De Lof der Zotheid

Chapter 12

Chapter 123,628 wordsPublic domain

En om mij niet verder in te laten met eindelooze bijzonderheden en mijn gevoelen kort en goed uit te spreken, het komt mij voor, dat de Christelijke godsdienst in het algemeen een soort van verwantschap heeft met een zekere dwaasheid en volstrekt niets met de wijsheid heeft te maken. Als gij bewijzen hiervoor verlangt, let dan vooreerst hierop, dat knapen, grijsaards, vrouwen en gekken meer dan alle anderen vermaak scheppen in heilige en godsdienstige zaken en dat zij daarom altijd het dichtst bij de altaren staan, ongetwijfeld alleen door hun instinct gedreven. Daarenboven ziet gij, dat die eerste godsdienststichters verbazend met onnoozelheid waren ingenomen en de bitterste vijanden der wetenschap waren. Eindelijk, schijnen mij geen gekken onwijzer te zijn dan zij, die eenmaal geheel door het vuur der Christelijke vroomheid bezield zijn: zoozeer verspillen zij hun vermogen, slaan geen acht op beleedigingen, laten zij zich foppen, maken zij geen onderscheid tusschen vrienden en vijanden, verafschuwen zij het zingenot, mesten zij zich met vasten, waken, weenen en werken, hebben zij een afkeer van het leven, verlangen zij alleen naar den dood, kortom schijnen zij geheel verstompt te zijn voor alle gewoon menschelijke aandoeningen, alsof hun ziel elders leeft, niet in het lichaam, waar zij thuis hoort. Wat is dit wel anders dan waanzin? Des te minder moet het ons bevreemden, zoo de apostelen schenen vol zoeten wijns te zijn [445] en Festus, Paulus' rechter, meende, dat hij waanzinnig was [446]. Maar nu wij toch eenmaal de leeuwenhuid hebben omgehangen [447], willen wij U ook nog dit duidelijk maken, dat het geluk der Christenen, dat zij ten koste van zooveel ellende zoeken, niets anders is dan een soort van waanzin en zotheid: duidt mij deze woorden niet ten kwade, maar overweegt liever de zaak zelf. Al dadelijk zijn de Christenen het hierover zoo ongeveer met de Platonisten eens, dat de ziel diep in den kerker des lichaams verborgen ligt en dat zij door dat grove omhulsel verhinderd wordt om het ware te kunnen waarnemen en genieten. Daarom geeft hij [448] van de wijsbegeerte deze bepaling, dat zij de overpeinzing van den dood is, omdat zij den geest van de zichtbare en lichamelijke dingen afvoert, hetzelfde, wat immers ook de dood doet. Derhalve heet de ziel zoolang gezond, als zij de organen des lichaams goed weet te gebruiken, maar als zij, wanneer haar boeien eindelijk verbroken zijn, zich in vrijheid tracht te stellen en als het ware over het vluchten uit dien kerker peinst, dan noemt men het waanzin [449]. Is dit soms het gevolg van een ziekte en een gebrek in de organen, dan is het volgens aller eenstemmig gevoelen ongetwijfeld waanzin. En toch zien wij, dat ook dit soort van menschen de toekomst voorspelt, tongen en talen verstaat, die zij vroeger nooit geleerd hadden, en in 't algemeen iets goddelijks over zich heeft. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat dit hiervan komt, dat de geest, een weinig vrijer van de besmetting des lichaams, zijn natuurlijke kracht begint te vertoonen. Dit is ook, naar ik meen, de oorzaak, waarom hun, die met den dood worstelen, iets dergelijks pleegt te geschieden, dat zij als in geestverrukking wonderbare dingen spreken. Gebeurt dit daarentegen uit vromen ijver, dan is het misschien niet hetzelfde soort van waanzin, maar het is daarmede zoo nauw verwant, dat een groot deel der menschen het voor louteren waanzin verklaart, vooral omdat al zeer weinig arme drommels in gansch hun leven van de geheele menschelijke maatschappij verschillen. Daarom pleegt ook met hen te geschieden wat volgens Plato's verdichtsel, zoo ik het wel heb, hun overkomt, die in een grot geboeid de schaduwen der dingen bewonderen [450], en dien vluchteling, die, in de grot teruggekeerd, verkondigt, dat hij de ware dingen gezien heeft en dat zij het geheel mis hebben, die gelooven, dat er behalve die armzalige schaduwen niets bestaat. Want deze wijze beklaagt en betreurt den waanzin van hen, die in zulk een groote dwaling verkeeren: zij lachen op hun beurt om hem, alsof hij het hoofd kwijt is, en jagen hem weg. Zoo koestert ook het gros der menschen de hoogste bewondering voor die dingen, welke vooral lichamelijk zijn, en meent, dat deze schier de eenige zijn, die bestaan. De vromen daarentegen schatten iedere zaak des te geringer, naarmate zij des te nader bij het lichaam staat, en voelen zich alleen aangetrokken door de beschouwing der onzichtbare dingen. Want genen hechten de hoogste waarde aan den rijkdom, daarop volgen de goederen des lichaams, de laatste plaats ruimen zij aan de ziel in, ofschoon de meesten zelfs niet aan haar bestaan gelooven, omdat zij met de oogen niet kan waargenomen worden. Omgekeerd richten dezen in de eerste plaats hun gedachten op God zelf, het eenvoudige wezen bij uitnemendheid; na Hem, en toch in Hem, op hetgeen het naast bij hem komt, n.l. op de ziel; om de zorg voor hun lichaam bekommeren zij zich geen zier, terwijl zij het geld als geheel waardeloos versmaden en ontvluchten. Of worden zij al gedwongen zich met iets dergelijks in te laten, dan doen zij dit met een bezwaard gemoed en vol walging: zij hebben als niet hebbende en bezitten als niet bezittende [451]. Er bestaan ook groote trappen van verschil tusschen die twee menschenklassen ten opzichte van allerlei dingen afzonderlijk. Vooreerst zijn er eenige der zinnen, alhoewel zij alle met het lichaam in verband staan, minder fijn zooals het gevoel, het gehoor, het gezicht, de reuk en de smaak: andere daarentegen hangen minder nauw met het lichaam samen, zooals het geheugen, het begrip, de wil. Waarheen nu maar de ziel haar krachten richt, daar mist zij haar uitwerking niet. De vromen, omdat al hun zielskracht zich op die zaken richt, die geheel vreemd zijn aan de grovere zinnen, worden, wat deze laatste betreft, als het ware bot en stomp. Daarentegen is het gros der menschen hierin sterk, in gene echter zoo zwak als 't maar kan. Dit is de reden van hetgeen, naar wij gehoord hebben, heiligen mannen is overkomen, dat zij olie in plaats van wijn dronken [452]. Aan den anderen kant hebben eenige gemoedsaandoeningen meer gemeenschap met het vette lichaam, zooals de wellust, het verlangen naar spijs en slaap, oploopendheid, hoogmoed en afgunst. Met deze voeren de vromen een onverzoenbaren krijg, daarentegen denkt het gemeen, dat het zonder deze goederen niet mogelijk is te leven. Verder zijn er eenige aandoeningen, die het midden houden en als het ware natuurlijk zijn, als liefde tot zijn vader, liefde jegens zijn kinderen, ouders en vrienden. Hieraan hecht het gemeen eenige waarde. Maar genen trachten ook deze aandoeningen uit hun ziel te rukken, behalve voorzooverre die aandoeningen zich tot het hoogste deel der ziel verheffen, zóó, dat zij hun vader beminnen niet als hun vader (want wat heeft hij voortgebracht behalve het lichaam? ofschoon men dit zelfs ook aan God, den vader, te danken heeft), maar als een goed man en iemand, in wien zich het afschijnsel vertoont van dien hoogsten geest, dien zij alleen het hoogste goed noemen en buiten welken, volgens hun verklaring, er niets bestaat, dat men beminnen of najagen moet. Dezen zelfden maatstaf leggen zij eveneens bij alle overige plichten des levens aan, zoodat zij overal hetgeen zichtbaar is, zoo al niet als geheel te verwerpen, dan toch als van veel minder waarde beschouwen dan hetgeen niet kan gezien worden. Zij beweren ook, dat in de Sacramenten en in de plichten zelf der vroomheid lichaam en geest gevonden worden. Zoo hechten zij er b.v. bij het vasten niet veel waarde aan, als iemand zich slechts van het vleeschgebruik en het middagmaal onthoudt, wat bij den grooten hoop voor een volmaakt vasten doorgaat, indien hij niet tevens ook zijn hartstochten eenigszins bedwingt, zoodat hij minder dan gewoonlijk zijn toorn en zijn trots den teugel viert en de ziel, als het ware reeds minder zwoegende onder den last des lichaams, zich verheft tot het smaken en genieten der hemelsche goederen. Dit is ook het geval met de mis: alhoewel, zeggen zij, men de daartoe behoorende ceremoniën niet gering moet schatten, zijn deze op zichzelf of van weinig nut of zelfs verderfelijk, zoo niet het geestelijke element daarbij komt, dat is, hetgeen door die zichtbare teekenen wordt voorgesteld. Dit is niets anders dan de dood van Christus, dien de menschen behooren weer te geven door het bedwingen, het uitdooven en als 't ware door het begraven hunner lichamelijke driften, opdat zij tot een nieuw leven opstaan en opdat zij één met hem, maar ook tevens één onder elkander kunnen worden. Hierom is het den vrome te doen en hierover peinst hij. Daarentegen gelooft het volk, dat het misoffer in niets anders bestaat dan hierin, dat het zich in de nabijheid van het altaar bevindt en dat wel zoo dicht mogelijk, dat het luistert naar den klank der woorden en kijkt naar andere dergelijke kleine onderdeelen van die plechtigheid. Niet alleen in het opgenoemde, dat wij slechts als voorbeeld hebben aangehaald, maar om het eenvoudig uit te drukken, in zijn geheele leven ontvlucht de vrome de dingen, welke met het lichaam verwant zijn, en voelt zich met onweerstaanbare macht tot het eeuwige, het onzichtbare, het geestelijke getrokken. Het natuurlijk gevolg van het hemelsbreed verschil van gevoelen tusschen dezen en genen omtrent alle dingen is, dat volgens de eene partij de andere aan waanzin lijdt, hoewel deze benaming met meer recht aan de vromen toekomt dan aan de groote menigte, als ik ten minste goed zie.

HOOFDSTUK LXVII.

De hoogste zaligheid voor de menschen is een soort van waanzin.

Dit zal zeker nog duidelijker in het oog springen, als ik volgens mijn belofte in weinig woorden aantoon, dat die hemelsche belooning niets anders is dan een soort van waanzin. Bedenkt daarom in de eerste plaats, dat Plato reeds eenmaal van iets dergelijks gedroomd heeft, toen hij de razernij der verliefden allergelukkigst noemde. Immers wie hevig bemint, leeft niet meer in zich, maar in hetgeen hij bemint, en hoe verder hij van zichzelf weggaat en daarin verhuist, des te meer neemt zijn vreugde toe. En als de ziel uit het lichaam wenscht weg te reizen en haar organen niet goed gebruikt, dan mag men dit met volle recht razernij noemen. Wat beteekenen anders die algemeen gebruikelijke uitdrukkingen: Hij is buiten zichzelf en: kom tot u zelf en: hij is weer tot zichzelf gekomen? Verder, hoe vuriger de liefde, des te grooter en gelukkiger is de razernij. Wat zal dat dan wel voor een leven in den hemel zijn, waarnaar de vrome zielen met zulk een innig verlangen zuchten? De geest zal immers het lichaam geheel opslorpen, omdat hij zijn meerdere en sterker is. En dit zal hij des te gemakkelijker doen gedeeltelijk hierom, omdat hij reeds vroeger bij het leven het lichaam voor een dergelijke gedaanteverwisseling gezuiverd en verdund heeft. Verder zal de geest door dien hemelschen geest op wonderbare wijze opgeslorpt worden, daar deze oneindig veel machtiger is, zoodat eindelijk de geheele mensch buiten zichzelf zal geraken en op geen andere wijze gelukkig zal zijn dan, dat hij, buiten zichzelf geplaatst, iets onuitsprekelijks zal ondervinden van dat hoogste goed, dat alles tot zich trekt. Ofschoon nu dit geluk dan eerst in al zijn volkomenheid den zielen ten deel valt, als aan deze, nadat zij hun vroegere lichamen herkregen hebben, de onsterfelijkheid geschonken wordt, hebben de vromen toch gewoonlijk, omdat hun leven niets anders is dan de overpeinzing en als het ware een afschaduwing van dat leven, ook van die belooning zoo nu en dan reeds een voorsmaak. Moge dit ook slechts een zeer onaanzienlijk droppeltje zijn, vergeleken met die bron van eeuwig geluk, toch overtreft het verre alle genoegens des lichaams, zelfs al kwamen alle genietingen van alle menschen ook te gader: zoo hoog staat het geestelijke boven het lichamelijke, het onzichtbare boven het zichtbare. Dit is het zeker wat de profeet belooft: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben [453]. En dit is een vorm van Zotheid, die niet weggenomen wordt bij den overgang in een beter leven, maar veeleer tot voltooiing komt. Zij, wien het gegeven was dit te ondervinden,--het valt namelijk slechts zeer weinigen te beurt--lijden aan iets, dat veel overeenkomst heeft met krankzinnigheid; zij spreken enkele vrij onsamenhangende woorden, en dat niet op de gewone menschenmanier, maar zij geven geluiden zonder zin, vervolgens verandert telkens de uitdrukking van hun gelaat geheel en al; nu eens zijn zij vroolijk, dan weer neerslachtig, nu eens ziet men hen weenen, dan weer lachen, een anderen keer zuchten zij: kort en goed, zij zijn in waarheid geheel buiten zichzelf. Daarna, als zij weer tot zichzelf gekomen zijn, zeggen zij niet te weten, waar zij zich bevonden hebben, in of buiten het lichaam, wakend of slapend; wat zij gehoord, wat zij gezien, wat zij gezegd, wat zij gedaan hebben, zij herinneren het zich niet dan als in een nevel en droom; slechts dit weten zij, dat zij zich het gelukkigst gevoelden, zoolang zij zoo waanzinnig waren. Daarom betreuren zij het, dat zij hun verstand weder hebben teruggekregen, en zij zouden niets ter wereld liever willen dan eeuwig op deze wijze waanzinnig zijn. En dit is, om zoo te zeggen, maar een klein voorproefje van hun toekomstig geluk.

HOOFDSTUK LXVIII.

Besluit.

Maar ik heb reeds lang mij zelf vergeten en de mij gestelde perken overschreden. Zijt gij soms van oordeel, dat ik in mijn spreken wat al te uitgelaten of al te lang van stof geweest ben, bedenkt dan, dat het niet alleen de Zotheid, maar ook een vrouw was, die het woord heeft gevoerd. Doch herinnert U desniettemin ook dit Grieksch spreekwoord: Een gek kan ook dikwijls een woordje, dat van pas is, spreken, tenzij ge soms mocht van oordeel zijn, dat dit volstrekt niet op vrouwen slaat.

Ik zie, dat ge nog een slotrede verwacht, maar gij zijt al heel dwaas, als gij tenminste meent, dat ik mij nu nog herinner wat ik gezegd heb, na zulk een stortvloed van woorden. Het oude spreekwoord luidt: Ik haat hem, die het onder den beker gesprokene niet vergeet, het nieuwe: Ik haat een hoorder met een goed geheugen. Daarom dan: Vaartwel, juicht mij toe, leeft en drinkt, roemruchtige priesters in het heiligdom der Zotheid.

EINDE.

INHOUD

Bladz. Toelichting V Voorrede 1 Hoofdstuk I. Alleen door haar aanblik heeft de Zotheid de zorgen van haar toehoorders verjaagd 6 Hoofdstuk II. Onderwerp der voordracht 7 Hoofdstuk III. Waarom de Zotheid zichzelf prijst 8 Hoofdstuk IV. Waarom zij voor de vuist spreekt 9 Hoofdstuk V. De Zotheid verraadt zichzelf terstond 10 Hoofdstuk VI. Navolging der redekunstenaars 12 Hoofdstuk VII. Afkomst der Zotheid 12 Hoofdstuk VIII. Haar geboorteplaats en voedsters 14 Hoofdstuk IX. Haar gevolg 15 Hoofdstuk X, XI en XII. De Zotheid de bron van alle leven en levensgeluk 16-18 Hoofdstuk XIII. Kindsheid en Ouderdom zijn met de Zotheid ten nauwste verwant 19 Hoofdstuk XIV. De Zotheid verlengt de jeugd en weert den Ouderdom 22 Hoofdstuk XV. De Zotheid vooral maakt de Goden aantrekkelijk 24 Hoofdstuk XVI. Overal wordt de kruiderij der Zotheid gevonden 27 Hoofdstuk XVII. Door haar toedoen behagen de vrouwen aan de mannen 28 Hoofdstuk XVIII. Het drinken wordt door de Zotheid het best gekruid 30 Hoofdstuk XIX. Zij knoopt vriendschapsbanden 31 Hoofdstuk XX. Door haar komen huwelijken tot stand 33 Hoofdstuk XXI. Elke gemeenschap onder de menschen is aan haar te danken 35 Hoofdstuk XXII. De rol, die de Zelfzucht speelt in dienst van haar zuster, de Zotheid 35 Hoofdstuk XXIII. De Zotheid is de oorzaak van hetgeen in den oorlog gebeurt 37 Hoofdstuk XXIV en XXV. Nadeelen der wijsheid 38-41 Hoofdstuk XXVI. Wat nietigheden op het volk vermogen 42 Hoofdstuk XXVII. Het menschelijk leven een speling der Zotheid 44 Hoofdstuk XXVIII. Kunsten en wetenschappen vinden hun oorsprong in ijdele roemzucht 45 Hoofdstuk XXIX. De Zotheid maakt aanspraak op den lof van verstand 45 Hoofdstuk XXX. De Zotheid leidt tot wijsheid 49 Hoofdstuk XXXI. Zij maakt het leven dragelijk 51 Hoofdstuk XXXII en XXXIII. Van de wetenschappen, die in het algemeen tot verderf van het menschdom zijn uitgevonden, bezitten zij, die het nauwst met de Zotheid verband houden, de meeste waarde 54-57 Hoofdstuk XXXIV. De dieren, die van al wat kunst is, verschoond blijven, zijn het gelukkigst. 59 Hoofdstuk XXXV, XXXVI en XXXVII. Dwazen, zotten, domkoppen en narren zijn veel gelukkiger dan wijzen 60-65 Hoofdstuk XXXVIII. Waanzin is begeerenswaard 65 Hoofdstuk XXXIX. Aan een dergelijke krankzinnigheid lijden mannen, die hun vrouwen vergoden, jagers, bouwlustigen en dobbelaars 68 Hoofdstuk XL en XLI. Bijgeloovigen 71-75 Hoofdstuk XLII. Dwazen, die zich op hun adellijken titel laten voorstaan 77 Hoofdstuk XLIII. Ieder mensch, volk of stad is de eigenliefde ingeplant 79 Hoofdstuk XLIV. De voordeelen, die de Eigenliefde en haar zuster, de Pluimstrijkerij, verschaffen 81 Hoofdstuk XLV. Het geluk hangt af van de meening der menschen 82 Hoofdstuk XLVI. De Zotheid schenkt aan alle menschen haar zegeningen 85 Hoofdstuk XLVII. Haar goedaardigheid 86 Hoofdstuk XLVIII. Verschillende soorten en vormen der Zotheid 88 Hoofdstuk XLIX. Taalmeesters 92 Hoofdstuk L. Dichters 95 Hoofdstuk LI. Rechtsgeleerden 99 Hoofdstuk LII. Wijsgeeren 100 Hoofdstuk LIII. Godgeleerden 102 Hoofdstuk LIV. Religieuzen en monniken 112 Hoofdstuk LV. Vorsten 123 Hoofdstuk LVI. Hovelingen 125 Hoofdstuk LVII. Bisschoppen 127 Hoofdstuk LVIII. Kardinalen 128 Hoofdstuk LIX. Pausen 130 Hoofdstuk LX. De bisschoppen der Duitschers 134 Hoofdstuk LXI. De Fortuin begunstigt de dwazen 137 Hoofdstuk LXII. Getuigenissen der ouden 140 Hoofdstuk LXIII. Getuigenissen uit de Heilige Schrift 141 Hoofdstuk LXIV en LXV. Verkeerde uitleggers van de woorden der Heilige Schrift 148-153 Hoofdstuk LXVI. De Christelijke godsdienst vertoont een zekere verwantschap met de Zotheid 159 Hoofdstuk LXVII. De hoogste zaligheid voor de menschen is een soort van waanzin 165 Hoofdstuk LXVIII. Besluit 168

AANTEEKENINGEN

[1] Museum, Dec. 1908, kolom 107.

[2] Enkele zijn, in overeenstemming met de redactie, weggelaten daar ze aanstoot zouden kunnen geven.

[3] De bekende schrijver van Utopia, even geleerd als rechtschapen, geb. te Londen 1478, onthoofd 1535.

[4] Grieksch wijsgeer, geb. ongev. 480 v. Chr., die, volgens de overlevering, lachend de aardsche zaken placht te beschouwen.

[5] Grieksch satiricus, geb. ongev. 125 na Chr.

[6] Publius Vergilius Maro, Romeinsch dichter, 70-19 v. Chr.

[7] Romeinsch dichter, 43 v. Chr.-17 na Chr.

[8] Onbeteekenend Grieksch schrijver, ± 400 v. Chr.

[9] Grieksch schrijver, 436-338 v. Chr.

[10] Mythisch koning van Egypte, om zijn wreedheid berucht.

[11] Personage, optredend in een werk van den Griekschen wijsgeer Plato, 429-348 v. Chr.

[12] Grieksch schrijver, ± 130 na Chr.

[13] Wordt door Homerus als de leelijkste en onverdraaglijkste van alle Grieken voor Troje geschilderd.

[14] Bisschop, ± 400 na Chr.

[15] Romeinsch wijsgeer, gest. 65 na Chr.

[16] Romeinsch keizer, regeerde 41-54 na Chr.

[17] Grieksch schrijver, ± 100 na Chr.

[18] Gryllus, in een varken herschapen, geeft de voorkeur aan zijn nieuw bestaan als dier.

[19] Romeinsch schrijver, ± 150 na Chr. Die Ezelhistorie van Apuleius is door Van Limburg Brouwer bewerkt in zijn geestig verhaal De Ezel. Zie onze N. B. II.

[20] De naam is een klanknabootsing.

[21] Kerkvader, geb. 340 na Chr.; op zijn vertaling der Heilige Schrift berust grootendeels de Vulgaat (Latijnsche bijbel).

[22] Erasmus schijnt hier te bedoelen, dat men, volgens sommigen, zelfs niets mag afdoen aan de officieele titels (zooals "zeer geleerd," "wel eerwaard" enz.).

[23] Bekend Romeinsch satirendichter, ± 100 na Chr.

[24] Toovermiddel, dat alle leed deed vergeten.

[25] Orakel in Griekenland. Men geloofde, dat hij, die in dat hol vol verschrikkingen afdaalde, nooit meer lachte.

[26] Koning Midas stelde het ruwe fluitspel van den god Pan boven het citherspel van Apollo. Tot straf veranderde de laatste zijn ooren in die van een ezel.

[27] Bij de Grieken een rondreizend, voor geld onderwijs gevend geleerde. De sophist op het prentje zoekt voorzichtig zijn weg tusschen doornen (= spitsvondigheden); vergel. begin v. hoofdst. LXIII.

[28] Natuurlijk in de ooren der Zotheid.

[29] Atheensch wetgever, ± 600 v. Chr.

[30] Tyran op Sicilië, om zijn wreedheid berucht, regeerde 568-549 v. Chr.

[31] Het deftige personage op het prentje (een raadsheer of iets dergelijks) kan niet nalaten naar het aardige meisje om te kijken, zoodat hij in een mand met koopwaar trapt.

[32] Hiermee worden natuurlijk de woorden "Moren, Sophen, Morosophen" uit het vorige hoofdstuk bedoeld.

[33] Onderwereld of god van de onderwereld.

[34] Vader der voornaamste goden.

[35] Vader o.a. van den bekenden Prometheus.

[36] Rijkdom, dien o.a. de Atheensche blijspeldichter Aristophanes (± 400 v. Chr.) als god ten tooneele voert.

[37] Gewoonlijk wordt Jupiter zoo genoemd.

[38] Naast Homerus de voornaamste epische dichter der Grieken, ± 800 v. Chr.

[39] Immers arme lieden zijn niet in staat goden tot een offermaal uit te noodigen.

[40] Eiland tusschen Griekenland en Klein-Azië.

[41] Op Delos werden Apollo en Diana, uit de zee Venus geboren.

[42] Deze drie kruiden bezaten volgens de ouden heilzame kracht.

[43] Godenspijs.

[44] Jupiter wordt bedoeld, die gezoogd zou zijn door de geit Amalthea.

[45] Dronkenschap.

[46] Onwetendheid.

[47] Herdersgod met bokspooten, zinnelijk en boersch van karakter.

[48] De godin Pallas Athene zou uit het hoofd van Jupiter geboren zijn, zie hoofdst. LIII op het eind.

[49] Soort van schild, dat Jupiter zwaait, als hij onweder wil verwekken.

[50] Strenge wijsgeeren.

[51] Grieksch wijsgeer, geb. ± 580 v. Chr. Het getal 4 was volgens hem de wortel en bron van alle dingen; zie A. Pierson, Hellas II, p. 7 "De dingen zijn niet eerst, zoodat het cijfer eenvoudig uitdrukt, wat of hoe zij zijn; omgekeerd: het een of ander ontstaat, omdat het cijfer, de orde, omdat de evenredigheid er is."

[52] Romeinsch dichter, 96-50 v. Chr.; begint zijn leerdicht over de Natuur met de aanroeping van Venus, aan wie alles, wat op aarde leeft, zijn ontstaan te danken heeft.

[53] "Wijs" is voor de Zotheid onwijs en omgekeerd.

[54] Grieksch treurspeldichter, 497-406 v. Chr.