeeld der Giganten [158], met den stormram der geleerdheid der natuur den oorlog aandoen, zoo zijn ook zij, mijns bedunkens, het allerminst ongelukkig, die het naast bij den aanleg en de dwaasheid der redelooze dieren komen en in niets verder gaan dan een mensch geoorloofd is.
Kom, laten wij eens beproeven, of wij dit ook, niet door een stoische bewijsvoering, maar door een doodeenvoudig voorbeeld kunnen aantoonen. En bij de onsterfelijke Goden, bestaat er wel iets gelukkigers in de wereld dan dat slag van menschen, dat men gewoonlijk narren, dwazen, zotten en domkoppen noemt, de schoonste bijnamen, die men naar mijn meening dragen kan? Deze bewering klinkt misschien, als men haar voor 't eerst hoort, dwaas en ongerijmd en toch is haar waarheid boven allen twijfel verheven. Vooreerst kennen zij volstrekt geen vrees voor den dood, een kwaad, dat waarachtig niet gering te schatten is. Ook kennen zij geen gewetenswroegingen. Zij laten zich niet verschrikken door al de sprookjes over het schimmenrijk; zij sidderen niet voor spoken en geestverschijningen; hun hart wordt niet toegenepen door vrees voor dreigende rampen en evenmin foltert hen de hoop op een toekomstig geluk. Om kort te gaan, zij zijn niet ten prooi aan de duizenden zorgen, waaraan dit leven onderhevig is. Zij kennen geen schaamte, geen vrees, geen eerzucht, geen afgunst, geen liefde. Als zij ten slotte nog nader bij het onverstand der redelooze dieren komen, dan kunnen zij, volgens het beweren der Godgeleerden, zelfs niet meer zondigen. Doe mij nu het genoegen, gij allerdwaaste wijze, eens goed te overwegen, door hoeveel muizenissen uw ziel nacht en dag van alle kanten gekweld wordt. Breng al de ongemakken uws levens op een hoop: dan eerst zult gij inzien, van hoeveel leed ik mijn zotten bevrijd heb. Voeg hierbij nog, dat zij niet alleen zelf voortdurend vroolijk zijn, spelen, neuriën en lachen, maar ook voor al hun medemenschen, waar zij komen, genot, scherts, vroolijkheid en gelach meebrengen, alsof zij juist met dit doel door de goedheid der goden geschonken zijn, om de droefheid van het menschelijk leven te vervroolijken.
Dit is de reden, waarom, ofschoon de menschen jegens elkander zeer verschillend gezind zijn, zij hen allen gelijkelijk als hun eigen familie erkennen, zoeken, onthalen, vertroetelen en omhelzen, in nood helpen, en al wat zij zeggen of doen, ongestraft laten. Het is er zelfs zoo ver af, dat iemand hen wil schaden, dat ook de wilde beesten, door een soort van natuurlijk gevoel voor de onschuld gedreven, zich wachten hen kwaad te doen. Want zij zijn inderdaad den Goden heilig, bovenal aan mij, en daarom wordt hun niet ten onrechte door allen deze eer bewezen.
HOOFDSTUK XXXVI.
Vervolg.
Ja zelfs scheppen ook de aanzienlijkste vorsten [159] zooveel vermaak in hen, dat sommigen zonder hen zelfs niet kunnen tafelen, noch uitgaan, noch het zelfs een uur uithouden; en zij stellen deze zotten niet weinig hooger dan die zwartkijkende wijzen, van welk soort zij echter eershalve een stuk of wat plegen te onderhouden. De reden van die voorkeur is, mijns inziens, echter niet duister en moet niemand vreemd voorkomen, daar die wijzen hun gewoonlijk niets anders dan akeligheid brengen en vol vertrouwen op hun geleerdheid zich niet ontzien ettelijke malen hun teeder gehoor te kwetsen met stekelige waarheden, terwijl de narren hun datgene geven, wat de aanzienlijken meer dan iets anders met alle mogelijke middelen van heinde en verre najagen, aardigheden, gelach, geschater en pret. Let verder op deze lang niet te versmaden gave der zotten, dat zij alleen naief zijn en de waarheid spreken. En bestaat er wel iets lofwaardigers dan de waarheid? Want alhoewel een door Alcibiades bij Plato gebezigd spreekwoord [160] de waarheid toeschrijft aan den wijn en den kinderlijken leeftijd, komt mij toch in 't bijzonder al die lof toe, zelfs volgens Euripides' [161] getuigenis, van wien dit beroemde gezegde omtrent ons bestaat: dwaasheên immers zegt een dwaas. De gelaatstrekken van een zot verraden wat er in zijn binnenste omgaat, en hij flapt het er alles uit. De wijzen daarentegen bezitten, volgens een opmerking van denzelfden Euripides, twee tongen; met een van deze spreken zij de waarheid, met de andere zeggen zij wat hun in zekere omstandigheden geschikt voorkomt. Zij kunnen daarom ook wit zwart maken, met denzelfden mond blazend iets even goed koud als warm laten worden [162] en de zaken in hun spreken geheel anders voorstellen dan zij in hun binnenste er over denken. Voorts zijn, naar het mij voorkomt, de vorsten, bij al hun geluk, evenwel in dit opzicht hoogst ongelukkig, dat zij niemand hebben die hun de waarheid zegt, en wel genoodzaakt zijn vleiers als hun vrienden te beschouwen. Maar, zegt misschien iemand, de ooren der vorsten hebben een afschuw van de waarheid en juist hierom ontvluchten zij die wijzen, omdat zij vreezen, dat er soms een man zal opstaan, vrijmoedig genoeg om hun woorden te durven zeggen, meer waar dan aangenaam. Het is er inderdaad zoo mee gesteld: de koningen haten de waarheid. Maar juist dit is zoo vreemd bij mijn dwazen, dat men niet slechts waarheden, maar zelfs klinkklare smaadwoorden met genoegen van hen aanhoort, zoodat hetzelfde gezegde, dat, indien het uit den mond van een wijze kwam, hem het hoofd zou kosten, wanneer het van een zot komt een ongeloofelijk genot verschaft. Want de waarheid heeft een zekere natuurlijke kracht om te behagen, als er namelijk niets kwetsends bijkomt, maar dit voorrecht hebben de Goden zeker alleen aan de zotten geschonken. Om vrijwel dezelfde redenen hebben de vrouwen gewoonlijk in dit slag van volkje zulk een innig genoegen, omdat zij van natuur een grootere neiging tot genot en dwaasheden bezitten. Daarom noemen zij, als zij iets dergelijks hebben uitgehaald, al is het soms van hoogst ernstigen aard, het toch niet anders dan jok en scherts, geheel in overeenstemming met het groote talent, dat die sekse bovenal bezit, om een dekmantel te vinden voor haar zonden.
HOOFDSTUK XXXVII.
Vervolg.
Om nu tot het geluk der dwazen terug te keeren: als zij hun leven met veel genoegen ten einde hebben gebracht, verhuizen zij zonder eenige vrees of gevoel voor den dood rechtstreeks naar de Elyseesche velden om ook daar de vrome zielen met hun zotternijen genoegelijk den tijd te korten. Vergelijk nu eens het lot zelfs van den wijsten man met dat van zulk een zot. Stel nu eens tegenover hem een model van wijsheid, iemand, die zijn geheele kindsheid en jongelingstijd in het grondig beoefenen der wetenschappen heeft gesleten, het zoetste gedeelte zijns levens door aanhoudend waken, zorgen en zweeten bedorven heeft en zelfs in geheel zijn overig leven geen ziertje genot heeft gesmaakt, altijd zuinig, arm, met een zwart en barsch gezicht, jegens zichzelf onrechtvaardig en hard, bij anderen onaangenaam en gehaat, doodsbleek, uitgeteerd, ziekelijk, kortzichtig, oud en grijs vóór zijn tijd, vóór zijn tijd reeds het leven zat. Maar wat doet het er eigenlijk toe, wanneer een dergelijk man sterft, die toch nooit geleefd heeft? Daar hebt ge nu dat prachtige beeld van den wijze.
HOOFDSTUK XXXVIII.
Waanzin is begeerenswaard.
Daar kwaken mij echter weer die kikvorschen uit de Stoa [163] tegen: Niets is rampzaliger dan waanzin. Maar een groote mate van zotheid komt of zeer dicht bij waanzin, of is zelf veeleer waanzin. Want wat is waanzin anders dan verbijstering des geestes? Maar zij zijn het spoor geheel bijster. Wij willen eens beproeven, als de Muzen ons goedgunstig zijn, ook de kracht van deze sluitrede te ontzenuwen. Zeker, hun redeneering is scherpzinnig genoeg, maar evenals Socrates bij Plato ons een voorbeeld geeft door uit één doorgesneden Venus twee Venussen en uit één doorgehakte Cupido twee Cupido's te maken [164], zoo behoorden ook die redekunstenaars krankzinnigheid van krankzinnigheid te onderscheiden, zoo zij tenminste zelf voor lieden van gezonde zinnen wilden doorgaan. Want niet alle krankzinnigheid maakt al dadelijk ongelukkig. Anders zou Horatius niet gezegd hebben: Of begoochelt me een beminlijke waanzin? en Plato niet de woede van dichters, waarzeggers en verliefden onder de voornaamste goederen des levens gerekend hebben, noch de bekende waarzegster het werk van Aeneas krankzinnig genoemd hebben [165]. Maar de krankzinnigheid is tweeledig: het eene soort zenden de vreeselijke wraakgodinnen uit de onderwereld naar boven, zoo dikwijls als zij door middel van haar slangen, of een hartstochtelijke begeerte naar den krijg, of een onleschbaren dorst naar goud, of een misdadige en goddelooze liefde, of vadermoord, bloedschande, heiligschennis of een ander verderfelijk iets van dien aard in de harten der stervelingen brengen, of wanneer zij een van schuld bewuste ziel door de furiën en folterende schrikbeelden vervolgen [166]. Er bestaat ook een tweede soort, dat van het eerste hemelsbreed verschilt en zeker aan mij zijn oorsprong te danken heeft; dit is het allerbegeerlijkst goed. Het doet zich voor, zoo dikwijls een zekere aangename doling des geestes tegelijkertijd de ziel van alle kwellende zorgen bevrijdt en haar vervult met velerlei genietingen. Zulk een doling des geestes wenscht zich Cicero in een brief aan Atticus [167] als een groot geschenk der Goden en dat wel, opdat het hem mogelijk zij zijn groot leed niet te voelen. Daarom had die inwoner van Argos [168] het nog niet zoo mis, die in zoo verre krankzinnig was, dat hij geheele dagen alleen in den schouwburg zat, lachend en handen klappend en genietend, omdat hij geloofde, dat er prachtige treurspelen werden gegeven, ofschoon er geen voorstelling was, maar in alle overige betrekkingen des levens zich als een braaf man gedroeg:
Voor zijn vrienden goed, Lief voor zijn vrouw, genadig voor zijn slaven, Niet boos, als soms door hen een flesch geopend was.
Toen zijn bloedverwanten hem door het toedienen van geneesmiddelen van zijn ziekte verlost hadden en hij weer geheel zichzelf was geworden, voer hij op de volgende wijze tegen zijn vrienden uit:
Waarachtig vrienden, bitter leed deedt gij mij aan, Geen redding schonkt ge mij, wien zoo 't genot ontwrongen En met geweld ontroofd des geestes zoete dwaling [169].
Hij had gelijk, want zij zelf verkeerden in dwaling en hadden meer behoefte aan nieskruid [170], omdat zij meenden een zoo gelukkigen en aangenamen waanzin met drankjes te moeten verdrijven, alsof het een kwaad was. Ik ben het evenwel met mijzelf nog lang niet eens, of elke zins- of geestverbijstering wel waanzin moet heeten. Want als iemand, die slechte oogen heeft, een muilezel voor een ezel aanziet of als een ander een leelijk gedicht als een meesterstuk bewondert, behoeft hij daarom niet dadelijk voor waanzinnig door te gaan. Zoo echter iemand niet slechts in zijn zinnelijke waarnemingen maar ook in het oordeel zijns geestes op een dwaalspoor is, dan zal die eerst, vooral als hij steeds van de gebruikelijke zienswijze afwijkt, voor min of meer krankzinnig doorgaan, bijv. degene, die, zoo vaak hij een ezel hoort balken, meent een prachtige symphonie te hooren, of als een arme drommel van de laagste afkomst meent, dat hij Croesus [171], de koning van Lydië is. Maar dit soort van waanzin, wanneer het, zooals veelal het geval is, een neiging bezit om te amuseeren, verschaft een meer dan gewoon genot zoowel aan hen, die er mee behept zijn, als aan anderen, die dit opgemerkt hebben zonder evenwel juist aan dezelfde krankzinnigheid te lijden. Want dit soort van krankzinnigheid heeft een veel grooter uitbreiding dan het gros der menschen wel inziet. Maar de eene gek lacht beurtelings om den anderen en zij verschaffen elkaar wederkeerig genoegen. En ook zal men niet zelden zien, dat de grootste gek lacht om den kleinsten.
HOOFDSTUK XXXIX.
Aan een dergelijke krankzinnigheid lijden mannen, die hun vrouw vergoden, jagers, bouwlustigen en dobbelaars.
Nu is volgens het oordeel der Zotheid ieder des te gelukkiger, naarmate hij in meer opzichten aan waanzin lijdt, mits hij slechts blijft bij de ons eigenaardige soort van waanzin, die zich zoover uitstrekt, dat ik haast niet geloof onder het geheele menschdom iemand te kunnen vinden, die te aller ure wijs is en die niet met eenig soort van waanzin behept is. Het verschil bestaat slechts hierin: den man, die, als hij een pompoen ziet, hem voor een vrouw houdt, dien noemt men krankzinnig, omdat dit slechts bij zeer weinig menschen voorkomt. Maar als iemand bij kris en kras zweert, dat zijn wettige echtgenoote, wier bezit hij met velen deelt, nog kuischer is dan Penelope [172], en zichzelf nog meer behaagt, omdat hij in zulk een gelukkige dwaling verkeert, dan gaat hij bij niemand voor krankzinnig door, omdat men ziet, dat dit bij echtgenooten vrij algemeen voorkomt. Tot deze klasse behooren ook zij, die de jacht boven alles stellen en hoog opgeven van het ongeloofelijke zielsgenot, dat zij smaken, zoo vaak zij het afschuwelijk horengeschetter en hondengejank hooren.