Chapter 11
Maar waarom beroep ik mij zoo angstvallig op het gevoelen van één man? Alle Theologen zonder onderscheid bezitten immers het recht om den hemel, d. w. z. de Heilige Schrift, als een huid uit te rekken en zoo zijn bij den heiligen Paulus de woorden van de Heilige Schrift met elkander in tegenspraak, die op hun eigen plaats niet met elkander strijden [384], als men de verzekering van den beroemden Hieronymus [385], die vijf talen verstond, mag gelooven. Hij verdraaide namelijk een te Athene bij toeval ontdekt opschrift op een altaar, om daaraan een bewijs voor het christelijke geloof te ontleenen, en met voorbijgaan van al wat zijn zaak zou kunnen schaden, pikte hij slechts de laatste woorden er af nl. deze: Aan den onbekenden God [386], en veranderde ook deze nog een weinig. Immers het geheele opschrift luidde aldus: "AAN DE GODEN VAN AZIË, EUROPA EN AFRICA, AAN DE ONBEKENDE EN VREEMDE GODEN." Op zijn voetspoor plegen verder de zonen der Theologen [387] zoo hier en daar vier of vijf woordjes, uit hun verband gerukt en, zoo noodig, nog verdraaid, te hunnen nutte aan te wenden, ofschoon het voorgaande en het volgende of in het geheel niets ter zake afdoet of zelfs daarmede lijnrecht in strijd is. En dit doen zij met zulk een gelukkige onbeschaamdheid, dat de rechtsgeleerden dikwijls de Godgeleerden benijden. Wat toch zou hun verder niet gelukken, nadat die groote--haast had ik zijn naam uitgeflapt, maar al weer vrees ik voor het Grieksche spreekwoord [388]--uit de woorden van Lucas een gevoelen gehaald heeft, dat evenzeer met Christus' bedoeling strookt, als er overeenstemming bestaat tusschen water en vuur? Want toen het uiterste gevaar [389] dreigde, een oogenblik, waarop goede beschermelingen hun beschermheeren het meest plegen ter zijde te staan en met alle mogelijke middelen in den strijd te helpen, heeft Christus, wiens doel was al het vertrouwen op dergelijke hulpmiddelen uit de gemoederen der zijnen te verdrijven, hen gevraagd, of hun ergens iets ontbroken had, en dat, ofschoon hij hen zoo zeer van alles, wat tot de reis noodig was, ontbloot had uitgezonden, dat hij hen zelfs niet door schoeisel beschermde tegen kwetsuren van dorens en steenen en hun zelfs geen knapzak gaf tegen den honger. Toen zij zeiden, dat hun niets ontbroken had, ging hij aldus voort: Maar nu, zeide hij, wie eenen buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male [390], en die geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard. Daar de geheele leer van Christus ons niets anders inprent dan zachtmoedigheid, verdraagzaamheid en verachting des levens, wien is het dan niet zonneklaar, wat hij met deze plaats bedoelt? Natuurlijk zijn gezanten nog meer te ontwapenen, zoodat zij niet slechts om schoeisel en knapzak zich weinig zullen bekommeren, maar ook het kleed daarenboven wegwerpen en naakt, zonder eenige belemmering, hun evangelische taak aanvaarden. Niets moeten zij zich aanschaffen dan een zwaard, niet zulk een, waarmee roovers en vadermoorders hun wandaden plegen, maar het zwaard des geestes, doordringende zelfs in de diepste schuilhoeken des harten, dat in één keer alle hartstochten zóó besnoeit, dat men zich verder om niets bekommert, behalve om de vroomheid. Maar let nu eens op, bid ik U, in welke richting die beroemde Godgeleerde deze woorden verdraait. Het zwaard vat hij op als de verdediging tegen de vervolging, den zak als een voldoenden voorraad leeftocht, even alsof Christus, geheel van gevoelen veranderd, omdat hij zijn gezanten bij hun vertrek niet vorstelijk genoeg van alles voorzien scheen te hebben, zijn vroeger gebod herriep en alsof hij, vergetend wat hij vroeger had verkondigd, dat zij zalig zouden zijn, als men hen met smaadwoorden, beleedigingen en straffen vervolgde [391], hun verbiedend om zich te eeniger tijd tegen het kwaad te verzetten [392], want dat de zachtmoedigen zalig zijn [393], niet de strijdlustigen, en ook vergetend, dat hij hun de musschen en de leliën [394] ten voorbeeld gesteld heeft, nu zelfs niet wilde, dat zij zonder zwaard vertrokken, zoo zelfs, dat hij hun beveelt hun onderkleed te verkoopen voor een zwaard en liever wil, dat zij zich naakt op weg begeven dan zonder een zwaard. Daarenboven, evenals hij onder den naam zwaard alles begrepen acht, wat strekt om zich tegen geweld te verzetten, zoo bevat, volgens hem, ook het woord knapzak al wat tot de nooddruft behoort. En zoo laat die vertolker van de goddelijke wijsheid de apostelen met lansen, schietwerktuigen, slingers en bombarden uittrekken, om den gekruisigde te prediken. Hij belaadt hen daarenboven met kisten, koffers en allerlei bagage, opdat zij niet soms zonder ontbijt uit hun herberg zouden moeten weggaan. Zelfs maakt het geen indruk op den man, dat hij [395] hen het zwaard, dat hij zoo dringend geraden had te koopen, kort daarop met een scherpe berisping weer laat opsteken [396] en dat men zelfs bij geruchte er nooit van gehoord heeft, dat de apostelen zich van zwaarden of schilden bedienden om het geweld der heidenen te keeren hetgeen zij zeker gedaan zouden hebben, zoo Christus van dat gevoelen geweest was, dat hij in deze woorden zoekt. Er is een ander, wiens naam ik eershalve niet vermeld, ofschoon hij waarlijk niet slecht bekend staat [397], die uit de tenten, waarvan Habakuk spreekt met de woorden: De vellen van het land Madian zullen geschud worden [398], het vel van den gevilden Bartholomaeus [399] gemaakt heeft. Zelf heb ik onlangs een theologisch twistgesprek bijgewoond; want dit doe ik dikwijls. Toen iemand bij die gelegenheid de vraag stelde, welke bewijsplaats er wel in de Heilige Schrift voorkwam, op grond waarvan men de ketters liever door het vuur moest overwinnen dan door redevoeringen van dwaling overtuigen, gaf een grijsaard met een streng gelaat en zeker--dit bewees zijn laatdunkend uiterlijk--een Theoloog in hevigen toorn ten antwoord, dat de apostel Paulus dit bevel had gegeven: Snijd eenen ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning af [400]. Toen hij die woorden telkens opnieuw met een donderende stem herhaalde en zeer velen vol verbazing vroegen, wat den man toch overkomen was, gaf hij eindelijk de verklaring, dat men een ketter den hals moest afsnijden. Eenigen lachten, maar het ontbrak ook niet aan toehoorders, die dit verzinsel volkomen theologisch vonden. Toen echter sommigen zich tegen deze verklaring luide bleven verzetten, nam een ander het voor hem op, die de knoop met een bijl doorhakte, zoodat verder niets tegen hem te zeggen viel. Hoort, zeide hij, wat de zaak is: Daar staat geschreven: Laat den boosdoener niet leven [401]; ieder ketter is een boosdoener, dus, enz. De geheele vergadering bewonderde het vernuft van den man en door middel van de voeten, die nog wel in groote laarzen staken, gaf men zijn goedkeuring te kennen. Niemand kwam op de gedachte, dat dit voorschrift betrekking heeft op de waarzeggers, bezweerders en toovenaars, die in het Hebreeuwsch Mekaschephim heeten; anders had men ook hoererij en dronkenschap met den dood moeten straffen.
HOOFDSTUK LXV.
Vervolg.
Maar het is dwaas van mij al deze dingen na te gaan, die zoo talloos zijn, dat zelfs de werken van Chrysippus of Didymus [402] ze niet alle zouden kunnen bevatten. Met deze opmerking alleen meen ik te kunnen volstaan, dat, wanneer dit aan die goddelijke meesters vrij stond, men mij ook, een uit slecht hout gesneden Theoloog, vergiffenis behoort te schenken, als mijn aanhalingen niet allen in den haak zijn. Nu keer ik eindelijk tot Paulus terug: Gij verdraagt, zegt hij, gaarne de onwijzen [403]. En wederom: Neemt mij dan aan als eenen onwijze, en ik spreek niet naar den Heere, maar als in onwijsheid [404]. Wederom elders: Wij, zegt hij, zijn dwazen om Christus' wil [405]. Gij hebt het gehoord, wie de groote zegsman is van die groote loftuitingen op de zotheid. Zelfs predikt hij ook openlijk de dwaasheid als iets, dat boven alles noodzakelijk en zeer heilzaam is: Zoo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden [406]. Bij Lucas noemt Jezus ook twee discipelen, bij wie hij zich op weg heeft aangesloten, dwazen [407]. Ik geloof haast niet, dat dit iemand vreemd kan voorkomen, daar de goddelijke Paulus ook God een weinigje dwaasheid toeschrijft: Het dwaze Gods, zegt hij, is wijzer dan de menschen [408]. Verder wil Origenes [409], zijn uitlegger, niet, dat men onder deze dwaasheid verstaat de meening der menschen daaromtrent, zooals op die bekende plaats: Het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid [410].
Maar waarom ga ik voort nuttelooze moeite aan te wenden om U dit door zooveel bewijsplaatsen aan te toonen, daar in de mystische psalmen Christus openlijk tot den vader zegt: Gij weet van mijne dwaasheid [411]. Het is waarlijk niet zonder goeden grond, dat de zotten zoozeer aan God behaagd hebben: de reden is, meen ik, hierin gelegen: evenals de hooggeplaatste vorsten menschen met al te groote geestesgaven verdenken en haten, zooals Julius Caesar Brutus en Cassius, terwijl hij den dronken Antonius volstrekt niet vreesde [412], en gelijk Nero Seneca [413], Dionysius Plato [414], en zij daarentegen in domme en eenvoudige geesten vermaak scheppen, zoo verfoeit en veroordeelt Christus ook die wijzen, die eeuwig zich op hun inzicht verlaten. Dit geeft Paulus geenszins onduidelijk te kennen, als hij zegt: Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren [415], en ook, dat het Gode behaagd heeft de wereld door de dwaasheid te redden, aangezien ze door de wijsheid niet kon hersteld worden [416]. Ja, diezelfde apostel levert een voldoende bewijs, uitroepende door den mond des profeets: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan en het verstand der verstandigen zal ik te niet maken [417]. En wederom als hij God dankt, dat hij de geheimenis der zaligheid voor de wijzen verborgen had gehouden, maar den kinderkens, d. i. den dwazen had geopenbaard [418]. Want in het Grieksch staat er een woord voor "kinderkens," dat ook "dwazen" kan beteekenen, en hij heeft die dan ook tegenover de wijzen gesteld. Hiertoe behoort nog, dat hij overal in het Evangelie Farizeën, schriftgeleerden en wetgeleerden aanvalt, maar het domme volk met alle macht verdedigt. Want wat beteekent het woord: Wee U, gij schriftgeleerden en Farizeën [419], anders dan: Wee U, gij wijzen? Hij schijnt daarentegen de grootste voorliefde te hebben gekoesterd voor kleine kinderen, vrouwen en visschers. Zelfs behagen die redelooze dieren het meest aan Christus, die zoo ver mogelijk verwijderd zijn van de slimheid der vossen: daarom zat hij bij voorkeur op een ezel [420], terwijl hij, zoo het hem gelust had, zelfs veilig op een leeuw had kunnen rijden. Ook is de Heilige Geest in de gestalte van een duif neergedaald, niet in die van een arend of wouw. Daarenboven is er in de Heilige Schrift op verscheiden plaatsen herhaaldelijk sprake van herten, reeën en lammeren. Voeg hierbij, dat hij de zijnen, die tot een onsterfelijk leven bestemd zijn, schapen noemt [421], dieren, die het dwaast zijn van alle levende schepselen, zooals zelfs het spreekwoord bij Aristoteles [422] "Schapennatuur" getuigt, waaruit blijkt, dat men deze uitdrukking, aan de dwaasheid van dit vee ontleend, voor domme en stompe menschen als scheldwoord placht te bezigen. En toch erkent Christus, dat hij de herder is van deze kudde, ja zelfs, vond hij genoegen in den naam van lam, toen Johannes op hem wees met de woorden: Zie het lam Gods [423], waarvan ook dikwijls in de Openbaring gesproken wordt [424]. Wat verkondigen deze woorden anders dan dat alle menschen dwaas zijn, ook de vromen? dat ook Christus zelf om de dwaasheid der menschen tegemoet te komen, ofschoon hij de wijsheid des Vaders was [425], toch in zekeren zin dwaas is geworden, toen hij, na de menschelijke natuur te hebben aangenomen, in gedaante gevonden is als een mensch [426]? evenals hij ook zonde geworden is om de zonden weg te nemen [427]. En dit wilde hij op geen andere wijze doen dan door middel van de dwaasheid des kruises [428], door zotte en domme apostelen, aan wie hij ijverig dwaasheid voorschrijft, hen van de wijsheid afschrikkende, terwijl hij hen wijst op het voorbeeld van kinderen [429], leliën [430], mostaardzaad [431] en musschen [432], domme en redelooze zaken en die alleen naar de leiding der natuur, zonder eenige kunst of zorg hun leven doorbrengen. Daarenboven als hij niet wil, dat zij bezorgd zijn, welke woorden zij bij de stadhouders zullen gebruiken [433], en als hij hun verbiedt de tijden of gelegenheden [434] te onderzoeken, dan is dit blijkbaar met het doel om te maken, dat zij niet op hun eigen wijsheid vertrouwen, maar met geheel hun ziel aan hem hangen. Hiertoe behoort ook, dat God, de schepper der wereld, den menschen verbood te proeven van den boom der kennis [435], even alsof kennis het geluk vergiftigt. Paulus komt echter openlijk met zijn afkeuring van de kennis voor den dag, die de menschen opgeblazen en diep ongelukkig zou maken [436]. Vergis ik mij niet, dan volgt de Heilige Bernard [437] zijn voetspoor, als hij den berg, waarop Lucifer zijn zetel had opgeslagen [438], voor den berg der kennis verklaart. Misschien zal men ook meenen, dat dit bewijs voor de gunst, waarin de dwaasheid bij de hemelingen staat, niet achterwege mag blijven, dat haar alleen vergiffenis voor haar dwalingen gegeven wordt, maar den wijze niet; en daarom maken zij, die om vergeving smeeken, ook wanneer zij willens en wetens gezondigd hebben, desniettemin gebruik van het voorwendsel en de bescherming der dwaasheid. Want Aäron smeekt in het Boek Numeri [439], als ik mij goed herinner, dat zijn vrouw de straf worde kwijtgescholden, in deze bewoordingen: Och, mijn Heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben! Zoo smeekt ook Saul David om vergiffenis van schuld, zeggende: Zie, ik heb dwaselijk gedaan [440]. Wederom spreekt David zelf deze vleiende woorden tot den Heer: Maar nu, o Heere! neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan [441]; alsof hij geen vergiffenis zou verkrijgen, zoo hij geen dwaasheid en onwetendheid voorwendde. Maar een klemmender bewijs is dit, dat Christus aan het kruis, toen hij voor zijn vijanden bad: Vader! vergeef het hun, geen andere verontschuldiging aanvoerde, dan die van onverstand: Omdat zij niet weten, zegt hij, wat zij doen [442]. Evenzoo zegt Paulus in zijn brief aan Timotheüs: Maar mij is daarom barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijne ongeloovigheid [443]. Wat beteekent: ik heb het onwetende gedaan, anders dan dit: ik heb het uit dwaasheid, niet uit boosaardigheid gedaan? Wat beteekent: mij is daarom barmhartigheid geschied, anders dan: mij zou die niet te beurt gevallen zijn, zoo mijn dwaasheid mij niet tot voorspraak had gestrekt? Voor ons pleit ook die mystische psalmdichter, die mij ter rechter plaatse niet voor den geest kwam: Gedenk niet der zonden mijner jongheid, noch mijner onwetendheden [444]. Gij hebt gehoord, op welke twee zaken hij zich beroept, namelijk dien leeftijd, welks onafscheidelijke metgezel ik pleeg te zijn, en de onwetendheden--en deze in het meervoud, opdat wij den reusachtigen omvang zijner dwaasheid zouden begrijpen.
HOOFDSTUK LXVI.
De Christelijke godsdienst vertoont een zekere verwantschap met de Zotheid.