De Lof der Zotheid

Chapter 2

Chapter 23,920 wordsPublic domain

Want ik heb besloten ook in dit opzicht de redekunstenaars van onze dagen na te volgen, die zich voor volslagen Goden houden, wanneer zij, als de bloedzuigers, blijken tweetongig te zijn, en het als een meesterstuk beschouwen in Latijnsche redevoeringen hier en daar eenige Grieksche woordjes [32] als een soort van mozaiek in te voegen, ook al zijn deze daar zeer slecht op hun plaats. Ontbreekt het hun verder aan zulke uitheemsche uitdrukkingen, dan halen zij uit beschimmelde papieren vier of vijf oude woorden voor den dag om zoo hun lezers het hoofd te doen draaien, opdat namelijk zij, die ze begrijpen zichzelf al meer en meer behagen, doch zij, die ze niet verstaan, zich daarover te meer verbazen, naarmate zij er minder begrip van hebben.

Immers ook dit behoort zeker tot de niet onaardige genietingen van onze volgelingen, voor het meest uitheemsche den meesten eerbied te koesteren. Mogen al eenigen een weinig eerzuchtiger zijn, zij moeten toch maar door lachen en handgeklap hun goedkeuring te kennen geven en op 't voorbeeld der ezels de ooren bewegen, om anderen in de meening te brengen, dat zij alles goed verstaan.

Maar genoeg hiervan. Ik haast mij nu tot mijn onderwerp terug te keeren.

HOOFDSTUK VII.

Afkomst der Zotheid.

Gij kent dus mijn naam, gij--hoe zal ik U anders betitelen dan, gij groote zotten? De Godin Zotheid kan haar ingewijden immers geen vereerender naam geven dan dezen? Maar omdat allen niet evenzeer met mijn afkomst bekend zijn, wil ik U al aanstonds met behulp der Muzen op de hoogte daarvan brengen. Mijn vader was evenmin Chaos als Orcus [33] of Saturnus [34] of Japetus [35] of eenig ander van dat slag van versleten en versmeten Goden, maar Plutus [36], hij alleen, de vader van menschen zoowel als van Goden [37], ook al mogen Hesiodus [38] en Homerus en zelfs Jupiter dit ontkennen. Door zijn wenk alleen wordt, evenals vroeger, zoo ook nu nog al het heilige en onheilige, hemel en aarde dooreengemengd. Zijn willekeur bestiert alles, oorlog en vrede, bevelhebberschappen en raadszittingen, rechtspraak en volksvergadering, huwelijken, verdragen, verbonden, wetten, kunsten en wetenschappen, ernst en scherts, kortom--de adem begeeft mij reeds--alle openbare en bijzondere zaken der menschen. Zonder zijn hulp zou die geheele bent van dichterlijke Godheden, of laat ik het stouter uitdrukken, zou ook die uitverkorenen kring van Goden òf in 't geheel niet bestaan, òf in allen gevalle altijd thuis een eenvoudig maaltje hebben en zoo een hoogst armzalig leventje leiden. [39] Al wie hem tegen zich heeft, zal bij Pallas zelfs geen voldoenden steun vinden, maar wien hij genadig is, die kan zelfs den hoogsten Jupiter met zijn bliksem naar den duivel wenschen. Op het bezit van zulk een vader beroem ik mij! En hij heeft mij niet uit zijn hersenpan doen voortkomen, zooals Jupiter die norsche en kribbebijtrige Pallas, maar hij verwekte mij bij een alleraardigste en allergeestigste Nymf, Jonkheid genaamd, en hij had zich aan haar niet verbonden door een vervelenden huwelijksband--ge weet, dat zoo die manke smid (Vulcanus) geboren werd--maar, wat wel zoo aangenaam is, hij was met haar in liefde vereenigd, zooals onze Homerus zegt. Maar gij moet niet denken, dat ik het leven te danken heb aan dien afgeleefden en blinden Plutus van Aristophanes, neen, hij werd mijn vader, toen hij nog in de kracht van 't leven was en gloeide niet alleen van het vuur der jeugd, maar nog veel meer van den nectar, dien hij op een godenmaal wat al te ruim en al te sterk gedronken had.

Hoofdstuk VIII.

Haar geboorteplaats en voedsters.

Vraagt gij soms ook naar mijn geboorteplaats--men meent immers heden ten dage, dat het voor iemands aanzien een hoogst belangrijk verschil maakt, op welke plaats hij het eerst zijn gekrijt heeft laten hooren--ik zag noch op het ronddrijvende eiland Delos [40], noch in de golvende zee [41], noch in een holle grot het eerste levenslicht, maar op de eilanden der gelukzaligen, waar zonder zaaien noch ploegen alles wast, waar men geen moeite noch ouderdom, noch ziekte kent, noch ergens op het veld asfodil, malve, ajuin, lupinen of boonen of ander dergelijk gemeen gewas wordt aangetroffen, maar overal oog en neus gestreeld worden door moly, panacee, nepenthe [42], magolijn, ambrozijn [43], lotus, rozen, violen, hyacinthen en andere planten van sieraad en genot.

Te midden van al deze heerlijkheden geboren, begon ik mijn leven geenszins met gekrijt, maar had ik voor mijn moeder dadelijk een lachje ten beste. Er bestaat ook voor mij volstrekt geen reden den hoogen zoon van Kronos [44] zijn voedster, de geit, te benijden, omdat mij twee alleraardigste nymfen gezoogd hebben, Methe [45], een dochter van Bacchus, en Apaedia [46], een dochter van Pan [47], die gij hier ook als gezellin in het gevolg mijner overige dienaressen ziet. Haar namen zult gij, als het uw verlangen is die te leeren kennen, van mij alleen in het Grieksch hooren.

HOOFDSTUK IX.

Haar gevolg.

Deze dan, die ge daar ziet met haar hoog opgetrokken wenkbrauwen, heet Philautia (Eigenliefde); deze, die U, als ge haar aanziet, met de oogen schijnt toe te lachen en met handgeklap toe te juichen, heet Kolakia (Vleierij). Zij, met haar soezerig en slaperig gezicht, draagt den naam Lethe (Vergeetachtigheid); deze, leunende op haar ellebogen met haar samengevouwen handen, noemt men Misoponia (Werkschuwheid); deze, met rozen omkranst en geheel geparfumeerd, Hedone (Genotzucht); deze met haar zwemmende en her- en derwaarts zwervende oogen, heet Anoia (Onverstand). Deze, met haar glimmend vel en goedgevoed lichaam, draagt den naam Tryphe (Weelderigheid).

Gij ziet onder de meisjes ook twee goden: de een van dezen heet Komos (Drinkgelag), de ander Negretos Hupnos (Vaste Slaap). Met de getrouwe hulp dezer schaar van dienaars onderwerp ik de geheele wereld aan mijn macht en heersch ik zelfs over de machtigste heerschers.

HOOFDSTUK X.

De Zotheid de bron van alle leven en levensgenot.

Mijn afkomst, mijn opvoeding en mijn gevolg kent ge nu: luistert verder, opdat niemand uwer meene, dat ik mij ten onrechte den naam van Godin aanmatig, met gespitste ooren naar de voordeelen, die zoowel Goden als menschen aan mij te danken hebben, en hoever mijn goddelijke macht zich uitstrekt. Als immers de opmerking van een zeker schrijver lang niet dom is, dat dit eerst waarlijk god-zijn mag heeten menschen te helpen, en als zij eerst terecht in der Goden raad zijn opgenomen, die de stervelingen met wijn of koorn of eenige andere dergelijke nuttige zaak bekend hebben gemaakt, waarom zou men mij dan niet terecht den eersten onder alle Goden noemen en achten, mij, die alleen allen alles met ruime hand uitdeel?

HOOFDSTUK XI.

Vervolg.

Vooreerst, wat kan er zoeter of kostbaarder zijn dan het leven zelf? Maar wien heeft men toch, alles welbeschouwd, den oorsprong hiervan te danken, behalve aan mij? Want evenmin de speer van de uit een geweldigen vader gesproten Pallas [48], als de Aegis [49] van den wolkendrijvenden Jupiter brengt of plant het menschelijk geslacht voort, maar de vader der Goden en de koning der menschen zelf, die door den wenk zijner oogen den geheelen Olympus doet sidderen, moet dien drieflitsigen bliksem uit de hand leggen en dat barsche gezicht, waarmede hij, als 't hem lust, alle goden verschrikt in een andere plooi zetten, ja, de armzalige moet als een tooneelspeler zich geheel anders voordoen, wanneer hij soms dat wil verrichten, wat hij eeuwig doet, namelijk kinderen verwekken. Daar hebt ge de Stoïcijnen [50], die zich zelf het dichtst bij de Goden achten. Maar wijst mij nu eens een van hen, die drie- of viermaal of, zoo ge wilt, duizendmaal Stoïcijn is: hij moet toch ook, zooal niet zijn baard, het teeken zijner wijsheid, ofschoon hij dien met de bokken gemeen heeft, in allen gevalle zijn laatdunkendheid afleggen, zijn voorhoofd ontrimpelen en zijn bekende onwrikbare stellingen eenigen tijd plaats doen maken voor allerlei zotternijen en dolheden. Kortom, mij, mij, zeg ik, moet die wijze ontbieden, als hij tenminste vader wil worden. En waarom zou ik niet op mijn gewonen trant rondborstiger voor u spreken? Eilieve, brengen het hoofd, het gezicht, de borst, de hand, het oor, de zoogenaamde fatsoenlijke lichaamsdeelen, Goden of menschen voort? Neen, zou ik meenen: veeleer plant het deel, dat zoo dwaas en zoo belachelijk is, dat men het zelfs niet zonder lachen kan noemen, het menschelijk geslacht voort. Dat is die gewijde bron, waaruit al het bestaande zijn oorsprong ontleent, veeleer dan aan het bekende heilige viertal van Pythagoras [51]. Welke man ter wereld, vraag ik U verder bij al wat U heilig is, zou gewillig het huwelijksjuk op zich nemen, indien hij, zooals de wijzen onder U plegen te doen, eerst de ongemakken van dat leven bij zich zelf had overwogen, of welke vrouw zou zich toch wel met een man inlaten, indien zij de gevaren en bezwaren der bevalling, indien zij den last der opvoeding of kende of bedacht? Voorts ziet gij nu wel in, dat, als gij het leven aan de huwelijken en het huwelijk aan Onverstand, mijn gezellin, schuldig zijt, welke verplichtingen gij ongetwijfeld aan mij hebt. Welke vrouw, die dit eenmaal ondervonden had, zou zich opnieuw hieraan willen wagen, als haar de Vergetelheid niet met haar macht ter zijde stond? Immers Venus zelf, zou, trots de luide verzekering van Lucretius [52], het nooit kunnen loochenen, dat zonder de hulp van onze goddelijke macht haar invloed ontoereikend en ijdel is. Zoo ontstaan uit dit mijn kluchtig dronkenmansspel zoowel de laatdunkende wijsgeeren, wier plaats nu de door den grooten hoop zoo genoemde monniken hebben ingenomen, als de in het purper gedoste koningen en de vrome priesters en de driewerf heilige pausen. Ten slotte ook die geheele schaar van dichterlijke goden, zoo talrijk, dat de Olympus zelf, hoe ruim ook, allen ter nauwernood meer kan bevatten.

HOOFDSTUK XII.

Vervolg.

Maar het zou waarlijk weinig beteekenen, dat men den oorsprong en de bron van het leven aan mij te danken heeft, als ik niet tevens aantoon, dat alle levensgenot zonder eenige uitzondering een gave van mij is. Wat dunkt U, zou dit leven wel in eenig opzicht leven mogen heeten, zoo men het genot er uit wegneemt?

Ik hoorde uw toejuichingen en ik wist dan ook wel, dat niemand uwer zoo wijs, of veeleer zoo onwijs, neen toch liever zoo wijs [53] was, dat hij dit gevoelen was toegedaan. En toch versmaden zelfs de Stoïcijnen het genot niet, alhoewel zij met alle macht het tegendeel beweren en bij den grooten hoop daartegen uitvaren en tieren, natuurlijk met het doel om anderen daarvan af te schrikken en het zelf in ruimere mate te kunnen smaken.

Maar bij den hemel, laten zij mij dan eens zeggen, welk tijdperk des levens is toch wel niet somber, niet geesteloos, niet onbehagelijk, niet smakeloos, niet verdrietig, als men het genot, d.i. de kruiderij der zotheid, er niet bijvoegt? Zeker, ik zou kunnen volstaan met hiervoor de getuigenis van den nooit volprezen Sophocles [54] aan te voeren, van wien deze schoone lofspraak op ons bestaat:

"In 't onverstand alleen ligt 's levens hoogst genot,"

maar ik wil toch liever met U het geheel in al zijn bijzonderheden beschouwen.

HOOFDSTUK XIII.

Kindsheid en ouderdom zijn met de Zotheid ten nauwste verwant.

Vooreerst dan, wie weet niet, dat de eerste levensjaren van den mensch verreweg het vroolijkst zijn en verreweg bij allen het meest in de gunst staan? Want hetgeen wij in de kleine kinderen zoo kussen, zoo omhelzen en zoo troetelen, dat zelfs een vijand dezen leeftijd te hulp komt, is zeker niets anders dan het bekoorlijke der zotheid, dat de verstandige natuur met opzet aan de pas geborenen geschonken heeft om hen in staat te stellen door een soort van vergoeding, bestaande in genot, zoowel al het lastige hunner opvoeding te verzachten, als gunsten van hun beschermers af te vleien.

Hoe geniet verder de jongelingsleeftijd, die hierop volgt, alle gunst, hoe zijn allen dezen van harte genegen, met welk een ijver helpen zij hem vooruit, hoe vriendelijk reiken zij hem de behulpzame hand! Maar waaraan, bid ik u, heeft de jeugd dit hulpbetoon te danken? Waaraan behalve aan mij? Door mijn goedertierenheid is zij zoo weinig mogelijk wijs en ergert zij zich daarom aan niets ter wereld. Het is toch maar al te waar, dat weldra, als zij op volwassen leeftijd door ondervinding en wetenschappelijk onderwijs eenigszins mannen in het verstand beginnen te zijn, de glans der schoonheid verdooft, de vlugheid vertraagt, het vuur der geestigheid verkoelt, de frissche kracht verslapt. Hoe verder de jeugd zich van mij verwijdert, in die mate leeft zij al minder en minder, totdat de lastige grijsheid komt, die al niet meer alleen bij anderen, maar ook bij zichzelf gehaat is.

Zij zou gewis voor geen mensch ter wereld uit te staan zijn, als ik niet weer, uit medelijden met zooveel ellende, bijstand verleende en, evenals de goden bij de dichters aan in stervensnood verkeerende menschen gewoonlijk door de een of andere gedaanteverwisseling te hulp komen, zoo ook ik niet hen, die reeds met het ééne been in het graf staan, weer zooveel mogelijk tot den kinderleeftijd terugbracht. Het volk slaat daarom den spijker op den kop, als het grijsaards "op nieuw kinderen" pleegt te noemen. Vraagt iemand mij voorts, hoe ik deze verandering teweeg breng, dan wil ik zelfs dit niet voor hem verborgen houden. Ik voer hen naar de bron van onze Lethe [55], die op de eilanden der gelukzaligen ontspringt--want in de onderwereld stroomt slechts een smal beekje--om daar, na de vergetelheid in lange teugen te hebben ingeslorpt, van alle beslommeringen allengskens verlost, weer jong te worden. "Maar zij zijn de kluts kwijt, zij zijn onwijs," voert men daartegen aan. Zeker, maar juist hierin bestaat het weer kind worden. Is wel een kind zijn iets anders dan de kluts kwijt, dan onwijs zijn? Trekt dit ons niet het allermeest in dien leeftijd aan, dat hij volstrekt geen wijsheid bezit? Wie zou toch een knaap met de wijsheid van een man niet als een wangedrocht verfoeien en vervloeken? Hiermee rijmt ook het algemeen bekende volksgezegde:

"Ik hou van 't jongsken niet, dat wijs is vóór zijn tijd."

Wie zou gemeenschap of omgang willen hebben met een grijsaard, die aan zijn groote ondervinding een even groote geestkracht en scherpheid van oordeel paarde? Dus--dat de grijsaard gek is, heeft hij aan mij te danken, maar mijn gek is althans vrij van die rampzalige zorgen, waardoor de wijze zoo gefolterd wordt. Intusschen is hij geen onaardige drinkebroer. Hij voelt niet die levenszatheid, waartegen een krachtiger leeftijd ternauwernood bestand is. Zoo nu en dan keert hij met den grijsaard van Plautus [56] tot die drie letters (m-i-n) terug, diep rampzalig, als hij wijs was. Maar intusschen is hij door mijn toedoen gelukkig, intusschen is hij gezien bij zijn vrienden en zelfs een prettige dischgenoot. Immers ook bij Homerus vloeit van Nestors lippen een taal zoeter dan honig, terwijl die van Achilles [57] bitter is, en bij denzelfden dichter klinken de woorden der op den muur zittende grijsaards zacht en teeder.

In dit opzicht winnen zij het zelfs van de kindsheid, die wel aanvallig is, maar de geschiktheid om te spreken mist en hierdoor van het hoogste levensgenot, dat bestaat in het babbelen, verstoken is. Vergeet niet hierbij op te merken, dat de grijsaards meer den omgang met knapen zoeken en de knapen wederkeerig genot vinden in het gezelschap van grijsaards.

"Want altijd brengt de God gelijken tot elkaar."

Er bestaat immers tusschen hen geen verschil dan dat de grijsaard wat rimpeliger is en wat meer verjaardagen telt. Overigens--wit haar, een mond zonder tanden, een kleine gestalte, trek in melk, hakkelend spreken, babbelzucht, malligheid, vergeetachtigheid, onbedachtzaamheid, kortom al het overige komt overeen. Hoe dichter zij tot de grijsheid naderen, des te meer beginnen zij ook weer op kinderen te gelijken, totdat zij op de wijze van kinderen, zonder het leven zat te zijn en zonder de nadering des doods te bemerken, het leven verlaten.

HOOFDSTUK XIV.

De Zotheid verlengt de jeugd en weert den ouderdom.

Is er nu wel iemand ter wereld, die den moed heeft om deze mijn weldaad met de gedaanteverwisseling der overige goden op één lijn te stellen? Over hetgeen dezen in hun toorn doen, wil ik liever niet spreken, maar wien zij het meest genadig zijn, die plegen zij in een boom, een vogel, een krekel of zelfs in een slang te veranderen: alsof niet juist het sterven hierin bestaat, dat men iets anders wordt. Maar ik verplaats denzelfden mensch weer in het beste en gelukkigste deel zijns levens. Als de stervelingen allen omgang met de wijsheid geheel vermeden en hun leven in onafgebroken verkeer met mij doorbrachten, dan zou er zelfs geen ziekte als de ouderdom bestaan, maar zij zouden het geluk smaken van een eeuwige jeugd. Ziet gij dan niet, dat die sombere zwaarhoofden, die hun leven deels aan wijsgeerige studiën, deels aan ernstige en moeilijke zaken gewijd hebben, meestal, voordat zij geheel volwassen zijn, reeds den last des ouderdoms gevoelen, blijkbaar, omdat zorgen en onafgebroken ernstig nadenken langzaam maar zeker hun geest en hun edelste levenssappen uitputten?

Mijn zotten daarentegen zien er vrij vetjes en glimmend uit: [58] zij zorgen zoo goed voor hun velletje, dat men hen echte varkens uit Acarnanië [59] noemt, en zij zouden zeker nooit eenig ongemak van den ouden dag bemerken, als zij niet zoo nu en dan door de wijzen werden aangestoken. Zoo waar is het, dat in 't menschelijk leven niets in alle opzichten gelukkig is. Hierbij komt nog de niet onbelangrijke getuigenis van het volksgezegde, dat de zotheid het eenige middel is zoowel om de vaart van de overigens ijlings voorbij snellende jeugd te vertragen als de vervloekte grijsheid op een verren afstand te houden. Daarom heet het niet zonder goede gronden van de Brabanders in de volkstaal, dat, hoewel bij de andere menschen het verstand met de jaren pleegt te komen, zij, naarmate zij meer den ouderdom naderen, des te zotter worden. En toch is er geen ander volk, dat in den dagelijkschen omgang aardiger is of het onaangename van den ouderdom minder bemerkt. Het naast aan dezen komen, evenals zij het naast bij hen wonen, ook in leefwijze mijn Hollanders; want waarom zou ik hen niet de mijne noemen, wier vereering van mij zoo ver gaat, dat zij daaraan hun gewonen bijnaam te danken hebben en hierover zoo weinig schaamte gevoelen, dat zij zich op niets meer laten voorstaan? [60]

Daar gaan mij nu die gekke menschen bij Medéas, Circés, Venussen, Auroras [61] en bij de een of andere bron het middel zoeken, dat hun de jeugd zal teruggeven, iets, waartoe ik alleen in staat ben en mij ook gaarne leen. Bij mij is die wonderbalsem te vinden, waardoor Memnons dochter de jeugd van haar grootvader Tithonus [62] verlengd heeft. Ik ben die Venus, door wier gunst de bekende Phaon weer zoo jong werd, dat Sappho [63] smoorlijk op hem verliefd werd. Mij behooren die kruiden toe, zoo zij al bestaan, mij de tooverformulieren, mij de bron, die niet alleen de vervlogen jeugd terugroept, maar wat verkieselijker is, haar voor altijd weet te doen blijven. Als gij 't allen met mij eens zijt, dat er niets beters bestaat dan de bloeitijd des levens en niets verfoeilijkers dan de ouderdom, dan zijt gij, zoo ik goed zie, ook overtuigd van de groote verplichting, die gij aan mij hebt, omdat ik zulk een groot kwaad wist te weren en zulk een goed te behouden.

HOOFDSTUK XV.

De Zotheid vooral maakt de Goden aantrekkelijk.

Maar wat spreek ik tot nog toe over de stervelingen? Neemt den geheelen hemel in oogenschouw en de eerste de beste mag mij van mijn naam een verwijt maken, als hij onder alle goden er één vindt, die de gunst en de achting, waarin hij staat, niet aan mijn goddelijke macht te danken heeft. Waarom toch is Bacchus altijd een jong man met dik haar? Wel, omdat hij dronken en dol met gastmalen, danspartijen, reidansen en pretmaken zijn geheele leven doorbrengt en zich zelfs in de verte niet met Pallas inlaat. Kortom, hij is er zoo ver af, dat hij voor wijs wil doorgaan, dat hij het liefst boertend en schertsend wil gediend worden. Hij voelt zich dan ook volstrekt niet gekwetst door het spreekwoord, dat hem den bijnaam "dwaas" geeft: het luidt zoo ongeveer: Nog doller dan Morychus [64]. Den naam Morychus leidt men verder daarvan af, dat de landlieden in hun brooddronkenheid hem, als hij voor de deur van zijn tempel zit, met most en versche vijgen plegen te besmeren [65]. Wat werpt verder het oude blijspel [66] hem niet voor hatelijkheden naar het hoofd! Wat een flauwe God, zeggen zij; hij verdient uit een dij [67] geboren te worden. Maar wie zou niet liever zoo'n flauwe en zoutelooze God zijn, altijd vroolijk, altijd weer jong, altijd voor allen vol pret en plezier, dan zelfs die arglistige, bij allen gevreesde Jupiter of Pan, die, de geheele wereld door allerlei angsten in rep en roer brengend, [68] haar een bron van ergernis is en verdriet, of de vol asch zittende Vulcanus [69], die er altijd even vuil uitziet van 't arbeiden in zijn werkplaats, of ook Pallas zelf zoo vreeslijk door haar Gorgo [70] en speer, die altijd even zuur kijkt. Waarom blijft Cupido altijd een knaap? Waarom anders dan omdat hij altijd een beuzelaar is en nooit iets verstandigs doet noch denkt? Waarom bloeit de gulden Venus altijd weer in jeugdige schoonheid? Wel, omdat zij met mij verwant is en om deze reden draagt haar gelaat ook de kleur mijns vaders en heet zij bij Homerus de gulden Aphrodite. Voorts lacht zij eeuwig, wanneer wij tenminste de dichters of hun mededingers, de beeldhouwers, mogen gelooven. Welke godheid hebben de Romeinen meer eerbied bewezen dan Flora [71], de moeder van alle zingenot?

Maar ook wat betreft die goden met hun streng uiterlijk, als men van hen bij Homerus en de overige dichters het leven wat nauwkeuriger nagaat, dan zal men ook bij hen alles vol dwaasheid vinden. Het zal wel overbodig zijn de daden der overigen te vermelden, daar gij minnekozerijen van Jupiter, den bliksemslingeraar, zelf maar al te goed kent en even goed weet, hoe die ongenaakbare Diana zonder om haar sekse te denken, zich enkel bezig houdt met de jacht en intusschen smoorlijk verliefd is op Endymion [72]. Maar ik zou liever willen, dat zij hun daden van Momus [73] hoorden, van wien zij die indertijd meermalen plachten te vernemen. Nu hebben zij echter in toorn hem tegelijk met Ate [74] hals over kop uit den hemel op aarde geworpen, omdat hij het door zijn wijsheidskramerij der goden geluk wat lastig maakte. Geen mensch ter wereld wil den armen balling gastvrij opnemen en veel minder vindt hij aan de hoven der vorsten een thuis, alhoewel mijn Kolakia [75] daar een eerste rol speelt, zij, die evenmin bij Momus past als wolven bij een lam.

Zoo hebben de Goden, nu hij weg is, het veel vrijer en prettiger bij hun dwaasheden: zij leiden nu inderdaad, om met Homerus te spreken, een veel gemakkelijker leventje, daar niemand toch den zedenmeester over hen speelt. Wat haalt die vijgenhouten Priapus [76] al niet voor snakerijen uit! Wat veroorzaakt Mercurius niet een pret door zijne dieverijen en slinksche streken! Ja, Vulcanus zelf speelt gewoonlijk op der Goden gastmalen voor hansworst en vervroolijkt nu eens door zijn hinken, dan weer door zijn plagerijen of ook door zijn aardigheden hun drinkgelagen. [77] Dan pleegt ook Silenus [78], die oude liefhebber, den cancan te dansen, waarbij zich Polyphemus [79] en de Nymphen voegen, wier onder schetterende muziek uitgevoerde dansen niet veel welvoegelijker zijn.