Chapter 10
Zeker zou dit een onmenschelijke en verfoeilijke daad zijn, maar nog veel afschuwelijker zou het zijn, als zelfs de hoogstgeplaatste kerkvorsten en de ware lichten der wereld, weer tot bedelzak en bedelstaf werden gebracht. Nu echter, als er eenig moeilijk werk te verrichten is, laten zij dit gewoonlijk aan Petrus en Paulus over, die overvloed van tijd hebben, maar nemen al den glans en al het genot voor zich. En zoo heeft zeker, door mijn toedoen, haast geen soort van menschen een lekkerder en minder kommervol leven, daar zij meenen hun plichten jegens Christus volop vervuld te hebben, als zij door een mystischen en haast op het tooneel thuis behoorenden dos, door ceremoniën, door de titels van "Zaligheid, Eerwaardigheid" en "Heiligheid" en door zegeningen en vervloekingen den bisschop spelen. Wonderen te verrichten is reeds lang verouderd en geheel uit den tijd: het volk te onderwijzen is moeilijk; de Heilige Schrift te verklaren schoolvossenwerk: bidden onnut: tranen te storten vervelend en verwijfd: gebrek te lijden onfatsoenlijk: zich door anderen den loef te laten afsteken schandelijk en weinig in overeenstemming met de waardigheid van hem, die ternauwernood zelfs de aanzienlijkste vorsten tot het kussen zijner zalige voeten toelaat: eindelijk sterven onaangenaam: aan het kruis geslagen te worden schandelijk. Nu blijft hun alleen dit over, de wapenen en de zoete zegeningen [330], waarvan Paulus spreekt, en met deze zijn zij waarlijk mild genoeg, banvonnissen, schorsingen, aggravaties en redaggravaties [331], vervloekingen, schilderijen van helsche straffen en dien vrees inboezemenden bliksem, waardoor zij met één wenk de zielen der menschen zelfs dieper dan den Tartarus [332] zenden. Evenwel gebruiken die allerheiligste vaders in Christus en Christus' stedehouders juist dit wapen tegen niemand met grooter felheid dan tegen hen, die op aanzetten van den duivel de bezittingen van Petrus trachten te verminderen en te verkleinen. Ofschoon deze apostel in het Evangelie zegt: Wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd [333], noemen zij desniettemin landen, steden, belastingen, tollen en heerschappijen zijn bezitting. Als zij van ijver voor Christus blakend hiervoor met vuur en zwaard strijden, niet zonder daarbij veel Christenbloed te vergieten, dan eerst gelooven zij de kerk, Christus' bruid, als apostelen te verdedigen, door haar vijanden, zooals zij ze noemen, door hun dapperheid te verslaan. Alsof er verderfelijker vijanden voor de kerk bestaan dan goddelooze pausen, die én door hun stilzwijgen Christus doen vergeten én hem binden aan wetten, voordeelshalve gegeven, én hem door gedwongen verklaringen geweld aandoen én hem door hun verpestend levensgedrag vermoorden. Ofschoon verder de Christelijke kerk door bloed is gesticht, door bloed versterkt en door bloed in wasdom is toegenomen, verdedigen zij hun zaak met het zwaard, alsof er geen Christus bestond, wiens gewoonte het was, de zijnen te verdedigen: en ofschoon de oorlog een zoo gruwelijk iets is, dat hij wilden beesten, niet menschen betaamt, zoo waanzinnig, dat ook de dichters hem voorstellen als door de Furiën gezonden [334], zoo verpestend, dat hij een algemeen zedenbederf in zijn gevolg heeft, zoo onrechtvaardig, dat de gemeenste bandieten hem het best voeren, zoo goddeloos, dat er tusschen Christus en hem volstrekt geen gemeenschap bestaat, laten zij toch alle andere dingen achterwege en houden zich alleen met hem bezig. Hierin kunt gij zelfs afgeleefde grijsaards [335] een jeugdige kracht zien ontwikkelen, zonder zich te storen aan de kosten of vermoeid te worden door de inspanning of zich door iets te laten afschrikken, zoo het hun maar gelukt wetten, godsdienst, vrede en alle menschelijke zaken onderste boven te werpen. Het ontbreekt ook niet aan geleerde vleiers, die dezen handtastelijken waanzin ijver, vroomheid, dapperheid noemen en een weg hebben weten te vinden, waardoor het mogelijk wordt het doodelijke staal te trekken en in het ingewand zijns broeders te drijven, zonder dat daardoor aan die hoogste liefde eenige afbreuk wordt gedaan, die volgens Christus' voorschrift de Christen zijn naaste schuldig is.
HOOFDSTUK LX.
De bisschoppen der Duitschers.
Tot nog toe verkeer ik in onzekerheid, of sommige bisschoppen der Duitschers hiertoe het voorbeeld gegeven, dan of zij veeleer hun levenswijze hieraan ontleend hebben. Zij laten eenvoudig zelfs den eeredienst, het uitspreken van den zegen en alle dergelijke ceremoniën achterwege en gedragen zich geheel als wereldlijke landvoogden, zoodat zij het haast laf en voor een bisschop weinig betamelijk achten, elders dan op het slagveld hun dapperen geest aan God te geven. Natuurlijk, dat het gros der priesters het als een gruwel beschouwt in heiligheid voor zijn voorgangers onder te doen en als echte soldaten voor zijn tiendrecht met zwaarden, schichten, steenen, en allerlei wapentuig oorlog voert. En wat zijn ze scherp van gezicht op dit ééne punt, of er iets uit de geschriften der ouden te halen valt om hun kuddeke bang te maken en hen te overtuigen, dat men nog meer dan tienden verschuldigd is! Maar intusschen komt het hun niet in den zin, hoeveel er overal te lezen is over den plicht, dien zij op hun beurt jegens het volk te vervullen hebben. En allerminst herinnert hen de geschoren kruin, dat een priester van alle begeerten dezer wereld vrij behoort te zijn en dat hij over niets dan over de hemelsche zaken behoort te peinzen. Maar die lieve menschen beweren zich van hun plicht al duchtig gekweten te hebben, als zij hun gebeden, hoe dan ook, hebben afgepreveld, ofschoon het mij waarlijk zeer zou bevreemden, als eenige god deze of hoorde of begreep, daar zij zelf, als zij ze opdreunen, ze haast evenmin hooren als verstaan. Maar dit hebben de priesters zeker met de oningewijden gemeen, dat zij allen goed wakker zijn, als het er op aankomt om voordeelen binnen te halen, en dat geen van hen dan onbekend is met de wetten [336]. Maar is er hun soms een last opgelegd, dan schuiven zij dien zeer wijselijk op de schouders van anderen en kaatsen elkander den bal toe. Zoo gaat het immers ook met de wereldlijke vorsten: evenals zij de taak van het rijksbestuur aan plaatsvervangers opdragen, en de eene plaatsvervanger die weer aan een ander overdoet, zoo laten ook zij uit zedigheid de betrachting der godsdienstplichten geheel aan het volk over. Het volk schuift deze weer op hen, die het de mannen der kerk noemt, alsof het zelf in 't geheel geen gemeenschap heeft met de kerk, alsof de geloften van den doop volstrekt niets te beteekenen hadden. Van hun kant wentelen de priesters, die zich wereldlijke noemen, alsof zij der wereld, niet Christus gewijd waren, dezen last op de regulieren [337], de regulieren op de monniken, de monniken van een ruimeren op die van een strengeren leefregel, allen te zamen op de bedelmonniken, de bedelmonniken op de kartuizers [338], die de eenigen zijn, bij wie de vroomheid begraven en verscholen ligt, en wel zoo, dat men ze schier nooit te zien kan krijgen.
Zoo dragen ook de pausen, die bij den geldoogst zeer nauwlettend zijn, die al te apostolische werkzaamheden aan de bisschoppen op, de bisschoppen aan de pastoors, de pastoors aan hun kapelaans, de kapelaans aan de bedelmonniken. Deze wijzen voor dit werk weer anderen aan, door wie de schapen geschoren worden. Het ligt echter niet in mijn plan het leven van pausen en priesters uit te kleeden, want men zou dan kunnen denken, dat ik een satire wilde schrijven, niet een lofrede voordragen, en men zou kunnen meenen, dat de goede vorsten door mij werden doorgehaald, dewijl ik de slechte prijs [339]. Maar hierom heb ik dit onderwerp ter sprake gebracht, opdat het zou blijken, dat er geen mensch ter wereld aangenaam kan leven, wanneer hij niet tot mijn ingewijden behoort en ik hem genadig ben.
HOOFDSTUK LXI.
De Fortuin begunstigt de dwazen.
Want hoe zou dit mogelijk wezen, daar ook de Nemesis [340], die het geluk der menschen in haar hand heeft, het zoozeer met mij eens is, dat zij zich altijd een aartsvijandin van die wijzen betoond heeft en daarentegen den dwazen zelfs in den slaap alle voordeelen heeft bezorgd.
Gij herinnert u dien Timotheus [341], die hiervan zijn bijnaam ontving en op wien het spreekwoord: "Hij vangt slapend visch in zijn net" werd toegepast, en ook een ander: "De uil vliegt" [342]. Daarentegen zijn op de wijzen deze bekende woorden van toepassing: "in het laatste kwartier geboren" [343] en "hij bezit het paard van Seius" en "het goud van Toulouse" [344]. Doch ik houd op spreekwoorden aan te halen om niet den schijn op mij te laden, dat ik de aanteekeningen [345] van mijn vriend Erasmus geplunderd heb.
Om mij derhalve tot mijn onderwerp te bepalen: de fortuin houdt van de onbezonnenen, zij houdt van de waaghalzen en hen, wier zinspreuk is: "men moet alles op één worp zetten." Maar de wijsheid maakt de menschen een weinig te angstig en daarom ziet ge gewoonlijk, dat armoede, honger, roest en vuil onafscheidelijk zijn van die wijzen en dat zij vergeten, onberoemd en gehaat hun leven doorbrengen, terwijl de dwazen overvloed hebben van geld, aan het roer van het schip van staat geplaatst worden, kortom in allen opzichte een heerlijk leven leiden. Want als iemand het een geluk acht, zich de goedkeuring van de aanzienlijkste mannen verworven te hebben en te midden van die met edelgesteenten beladen hooge heeren, mijn trouwe dienaars, te leven, wat is dan onnutter dan wijsheid of liever, wat is bij dit slag van menschen meer in den ban? Als er schatten moeten verdiend worden, wat zal de koopman toch wel voor winst maken, als hij, volgens de voorschriften der wijsheid, terugdeinst voor een valschen eed, als hij, op een leugen betrapt, een kleur krijgt, en als hij aan al die benepen gemoedsbezwaren der wijzen aangaande diefstal en rente ook maar eenige waarde hecht? Verder, als iemand naar kerkelijke eerambten of waardigheden staat, dan dient hij niet te vergeten, dat zelfs een ezel of een buffel zich eerder daarheen een weg zal banen dan een wijze. Verlangt men naar mingenot, welnu, de meisjes, de hoofdpersonen van dit tooneelstuk, zijn den dwazen van ganscher harte genegen, maar den wijze verafschuwen en vermijden zij als een schorpioen. Allen eindelijk, die een prettig en vroolijk leventje willen leiden, houden den wijze in de allereerste plaats buiten hun kring, tot welken zij ieder dier nog liever zouden toelaten. Kortom, waarheen gij u ook wendt, bij de pausen, vorsten, rechters, overheden, vrienden en vijanden, grooten en kleinen kan men alles gedaan krijgen voor contant geld en, omdat de wijze daaraan volstrekt geen waarde toekent, plegen zij hem ook zorgvuldig te mijden. Maar ofschoon er paal noch perk bestaat voor mijn loftuitingen, moet er toch eindelijk een eind komen aan mijn redevoering. Daarom zal ik ophouden te spreken, maar eerst na aangetoond te hebben, dat het niet ontbreekt aan groote schrijvers, die mij zoowel door hun geschriften als door hun daden verheerlijkt hebben, opdat niet de een of ander soms meene, dat ik op de wijze der zotten alleen mijzelf behaag, en pedante wetgeleerden mij lasterlijk beschuldigen, dat ik geen bewijsplaatsen aanhaal. Welnu, wij zullen dan naar hun eigen voorbeeld aanhalingen ten beste geven--die niets bewijzen.
HOOFDSTUK LXII.
Getuigenissen der ouden.
Vooreerst dan bestaat de algemeene overtuiging, die door het zeer bekende spreekwoord wordt uitgedrukt, dat, waar de werkelijkheid ontbreekt, daar de schijn het beste is, en daarom leert men te recht reeds den knapen dezen versregel:
De hoogste wijsheid is, op tijd zich zot te veinzen [346].
Maakt hier nu zelf maar uit op, welk een onmetelijk goed de Zotheid is, wier bedriegelijke schaduw zelfs en wier nabootsing alleen zich zooveel lof bij de geleerden verwerft. Maar nog veel openhartiger komt hiervoor uit dat vette en welgedane varkentje uit Epicurus' kudde [347], dat raadt dwaasheid te vermengen met onze beraadslagingen, al heeft hij er al erg onverstandig bijgevoegd, dat er slechts een kleine dosis noodig is. Zoo zegt hij elders: Het is zoet bij gelegenheid eens dol te zijn. Weer op een andere plaats wil hij liever voor zwak van hoofd en een domoor doorgaan dan vol gemelijke wijsheid zijn.
Reeds bij Homerus wordt Telemachus [348], dien de dichter in allen opzichte prijst, zoo nu en dan onnoozel genoemd en dienzelfden voornaam, alsof die iets goeds voorspelde, plegen de treurspeldichters gaarne aan knapen en jongelingen te geven. Wat bevat het heilige lied, de Ilias, anders dan beschrijvingen van den toorn van dwaze vorsten en volken [349]? Hoe onbeperkt is verder die lofspraak van Cicero: "Alles is vol zotten!" Want wie weet niet, dat ieder goed des te voortreffelijker is, naarmate het zich verder uitstrekt?
HOOFDSTUK LXIII.
Getuigenissen uit de Heilige Schrift.
Maar misschien hechten de Christenen aan het aangevoerde weinig waarde. Laten wij daarom ook, zoo gij het goedvindt, den lof, dien wij ons zelf toekennen, met getuigenissen uit de Heilige Schrift schragen of, zooals de geleerden zeggen, er een fundament aan geven, na eerst verlof aan de Godgeleerden gevraagd te hebben, dat het met hun genadig goedvinden ons geoorloofd zij; voorts, omdat wij een moeilijke taak aanvaarden en het misschien verkeerd zou zijn opnieuw de Muzen van den Helicon te roepen [350] tot het ondernemen van zulk een lange reis, vooral daar de zaak minder bij haar thuis behoort, zal het misschien gepaster zijn te wenschen, dat, zoolang ik als Godgeleerde optreed en mij temidden van die doornen voortbeweeg, de geest van Scotus, die nog stekeliger is dan een stekelvarken of een egel, een tijd lang uit zijn Sorbonne in mijn binnenste zijn intrek neme [351] en spoedig daarop weder verhuize, waarheen hij wil, desnoods naar de hel. Het zij mij geoorloofd ook een ander gelaat aan te nemen en mij te kleeden als een Theoloog. Ik vrees echter hiervoor, dat men mij van diefstal zal aanklagen, alsof ik heimelijk de papieren onzer Magisters weggenomen heb, omdat ik zooveel van de theologie weet. Maar het moet u niet zoo bijzonder vreemd voorkomen, als ik uit den langdurigen innigen omgang, dien ik met de theologie heb, het een en ander heb opgedaan, daar zelfs die god uit vijgenboomhout, Priapus [352], eenige Grieksche woorden, doordat zijn heer hardop las, opteekende en onthield en de haan van Lucianus door een lang verkeer met menschen de menschelijke taal op en top verstond [353]. Maar eindelijk ter zake--onder goede voorteekenen.
De Prediker schreef in zijn eerste hoofdstuk: Der zotten aantal is eindeloos [354]. Als hij hun aantal eindeloos noemt, schijnt hij dan niet hieronder alle menschen zonder onderscheid te verstaan, behalve eenige zeer weinige, die misschien niemand ooit heeft kunnen ontdekken? Maar ruiterlijker erkent dit Jeremia in het tiende hoofdstuk [355], waar hij zegt: Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geene wetenschap heeft. Aan God alleen schrijft hij wijsheid toe [356], terwijl hij den menschen gezamenlijk de dwaasheid overlaat. En hij zegt wederom een weinig vroeger: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid [357]. Waarom wilt gij niet dat de mensch zich in zijn wijsheid beroemt, mijn beste Jeremia? Zeker hierom, omdat hij geen wijsheid bezit. Maar ik keer tot den Prediker terug. Als hij uitroept: IJdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid [358], meent gij dan, dat hij iets anders bedoeld heeft dan dit, wat wij beweerden, dat namelijk het menschelijke leven niets anders is dan een spel der dwaasheid? Zonder twijfel vereenigt hij zich volkomen met den lof, door Cicero gegeven, wiens bekende uitspraak, door ons boven aangehaald, met volle recht geroemd wordt: Alles is vol zotten [359]. En wederom die wijze Prediker, die gezegd heeft: De dwaas verandert als de maan, de wijze blijft dezelfde als de zon [360], wat bedoelt hij anders dan dit, dat alle menschenkinderen dwaas zijn, maar dat aan God alleen de naam van wijs toekomt? Men verstaat immers onder de maan de menschelijke natuur en onder de zon, de bron van alle licht, God.
Hiermede komt overeen het gezegde van Christus zelf in het Evangelie, dat men niemand goed moet noemen, dan God alleen [361]. Verder, als op gezag der Stoïcijnen, ieder dwaas moet heeten, die niet wijs is, en ieder die goed is, ook wijs, dan moet de Zotheid ongetwijfeld alle stervelingen omvatten. Wederom zegt Salomo in het 15de hoofdstuk [362]: De dwaasheid is den verstandelooze blijdschap, waardoor hij zeker duidelijk erkent, dat er zonder dwaasheid geen zoetheid in het leven is. Hiertoe behoort ook dit bekende gezegde: Die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart en in veel wijsheid is veel verdriet [363]. Erkent dit ook niet openlijk die uitstekende Prediker in het 7de hoofdstuk [364]: Het hart der wijzen is in het klaaghuis, maar het hart der zotten in het huis der vreugde? En daarom stelde hij zich niet tevreden met de beoefening der wijsheid, maar voegde er ook zelfkennis aan toe. Als gij mij niet geheel vertrouwt, hoort dan zijn eigene woorden, die hij neerschreef in het 1ste hoofdstuk [365]: En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid. Hierbij valt zeker op te merken, dat het is om de dwaasheid te eeren, dat hij haar achteraan geplaatst heeft. De Prediker heeft het geschreven en gij weet, dat deze volgorde bij de predikers bestaat, dat hij, die de eerste in rang is, de laatste plaats inneemt, waarbij hij ongetwijfeld het voorschrift des Evangelies volgt [366]. Maar dat de dwaasheid voortreffelijker is dan de wijsheid, dat getuigt ook zonneklaar die Prediker [367], wie hij dan ook moge geweest zijn, in het 44ste hoofdstuk [368], wiens woorden ik echter U niet eerder zal mededeelen, voordat gij mij bij mijn inductieve bewijsvoering door een gepast antwoord helpt, zooals bij Plato zij doen, die met Socrates redetwisten [369]. Wat van beiden past het eerder op te bergen, wat zeldzaam en kostbaar of wat algemeen verkrijgbaar en goedkoop is? Waarom antwoordt gij niet? Ook al wilt gij voor uw gevoelens niet uitkomen, dan antwoordt toch het bekende Grieksche spreekwoord in uw plaats, dat zegt "de waterkruik aan de deur" [370], en opdat men niet de snoodheid bega dit te verwerpen: Aristoteles [371], de God onzer Magisters, haalt het aan. Is er wel iemand uwer zoo dwaas, dat hij edelgesteenten en goud op de straat laat staan? Waarachtig niet, zou ik denken. In de binnenste binnenkameren van uw huis bewaart gij het en daarmee nog niet tevreden, in de geheimste hoeken van de allerstevigste kasten, terwijl gij het slijk op de straten laat: Derhalve als het kostbaarste wordt opgeborgen, maar wat weinig waarde bezit, voor iedereen te zien blijft, is het dan niet duidelijk, dat de wijsheid, die hij [372] niet wil wegbergen, minder waarde heeft dan de dwaasheid, die hij wenscht opgeborgen te zien? Hoort dan nu zijn eigen woorden: Beter is de man, die zijn dwaasheid verbergt, dan de man, die zijn wijsheid verbergt. Zelfs kent de Heilige Schrift den dwaas bescheidenheid toe, terwijl de wijze daarentegen niemand aan zichzelf gelijk acht. Want zoo versta ik hetgeen de Prediker in het 10de hoofdstuk zegt [373]: Maar de dwaas op den weg wandelende beschouwt, terwijl hij zelf onverstandig is, allen als dwaas. Is dat niet een bewijs van bijzondere bescheidenheid, allen aan u zelf gelijk te stellen, en terwijl ieder immers hooge gedachten omtrent zichzelf koestert, toch uw lof te deelen met allen? Daarom schaamde zelfs die groote koning zich dien bijnaam niet, want hij zegt in het 30ste hoofdstuk zijner spreuken [374]: Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand. Ook Paulus, die groote leeraar der Heidenen, laat in zijn brief aan de Corinthiërs [375] zich niet ongaarne den bijnaam van dwaas welgevallen: Als een dwaas, zegt hij, spreek ik: meer ben ik [376], even alsof het schandelijk is, zich in dwaasheid te laten overtreffen. Maar intusschen schreeuwen mij eenige ellendige Grieken [377] de ooren doof, die zooveel knappen Godgeleerden van onze dagen de loef trachten af te steken door met hun onbekookte aanteekeningen de oogen van anderen te verblinden, onder welk troepje mijn Erasmus, zooal niet de eerste, dan toch zeker de tweede plaats inneemt, wiens naam ik meermalen met eerbied noem. "Welk een inderdaad zotte en der Zotheid zelve waardige aanhaling" zeggen zij. "De apostel bedoelt geheel iets anders dan waarvan gij droomt. Want het is hem met deze woorden er niet om te doen, voor dwazer dan de overigen door te gaan, maar na gezegd te hebben: zij zijn dienaars van Christus, en ik (ook), en zich, als het ware met zelfverheffing, ook in dit opzicht met de overigen gelijk te hebben gesteld, voegde hij er verbeterend bij: meer ben ik, in de overtuiging, dat hij niet slechts met de overige apostelen in de bediening des Evangelies op één lijn stond, maar zelfs nog eenigszins hooger. En alhoewel hij wenschte, dat zij dit als waar erkenden, heeft hij de dwaasheid als voorwendsel gebezigd om te zorgen, dat dit gezegde niet als te aanmatigend hun ooren zou kwetsen. Hij bezigde de woorden: als minder wijs spreek ik, omdat hij wist, dat het een voorrecht der dwazen is om alleen zonder te kwetsen de waarheid te spreken" [378]. Maar ik laat het aan hen zelf over om te beredeneeren, wat Paulus bedoeld heeft. Ik houd mij aan de groote, vette, dikke en algemeen geprezen Theologen, met wie, bij den Hemel, een groot gedeelte der geleerden zeker liever wil dwalen dan een juist inzicht hebben met die mannen, die de drie talen [379] verstaan. Niemand schat die ellendige Grieken dan ook hooger dan kraaien [380], vooral omdat een zeker roemruchtig Theoloog, wiens naam ik met opzet verzwijg, opdat niet onze kraaien al aanstonds hem dit schimpwoord naar het hoofd werpen: "De ezel en de lier" [381], op magistrale en theologale wijze deze plaats verklarende, met deze woorden: Als minder wijs spreek ik, meer ben ik, een nieuw hoofdstuk begint en--hetgeen slechts met de grootste inspanning zijner redekunstige krachten kon geschieden--er een nieuwe afdeeling bijvoegt, waarin hij op de volgende wijze een uitlegging geeft (ik wil zijn eigen woorden aanhalen niet slechts in den vorm [382], maar ook naar den inhoud): Als minder wijs spreek ik, d.i. als ik u dwaas voorkom door mij gelijk te stellen met de valsche apostelen [383], zal ik u nog minder wijs voorkomen door mij boven hen te stellen. En toch komt diezelfde man, alsof hij zichzelf vergeten had, een weinig later tot een geheel ander besluit.
HOOFDSTUK LXIV.
Verkeerde uitleggers van de woorden der Heilige Schrift.