# De Liereman

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-liereman-6922/index.md

AAN EEN' SCHILDER.

Wie boeit mijn turende oogen, Door 't onbegrensd vermogen, Van 't scheppende penseel? Wie doet door keur van verwen, Mij 't hoogst genot verwerven, In 't liefelijkst tafreel?

Wiens geestkracht mag 't gelukken, Natuur den palm te ontrukken, Door de overmagt der kunst? Gij, puik der toovenaren! Genie, waarop wij staren! Bestraalt ons met die gunst.

Neen, 't is geen schijn, 't is leven! Die beemden, bosschen, dreven, Die jagt en wildernis, Dees vleugelvlugge honden ... 't Moet al uw' roem verkonden, Die spreekt, het zij! en 't is.

o, Oogbetoovrend schilder! Waar werden gaven milder Een' sterveling verpand? God schraag' nog lang uw krachten, Tot vreugd voor die u achten, Tot roem van 't Vaderland!

DE GRAFSTEEN.

Hun edel harte slechts tot gids, Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk, Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits, Naar 's Heeren sombre grafspelonk; Om nog met kostbre specerijen, Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen.

En nu het doel al nader treedt, Daar, plotsling, breekt het zwijgen al: "Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet, "Wie wendt den zwaren steen van 't graf?" Dat had heur ijvren niet bezonnen, Toen zij den vromen togt begonnen.

Geen bliksemschicht treft meerder snel, Geen donderslag slaat zóó ter neêr, Gelijk dat woord vol zielsgekwel! Toch geeft de liefde voor den Heer, haar moed en kracht om voort te treden, Hoe fel door angst en vrees bestreden.

Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred! De steen, die 's Heilands grafplaats drukt, En u de teedre borst verplet,-- God spreekt--die steen is afgerukt! Hij zal de zijnen niet begeven, Juicht, Jezus leeft en gij zult leven!

o Liefde Gods, die wondren doet! o Heilgenade, ondenkbaar groot! Hoe menig steen drukt nog 't gemoed, Dien de Almagt afwendt in den nood, Zou, Neêrgeboogne! uw hart bezwijken? Een Engel daalt, de steenen wijken!

TOONKUNST.

'k Min u, muzikale woorden, Taal der Toonkunst, 'k min u teêr! U, zielroerbre klank-akkoorden, Die uw' oorsprong hebt uit oorden, Meer volmaakt dan de aardsche sfeer!

Die het hart als was kunt kneden, Aan uw meesterschap ten buit; Lachjes, tranen en gebeden, Heldenmoed en teederheden, Opwekt naar den wil der luit!

Grijpt de geestdrift der geniën, 't Goddelijke speeltuig: hoor! Strijdrumoeren, elegiën, Liefdes zachte melodiën, Roeren, schokken, 't luistrend oor!

Orpheus Cither speel--verbeden Is de nooit verbidbre dood! Op den klank uw harp ontgleden, Vlijt zich steen op steen, en steden Staan, Amphion! trots ten toon!

Doch geen fabel schenkt u luister! Hooger, Toonkunst, klimt uw lof! (Schijnt de Zon in 's afgronds duister?) Vrij, ontdaan van aardsche kluister, Klinkt uw stem in 't geestenhof.

Als de rei der Hemellingen, Om Gods heilgen troon gestuwd, Hem, den oorsprong aller dingen, 't Heilig, heilig, heilig, zingen, Is hun lied en snaar gehuwd!

Goddelijke Harpenaren! Stort den schoonsten hemelval! Dank moet mensch en Engel paren! Voor de gift der gouden snaren, Dank aan d' oorsprong van 't Heelal!

GEDACHTEN BIJ HET GRAF VAN _A. C. W. STARING_.

Met diep ontroerd gemoed, Wijde ik uw graf mijn' groet, Te vroeg ontslapen zanger! Gij, Staring! de aarde ontrukt ... Waar is de plaatsvervanger, Die uwen voetstap drukt?

Treur, achtbre Wildenborch! Uw bloei was al zijn zorg; Hij gaf u vreugd en leven;-- Uw heldre zon zeeg neêr; 't Werd somber in uw dreven ... Uw Landheer is niet meer!

De trots van Gelderland, Wien braafheid en verstand Met schoonen glans mogt sieren,-- Zijn levensdraad brak af ... Schonk hem de kunst laurieren, Nu weeklaagt ze op zijn graf.

Nu zwijgt zijn citertoon, Zoo krachtig, kunstig, schoon, En Febus Priesterscharen, Staan in het kunstenkoor Den lievling na te staren, Dien het te vroeg verloor.

Weêr heeft het Vaderland, Een' kostbren diamant Uit de achtbre kroon verloren! En gade en minnend kroost Staan, bij der dichtren koren, Weemoedig, zonder troost!

Maar welk een treffend woord Lokt mij naar 's kerkhofs poort, En schenkt den geest bedaring: "Uit nacht rijst morgenrood (1)," Het was uw spreuk, o Staring! "Het leven uit den dood."

* * * * *

(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden, waar des Dichters grafplaats gevonden wordt.

HET LEVENSPAD.

Allen op des levens paân, Vallen, staan weêr op en vallen; Zelfs de trotschheid durft niet brallen: Ik kan zonder struiklen gaan! Steen, op steen, verrast den voet, Waar men zich aan stooten moet!

Maar hoe telkens uitgegleên, Broeders! toch weêr opgekropen; Homplen, stromplen wij in 't loopen, Meer oplettend voortgetreên; Aan het einde van ons pad, Ligt de goede Vader-stad!

Matte Pelgrim! dáár is rust, Van uw hobbelige wegen! Dáár stroomt nooit gekende zegen, Nooit gesmaakte levenslust! Dáár is 't eind der aardsche smart, Hemelvreugd vervult er 't hart!

Voor den togt dan niet versaagd; Welberaden voortgewandeld; Naar gebod en pligt gehandeld; Struiklen wij, God zelve schraagt! En, is 't doel der reis volbragt, o, De blijde Heilstad wacht!

HET BLINDE VINKJE.

Vinkje! welk een gruwzaam monster, Vreemd aan alle menschlijkheid, Heeft uw vlugge wiek gekluisterd, Heeft uw' dag, in nacht verduisterd, Heeft u 't foltrendst leed bereid?

Eens zoo vrij en vrank op aarde, Nu gedoemd tot de enge kooi; Nu, door gloeijend erts uwe oogen Aan het vriendlijk licht onttogen, Nu des euveldaders prooi!

Werd het u noodlottig ijzer, Slechts de duistre groeve ontrukt, Om, der snoodheid ten believen, Dus uw argloos hart te grieven? Dan is 't euvel wèl gelukt!

Doch, o neen! niet tot dien gruwel Opent zich de schoot der mijn; Maar de boosheid keert den zegen, Uit Gods milde hand verkregen, Vinkje! de onschuld vaak tot pijn.

Wat is 't u, of zich de schepping Nu net lente-siersels hult? Niet voor u zal de aard' zich tooijen, Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen, Nimmer 't schoone aanschouwen zult!

Ach, waar zijn de blijde dagen? Van het lagchende verleên? Vlijm, op vlijm, moet u doordringen, Woelt het heir herinneringen, Door uw mijmrend kopje heên!

Mooglijk waart gij aan een gaaike, Aan een teederminnend kroost, Op het liefderijkst verbonden ... Wreed werd dan de band geschonden, Die uw blijdschap was en troost!

Niets is u van 't heil gebleven, Waar uw borstje zoo van zwol; Uw gelukzon is verdwenen, Heeft voor altijd uitgeschenen, Blind en in een kerkerhol!

o, Mijn teêrgevoelig harte, Doet uw rampental zoo zeer! Kon het innigst medelijden, U van jammeren bevrijden, 'k Zag u 't beeld der vreugde weêr!

IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje! Schal met pletterend geluid, Schal en schater den vervloekte, Die uw' lust en rust verkloekte, Uw' ontzagbren wraak-kreet uit!

Doch uw toovrend orgelkeeltje, Wanhoop nam het kracht en klem; Nooit ... maar wat welluidend kwelen, Komt mijn luistrende ooren streelen! Lieve vogel! is 't uw stem?

"Ja, mijn stem, meêlijdend vreemdling!" Zingt het Vinkje op zoeten toon, "'k Laat, getuigen het mijn zangen, "Moedloos niet mijn wiekjes hangen, "Welk een rouw mijn borst bewoon'!

"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht? "Heelen ze ooit de wond van 't hart? "Véél verloor ik--maar, mijn roover "Liet mij toch mijn stem nog over, "o, Die vreugde troost mijn smart!

"Drage ik dan mijn lot gelaten, "'k Heb nog ruime dankensstof; "Om het goede mij gebleven, "Min ik nog het lieve leven, "En zing luid mijns Scheppers lof!

TROOST.

"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!" Dat hartdoorvlijmend woord, Dat zoo veel vreugd verstoort, Het was den mond van d' Arts ontgleden, Maar 't klonk als niet gehoord,

Het kon het oor der vrouw niet boeijen; Nog lonkt de hoop haar aan; Zoo schrikklijk zal de orkaan Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen, En bloem, bij bloem verslaan.

"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder, "Neen, dierbare echtgenoot! "Zoo ras ontbindt de dood "Dien vastgelegden knoop niet weder, "Die 't huwelijk pas sloot!"

En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen, Naar 't liefelijk gezigt Van 't sluimerende wicht,-- Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen! "Zijns Vaders levenslicht!"

"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..." Maar, God! wat raauwe gil! Zij voelt het doodlijk kil Op 's ega's ingezonken kaken, Zijn ademtogt staat stil.

Haar zoete hoop vervloeide in tranen Van bittre zielesmart; Gebroken is haar hart; Wel spoedig ging haar heilzon tanen, En liet haar 't nachtlijk zwart.

Ze rigt het schreijende oog naar boven: "Wat lot," snikt zij, "wat lot, "Na twee jaar echtvreugd ... God! "Waarom moest ik een' droom gelooven, "Waarmeê de ontwaking spot?"

Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe? Uw wichtje, als 't onverpoosd U vleijend kust en koost? Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe, Voor uw gemoed geen troost!

Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede, Ja, Troost in d' eêlsten zin, Dringt tot haar' boezem in; Zij kust Gods vaderlijke roede, De Weduwe is Christin!

