Chapter 13
[55] De rivier der vergetelheid, die in de onderwereld stroomde. Volgens de Zotheid echter is daar slechts een kleine zijtak te vinden.
[56] Romeinsch blijspeldichter, ± 200 v. Chr.
[57] Bij Homerus is Nestor het voorbeeld van een bezadigd grijsaard, Achilles van een onstuimig jongeling.
[58] De dikzak op het prentje houdt een worst in de hand.
[59] Acarnanië, landschap in Griekenland; varken van Acarnanië, spreekwoordelijk voor een mollig, verweekelijkt persoon.
[60] Een oud spreekwoord luidt:
"Hoe ouder, hoe zotter Brabander. Hoe ouder, hoe botter Hollander."
De eerste regel komt al voor in den commentaar van Listrius, Erasmus' tijdgenoot, die tevens verklaart, dat de Hollanders o.a. "wegens den eenvoud van hun karakter" veelal dom werden genoemd.
[61] Tooverheksen en godinnen, die de menschen konden herscheppen en verjongen.
[62] Wat Erasmus hiermee bedoelt, is niet duidelijk. Tithonus, gemaal van Aurora, vader van Memnon, ontving op verzoek van zijn vrouw het eeuwige leven, maar niet de eeuwige jeugd, zoodat hij geheel ineenschrompelde en in een krekel veranderde.
[63] Grootste dichteres van Griekenland, ± 600 v. Chr.
[64] Zoo werd Bacchus op Sicilië genoemd.
[65] In het Grieksch "morussein."
[66] In een komedie van Aristophanes (zie hoofdst. VII) wordt Bacchus op de meest belachelijke wijze voorgesteld.
[67] Bacchus' moeder stierf voor zijn geboorte, waarop Jupiter hem in zijn dij borg.
[68] Door zijn vervaarlijk geschreeuw veroorzaakte Pan den zoogenaamden "Panischen" schrik.
[69] De smid der goden.
[70] Het monsterachtige Medusahoofd, dat Pallas op haar borstharnas draagt.
[71] De feesten ter eere van Flora waren berucht wegens hun losbandigheid.
[72] Een schoon jager. Hij rustte in eeuwigen sluimer in een grot en werd elken nacht door de Maangodin Diana bezocht.
[73] De bedilal onder de goden.
[74] De Verblinding, die in het ongeluk stort, zie hoofdst. XLVI.
[75] Vleierij, zie hoofdst. IX.
[76] God der vruchtbaarheid, wiens ruw bewerkt beeld, in uiterst onwelvoegelijke houding, soms als vogelverschrikker dienst deed.
[77] Een dergelijke schildering wordt bij Homerus gevonden.
[78] Kaalhoofdig, dikbuikig mannetje, opvoeder v. Bacchus, in wiens stoet hij dronken op zijn ezel meerijdt.
[79] Plompe, eenoogige reus, in de Grieksche litteratuur het type van een onbehouwen sukkel.
[80] De god van het zwijgen.
[81] Spreekwoordelijk voor: iemand iets trachten te leeren, waarvoor hij niet geschikt is.
[82] Bij de Grieksche feestmalen werd aan een der gasten een mirtentak in de hand gegeven, die dan een liedje moest improviseeren. Daarna ging de tak het heele gezelschap rond.
[83] Hiermee worden spitsvondige sluitredenen bedoeld. Als voorbeeld diene de laatste (van "cornua" = "horens" afgeleid): "Wat ge niet verloren hebt, hebt ge. Horens hebt ge niet verloren. Dus hebt ge horens."
[84] Romeinsche vrouwennaam, voorkomend in een satire van Horatius, waaraan Erasmus hier veel ontleent.
[85] De slang gold voor buitengewoon scherp van gezicht. In Epidaurus had Aesculapius een beroemden tempel en de hem heilige slang werd daar vereerd.
[86] Een bekend fabeltje uit de oudheid verhaalt, dat Jupiter ons een knapzak gevuld met de ondeugden van anderen op de borst hing, maar een met onze eigen ondeugden op den rug.
[87] Argus, de alziende, was over zijn geheele lichaam met oogen bedekt.
[88] Het prentje schijnt een ekster voor te stellen, die den zwierig uitgedosten bruidegom door het verklappen van het verleden van zijn bruid juist niet zeer vroolijk stemt.
[89] Spreekwoordelijk voor: onnoozele hals.
[90] Nireus de schoonste, Thersites de leelijkste man van de Grieken voor Troje.
[91] De schoone geliefde der dichteres Sappho.
[92] "Het zwijn onderwijst Minerva" spreekwoordelijk gebruikt, wanneer iemand een ander, die hem in kennis verre overtreft, wijze lessen wil geven.
[93] De Thraciërs en Scythen bewoonden koude, onherbergzame landen.
[94] "Met U, Megarensers, (bewoners van een kleine Grieksche stad) wordt geen rekening gehouden" luidde een orakel, dat ten slotte spreekwoord werd.
[95] Beroemd Atheensch redenaar, 385-322 v. Chr. Hij nam in 338 deel aan den slag bij Chaeronea tegen Philippus van Macedonië en werd in de algemeene vlucht meegesleept.
[96] Grieksch dichter, ± 700 v. Chr. Hij verhaalt in een van zijn gedichten zelf, hoe hij in een gevecht zijn schild had weggeworpen, wat voor een groote schande gold.
[97] De vader der wijsbegeerte. Leefde in Athene 469-399 v. Chr. Toen het orakel v. Apollo hem den wijsten aller menschen genoemd had, kon hij dit slechts in dezen zin verklaren, dat hij alleen zich bewust was, dat hij eigenlijk niets wist.
[98] Socrates verbitterde zijn rechters door met wijsgeerige kalmte, ofschoon de doodstraf tegen hem was geëischt, zijn verdiensten omtrent zijn medeburgers uiteen te zetten. De dwaasheden, die hier over hem verteld worden, zijn ontleend aan een blijspel van Aristophanes, waarin een caricatuur van Socrates gegeven wordt.
[99] Hier volgt Erasmus een verhaaltje uit de oudheid, dat in hooge mate onwaarschijnlijk is.
[100] Grieksch wijsgeer, ± 300 v. Chr.
[101] Het was een oud bijgeloof, dat de wolf door zijn blik iemand sprakeloos kon maken.
[102] Zie Voorrede.
[103] Marcus Tullius Cicero, Rome's grootste redenaar, 106-43 v. Chr.
[104] Fabius Quintilianus, Romeinsch leeraar in de welsprekendheid, ± 75 na Chr.
[105] Cato de oudere, Romeinsch staatsman, 234-149 v. Chr., o.a. bekend om de felheid, waarmee hij zijn politieke tegenstanders vervolgde. Zijn achterkleinzoon, Cato de jongere, een edel maar kortzichtig en onverzettelijk man, beproefde tevergeefs de Romeinsche republiek tegen Caesar te verdedigen, die zich tot alleenheerscher wilde opwerpen.
[106] Hoofden der samenzweerders, die Caesar vermoordden 44 v. Chr.
[107] Tiberius en Gaius Gracchus trachtten de eerste 133, de tweede 123 v. Chr. de Romeinsche proletariërs weer tot eenigen welstand te brengen ten koste van de rijken, wat beiden met hun leven moesten bekoopen.
[108] Demosthenes zette voortdurend de Atheners tegen Macedonië op, maar het einde was, dat zij zich moesten onderwerpen. Ook Cicero heeft door zijn ijveren tegen hen, die de Romeinsche republiek bedreigden, juist den val daarvan verhaast.
[109] Keizer Marcus Aurelius Antoninus, "de wijsgeer" bijgenaamd, regeerde 161-180 na Chr. Hoewel een uitstekend vorst, wijdde hij zich toch bij voorkeur aan de philosophie. De regeering van zijn zoon Commodus, 180-192, is berucht.
[110] Xanthippe, een onbeduidend vrouwtje.
[111] Cato de oudere, zooeven genoemd, staat ook als een streng zedenmeester bekend.
[112] Spreekwoord, wanneer iemand plotseling verschijnt, over wien juist wordt gesproken. De oorsprong van het gezegde staat niet vast.
[113] Het type van den menschenhater in de oudheid.
[114] Dit fabeltje wordt bij sommige oude dichters gevonden.
[115] Dezen konden door hun citherspel zelfs wilde dieren, boomen en steenen in beweging brengen.
[116] In 494 v. Chr. weigerden de uitgeweken Plebejers naar Rome terug te keeren. Zij zouden eerst van hun besluit zijn afgebracht door de parabel van Menenius Agrippa, dat, toen eens de ledematen het werk hadden gestaakt om niet altijd voor de niets uitvoerende maag te arbeiden, het hééle lichaam daarvan de nadeelen had ondervonden.
[117] Themistocles, beroemd Atheensch staatsman, 526-461 v. Chr., zou het volk, dat zich niet langer door zijn leiders wilde laten uitzuigen, door het volgende verhaaltje gepaaid hebben: Een vos, die, in de modder vastzittend, door hondenluizen werd geplaagd, verzocht een egel, die ze wilde wegjagen, dit niet te doen: "Immers," zoo zeide hij, "voor dezen, die nu verzadigd zijn, zullen uitgehongerde in de plaats komen."
[118] Sertorius, een Romeinsch veldheer, ± 80 v. Chr., maakte zijn soldaten wijs, dat een hinde, door een godheid gezonden, hem geregeld van alles op de hoogte hield.
[119] Lycurgus, de wetgever van Sparta of Lacedaemon, ± 800 v. Chr., bewees zijn landgenooten het nut van een goede opvoeding als volgt: Twee honden uit hetzelfde nest bracht hij bij een haas en een schotel met eten. De goed gedrilde vloog op de haas af, de ander op het eten.
[120] Sertorius heeft eens op de wijze, als hiernevens is afgebeeld, het bewijs trachten te leveren, dat kalm beleid meer vermag dan ruwe kracht.
[121] Een mythisch koning van Creta; om de negen jaar begaf hij zich in een grot, waar, naar het heette, de oppergod Zeus zelf hem wijzen raad gaf.
[122] Iets dergelijks wordt van Numa, den tweeden koning van Rome, verteld. Zijn raadgeefster was de nymf Egeria.
[123] Horatius noemt het volk een veelhoofdig monster. Holbein heeft het bovendien op een bol, drijvende in het water, geplaatst om de onbestendigheid aan te duiden.
[124] Beroemd Grieksch wijsgeer, 384-322 v. Chr.
[125] Drie leden van het geslacht Decius, vader, zoon en kleinzoon, wijdden zich achtereenvolgens ten doode, (340, 295, 279 v. Chr.) om den Romeinen de overwinning te verzekeren.
[126] Romeinsch ridder, die zich als zoenoffer in een op de markt te Rome gapende kolk stortte, toen die op geen andere wijze kon worden gedempt.
[127] De Sirenen lokten door haar betooverend gezang de zeelieden naar haar eiland, waar zij schipbreuk leden en omkwamen.
[128] Een Romeinsch keizer werd na zijn dood officieel onder de goden opgenomen.
[129] Over Democritus zie Voorrede.
[130] In het "Gastmaal" van Plato vergelijkt de jonge, schitterende Alcibiades den leelijken Socrates met kastjes, die van buiten den vorm hadden van een neergehurkten, op de fluit blazenden Silenus (zie hoofdst. XV), maar van binnen fraaie godenbeelden bevatten.
[131] Berg in Griekenland, woonplaats der Muzen.
[132] De wijzen namelijk.
[133] Over Seneca zie Voorrede.
[134] De Stoïcijnen.
[135] In een van zijn werken geeft Plato een schildering van den ideaalstaat. Hij is ook de uitvinder van de leer der ideeën, de, als werkelijk bestaand gedachte, eigenschappen der dingen.
[136] Spreekwoordelijk voor: een onbereikbaar luilekkerland.
[137] Versregel van Vergilius.
[138] Zie hoofdst. XIX.
[139] Volgens de Stoïcijnen verdient alleen de wijze in werkelijkheid zoo genoemd te worden.
[140] Volgens een verhaaltje uit de oudheid zouden eens alle meisjes van Milete (Grieksche stad op de W. kust van Klein-Azië) door een krankzinnigen lust zijn bevangen om zich op te hangen.
[141] Grieksch wijsgeer, 404-323 v. Chr., bekend om zijn uiterst geringe behoeften. De wijze, waarop hij zich van kant maakte, wordt verschillend opgegeven.
[142] Grieksch wijsgeer, 396-314 v. Chr.
[143] Cato de jongere (zie hoofdst. XXIV) doorboorde zich met zijn zwaard, daar hij zag, dat de Romeinsche republiek niet meer te redden was, 46 v. Chr.
[144] Moordenaars van Caesar (zie hoofdst. XXIV) doodden zich kort na elkaar 42 v. Chr., toen ze bij Philippi tweemaal waren verslagen.
[145] Een wijze Centaur (wezen half paard, half mensch). Hij koos den dood, omdat hij leed aan een ongeneeslijke wond.
[146] Deze god zou de eerste menschen uit leem en water geschapen hebben.
[147] Geliefde van Sappho, zie hoofdst. XIV.
[148] In een van Plato's geschriften komt het verhaaltje voor, hoe de Egyptische god Theut de verschillende kunsten, die hij had uitgevonden, waaronder ook het letterschrift, aan den koning van Egypte uiteenzette en aanprees. Maar deze wilde van het letterschrift niets weten, omdat het geheugen der menschen er door zou verminderen en zij waanwijs in plaats van wijs zouden worden.
[149] Plato leidt ergens--trouwens geheel ten onrechte--het Grieksche woord "daimoon" = "goddelijk wezen" van "daëmoon" = "wetende" af.
[150] In de grijze oudheid zou de gouden eeuw, een tijdperk van eenvoud, vrede en geluk, geheerscht hebben en de aarde een paradijs geweest zijn.
[151] Naam van de bewoners van Babylon, bekend als sterrenwichelaars, en verder van alle sterrenwichelaars in het algemeen.
[152] Regel uit Homerus.
[153] Gedachte aan Plato ontleend.
[154] In een dialoog van Lucianus (zie Voorrede) vertelt een haan, dat hij vroeger de beroemde wijsgeer Pythagoras (zie hoofdst. XI) was en wat verder hier volgt. Pythagoras verkondigde de leer der zielsverhuizing.
[155] De zooeven genoemde haan.
[156] Zie Voorrede.
[157] Paris Trojaansche koningszoon, Aiax en Achilles Grieksche helden; geen van drieën wordt door Homerus als bijzonder scherpzinnig geschilderd.
[158] Reuzen, die met boomstammen en rotsblokken de goden in den hemel bestormden.
[159] De vorst op het prentje draagt de trekken van keizer Maximiliaan I.
[160] In hetzelfde "Gastmaal," dat reeds hoofdst. XXIX is genoemd.
[161] Grieksch treurspeldichter, 480-406 v. Chr.
[162] Een satyr werd op een kouden dag door een boer gastvrij opgenomen, maar ging vol schrik op den loop, toen hij zag, dat zijn gastheer door blazen zoowel zijn handen trachtte te verwarmen als zijn brei af te koelen. De beroemde schilder Jordaens heeft dit tafreeltje niet minder dan twaalf maal op het doek gebracht.
[163] De Stoïcijnen, zoo genoemd naar de Stoa = zuilengaanderij, waarin de stichter der school zijn colleges gaf.
[164] In het reeds eenige malen genoemde Gastmaal wordt inderdaad gesproken van één Venus, godin der zinnelijke, en een tweede, godin der reine liefde, en evenzoo van twee aan haar beantwoordende Cupido's. Het "doorsnijden" en "doorhakken" is een aardigheid van Erasmus.
[165] Als Aeneas, de held van het voornaamste gedicht van Vergilius (zie Voorrede), naar de onderwereld wil afdalen, waarschuwt hem de Sibylle, een waarzegster, voor dat krankzinnige werk.
[166] Deze beschrijving van de wraakgodinnen en haar werken is grootendeels ontleend aan de Aeneïs, het zoo juist genoemde heldendicht van Vergilius.
[167] Vriend van Cicero. Een groote verzameling brieven door C. aan hem gericht is bewaard, maar een uitlating, als Erasmus hier geeft, komt er niet in voor.
[168] Stad in Griekenland.
[169] Deze heele historie is overgenomen uit een epistel van Horatius.
[170] Een plant, die volgens de ouden de kracht had waanzin te genezen.
[171] De bekende rijkaard der oudheid, regeerde 560-546 v. Chr.
[172] De vrouw van Odysseus (Ulixes), bij Homerus het toonbeeld van echtelijke trouw.
[173] De volgelingen van Pythagoras (zie hoofdst. XI) namen vijf elementen aan, aarde, vuur, lucht, water en aether. Deze laatste grondstof, de quintessens = het vijfde zijnde, was de fijnste en de zuiverste. Ook de alchimisten, over wie Erasmus hier handelt, waren van het bestaan van dit vijfde element overtuigd en meenden, dat het hun bij 't goudmaken groote diensten zou kunnen bewijzen.
[174] Een zeer gevaarlijke kaap aan de zuidkust van Griekenland; vandaar het gezegde: "Als gij Malea omvaart, vergeet dan maar al wat gij thuis hebt gelaten."
[175] Reus, die volgens de legende het Christuskindje over een stroom droeg (Christophorus = Christusdrager) en onder zijn last bezweek. Erasmus vergelijkt hem hier met Polyphemus (zie hoofdst. XV) én wegens zijn kolossale gestalte én, omdat bij Vergilius Polyphemus met een pijnboom in de hand door het water schrijdt, evenals Christophorus op de meeste afbeeldingen.
[176] De heilige Barbara beschermt tegen het inslaan van den bliksem. Onder haar bescherming staan ook de kanonnen, zoodat op de Fransche oorlogsschepen de kruitkamer "Sainte Barbe" genoemd werd.
[177] Gewoonlijk wordt de heilige Erasmus door de Italiaansche schippers aangeroepen, wanneer zich het zoogenaamde St. Elmusvuur aan den mast vertoont.
[178] Hercules overwon evenals St. Joris een draak.
[179] De heilige Hippolytus werd ± 250 na Chr. door paarden ten doode gesleept. Zijn naamgenoot uit de Grieksche mythologie kwam op dergelijke wijze om. Zijn paarden, schichtig geworden door een zeemonster, sloegen op hol, zoodat hij uit den wagen stortte en in het tuig verward werd meegesleurd.
[180] Van St. Joris.
[181] De overdaad aan Goede Werken, die de Heiligen zich hadden verworven zonder ze voor hun eigen zaligheid noodig te hebben, vormde volgens Middeleeuwsche opvattingen een onuitputtelijken schat van genade ten dienste der Kerk, waarvan de paus naar goeddunken ook voor geld aan zondaars een gedeelte mocht afstaan. Zoo laat zich een handel in aflaatbrieven verklaren, die in Erasmus' dagen op bijzonder stuitende manier gedreven, aanleiding werd tot Luthers optreden.
[182] Erasmus zinspeelt hier op het volgende verhaaltje: Eens beroemde zich de duivel erop tegenover den heiligen Bernard van Clairvaux (gest. 1153), dat hij zeven verzen uit de psalmen Davids kende van zulk een heiligen inhoud, dat ieder, die ze dagelijks opzei, vast en zeker in den hemel kwam. Toen hij ze niet wilde vertellen, zei de heilige Bernard: "Het doet er niet toe; ik zal dagelijks het heele boek der psalmen lezen; daar moeten uw verzen toch instaan." Daarop maakte de duivel zijn verzen bekend, omdat anders de heilige iets zou doen, dat God nog meer welgevallig was.
[183] die hem had trachten te vergiftigen.
[184] Regels, met eenige wijziging ontleend aan de Aeneïs van Vergilius.
[185] Overheidspersonen te Rome o. a. belast met het geven van spelen. Hoewel zij daarvoor een toelage van den staat genoten, plachten zij toch op eigen kosten aan die spelen zooveel mogelijk luister bij te zetten om de gunst van het volk te winnen en zoo later tot hooger ambten te worden gekozen.
[186] Zie hoofdstuk XXXVIII.
[187] Romeinsche vrijheidsheld, die ± 510 v Chr. de koningen verdreef.
[188] Sterrenbeeld; eigenlijk: hoeder van den grooten Beer.
[189] Zie hoofdstuk XXII.
[190] Beroemd wiskunstenaar; leefde te Alexandrië ± 300 v. Chr.
[191] Door Horatius als voortreffelijk zanger geroemd.
[192] Zie Voorrede.
[193] Erasmus bedoelt de geleerden werkzaam aan de Parijsche universiteit, de Sorbonne.
[194] Het prentje stelt waarschijnlijk Mozes voor met de tafelen der wet.
[195] "De eene muilezel krabt den anderen," spreekwoord uit de oudheid = "Men zingt elkaar's lof, als niemand anders het doet."
[196] Wijsgeeren uit de school van Plato (zie Voorrede), die in de Academie, een park bij Athene, zijn voordrachten placht te houden.
[197] Zie over deze heiligen hoofdst. XL.
[198] Beroemde schilders uit de oudheid, de eerste ± 330, de tweede ± 400 v. Chr. Het prentje stelt waarschijnlijk Apelles voor, werkende aan zijn meesterstuk, de godin Venus, die opduikt uit de zee. Men meent, dat Holbein hier zijn eigen portret heeft gegeven.
[199] Volgens Listrius bedoelt Erasmus hier een zekeren Morus (Moria = Zotheid).
[200] Om duidelijk te maken, dat de menschen op aarde gewoonlijk niet tot werkelijk inzicht doordringen, bedient Plato zich van een beroemde gelijkenis: Eenige lieden brengen hun leven door in een grot, die een wijde opening heeft. Zij zijn stevig vastgebonden, zóó, dat ze altijd naar den achterwand van het hol moeten kijken. Voor de opening van de grot brandt een groot vuur. Tusschen het vuur en de geboeide menschen is een manshooge muur aangebracht, waarlangs zich (aan den kant van het vuur) lieden voortbewegen, die op het hoofd allerlei voorwerpen, beelden van menschen en dieren, dragen, zoodat ze boven het muurtje uitsteken en dus hun schaduwbeelden op den achterwand van de grot vallen. De gebonden lieden houden dan natuurlijk die schaduwen voor werkelijkheid. Als nu ook nog de dragers zich met elkaar onderhouden en de achterwand van de grot hun woorden weerkaatst, meenen ze bovendien, dat de schaduwbeelden spreken en laten zich dus volkomen door den schijn bedriegen.
[201] In den in hoofdst. XXXVI (einde) bedoelden dialoog van Lucianus verwijt de schoenmaker Mycillus zijn haan, dat hij hem door zijn kraaien heeft wakker gemaakt.
[202] De bekende zeven wijzen van Griekenland, beroemde staatslieden, ± 600 v. Chr.
[203] Witte paarden golden voor snel.
[204] De gave van Bacchus.
[205] Aan Hercules dankte men buitenkansjes.
[206] De priesteres van Apollo placht zittend op een drievoet orakels te geven.
[207] Jupiter.
[208] Apollo.
[209] Romeinsche god, wien men een verderfelijken invloed toeschreef.
[210] God van de onderwereld.
[211] De Verblinding, die in het ongeluk stort (zie hoofdst. XV). Holbein illustreert hier den commentaar van Listrius, waarin verteld wordt, hoe, volgens Homerus, Zeus Ate bij de haren greep en uit den hemel slingerde.
[212] Straffende Gerechtigheid.
[213] Koorts.
[214] Erasmus denkt hier aan de godin der Tweedracht, die, niet op de bruiloft van Peleus en Thetis (ouders van Achilles) genoodigd, om zich te wreken een gouden appel met het opschrift "Voor de schoonste vrouw" onder de gasten wierp, waarover een twist ontstond tusschen Juno, Minerva en Venus. Ook zou Diana eens, toen aan haar niet geofferd was, een geweldig everzwijn gezonden hebben om het land te verwoesten.
[215] Menschenoffers werden Diana in de Krim gebracht.
[216] De Zotheid schijnt hier uit naam van alle heiligen en goden te spreken.
[217] Stad in Griekenland.
[218] Stad aan de zee van Marmora. Over Priapus zie hoofdst. XV.
[219] Over Democritus zie Voorrede.
[220] Zie hoofdst. XIX.
[221] De leerlingen van Pythagoras (zie hoofdst. XI) vormden een soort van broederschap, die in gemeenschap van goederen leefde.
[222] Ligt begraven te Compostella in Spanje.
[223] Lucianus (reeds meermalen genoemd) laat in een van zijn geschriften den satyricus Menippus een reis naar den hemel ondernemen, waarbij hij o.a. op de maan aanlandt. Hij beschrijft dan, wat hij van daaruit al zoo op aarde ziet gebeuren.
[224] Welk spreekwoord E. hier bedoelt, is niet duidelijk. Zeker is het, dat hij zinspeelt op de roede, die de schoolvorsten als scepter dragen.
[225] De bewoners van Cyme, Grieksche stad in Klein-Azië, waren berucht om hun domheid. Zoo zouden zij zich eens door een ezel, vermomd in een leeuwenhuid, langen tijd hebben laten tiranniseeren.
[226] Zie hoofdst. III.
[227] Bekend tiran op Sicilië, 406-367 v. Chr.
[228] Palaemon en Donatus waren beroemde taalgeleerden te Rome; de eerste leefde in de eerste, de tweede in de vierde eeuw na Chr.
[229] Vader van Aeneas (zie hoofdst. XXXVIII).
[230] Hierop volgen in den Latijnschen tekst eenige zeer ongewone woorden voor koeherder, dwarsdrijver en beurzensnijder.
[231] Spreekwoordelijk voor: een groot succes.
[232] Zie Voorrede.
[233] Of E. hier een bepaalden persoon op het oog heeft, is onmogelijk te zeggen.
[234] Beroemd boekdrukker en geleerde te Venetië, bij wien Erasmus gedurende zijn verblijf in die stad gastvrijheid genoot (1508). Hij schijnt deze hatelijkheid aan zijn adres niet kwalijk te hebben genomen, daar hij Erasmus heeft aangeboden een uitgaaf van "De Lof der Zotheid" te drukken.
[235] Bij de ouden spreekwoordelijk voor: de gelukkigste der stervelingen.
[236] Horatius o.a. zegt: Schilders en dichters heeft het altijd gelijkelijk vrijgestaan te ondernemen wat zij maar wilden, hoe gewaagd het ook was.
[237] Zie hoofdst. IX.
[238] Zoo o.a. Cicero in een van zijn werken over de theorie van de redekunst.
[239] Dateert waarschijnlijk uit de 1e eeuw voor Chr. Wie de schrijver is geweest, blijft onzeker.
[240] Zie hoofdst. XXIV.
[241] Een der beide gedichten van Homerus, dat 24 zangen telt. Spreekwoordelijk voor: een lang gedicht.
[242] Persius wordt door Cicero in het zooeven genoemde werk aangehaald als een bijzonder geleerd en streng kunstrechter, Laelius als een kundig en eerlijk beoordeelaar.
[243] Horatius geeft den dichters den raad negen jaar te wachten met het uitgeven van hun werk, opdat zij wat hun achteraf minder goed schijnt, weer kunnen vernietigen.
[244] = kamergeleerden.
[245] Elk fatsoenlijk Romein had drie namen.
[246] Zoon van Odysseus.
[247] Held uit de Ilias van Homerus.
[248] Vader van Odysseus.
[249] Zie Voorrede.
[250] Sophist (zie hoofdst. II), tijdgenoot van Socrates.
[251] Met het laatste bedoelt E. de letters, waarmee vooral in de Wiskunde gewerkt wordt; Kameleon spreekwoordelijk voor: een veranderlijk persoon, pompoenkop wordt bij Apuleius (zie Voorrede) voor domkop gebruikt.