De Lof der Zotheid

Chapter 3

Chapter 33,713 wordsPublic domain

De Satyrs met hun halve bokkengestalte geven kluchtspelen ten beste, Pan weet door een laf liedje allen te doen lachen en hem willen zij liever hooren dan de Muzen zelf, vooral wanneer de nektar hun reeds naar het hoofd begint te stijgen. Ik zal u verder wel niet behoeven mede te deelen wat de goden, na duchtig gedronken te hebben, na den maaltijd zooal uitrichten, want het is waarachtig zoo dwaas, dat ik mij zelf van lachen niet kan onthouden. Maar het is beter, hierbij aan Harpocrates [80] te denken: anders mocht soms de een of ander ons beluisteren bij het verhaal van dingen, die Momus zelfs niet straffeloos wereldkundig heeft gemaakt.

HOOFDSTUK XVI.

Overal wordt de kruiderij der Zotheid gevonden.

Doch 't is nu tijd om op 't voorbeeld van Homerus de hemelingen te verlaten en naar de aarde te verhuizen en na te gaan, hoe er zonder mijn gave geen vreugde of geluk bestaat. In de eerste plaats ziet ge wel, met hoeveel voorzorg moeder natuur maatregelen genomen heeft, dat het door haar geschapen menschelijke geslacht nergens gebrek zou hebben aan de kruiderij der dwaasheid. Immers ofschoon volgens de gewone bepaling der Stoïcijnen wijsheid niets anders is dan zich door de rede te laten leiden, daarentegen dwaasheid zich tot een speelbal der hartstochten te maken: hoeveel meer hartstochten dan rede heeft Jupiter niet in de menschen geplant en dat alleen om hun leven niet geheel droevig en somber te maken? De verhouding is als van een half ons tot een pond. Daarenboven bande hij de rede naar een nauw hoekje van het hoofd en liet geheel het overige lijf aan de beroeringen der driften over. Vervolgens stelde hij als het ware twee allergewelddadigste tyrannen tegen één over, den toorn, die den burg van het middenrif en zelfs den oorsprong van alle leven, het hart, bezet houdt, en den lust, wiens oppermacht zich zelfs tot beneden het onderlijf uitstrekt. Hoe weinig de rede tegen deze twee nauw verbonden machten bestand is, blijkt voldoende uit het dagelijksche leven der menschen, die hun vorstin, als zij, het eenige haar mogelijke middel bezigende, zelfs tot heesch worden toe haar stem verheft en regels van zedelijkheid voorschrijft, naar den duivel wenschen en op nog veel onaangenamer toon tegen haar razen, totdat zij eindelijk ook hierdoor vermoeid van haar kant toegeeft en zich overwonnen verklaart.

HOOFDSTUK XVII.

Door haar toedoen behagen de vrouwen aan de mannen.

Maar omdat den man, van nature bestemd om de zaken te besturen, een weinigje meer van dat onsje rede moest toegedeeld worden, ging Jupiter, om ook zoo goed mogelijk voor zijn belangen te zorgen, in dezen, evenals in al het overige, met mij te rade en ik deed hem spoedig een mijner waardig plan aan de hand, nl. om naast hem de vrouw te plaatsen, wel een dwaas en onredelijk wezen, maar toch koddig en prettig: bij het huiselijk samenleven zou zij door haar dwaasheid het onaangename in den inborst van den man genietbaar maken en verzachten. Want als Plato schijnt te twijfelen, tot welk van beide soorten hij de vrouw zal brengen, tot de redelijke of redelooze wezens, dan is zijn bedoeling zeker geen andere dan te wijzen op de in het oog springende dwaasheid van die sekse. Wanneer soms de een of andere vrouw voor wijs mocht willen doorgaan, dan wordt zij ten slotte slechts een dubbele zottin, evenals of iemand een os in het worstelperk wilde brengen, [81] in strijd met zijn geheelen bouw en aanleg. Want ieder, die tegen zijn aard in den schijn aanneemt van deugd en zijn gaven aan iets anders wijdt, begaat een dubbele fout. Evenals, volgens het Grieksche spreekwoord, een aap altijd een aap blijft, ook al draagt hij een purperen kleed, zoo ook is een vrouw altijd een vrouw, d. i. een zottin, welk masker zij ook voordoe. Toch acht ik het geslacht der vrouwen niet in die mate zot, dat zij mij het kwalijk zullen nemen, dat ik haar, ofschoon zelf een vrouw en nog wel de Zotheid, de eigenschap van zotheid toeken. Immers, wanneer zij de zaak naar behooren overwegen, dan moeten zij juist hiervoor der Zotheid dank weten, dat men haar vrij eenstemmig voor gelukkiger houdt dan de mannen.

In de eerste plaats is daarvan de reden haar bevallig uiterlijk, dat zij terecht boven alles ter wereld stellen en dat haar helpt om tyrannen zelfs te tyranniseeren. Waaraan heeft anders die houterige gestalte, die behaarde huid en die stoppelige baard, waardoor de man tamelijk veel op een ouden paai gelijkt, zijn oorsprong te danken, dan aan die rampzalige wijsheid, terwijl de altijd gladde wangen der vrouwen haar altijd zwakke stem, haar zacht velletje als 't ware het beeld eener eeuwige jeugd zijn. Wat wenschen zij verder anders in dit leven, dan den mannen zooveel mogelijk te behagen? Bedoelen zij dit niet met al dat opsmukken, al dat blanketten, al dat baden, al dat opmaken van het haar, al die zalfjes, al die odeurs, al die kunstgrepen om haar aangezicht te plooien, haar oogen te verven en haar lijf een schoonen vorm te geven? Hebben zij dan inderdaad iets anders, dat haar meer de harten der mannen wint, dan haar dwaasheid? Geven zij den vrouwen niet in alles haar zin? En dat zonder eenige andere vergoeding dan zingenot, terwijl het eenige aantrekkelijke in haar de zotheid is. Dat zal wel niemand ontkennen, die bedenkt, welke dwaasheden een man bij een vrouw uitkraamt en welke malligheden hij doet, zoo vaak hij de genoegens der liefde wil smaken. Zoo weet gij dan nu, uit welke bron het eerste en voornaamste levensgenot voortkomt.

HOOFDSTUK XVIII.

Het drinken wordt door de Zotheid het best gekruid.

Maar er zijn eenigen, vooral onder de grijsaards, die meer van drinken dan van vrouwen houden en daarom hun hoogste genot in drinkgelagen stellen. Of er wel ooit een festijn zonder vrouwen kan bestaan, mogen anderen uitmaken, maar dit is in allen gevalle zeker, dat zonder de kruiderij der zotheid in geen geval een maal ooit aangenaam kan zijn. Dit is zoo waar, dat als er zich onder de gasten niemand bevindt, die hen doet lachen, óf omdat hij inderdaad een zot is, óf omdat hij zich zoo houdt, men den een of anderen grappenmaker huurt of een koddigen klaplooper aan tafel noodigt, om door eenige lachwekkende of, wat hetzelfde is, dwaze geestigheden de stilte en de droefgeestigheid van de tafel te verdrijven. Want wat nut had het wel, met zooveel taarten, pasteien en andere lekkernijen de maag te overladen, als ook niet de oogen evenzeer als de ooren, ja de geheele geest zich te goed kon doen aan gelach, scherts en aardigheden? Doch ik ben de eenige, die zulk een dessert weet gereed te maken. Juist die thans bij de gastmalen in zwang zijnde gebruiken: een koning door het lot te kiezen, te dobbelen, toosten in te stellen, uit een rondgaanden beker om 't hardst te drinken, bij een mirtentak [82] te zingen, te dansen, te gesticuleeren, zij zijn toch zeker niet door de zeven wijzen van Griekenland, maar door ons tot heil van het menschelijk geslacht uitgevonden. En het ligt toch in den aard van al dergelijke dingen, dat zij, hoe meer dwaasheid zij bevatten, des te nuttiger zijn voor het menschelijk leven, dat, als het treurig is, mijns inziens zelfs geen leven mag heeten. En het moet wel droevig worden, zoo men niet de onafscheidelijke levenszatheid met dergelijke vermaken weet te verdrijven.

HOOFDSTUK XIX.

Zij knoopt vriendschapsbanden.

Maar er zullen misschien zijn, die ook dit soort van genot gering schatten en hun geluk vinden in een hartelijk verkeer met hun vrienden, zeggende, dat de vriendschap boven alles ter wereld behoort gesteld te worden, omdat zij even onontbeerlijk is als de lucht, het vuur en het water. Zij noemen haar tevens zoo aangenaam, dat, wie haar wegneemt, de zon wegneemt, eindelijk zulk een hoog zedelijk goed, zoo dit ten minste iets ter zake afdoet, dat zelfs de wijsgeeren niet aarzelen haar onder de voortreffelijke goederen te vermelden. Maar als ik nu eens weet te betoogen, dat alles, zooals het reilt en zeilt, van mij afkomstig is? Dit bewijs zal ik evenwel niet leveren door Crocodilieten of Sorieten en Cornuten [83] of andere dergelijke spitsvondigheden der redekunst, maar ik zal 't U plompweg als met den vinger aanwijzen. Zeg mij eens: oogluiking, dwaling, blindheid, hallucinatie, waar het de gebreken onzer vrienden geldt, ja zelfs het beminnen en bewonderen van eenige in het oog loopende gebreken, alsof het deugden waren, grenst dit volgens U niet aan zotheid? Als de een de moedervlek van zijn liefje teeder kust, een tweede zich door het gezwel zijner Agna [84] bekoord gevoelt, als een vader van zijn schelen zoon zegt, dat hij lonkt, wat is dit anders, zeg ik, dan klinkklare zotheid?

Men moge herhaaldelijk verkondigen, dat het zotheid is; toch is het die zotheid alleen, welke de vriendschapsbanden zoowel knoopt als in stand houdt. Ik spreek nu over de gewone menschen, van wie er niemand zonder gebreken geboren wordt, en hij de beste is, die de minste heeft: terwijl toch tusschen die zich goden dunkende wijzen of in 't geheel geen vriendschapsband kan ontstaan, of slechts een vervelend en onaangenaam soort van vriendschap is, en dat alleen nog maar met zeer weinigen--met niemand durf ik niet zeggen--om deze reden, dat de meeste menschen onwijs zijn, of liever er niemand leeft, die het niet in veel opzichten geheel mis heeft, en een nauwe betrekking slechts tusschen gelijken kan bestaan. Mocht er soms tusschen die menschen van strenge beginselen een wederzijdsche genegenheid opkomen, dan houdt deze in geen geval stand, daar zij zeker niet van zeer langen duur kan zijn bij zulke gemelijke schepsels, die veel te goede oogen hebben, want zij zien bij de gebreken hunner vrienden zoo scherp als een adelaar of een Epidaurische slang [85]. Wat zijn zij daarentegen kortzichtig bij hun eigen gebreken en hoe ontbreekt het hun aan alle gezicht op den knapzak, die op hun rug hangt! [86] Het ligt nu eenmaal in den aard der menschen, dat er geen karakter bestaat, dat niet onderhevig is aan groote gebreken; voeg hierbij die groote verscheidenheid van jaren en neigingen, de vele vergissingen, dwalingen en ongevallen van het menschelijk leven, hoe kan dan het aangename van die vriendschap ook maar een uur lang bestaan tusschen die menschen met oogen als Argus [87], wanneer daar niet bijkomt zij, die de Grieken eenigszins vreemd Euetheia noemen, een woord, dat ge naar verkiezing door zotheid of goedmoedigheid moogt vertalen?

Is ook niet de bekende Cupido, de bewerker en vader van elke nauwe betrekking, volslagen blind? Evenals hem het niet schoone schoon voorkomt, brengt hij het tusschen U ook zoo ver, dat ieder het zijne voor schoon houdt, zoodat een oude smoorlijk is van zijn oudje, evenals een jong kereltje van zijn meisje. Dit ziet men dagelijks gebeuren en men lacht er om, maar juist deze belachelijkheid lijmt en koppelt in 't leven het prettige verkeer te zamen.

HOOFDSTUK XX.

Door haar komen huwelijken tot stand.

Verder, wat over de vriendschap gezegd is, dat geldt nog veel meer van het huwelijk, dat immers niets anders is dan een onscheidbare levensgemeenschap. Goede hemel, wat zouden er geen echtscheidingen of nog erger dingen overal plaats vinden, als niet de huiselijke omgang van man en vrouw door middel van vleierij, scherts, inschikkelijkheid, dwaling en huichelarij, allen zeker mijn trawanten, gesteund en onderhouden werd! O, wat zouden er weinig huwelijken gesloten worden, zoo de bruidegom zoo wijs was een onderzoek in te stellen, welke aardigheden dat schijnbaar zoo fijne en zedige maagdekijn reeds lang voor haar huwelijk heeft uitgehaald! [88]

Voorts hoeveel minder gesloten huwelijken zouden blijven bestaan, als niet het meeste van 't geen de vrouwen uitvoeren, deels door de onoplettendheid, deels door de domheid van den man verborgen bleef! Zeker schrijft men dit terecht op rekening van de zotheid, maar aan haar toedoen heeft men het inmiddels te danken, dat de vrouw den man behaagt en de man aan de vrouw, dat er rust in huis heerscht en dat de innige verhouding bewaard blijft. Men lacht hem uit, men noemt hem een koekoek [89], een hoorndrager en wat niet al, terwijl hij met zijn lippen de wangen der overspeelster droog kust. Maar hoeveel gelukkiger is het zoo te dwalen, dan uit ijverzucht alles nauwkeurig na te gaan en hierdoor zoowel zichzelf ongelukkig te maken als de geheele wereld met schandalen te vervullen!

HOOFDSTUK XXI.

Elke gemeenschap onder de menschen is aan haar te danken.

Kort en goed: zoo zeer is elke gemeenschap, elke verbintenis in 't leven zonder mij onaangenaam of onzeker, dat noch een volk zijn vorst, noch een heer zijn slaaf, noch een dienstmeisje haar meesteres, noch een leeraar zijn leerling, noch de eene vriend den ander, noch een verhuurder zijn huurder, noch de eene huisgenoot of gast den ander langer zou kunnen verdragen, zoo zij zich niet nu eens beurtelings in elkander vergisten, dan weer elkander vleiden, nu eens met overleg een oog toedrukten, dan weer elkander een weinig honig der dwaasheid om den mond smeerden. Ik weet wel, dat gij dit als hoogst belangrijk beschouwt, maar gij zult nog grooter dingen hooren.

HOOFDSTUK XXII.

De rol, die de Zelfzucht speelt in dienst van haar zuster de Zotheid.

Eilieve, zal iemand, die zichzelf haat, ooit iemand kunnen liefhebben? Zal hij met een ander eendrachtig samenleven, die met zichzelf in tweedracht verkeert? Zal hij ooit iemand genoegen doen, die voor zichzelf lastig en onaangenaam is? Dit zal, meen ik, wel niemand beweren, of hij moet nog zotter zijn dan de Zotheid zelf. Als gij mij evenwel buitensluit, zal ieder, om nu niet te spreken van het verdragen van zijn medemensch, van zichzelf walgen, al het zijne vuil vinden, ieder zichzelf haten. Dit kwaad heeft immers de natuur, die zich in niet weinig gevallen meer een stiefmoeder dan een moeder toont, in den menschenborst geplant, bovenal van de verstandigsten, dat ieder ontevreden is met zichzelf en bewondert wat een ander toebehoort. Hierdoor worden alle gaven, alle bekoorlijkheid en schoonheid des levens bedorven en vernietigd.

Want wat baat de schoonheid, die uitstekende gave der onsterfelijke Goden, indien de smet der preutschheid daarop kleeft? Wat de jeugd, als men haar door den zuurdeesem van paaienbrommigheid laat bederven? Kortom, hoe zult gij het in iedere omstandigheid des levens of bij u zelf of in uw betrekking tot anderen met de welvoegelijkheid stellen--want het is niet alleen de hoofdzaak in elke kunst, maar ook in elke handeling, dat hetgeen gij doet, welvoegelijk is,--als u deze Philautia (Zelfzucht) niet ter zij staat, die met volle recht voor mijn zuster kan doorgaan; met zooveel ijver maakt zij overal mijn zaak tot de hare. Wat is toch zoo zot als zichzelf te behagen en zichzelf te bewonderen?

Maar aan den anderen kant, zult ge wel iets bekoorlijks, iets bevalligs, iets welvoegelijks kunnen verrichten, als ge u zelf mishaagt? Neem deze kruiderij uit het leven weg, en dadelijk zal de redenaar met zijn voordracht zijn hoorders koud laten, zal niemand vermaak scheppen in den toonkunstenaar met zijn melodieën, den tooneelspeler met zijn gebarenspel zal men uitjouwen, men zal lachen om den dichter met zijn Muzen, in minachting zal de schilder zijn met zijn kunst en de arts met zijn geneesmiddelen zal honger lijden. Eindelijk zal men U in plaats van een Nireus voor een Thersites [90], in plaats van een Phaon [91] voor een Nestor, in plaats van een Minerva voor een zwijn [92], in plaats van een goed spreker voor iemand, die geen woord kan uitbrengen, in plaats van een beschaafd man voor een boerenkinkel houden. Zoo noodig is het, dat ieder ook zichzelf vleie en door een soort van pluimstrijkerij zijn eigen gunst verwerve, alvorens hem dit bij anderen mogelijk is. Tenslotte, terwijl toch het hoogste geluk hierin bestaat, dat men wil zijn wat men is, danken wij dit alles zeker kort en goed aan mijn Philautia, dat niemand ontevreden is met zijn voorkomen, niemand met zijn karakter, niemand met zijn afkomst, niemand met zijn stand, niemand met zijn leefwijze, niemand met zijn vaderland, zoodat geen Ier met een Italiaan, geen Thraciër met een Athener, geen Scyth [93] met een bewoner der gelukzalige eilanden wil ruilen. Hoe eenig is niet de zorg der natuur, dat zij bij een zoo groote verscheidenheid alles zoo volkomen gelijk heeft gemaakt! Waar zij een weinig te karig is geweest met haar gaven, daar pleegt zij een weinigje Philautia bij te voegen; doch mijn beweren zelf mag ongetwijfeld een zotheid heeten, omdat juist deze gave de allergrootste is, om er nu maar niet van te spreken, dat geen voortreffelijke daad ondernomen wordt dan op mijn aansporing en dat alle groote uitvindingen haar ontstaan aan mij te danken hebben.

HOOFDSTUK XXIII.

De Zotheid is de oorzaak van hetgeen in den oorlog gebeurt.

Is niet de oorlog het zaad en de bron van alle hooggeprezen daden? Maar is er nu wel iets zotters te bedenken dan om de een of andere oorzaak zulk een strijd te ondernemen, waarbij elk van beide partijen altijd meer schade dan voordeel heeft? Want met hen, die vallen, houdt men evenmin rekening als met de Megarensers [94]. En als dan de in het ijzer gepantserde legers zich eenmaal van weerskanten in slagorde geschaard hebben en de horens hun schrille klanken doen hooren, wat kan men dan, bid ik U, met de wijzen aanvangen, die door lange studie uitgeput, door de dunheid en kou van hun bloed ternauwernood het leven houden? Men heeft dikke en vette kerels noodig, die zooveel mogelijk stoutmoedigheid doch zoo weinig mogelijk verstand bezitten. Niemand zal toch liever een soldaat als Demosthenes [95] willen, die op Archilochus' [96] voetspoor den vijand nauwelijks in 't oog kreeg, of hij wierp zijn schild weg en vluchtte, waardoor hij bewees, dat hij een even laf soldaat als een knap redenaar was. Maar, werpt men mij tegen, beleid in de oorlogen legt het grootste gewicht in de schaal. Dit erken ik--bij den veldheer; maar het is een krijgswetenschap, die met de wijsbegeerte niets te maken heeft; overigens wordt dit zoo voortreffelijke beroep door tafelschuimers, koppelaars, roovers, sluipmoordenaars, boeren, stommeriken, bankroetiers en dergelijk schuim van 't menschdom uitgeoefend, niet door de naar hun studeerlamp riekende wijsgeeren.

HOOFDSTUK XXIV.

Nadeelen der wijsheid.

Hoe volslagen onbruikbaar dezen in het dagelijksch leven zijn, daarvan kan Socrates [97] zeker ten bewijze strekken. Hem alleen verklaarde het orakel van Apollo voor wijs, dat in dezen echter volstrekt geen bewijs van wijsheid gaf, want toen hij in een zekere staatszaak wilde optreden, moest hij onder een algemeen hoongelach weer aftrekken. In dit ééne opzicht, ik moet het erkennen, is hij niet volslagen onwijs, dat hij den bijnaam van wijze niet wil aannemen en aan den God zelf overlaat en dat hij van oordeel is, dat een wijze zich buiten het staatsbestuur dient te houden, al had hij beter gedaan daarbij de waarschuwing te voegen, dat ieder, die tot de menschen wil gerekend worden, zich van de wijsheid dient te onthouden.

Wat heeft hem voorts, toen hij aangeklaagd was, tot het drinken van den giftbeker gebracht dan die wijsheid? Want terwijl hij over wolken en ideeën philosopheerde, de pooten van een vloo mat, de stem van bromvliegen onderzocht, bleef hij onbekend met de eischen van het dagelijksch leven. [98] Maar tot verdediging van den leermeester, wiens leven gevaar loopt, verschijnt zijn leerling Plato, zeker een uitstekend pleitbezorger, die door het geraas van den volkshoop zoo van zijn stuk geraakte, dat hij ternauwernood de helft van zijn volzin kon uitspreken. [99] Omtrent Theophrastus [100] behoef ik hierbij zeker niets te voegen, die voor het volk opgetreden eensklaps geen geluid meer kon geven, alsof hij een wolf gezien had. [101] Hoe zou hij de soldaten in den oorlog aangemoedigd hebben! Isocrates [102] heeft om zijn angstigen aard zelfs nooit een mond durven opendoen. Marcus Tullius [103], de vader der Romeinsche welsprekendheid, placht altijd met een ongegronde vreesachtigheid als een hakkelende jongen te beginnen en dit verklaart Fabius [104] voor een bewijs, dat hij een verstandig pleiter was, die zijn verantwoordelijkheid begreep. Erkent hij echter door dit beweren niet openlijk, dat de wijsheid een hinderpaal is voor de goede behandeling eener zaak? Wat zullen zulke luidjes aanvangen, als de beslissing aan het zwaard is, zij, die nu reeds van vrees buiten zichzelf geraken, als er enkel met woorden te strijden valt? En na dit alles heeft men, God betere 't, nog den mond vol van Plato's beroemd gezegde, dat de staten gelukkig zullen zijn, als óf de philosophen heerschers óf de heerschers philosophen zijn. Integendeel, wanneer gij de geschiedenis raadpleegt, komt ge zeker tot het besluit, dat geen vorsten verderfelijker voor den staat geweest zijn dan de een of ander philosophaster (onbeduidend wijsgeertje) of letterminnaar, zoo in hun handen soms de hoogste macht geraakt is. Een voldoende bewijs hiervoor leveren, naar ik meen, de twee Cato's [105], van wie de een door zijn dolzinnige aanbrengerijen de rust in den staat verstoorde en de ander de vrijheid van het Romeinsche volk, die hij in zijn al te groote wijsheid trachtte staande te houden, geheel omverwierp. Voeg hierbij mannen als Brutus, Cassius [106], de Gracchen [107] en vergeet Cicero zelf niet, die niet minder verderfelijk voor den Romeinschen staat was dan Demosthenes [108] voor dien der Atheners. Verder Marcus Antoninus, ook al geven wij toe, dat hij een goed keizer geweest is,--déze erkentenis zou ik u kunnen afdwingen--was toch juist daarom onverdragelijk en gehaat bij zijn medeburgers, omdat hij zulk een wijsgeer was. Maar ook al geven wij toe, dat hij goed geweest is, dan was hij toch in allen gevalle meer verderfelijk voor den staat door het nalaten van een zoon als Commodus, dan hij hem door zijn bestuur van nut was geweest [109]. Immers dit soort van menschen, die zich aan de wijsbegeerte wijden, pleegt, behalve in alle andere opzichten, bovenal in het voortplanten van hun geslacht hoogst ongelukkig te zijn, omdat de natuur, naar 't mij voorkomt, zorgt, dat die wijsheidskwaal zich niet te ver bij de menschen verbreide. Zoo weet men, dat Cicero een ontaarden zoon had, en de kinderen van den wijzen Socrates geleken meer op hun moeder [110] dan op hun vader d.i. zij waren, volgens de lang niet verkeerde opmerking van zekeren schrijver, dwaas.

HOOFDSTUK XXV.

Vervolg.