Chapter 14
[252] Grieksche dichters, de eerste ± 600 v. Chr., de tweede ± 250 v. Chr.
[253] Cicero.
[254] Regel uit de Aeneïs van Vergilius.
[255] Twee beroemde Romeinsche veldheeren, de eerste ± 200, de tweede ± 150 v. Chr.
[256] Spreekwoordelijk voor: vergeefschen arbeid verrichten, immers Sisyphus trachtte in de onderwereld een steen over den rand van een berg te wentelen, maar telkens als hij bijna zijn doel bereikt had, rolde de steen weer naar beneden en moest hij opnieuw beginnen.
[257] Zie hoofdst. II.
[258] Beroemd orakel in Griekenland. Wat met die bekkens bedoeld wordt, staat niet vast; zooveel is zeker, dat "bekken van Dodona" spreekwoordelijk was voor: een lastige babbelaar.
[259] Volgens Homerus met een koperen stem, gelijk aan die van vijftig mannen, begaafd.
[260] Zoo noemt Homerus de afgestorvenen, die als schaduwen zonder bewustzijn rondzwerven.
[261] Het is niet mogelijk in een kort bestek de verklaring te geven van de hier door E. bespotte termen der Middeleeuwsche Scholastiek. Men raadplege bijv. R. Casimir, Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijk denken W. B. Nº 78/80, Deel I, § 31.
[262] Held uit de Grieksche Mythologie, wiens oogen door aarde en steenen heen konden zien.
[263] Paulus' tweede brief a. d. Cor. XII, 2.
[264] Venus placht haar man, Vulcanus, met Mars te bedriegen. Vulcanus smeedde daarop een onverbreekbaar ijzeren net, zoo fijn als spinrag, ving daarin de beide geliefden en riep toen alle goden om van hun schande getuige te zijn.
[265] Spreekwoordelijk voor: aan een geschil kort een einde maken. Te Tenedos, een eiland dicht bij Troje voor de straat der Dardanellen gelegen, werd volgens de overlevering hij, die door het gerecht schuldig was bevonden, terstond met een bijl gedood.
[266] De bedoeling is: het brood en de wijn behouden hun kleur, reuk, smaak, kunnen voeden en bedwelmen en zijn toch, als ze door den priester zijn gewijd, in werkelijkheid het vleesch en bloed van Christus.
[267] Zie hoofdst. XI.
[268] De Realisten en de Nominalisten vertegenwoordigen de hoofdstroomingen in de Middeleeuwsche Scholastiek. De eersten beweerden, dat de begrippen in werkelijkheid (als "realia") bestonden en zich in de voor onze zintuigen waarneembare dingen openbaarden, zoo bijv. het begrip "mensch" in de verschillende individuën; de nominalisten erkenden alleen de dingen als werkelijk bestaande. Aan verschillende overeenkomstige dingen geeft men echter eenzelfden naam ("nomen") en die naam is het begrip. Thomisten, Albertisten, Occamisten en Scotisten zijn de volgelingen van de grootste mannen der scholastieke wijsbegeerte: Thomas van Aquino, 1225-1274, in 1323 heilig verklaard,--Albertus Magnus, 1193-1280, diens leermeester,--William van Occam gest. 1347 en zijn leermeester Johannes Duns Scotus, ± 1270-1308. Zie verder het boven aangehaalde boek van R. Casimir.
[269] Brief aan de Hebreën XI, 1.
[270] Het beroemde hoofdstuk over de christelijke liefde, dat begint: "Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden."
[271] Overgang van brood en wijn bij het Avondmaal in het vleesch en bloed van Christus.
[272] Dit is een hatelijkheid tegen de volgelingen van Scotus, die leerden, dat het voldoende was in staat te zijn juiste onderscheidingen te maken, terwijl nauwkeurige kennis van zaken niet beslist noodig was.
[273] Elke zaak wordt door deze vier dingen bepaald, zoo leert de Scholastiek.
[274] Van de zeven Sacramenten der Katholieke kerk wordt aan die, welke niet herhaald kunnen worden, zooals den doop, de bevestiging en de priesterwijding een onuitwischbaar karakter toegekend.
[275] Evang. Johannes IV, 24.
[276] De Katholieke kerk kent verschillende soorten van genade. Met de eerste hier genoemde soort wordt bijv. de genade bedoeld om wonderen te verrichten.
[277] De leer van het werk op zich zelf beschouwd (zoogen. opus operatum) werd door de Scholastiek vooral op de Sacramenten toegepast; zulk een Sacrament werkt door zijn eigen, innerlijke kracht, niet door de heiligheid van dengene, die het toedient of ontvangt.
[278] In de brieven aan Timotheus en Titus.
[279] Chrysippus, Stoïcijnsch wijsgeer, 282-208 v. Chr., beroemd om zijn scherpzinnigheid.
[280] Joannes bijgenaamd Chrysostomus (= Guldenmond), 344-407, aartsbisschop van Constantinopel, beroemd kerkvader.
[281] De heilige Basilius, 330-379, bisschop van Caesarea in Klein-Azië, wordt vooral vereerd door de Grieksch-Katholieken.
[282] Zie Voorrede.
[283] In de Odyssea verhaalt Homerus, hoe Penelope, de vrouw van Odysseus, tijdens de langdurige afwezigheid van haar gemaal door een menigte vrijers werd lastig gevallen. Zij beloofde een van hen te zullen trouwen, zoodra zij een lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes zou hebben voltooid. 's Nachts echter rafelde zij alles weer uit, wat zij overdag had geweven.
[284] Wetgever te Athene, ± 600 v. Chr.
[285] De beroemde kerkvader, 354-430, bisschop van Hippo Regius in Africa.
[286] Thomas van Aquino, zie boven.
[287] Naam in de middeleeuwen aan hen gegeven, die, na alle examens te hebben afgelegd, het recht hadden verworven aan de Universiteiten voorlezingen te houden.
[288] Het punt in kwestie, waarover, volgens Listrius, Oxfordsche geleerden twistten, is niet volkomen helder. Het schijnt wel, dat het eenvoudig het verschil in beteekenis tusschen de tweede en derde persoon van het werkwoord is.--Eenige woorden zijn in de vertaling weggelaten, waarvan de bedoeling niet duidelijk is en die tot het zinsverband niets afdoen.
[289] De ouden namen oorspronkelijk zeven hemelkringen aan, waarbij later nog drie gevoegd werden. In den tienden, het zoogenaamde "Empyreum" (= vuurhemel) woonden de heiligen, zie het laatste prentje (waar echter de hemel maar in negen kringen is verdeeld).
[290] Jupiter verslond zijn gemalin Metis, terwijl ze zwanger was van Pallas Athene. Deze sprong daarna in volle wapenrusting uit zijn hoofd te voorschijn, nadat Vulcanus het met zijn bijl had gekloofd.
[291] Wellicht heeft E. hier de met banden versierde baret op het oog, die de doctors plachten te dragen.
[292] = Onze Meester.
[293] Jahweh, = God, wordt in het Hebreeuwsch enkel door de vier medeklinkers uitgedrukt. De naam is zoo heilig, dat geen Jood hem mag uitspreken.
[294] Het Grieksche woord "monachos" beteekent eigenlijk "alleen levend."
[295] Naar de heilige Colette (geb. te Corbie in Frankrijk), die in 1425 de orde oprichtte.
[296] Orde gesticht door den heiligen Franciscus van Assisi (1182-1226).
[297] Franciscus van Paula in Zuid-Italië (1416-1507) gaf uit nederigheid aan de door hem gestichte orde dezen naam om haar van de Minderbroeders te onderscheiden.
[298] Naam, vaak aan de Minderbroeders gegeven.
[299] Naar den heiligen Benedictus van Nursia (480-553).
[300] Naar den heiligen Bernard van Clairvaux, zie hoofdst. XL.
[301] De heilige Bridget (± 500), uit Ierland afkomstig, stichtte een orde, welke veel verward wordt met die door Brigitta, een Noorweegsche heilige (1302-1373), opgericht.
[302] Over den heiligen Augustinus zie boven.
[303] Naar Willem, een heiligen kluizenaar uit de omstreken van Siena in Italië, gestorven 1157.
[304] Dominicaner monniken, zoo genoemd naar hun klooster te Parijs, dat aan den heiligen Jacobus was gewijd.
[305] Vleesch heeft hij zorgvuldig vermeden.
[306] De godsdienst der monniken gaat evenals die der Joden op in uiterlijkheden en vormen, zoo althans de verklaring van Listrius.
[307] Een zekere Basilides, die ± 130 na Chr. te Alexandrië leefde, leerde, dat er 365 hemels en evenveel soorten van geesten bestonden. De letters van het woord "Abraxas" vormen te zamen dat getal, wanneer men de cijfers, die ze in het Grieksch voorstellen, bij elkaar optelt.
[308] Erasmus denkt hier aan Aeneas, die, volgens Vergilius, op zijn tocht naar de onderwereld den driekoppigen helhond Cerberus een koek met een slaapmiddel toewerpt. Holbein heeft Aeneas in het costuum van een landsknecht gestoken.
[309] In de apocryphe boeken van den bijbel genoemd.
[310] Het begin, midden en einde.
[311] Het Engelsche sin.
[312] Niobe, trotsch op haar veertien kinderen, trachtte te beletten, dat aan Latona, wier eenige kinderen Apollo en Artemis waren, goddelijke eer werd bewezen. Om haar te straffen doodde Apollo haar zoons en Artemis haar dochters. Niobe zelf verstijfde van wanhoop en veranderde in een steen.
[313] In een satire van Horatius vertelt een beeld van Priapus (zie hoofdst. XV), hoe hij twee tooverheksen uit den tuin, die onder zijn bescherming stond, verjoeg door het maken van een hoogst onfatsoenlijk geluid.
[314] Van Vergilius.
[315] In de eerste plaats roepen zij de hulp van boven in, in de tweede plaats komt de inleiding, zie boven.
[316] Hiermee worden de voormannen der Scholastiek bedoeld.
[317] Syllogismus = sluitrede, maior = de eerste, minor = de tweede term daarvan; zie hoofdst. XIX.
[318] Corollarium = gevolgtrekking.
[319] De Dominikaner monnik Vincent van Beauvais, ± 1250, compileerde het zoogenaamde Speculum quadruplex, d. w. z. den vierdubbelen spiegel, een werk, waarin al de wetenschap van zijn tijd was samengevat. Het derde deel is het hier aangehaalde Speculum historiale.
[320] Vertaling van Gesta Romanorum (Jeesten is een Middelnederlandsche verbastering van Gesta = Daden), een geschiedwerk, dat ± 1300 in Engeland schijnt ontstaan te zijn.
[321] Horatius vergelijkt op de door E. bedoelde plaats een gedicht, dat geen samenhangend geheel vormt, bij een monster met een vrouwenkop op een paardennek, ledematen aan verschillende dieren ontleend, een met veeren bedekt lichaam en een visschenstaart (zie prentje). Ook de Chimaera was, volgens Homerus, van voren een leeuw, van achteren een slang en in het midden een geit.
[322] Zie hoofdst. XXXVIII.
[323] Venus wordt aangeroepen als de godin van al wat passend en bevallig is.
[324] Zie hoofdst. XXV.
[325] De heilige Antonius van Padua (gest. 1231), om zijn welsprekendheid beroemd.
[326] Het is niet volkomen duidelijk, wat E. hiermee bedoelt, vergel. echter hoofdst. L.
[327] De zin van deze laatste woorden is niet recht helder; Listrius teekent aan, dat het de eigenschap van de Echo is om steeds het laatste weer te herhalen. E. citeert een paar woorden van een plaats uit Horatius, waar de Phaeaciërs (een volk, waar Odysseus op zijn zwerftochten aanlandde) en de vrijers van Penelope (zie hoofdst. LIII) genoemd worden als voorbeelden van verwijfde slempers.
[328] In de bergrede (Matth. V-13): Gij zijt het zout der aarde.
[329] Ambtenaren belast met het onderzoek naar misdrijven. Ook werd dezelfde titel aan hen gegeven, die, zoo dikwijls er sprake was van een heiligverklaring, alles, wat daartegen pleitte, moesten aanvoeren.
[330] Brief a/d. Romeinen hoofdst. XVI-18; eigenlijk staat daar in de Vulgaat (Latijnsche bijbel): "zoete praatjes en zegeningen."
[331] Aggravatie = excommunicatie (de uitsluiting van het avondmaal of zelfs van alle kerkelijke gemeenschap); redaggravatie = de herhaling daarvan.
[332] De onderwereld bij de ouden.
[333] Matth. XIX-27.
[334] Zoo Vergilius in de Aeneïs.
[335] Julius II, die in 1503 zestig jaar oud tot paus gekozen werd, voerde gedurende zijn tienjarige regeering onafgebroken oorlog. Hij ontzag zich zelfs niet de hulp der Turken tegen de Franschen in te roepen.
[336] Natuurlijk die wetten, krachtens welke de geestelijken recht hebben op allerlei inkomsten.
[337] Geestelijken of leeken, die volgens een vasten, godsdienstigen regel leven.
[338] De regels van deze orde (in 1084 gesticht) zijn uiterst streng. Het vleescheten en spreken is bijv. den monniken verboden.
[339] Prijzen, natuurlijk in den zin der Zotheid, door allerlei verkeerds van iemand te vertellen.
[340] Eigenlijk de godin der wrekende gerechtigheid; Erasmus bedoelt hier echter de Geluksgodin Fortuna en zoo heeft Holbein ze ook afgebeeld, staande op een in het water drijvende bol, met de haren naar voren gekamd volgens het Latijnsche spreekwoord: "De gelegenheid heeft van voren lang, van achteren kort haar."
[341] Atheensch veldheer, ±375 v. Chr., om zijn succes in den oorlog "het gelukskind" bijgenaamd.
[342] Een vliegende uil--deze vogel was de godin Athene heilig--gold bij de Atheners voor een gunstig voorteeken in het gevecht. Later werd het spreekwoord ook gebruikt bij onverwachte buitenkansjes.
[343] Hercules, wien een uiterst moeitevol leven wachtte, zou bij deze gestalte der maan geboren zijn.
[344] In de oudheid was een verhaaltje in omloop over een ongelukspaard, dat oorspronkelijk aan een zekeren Seius toebehoorde. Deze stierf een rampzaligen dood en evenzoo allen, in wier bezit het achtereenvolgens kwam. Een dergelijk lot trof hen, die het goud, door de Romeinen bij de inneming van Toulouse buitgemaakt, aanraakten.
[345] De "Adagia," een verzameling van meer dan vierduizend Grieksche en Latijnsche spreekwoorden, een der meest beroemde werken van Erasmus.
[346] Regel uit de zoogenaamde Disticha Catonis, zedespreuken in versmaat, die gedurende de Middeleeuwen zeer verbreid waren.
[347] Zóó betitelt Horatius schertsend zichzelf in een van zijn gedichten. De volgelingen van Epicurus (342-271 v. Chr.), die leerde, dat genot het hoogste goed was, werden door wijsgeeren van strengere richting voor varkens uitgescholden.
[348] Inderdaad wordt Telemachus (de zoon van Odysseus) slechts een paar keer zoo genoemd, en dan nog alleen als zeer jong kind.
[349] Aanhaling uit Horatius.
[350] Zie hoofdst. XXX.
[351] De Sorbonne (zie hoofdst. XLIII) was langen tijd een bolwerk der Scholastiek, die voor Erasmus als het ware in Duns Scotus is belichaamd (zie hoofdst. LIII). Het prentje stelt den geest van Scotus voor in de gedaante van een kind met stekels op den rug en monnikstonsuur, dat de Zotheid in den mond vliegt. Holbein heeft zich daarbij nog een uiterst platte aardigheid veroorloofd.
[352] Zie hoofdst. XV. Er bestaat in de Latijnsche litteratuur een verzameling korte gedichtjes, waarin Priapus sprekend wordt ingevoerd. In een daarvan vertelt hij het bovenstaande.
[353] Zie hoofdst. XXXIV.
[354] Vers 15 in de Vulgaat. In de Nederlandsche bijbelvertaling wordt de regel niet gevonden.
[355] Vers 14.
[356] X, vers 7 en 12.
[357] IX, vers 23.
[358] I, vers 3 en XII, vers 8.
[359] Zie einde van het vorige hoofdst.
[360] Jezus Sirach XXVII, vers 12.
[361] Matth. XIX, vers 17.
[362] Spreuken, vers 21.
[363] Prediker I, vers 18.
[364] Vers 4.
[365] Vers 17.
[366] Matth. XIX, vers 30: Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.
[367] Jezus Sirach.
[368] Moet zijn: 41ste hoofdstuk (vers 15).
[369] Socrates placht zijn vragen zoo in te richten, dat zijn tegenstander eerst moest erkennen, dat hij in allerlei bijzondere gevallen gelijk had, en dan ten slotte wel moest toegeven, dat zijn stelling ook in het algemeen gold (inductie).
[370] Hoe dit spreekwoord verder dient te worden aangevuld, is moeilijk te zeggen. Het schijnt te beteekenen, dat men waardelooze voorwerpen als het ware voor het grijpen laat staan.
[371] Voor de scholastieke geleerden was Aristoteles de wijsgeer bij uitnemendheid.
[372] Jezus Sirach.
[373] Vers 3; in de Nederl. bijbelvertaling luidt het eenigszins anders.
[374] Vers 2.
[375] II, hoofdst. 11, vers 23.
[376] Ook hier verschilt de Ned. bijbelvertaling.
[377] Het Latijnsche woord "Graeculus" is hier door E. gebruikt, omdat het lijkt op "graculus" = kraai, zie onder.
[378] De kwestie is dus deze, of: meer ben ik, hoort bij: Als een dwaas spreek ik, dan wel bij: Zij zijn dienaars van Christus.
[379] Grieksch, Latijn en Hebreeuwsch. Zij, die die drie talen verstaan, zijn de humanisten, Erasmus en zijn geestverwanten.
[380] Zie noot 371.
[381] Over het hier bedoelde spreekwoord zie hoofdst. XXV. De beroemde theoloog is Nicolaus de Lyra (Lyra, een stad in Normandië), professor in de Godgeleerdheid te Parijs, waar hij 1340 stierf.
[382] Volgens Listrius parodieert E. hier de Godgeleerden, die plachten te spreken van: woorden in den vorm. Schertsend voegt hij er dan het volgende aan toe.
[383] Vergel. Brief a/d. Cor. II hoofdst. 11, vers 5: Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen, en vers 13: Want zulke valsche apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.
[384] Zoo staat er letterlijk in het Latijn. E. heeft zich hier echter slordig en onnauwkeurig uitgedrukt. De woorden zijn eenvoudig uit hun verband gerukt en in een anderen zin gebruikt, dan oorspronkelijk bedoeld was.
[385] Zie Voorrede; hij verstond Grieksch, Latijn, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Dalmatisch.
[386] Handelingen XVII, vers 23.
[387] Navolging van Homerus, die spreekt van "zonen der Achaeërs" in plaats van "Achaeërs"; of van het "zonen der profeten", dat herhaaldelijk in den Bijbel (II Koningen II) voorkomt.
[388] Ook hier heeft E. weer Nicolaus de Lyra op het oog (door Holbein afgebeeld, terwijl hij bezig is psalmen "herunter zu leiern.") Voor het spreekwoord zie noot 375.
[389] Christus is op het punt te worden gevangen genomen. Zie verder Lukas XXII, vers 35 en 36.
[390] = Knapzak.
[391] Matth. V, vers 10 en 11.
[392] Matth. V, vers 39.
[393] Matth. V, vers 4.
[394] Matth. X, vers 31 en VI, vers 28; Lukas XII, vers 7 en 27.
[395] Christus.
[396] Matth. XXVI, vers 52; Johannes XVIII, vers 11.
[397] Volgens Listrius een zekere Jordanes; waarschijnlijk een Augustijnermonnik uit het midden der veertiende eeuw.
[398] III, vers 7; de Ned. bijbelvertaling verschilt. Het Latijnsche woord "pelles" beteekent eigenlijk "vellen," maar ook "tenten," wat natuurlijk hier de juiste vertaling zou zijn.
[399] Een der apostelen, die in Indië den marteldood zou zijn gestorven.
[400] Brief aan Titus III, vers 10. De woorden snijd.....af zijn geen letterlijke vertaling, maar alleen gebruikt wegens hun dubbelzinnigheid.
[401] Exodus XXII, vers 18; de Ned. bijbelvertaling verschilt.
[402] Over Chrysippus zie hoofdst. LIII; Didymus, Alexandrijnsch geleerde uit de eerste eeuw voor Chr. De eerste zou 700, de tweede niet minder dan 3500 boeken geschreven hebben.
[403] Tweede brief aan de Corinthiërs XI, vers 19.
[404] Vers 16 en 17.
[405] Eerste brief aan de Corinthiërs IV, vers 10.
[406] Eerste brief aan de Corinthiërs III, vers 18.
[407] XXIV, vers 25.
[408] Eerste brief aan de Corinthiërs, vers 25.
[409] Kerkvader, geb. 185 na Chr. te Alexandrië, gest. 254; heeft werken geschreven tot uitlegging van den Bijbel.
[410] Eerste brief aan de Corinthiërs I, vers 18.
[411] LXIX, vers 6.
[412] Dit verhaalt Plutarchus (zie Voorrede) in zijn leven van Caesar. Brutus en Cassius waren de hoofden van het komplot om Caesar te vermoorden; Antonius was zijn vriend en handlanger. Shakespeare put ook uit Plutarchus, als hij Caesar laat zeggen (Julius Caesar, Act. I sc. 2):
Laat welgedane mannen om mij zijn, Met gladde haren, en die 's nachts goed slapen. Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit; Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.
Het prentje stelt waarschijnlijk Caesar voor, die den welgedanen, vroolijken Antonius wijst op den ruigen, norschen Brutus.
[413] De Romeinsche keizer Nero (54-68 na Chr.) dwong den wijsgeer Seneca (zie Voorrede), zijn opvoeder, zichzelf van kant te maken, daar hij hem er van verdacht aan een samenzwering tegen zijn leven te hebben deelgenomen.
[414] Dionysius, tyran van Syracuse (406-367 v. Chr.), noodigde den wijsgeer Plato aan zijn hof. Deze haalde zich echter door zijn vrijmoedigheid den haat van den tyran op den hals, zoodat hij hem zelfs, volgens het verhaal, als slaaf liet verkoopen.
[415] Eerste brief aan de Cor. I, vers 27.
[416] Bedoeld schijnt vers 21 van hetzelfde hoofdstuk, ofschoon de tekst niet weinig verschilt.
[417] Eerste brief aan de Cor. 1, vers 19; vergel. Jesaja XXIX, vers 14.
[418] Matth. XI, vers 25; Lukas X, vers 21.
[419] Matth. XXIII, vers 13-15, 23, 25, 27; Lukas XI, vers 42, 43.
[420] Matth. XXI, vers 2.
[421] Johannes X, vers 1-28.
[422] Schreef o.a. een Geschiedenis der dieren.
[423] Johannes I, vers 29 en 36. Natuurlijk wordt Johannes de Dooper bedoeld.
[424] Hoofdstuk V-VII.
[425] Eerste brief aan de Cor. I, vers 24.
[426] Brief aan de Filippensen II, vers 8.
[427] Tweede brief aan de Cor. V, vers 21.
[428] Eerste brief aan de Cor. I, vers 21 (waar echter staat: de dwaasheid der prediking).
[429] Matth. XVIII, vers 3; Marcus X, vers 15; Lukas XVIII, vers 17.
[430] Matth. VI, vers 28; Lukas XII, vers 27.
[431] Matth. XIII, vers 31; Marcus IV, vers 31; Lukas XIII, vers 19.
[432] Matth. X, vers 31; Lukas XII, vers 7.
[433] Matth. X, vers 19; Marcus XIII, vers 11; Lukas XII, vers 11 en XXI, vers 14.
[434] Handelingen I, vers 7.
[435] Genesis II, vers 17.
[436] Eerste brief aan de Cor. VIII, vers 1.
[437] Zie hoofdst. XL.
[438] Vergel. Jesaja XIV, vers 13.
[439] XII, vers 11.
[440] I Samuël XXVI, vers 21.
[441] II Samuël XXIV, vers 10.
[442] Lukas XXIII, vers 34.
[443] Eerste brief aan Timotheüs I, vers 13 ("daarom" ontbreekt in den Bijbel).
[444] Psalm XXV, vers 7. In plaats van "onwetendheden" heeft de Ned. bijbelvertaling: overtredingen.
[445] Handelingen II, vers 13.
[446] Handelingen XXVI, vers 24.
[447] Spreekwoordelijk voor: een rol op zich nemen, die de krachten te boven gaat.
[448] Plato.
[449] De pointe der redeneering gaat in de vertaling verloren. Insania "waanzin" beteekent letterlijk "ongezondheid."
[450] Zie hoofdst. XLV.
[451] Zie eersten brief aan de Cor. VII, vers 29 en 30.
[452] De heilige Bernard was eens zoo in de Heilige Schrift verdiept, dat hij zonder het te merken zijn dorst leschte door een kruik met olie te ledigen.
[453] Eerste brief aan de Cor. II, vers 9; vergel. Jesaja LXIV, vers 4.
End of Project Gutenberg's De Lof der Zotheid, by Desiderius Erasmus