De Lof der Zotheid

Chapter 1

Chapter 13,840 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

Wereldbibliotheek

Onder leiding van L. Simons

Desiderius Erasmus.

De Lof der Zotheid

Vertaald door wijlen

Mr. Dr. J. B. Kan,

Uitgegeven en van korte ophelderingen voorzien door Dr. A. H. Kan.

Met prentjes naar penteekeningen Van Hans Holbein, Den Jongeren.

2e druk--6e, 7e en 8e duizend.

Uitgegeven door de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur--Amsterdam

TOELICHTING.

De Lof der Zotheid, Moriae Encomium, is van al de werken van Erasmus het meest bekend. Het aantal der uitgaven, dat reeds bij het leven van den schrijver het licht zag, bedraagt ruim veertig en na zijn dood is het werkje telkens en telkens weer herdrukt en vertaald. Het lijdt geen twijfel, dat vooral de felle aanval op kerkelijke toestanden, heiligenvereering, monnikswezen, aflaathandel enz. de reden is, dat het zulk een geweldigen opgang heeft gemaakt. Het "is de proloog van de groote theologische tragedie der 16e eeuw." [1].

Wanneer men ziet, dat Erasmus niets spaart van wat de Roomsche kerk voor heilig en eerwaardig geldt, zaken noch personen, vraagt men zich vol verbazing af, hoe hij niet op den brandstapel is geëindigd en waarom hij, die toch in zooveel opzichten hetzelfde leert als Luther, niet bij diens optreden geestdriftig zijn partij heeft gekozen en een voorvechter der Hervorming is geworden. Daarop valt het volgende te antwoorden. Het is nooit bij Erasmus opgekomen iets tegen de Roomsche kerk als zoodanig te ondernemen. Hij ergerde zich--en velen der beste en meest ontwikkelde geestelijken met hem--aan de schromelijke ontaarding op kerkelijk gebied, die hij waarlijk niet met te schrille kleuren heeft geschilderd. Maar hij was in de eerste plaats een fijn-litteraire geest, een kamergeleerde, en meende, of hoopte althans, dat wanneer zijn welversneden pen en die zijner geestverwanten, de humanisten, maar den strijd tegen ruwheid, domheid en bijgeloof op het papier bleef volhouden, geleidelijk beschaving, verstand en ware vroomheid daarvoor in de plaats zouden komen. Luther, de ruwe volksman, was hem antipathiek. In een zijner brieven laat hij zich aldus uit: "Ik zou gaarne een martelaar voor Christus willen zijn, als hij mij de kracht wilde geven, maar ik ben niet van zins een martelaar voor Luther te zijn." Voor geloofsheld was Erasmus niet geschapen. Hij was trouwens meer een man van smaak dan van gemoed.

Het ligt allerminst in mijn bedoeling hier verder een studie over het boekje te geven. Wie meer verlangt, kan ik o.a. verwijzen naar "Erasmus," door Cd. Busken Huet, verschenen in de W. B. 38/39, p. LIII volgg. Toch zullen misschien een paar opmerkingen niet ondienstig zijn.

Het zal den lezer, als hij eenige hoofdstukken gevorderd is, allerminst duidelijk zijn geworden, wat Erasmus eigenlijk met "Zotheid" bedoelt. Hij speelt blijkbaar met het woord en verstaat er nu eens dit, dan weer dat onder. Het ontsnapt aan elke poging om het scherp te definieeren. De Zotheid telt geleerden en hansworsten, heiligen zoowel als kibbelende theologen en krijgslieden, oude vrijers en pantoffelhelden, behaagzieke vrouwen, kleine kinderen en dieren onder haar gevolg, kortom ieder, die met het gezond verstand op gespannen voet staat of zich enkel laat leiden door de redelooze natuur. Erasmus heeft eenvoudig aan zijn dartel vernuft den vrijen loop gelaten. Het is wel zeker, dat, toen hij de Zotheid aan het woord liet, hij zich niet nauwkeurig rekenschap heeft gegeven, in welk karakter zij zou optreden, en dit telkenmale heeft gevarieerd, naarmate het in zijn--en haar--kraam te pas kwam.

Een tweede zaak, die den lezer zal treffen en wellicht ergeren, is het kleed, waarin Erasmus zijn satire heeft gestoken. Talloos zijn de aanhalingen uit de Oude Schrijvers, die, soms letterlijk, soms alleen wat gedachte betreft, in het betoog der Zotheid worden ingevlochten. Ook paradeeren Goden, helden en staatslieden uit de Antieke Mythologie en de Oude Geschiedenis voor onzen smaak veel te dikwijls op het tooneel. Erasmus is nu eenmaal door en door humanist, in de Oudheid voelt hij zich beter thuis dan in zijn eigen tijd en de geestverwanten, voor wie hij in de eerste plaats schrijft, eveneens. Hoe meer zijn publiek zich in die onvolprezen Oudheid kon verlustigen, des te dankbaarder was het hem. Daarbij komt nog, dat Erasmus kort te voren zijn "Adagia," een verzameling van eenige duizenden Grieksche en Latijnsche spreekwoorden met toelichting, op nieuw had uitgegeven. Hij is er nog zoo vol van, dat hij bijv. in "de Lof der Zotheid" eenzelfde spreekwoord ("de ezel bij de lier") tot viermaal toe herhaalt.

Een enkel woord over de in deze uitgave opgenomen penteekeningen van Holbein: Hans Holbein, de jongere, 1497-1543, woonde gedurende de eerste jaren van zijn werkzaamheid in Bazel, waar Erasmus zich met voorliefde placht op te houden en waar hij ook gestorven is. In een exemplaar van "de Lof der Zotheid," door den Bazelschen drukker Froben in 1514 uitgegeven, dat voor Erasmus persoonlijk bestemd was, heeft Holbein--die met Erasmus op goeden voet stond--op den rand der bladzijden een aantal geestige illustraties aangebracht. Het boek berust thans in het museum van Bazel. Aan dit werk heeft de schilder, zooals uit een aanteekening op een blad van het exemplaar blijkt, slechts tien dagen besteed. En zoo heeft hij natuurlijk niet zorgvuldig gewikt en gewogen, wat van den inhoud meer in het bijzonder in aanmerking kwam om te worden in beeld gebracht, maar slechts de voorstelling, die een woord of zegswijze voor zijn schildersoog deed oprijzen, met losse hand op het papier geworpen. Vandaar, dat de plaatjes [2] dikwijls zoo ongelijkmatig zijn verdeeld. Een enkele maal zelfs bekommert Holbein zich in het geheel niet om den tekst, maar illustreert den commentaar van Listrius, die ook in bovengenoemd exemplaar was afgedrukt.

Deze Listrius, tijd- en landgenoot van Erasmus (hij was afkomstig uit Rhenen), heeft zich voor de verklaring en daardoor ook voor de verspreiding van het Encomium bij uitstek verdienstelijk gemaakt. Zijn commentaar verscheen al heel gauw na de publicatie van het boekje en werd in verschillende uitgaven aan den tekst toegevoegd. Men heeft meermalen het vermoeden geopperd, dat Erasmus zelf de auteur ervan was. Dit is wel niet geheel juist, maar toch blijkt uit een tot dusver onuitgegeven brief van hem, dat Erasmus eigenlijk het meeste aan den commentaar heeft gedaan, dat hij Listrius op weg heeft geholpen, de hoofdzaken heeft uitgewerkt en dat Listrius' arbeid zich tot afwerken en aanvullen heeft bepaald. In een brief van vroeger datum getuigt Erasmus reeds: "Eerst werd zij (de Zotheid) door weinigen begrepen, totdat Listrius er zijn commentaar bij schreef."

De vertaling, die hier den welwillenden lezer wordt aangeboden, was reeds meer dan twintig jaar geleden door mijn vader voltooid. Later heeft hij echter bij tijd en wijle het werk weer onderhanden genomen, eenige hoofdstukken ervan gepubliceerd in den Nederlandschen Spectator, een gedeelte persklaar gemaakt, een grooter deel nogmaals gecorrigeerd. Toch heb ik alles nog eens zorgvuldig doorgelezen, met het Latijn vergeleken en, waar ik het noodig achtte, een enkele verandering aangebracht, zoodat ik de verantwoordelijkheid voor deze vertaling draag. De ophelderingen heb ik, in overleg met de redactie der W.B., zoo trachten in te richten, dat het werkje voor den beschaafden leek, ook al had hij geen klassieke opleiding genoten, verstaanbaar zou worden. De Erasmuskenner zal er niets nieuws in vinden en op wetenschappelijke waarde maken zij allerminst aanspraak. Vermelding verdient, dat ik hierbij zeer veel te danken heb gehad aan de aanteekeningen bij de Latijnsche uitgaaf, die mijn vader in 1898 bij Martinus Nijhoff heeft doen verschijnen.

Ten slotte: De verdeeling in hoofdstukken is niet van Erasmus zelf, maar wordt het eerst gevonden in de uitgaaf van de Meusnier de Querlon (Londen en Parijs 1765). Mijn vader heeft ze overgenomen, "opdat het voor den lezer minder vervelend zou zijn zulk een doorloopende voordracht te lezen en voor den uitgever gemakkelijker, als hij naar de een of andere plaats wilde verwijzen." Ook de titels der hoofdstukken gaan, in hoofdzaak, op de uitgaaf van 1765 terug.

De veranderingen in Toelichting en Aanteekeningen van deze Tweede Uitgaaf aangebracht dank ik aan de welwillende kritiek en inlichtingen van Dr. J. Lindeboom, wien ik hierbij gaarne van mijn oprechte erkentelijkheid de verzekering geef.

Middelburg, September, 1912.

A. H. Kan.

VOORREDE.

ERASMUS van Rotterdam groet zijn vriend THOMAS MORUS. [3]

In de laatste dagen, toen ik uit Italië naar Engeland terugkeerde, besloot ik, liever dan al den tijd, dien ik te paard moest zitten, met smakelooze en onwetenschappelijke praatjes te slijten, zoo nu en dan of bij mij zelf over een onderwerp uit onze gemeenschappelijke letteroefeningen na te denken of mij te vermeien in de herinnering aan de even geleerde als dierbare vrienden, die ik hier had achtergelaten. Onder dezen kwam uw beeld, mijn beste Morus, mij zeker het allereerst voor den geest en de herinnering aan U, ofschoon wij ver van elkander waren, was mij even aangenaam, als uw omgang was, toen ik U nog van aangezicht tot aangezicht placht te zien, het aangenaamste--ik mag sterven, als het niet waar is--van al wat mij ooit in mijn leven te beurt is gevallen. Daarom vatte ik, omdat ik meende in allen gevalle iets te moeten doen en die tijd mij weinig geschikt voorkwam om een ernstig onderwerp te overdenken, het plan op een boertige lofrede op Moria (de Zotheid) te houden. "Welke Pallas heeft U op die gedachte gebracht?" zult ge zeggen. Vooreerst deed uw geslachtsnaam Morus mij dit plan opvatten, die even dicht bij het woord Moria komt, als gij ver van de zaak af zijt of liever, volgens aller eenstemmig getuigenis, daarmede volstrekt niets gemeen hebt. Verder vermoedde ik, dat deze speling van ons vernuft bovenal uw goedkeuring zou wegdragen, omdat gij in dergelijke jokkernijen, waarbij, zoo ik goed zie, nergens geleerdheid en geest kan gemist worden, bijzonder veel smaak vindt en in het dagelijksche leven als een Democritus [4] pleegt op te treden. Ofschoon gij door uw buitengewone scherpzinnigheid gewoonlijk hemelsbreed in gevoelen van het gemeene volk verschilt, zijt gij toch door de ongeloofelijke zachtheid en meegaandheid van uw karakter niet alleen in staat om met allerlei menschen in alle omstandigheden des levens om te gaan, maar vindt gij er ook een genot in. Deze kleine verhandeling zult gij daarom gaarne aannemen als een aandenken van uw vriend en gij zult ook haar verdediging gaarne aanvaarden, want zij is u toegewijd en daarom voortaan Uw eigendom, niet het mijne.

Immers het zal misschien niet aan bedillers ontbreken, die mij lasteren, zeggende, dat deze aardigheden deels van te weinig beteekenis zijn om een Godgeleerde te passen, deels te scherp voor een zachtmoedig Christen, en zij zullen het van de daken verkondigen, dat wij in het voetspoor der oude comedie en van zekeren Lucianus [5] treden en in alles de tanden zetten. Doch ik zou wel wenschen, dat zij die zich door het lichtzinnige en boertige van mijn onderwerp gekwetst gevoelen, bedachten, dat het denkbeeld niet van mij is uitgegaan, maar dat reeds in den ouden tijd groote mannen meermalen daarvan het voorbeeld gegeven hebben.

Want reeds voor tal van eeuwen schreef Homerus zijn "muizen- en kikvorschenkrijg," Maro [6] zijn "Mug" en "Boerenontbijt," Ovidius [7] zijn "Noot," prees Polycrates [8] en zijn bestrijder Isocrates [9] Busiris [10], Glauco [11] de onrechtvaardigheid, Favorinus [12] Thersites [13] en de derdendaagsche koorts, Synesius [14] de kaalhoofdigheid, Lucianus de vlieg en de tafelschuimerskunst, behandelde Seneca [15] schertsend de vergoding van Claudius [16], Plutarchus [17] een samenspraak van Gryllus [18] met Ulixes, Lucianus en Apuleius [19] hun ezel en een mij onbekend schrijver het testament van het varkentje Grunnius Corocotta [20], waarvan ook de heilige Hieronymus [21] gewag maakt. Zij mogen daarom, als 't hun goeddunkt, zich voorstellen, dat ik tot uitspanning een partijtje schaak gespeeld, of als zij dit soms liever willen, op een stokpaardje gereden heb. Want het is toch hoogst onbillijk om, terwijl wij den menschen van elke levensrichting hun uitspanningen gunnen, den mannen der wetenschap in het geheel geen scherts te veroorloven, vooral zoo die beuzelarijen ernstige dingen in haar gevolg hebben en die spotternijen zoo gebezigd worden, dat de lezer, wien het niet aan allen smaak ontbreekt, hieruit meer nut trekt dan uit de pedante en schitterende bewijsvoering van sommigen, b.v. als de een of ander in een met opoffering van veel tijd samengeflanste redevoering de redekunst of de wijsbegeerte prijst, een tweede de lofwaardige eigenschappen van een zekeren vorst schildert, een derde aanspoort tot den krijg tegen de Turken, een vierde de toekomst voorspelt en een vijfde nieuwe strijdvragen verzint over onmogelijke onderwerpen. Want evenals er niets beuzelachtiger is dan ernstige zaken beuzelachtig te behandelen, zoo is er niets aardiger dan beuzelingen zoo te behandelen, dat ge oogenschijnlijk niets minder dan gebeuzeld hebt. Zeker berust het oordeel over mij bij anderen, maar als de Eigenliefde mij niet geheel bedriegt, dan is onze lofrede niet in allen opzichte zot, ook al handelt zij over de Zotheid.

Om mij nu verder te verdedigen tegen het onbekookte verwijt van hatelijkheid, merk ik op, dat men altijd aan het vernuft de grootste vrijheid gelaten heeft om straffeloos op een geestige wijze den spot te drijven met het dagelijksch leven der menschen, mits de groote vrijheid niet in razende bandeloosheid ontaardde.

Des te meer bevreemdt mij de prikkelbaarheid onzer tijdgenooten, die bijna alleen nog maar de in zwang zijnde titels verkiezen te hooren [22]. Voorts kan men lieden vinden, zoo averechts godsdienstig, dat zij zelfs de bitterste smaadwoorden tegen Christus eerder dulden kunnen dan de geringste scherts tegen een paus of een vorst, vooral als hun kostwinning er mee gemoeid is. Ten onrechte; want hij, die de leefwijzen der menschen zoo berispt, dat hij niemand met name doorhaalt, eilieve, wat dunkt U, is het hem te doen om hatelijk te wezen dan wel veeleer om te leeren of te vermanen? Overigens in hoeveel opzichten berisp ik niet mij zelf? Hierbij komt nog, dat hij, die geen slag van menschen overslaat, mijns inziens op geen enkelen mensch, maar op alle ondeugden vertoornd is. Als er dus iemand opstaat, die luide verkondigt, dat hij zich gekwetst gevoelt, dan geeft hij daardoor het bewijs van een slecht geweten of in allen gevalle van vrees. Nog veel vrijer en hatelijker is in dit soort van scherts de Heilige Hieronymus te werk gegaan, daar hij ettelijke malen zelfs de namen niet verzwijgt. Wij echter, behalve dat wij in het geheel geen namen noemen, hebben daarenboven in zulk een gematigden toon geschreven, dat de verstandige lezer licht zal inzien, dat het ons meer te doen was om te vermaken dan om te kwetsen. Want wij hebben nergens, op het voetspoor van Juvenalis [23], in dien geheimen poel van ongerechtigheden geroerd en meer het belachelijke dan het vuile trachten op te sommen.

Als er voorts nog iemand is, die zich zelfs door het aangevoerde niet tevreden laat stellen, dan moge hij tenminste dit steeds voor oogen houden, dat het schoon is door de Zotheid gehekeld te worden en dat wij, toen wij haar sprekende invoerden, ons geheel moesten schikken naar hetgeen in overeenstemming was met haar persoonlijkheid. Maar waarom meld ik dit U, die zulk een uitstekend pleitbezorger zijt, dat gij de zaken, ook al zijn zij niet van de beste, toch het best weet te verdedigen? Vaarwel, welsprekende Morus, en bescherm ijverig uw Moria.

Van het land, 9 Juni 1508.

DE LOF DER ZOTHEID.

Voordracht van Erasmus van Rotterdam.

De Zotheid spreekt.

HOOFDSTUK I.

Alleen door haar aanblik heeft de Zotheid de zorgen van haar toehoorders verjaagd.

Hoe de menschen ook gewoonlijk over mij spreken,--en ik weet maar al te goed, in welk een kwaden naam de Zotheid zelfs bij de zotsten staat--beweer ik toch, dat ik en ik alleen door mijn goddelijke macht Goden en menschen vervroolijk. Hiervan is dit zeker een meer dan voldoend bewijs, dat, zoodra ik voor deze zoo talrijke vergadering was opgetreden om het woord te voeren, eensklaps uw aller aangezichten zoo blonken van een ongekende en ongewone vreugde, dat gij zoo plotseling het voorhoofd ontrimpeldet en mij met zulk een blijden en beminnelijken lach toejuichtet, dat gij allen, die ik hier uit alle hoeken der wereld voor mij zie, waarlijk niemand uitgezonderd, gelijk de Goden bij Homerus, te veel nectar met nepenthes [24] schijnt gebruikt te hebben, terwijl ge vroeger zoo bedroefd en bekommerd waart neergezeten, alsof ge nog pas uit Trophonius' hol [25] waart teruggekomen. Maar 't gaat hiermede als wanneer de zon het eerst haar schoon en gulden gelaat aan 't aardrijk vertoont of na een strengen winter de lente opnieuw den zoelen adem der westenwinden brengt: dan verandert aanstonds het voorkomen van alles, dan krijgt alles een nieuwe kleur en een geheel nieuwe jeugd en zoo veranderde ook dadelijk op mijn aanblik uw voorkomen.

Daarom heb ik dan ook, hetgeen andere groote redekunstenaars ternauwernood door een lange en langen tijd overpeinsde rede kunnen te weeg brengen, het verdrijven nl. van lastige muizenissen, al aanstonds enkel door mijn gezicht weten te bewerken.

HOOFDSTUK II.

Onderwerp der voordracht.

Waarom ik nu in dezen ongewonen opschik heden voor u opgetreden ben, zult ge spoedig hooren, als gij slechts geen bezwaar maakt ooren te hebben voor mijn spreken, niet, zooals gij die gewoonlijk hebt voor den prediker in de kerk, maar zoo als gij die pleegt op te steken voor marktschreeuwers, paljassen en hansworsten, ooren, zooals onze bekende Midas [26] ze indertijd voor Pan opzette. Want ik heb lust gekregen voor een poosje bij u den sophist [27] te spelen, wel niet als een van dat slag, dat heden ten dage der jeugd eenige hoofdbrekende beuzelingen instampt en een meer dan vrouwelijke stijfkoppigheid in het twisten leeraart, maar ik zal die ouden navolgen, die om den kwalijk klinkenden [28] naam van Sophen (wijzen) te vermijden, liever Sophisten (wijsmakers) wilden genoemd worden. Hun lust was het den naam van Goden en helden door lofredenen te verheerlijken. Daarom zult ge dan ook een lofrede hooren niet op Hercules, noch op Solon [29], maar op mij zelf, de Zotheid.

HOOFDSTUK III.

Waarom de Zotheid zichzelf prijst.

Al aanstonds dit: ik stoor mij volstrekt niet aan die wijzen, die, zoo iemand zichzelf ophemelt, hem een grooten zotskap en een onbeschaamden rekel noemen. Het moge, volgens hen, zoo zot mogelijk zijn--zij moeten toegeven, dat het betamelijk is. Want wat is gepaster dan dat de Zotheid zelf de loftrompet over zichzelf steekt? Niemand kan immers een sprekender beeld van mij geven dan ik zelf--of ik moest soms aan een ander beter bekend zijn dan aan mij zelf. Toch acht ik dit overigens zelfs niet weinig zediger dan hetgeen het gros der aanzienlijken en wijzen pleegt te doen, die uit een soort van valsche schaamte of een vleienden redekunstenaar of een zot klappenden dichter in 't geheim daartoe plegen aan te sporen en hem voor een zeker loon huren om uit zijn mond hun lof of, wat op hetzelfde neerkomt, klinkklare leugens te hooren. Die beschroomde man zet evenwel als een pauw zijn staart op en draagt den kam hoog, wanneer die onbeschaamde vleier een nieteling, als hij is, aan de Goden gelijk stelt; wanneer hij hem voor een volmaakt toonbeeld van alle deugden doet doorgaan, alhoewel de geprezene weet, dat hij er hemelsbreed van verschilt; wanneer hij een kraai bekleedt met vreemde veeren; wanneer hij den moriaan schoon wascht, kortom als hij van een mug een olifant maakt. Ten slotte houd ik mij aan het oude volksgezegde, dat hij, die door geen ander geprezen wordt, gelijk heeft, als hij zich zelf prijst. Intusschen kan ik in dezen niet nalaten mij te verwonderen--moet ik het aan de ondankbaarheid of aan de traagheid der menschen toeschrijven?--dat, alhoewel allen zonder onderscheid veel werk van mij maken en gaarne mijn gaven genieten, er in den loop van zooveel eeuwen niemand is opgestaan, die in woorden vol dankbaarheid den lof der Zotheid verkondigde, ofschoon het niet ontbroken heeft aan hen, die in zorgvuldig, met opoffering van veel olie en slaap bewerkte verhandelingen mannen als Busiris en Phalaris [30], of de derdendaagsche koorts, vliegen, kaalhoofdigheid en zulke ellendige dingen meer verheerlijkten. Van mij zult gij een rede hooren, die wel voor de vuist gehouden wordt en waaraan hierom niet veel tijd is besteed, maar die in des te grooter mate de deugd der waarheid bezit.

HOOFDSTUK IV.

Waarom zij voor de vuist spreekt.

Het zou mij spijten, als gij dacht, dat ik dit verzonnen heb om met mijn vernuft te pronken, zooals het gros der redenaars dit pleegt te doen. Want wanneer zij, zooals U bekend is, met een rede voor den dag komen, waaraan zij dertig jaar lang bloedig gearbeid hebben en die soms nog het werk van anderen is, dan zweren zij desniettemin bij hoog en laag, dat zij haar in drie dagen uit de losse hand op het papier geworpen of ook een ander in de pen gegeven hebben. Mijn lust en leven was het voorts altijd alles te zeggen, wat mij maar voor den mond kwam. Maar niemand verwachte nu van mij, dat ik in den trant van die gewone leeraars in de redekunst door een bepaling tracht duidelijk te maken, wie ik zelf ben, en nog veel minder, dat ik mij verder met verdeelingen zal ophouden. Want het zou even weinig goeds voorspellen, wilde men haar, wier goddelijke macht zich zoo ver uitstrekt, binnen zekere grenzen beperken, als wanneer men háár in deelen splitste, die door de geheele wereld zoo eenstemmig vereerd wordt. En wat nut zou het dan ook hebben door een bepaling U als het ware een schaduwbeeld voor oogen te stellen, daar gij mij thans van aangezicht tot aangezicht aanschouwt? Want ik ben, zooals ge ziet, die ware schenkster van alle goede dingen, welke de Latijnen Stultitia en de Grieken Moria noemen.

HOOFDSTUK V.

De Zotheid verraadt zichzelf terstond.

Waarom behoefde ik dit zelfs nog te vermelden? Alsof 't niet, zooals men pleegt te zeggen, met zooveel letters op mijn voorhoofd geschreven staat, wie ik ben en alsof, zoo iemand mocht beweren, dat ik een Minerva of een Sophia (wijsheid) ben, hij niet al aanstonds enkel door mij aan te zien van het tegendeel zou overtuigd worden, ook al kwam hem daarbij mijn taal, waarin zich een zuiver beeld van mijn geest weerspiegelt, niet te hulp. Ik blanket mij nooit en mijn voorhoofd vertoont niets anders dan hetgeen in 't diepste van mijn hart woont: aan alle kanten gelijk ik volkomen op mij zelf, zoodat zelfs zij mijn aanwezigheid niet kunnen ontveinzen, die voor zich bovenal aanspraak maken op den titel van wijzen en als apen het purper en als ezels in de leeuwenhuid rondwandelen. [31]

Hoe zorgvuldig zij zich ook vermommen, komen toch ergens de ooren voor den dag en verraden den Midas. Waarachtig, ook dit slag van menschen is ondankbaar, want, hoezeer zij in de eerste plaats tot ons volkje behooren, schamen zij zich toch bij den grooten hoop zoozeer over onzen naam, dat zij dien niet zelden anderen als een erg scheldwoord naar 't hoofd werpen. Zijn wij daarom niet volkomen in ons recht, als wij die luidjes, die, ofschoon zij de grootste zotten (Moren) zijn, voor de grootste wijzen (Sophen) willen doorgaan, Morosophen (zotwijzen) noemen?

HOOFDSTUK VI.

Navolging der redekunstenaars.