De Liereman

Part 3

Chapter 3 3,948 words Public domain Markdown

Pelgrim, door de dorre zanden, Van dees rarnpwoestijn! Laat de dorst uw keel verbranden, Doet de togt u pijn,-- Ééns wordt al uw leed gesust, Elders rust.

Ja, het leven is doorweven, Met veel smart en rouw; Maar Gods woord is ons verbleven, En Gods woord is trouw; Worde ook 's levenslamp gebluscht, Elders rust.

* * * * *

(1) Elders rust.

VITA MORTALIUM VIGILIA (1).

(_Spreuk van Viglius van Ayta van Zuichem._)

Een nachtwake is het leven, De wieg grenst aan het graf; Wij jagen en wij streven, Door de aardsche disteldreven, Als brak het nimmer af!

Een nachtwake is het leven, Roemzuchtig oorlogsheld! Hoe hoog in magt verheven, Het is den dood om 't even, Ras ligt ook gij geveld!

Een nachtwake is het leven, Moed, lijdende onschuld! moed, Waartoe dat angstig beven? Uw webbe is haast geweven, De dood, uw redder, spoedt!

Een nachtwake is het leven, Meêdoogenlooze vrek! 't Gaat alles u begeven, Waaraan uw hart blijft kleven, Dra roept de dood: "vertrek!"

Een nachtwake is het leven, Dat elk zijn ziel bereid'! Want o! er staat geschreven, In 't woord aan ons verbleven: "Op tijd, volgt eeuwigheid!"

* * * * *

(1) Het leven der stervelingen is eene nachtwake.

GETROUW.

Foei, Hendrik! is dat mallen! Foei, is dat dartel kallen! Wat hebt gij ze in de mouw ... Gij stoeit altoos met Mina En gaaft uw woord aan Lina, Is, wufthoofd! dat getrouw?

Gaat, jongen! gij in 't vrijen Reeds zoo het pad bezijen, Hoor, hoe ik het beschouw: Pas heeft u de echt verbonden, Of gij hebt d' echt geschonden, Uw liefde is niet getrouw!

En maakt u 't huwlijk vader; Wie, die uw kroost ten rader, Zijn pligten het ontvouw'? Ach, naar uw' boozen handel, Rigt ook het kind zijn' wandel, Uw voorbeeld steeds getrouw!

Uw snoode deugdonteering, Bant nering en hantering, Wat wordt van kroost en vrouw? Een worm moet u doorknagen, Als nooddruft hen doet klagen: "Gij waart ons niet getrouw!"

Is dat uw burgerpligten, Betamelijk verrigten, Tot steun van 't staatsgebouw? Gij ziet door elk u haten, Als de ergste pest der staten, In niets zijt gij getrouw!

O! laat uw jeugd nog raden! Vlied, vlied, de onkuische paden, Door tijdig naberouw! Gij weet, Gods woord verkondigt: "De straf volgt hem, die zondigt,"-- Gods woord, het is getrouw!

'T UUR IS DAAR!

"'t Uur is dáár! "Moedig maar! "Kom," sprak Koenraad tot zijn Bruidje, "Kom, schoon Elsje! in 't huwlijks-schuitje; "'t Uur is dáár, "Voor het toevend echtaltaar!"

"'k Gaf mijn hand, "U ten pand," Antwoord ze onder lieflijk blozen, "'k Heb voor duizend u verkozen,-- "'t Uur is dáár, "Zegen ons, Alzegenaar!"

En nu hecht, De eerbare echt, Trouwe Twee! uw zielen zamen; 's Priesters mond zegt plegtig, Amen! 't Uur is dáár, Veel geluk, beminlijk paar!

Blijde stond! 't Jaar verzwond, En aan Elsjes blanken boezem, Prijkt een frissche huwlijksbloesem; 't Uur is dáár, 't Zaligst uur, voor hem en haar!

Treft hun hart, 's Levenssmart,-- Koen wijst Elsje naar den Hoogen, Zegt en wischt heur schreijende oogen; 't Uur is dáár, "Maar God helpt soms wonderbaar!"

Als 't verdriet, Henenvliedt,-- O! dan spreekt weêr Elsje teeder: "Knielen wij eerbiedig neder, "'t Uur is dáár, "Onzer dankbeê na 't gevaar!"

Moet een pligt, Nog verrigt,-- Beiden brengen, kloek van zinnen, Aan hun' geest dien pligt te binnen; "'t Uur is dáár!" Zeggen zij dan tot elkaár.

Vroeg ontbood, Hen de Dood-- Doet die roepstem hun niet beven? Neen, zij laten kalm het leven; 't Uur is dáár,-- Maar tot de afreis zijn ze klaar!

HUWELIJKS-LIEDJE.

Waar blijdschap woont, Waar vreugde troont, Daar opent zich het hart; Daar geven zang en gulle kout, Het zielestreelendst onderhoud; Waar blijdschap woont, Waar vreugde troont, Daar vlugten druk en smart!

Klink' blij van geest, Dan op dit feest, En stem en citersnaar; Waar liefde en trouw verbonden sluit, Daar dreune en davre 't zanggeluid, Klink blij van geest, Dan op dit feest, Een lied voor 't jeugdig paar.

Geluk en vreê, Is aller beê, Geliefden! voor uw lot; Ons hart blijft aan uw heil gehecht, Des Hoogsten zegen kroone uw' echt; Geluk en vreê, Is aller beê, Verhoor die bede, o God!

DE OOIJEVAARS.

Hoezee! daar komen de Ooijevaars Weêr fladdrende aangevlogen! Zijt welkom, lieve Klepperaars! Met vreugd zien u mijne oogen. Zijt welkom uit het vreemd gewest, Strijkt neder op het toevend nest!

Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit: "Is 't, Mensch! nog tijd van slapen? "De wintervorst is heengebruid, "De schepping staat herschapen! "De lente is daar, het huis ontvlugt, "Naar buiten, in Gods vrije lucht!"

o Vogels! welk een bron van vreugd, Doet niet uw komst weêr stroomen! Een welkomthuis, zoo vol geneugt ... Wie had het kunnen droomen? 't Is, waarlijk, of gij iedren Maart, Nog meerder giften schenkt aan de aard'!

Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huis Waarop ge uw' zetel stelde, Bevrijd van druk, bevrijd van kruis, Zoo als de faam vermeldde? Hoe 't zij, 't is zeker en gewis, Dat elk uw komst tot blijdschap is.

Hoog wordt ge in Nederland geacht, Uw regten zijn er heilig; Waar ge ook uw woonstede overbragt, Zijt ge ergens meerder veilig? Want wee de hand, die in ons oord, Uw bouwing schendt, uw rust verstoort!

Doet niet het Vorstlijk 's Gravenhaag U in zijn wapen leven? Daarheen wendt zich de blik zoo graag, Wanneer ge ons hebt begeven; Dan juicht het harte blij gezind! Gij zijt het sprekend, beste vrind!

Doch, vogels! niet aan dos, of zang, Zijt gij die eer verschuldigd, Uw deugd voert u tot d' eersten rang, Uw deugd, die de aarde huldigt; Want kuischheid woont in uw gezin (1), Bij ouderliefde en kindrenmin.

Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spond Wordt lagchende u ontsloten, Geniet de weelde van deez' stond, Teêrminnende echtgenooten! Een frisch gepluimte, u beider beeld, Zij 't heil, dat u de toekomst teelt!

En als gij tegen 't koud saizoen, Met de uwen weêr gaat trekken, En we allen uitgeleide u doen, Zoo ver het oog kan strekken; Dan roept nog de echo duizend keer: "Geluk op reis, komt haastig weêr!"

* * * * *

(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend.

OP DEN DOOD VAN EENEN LANDMAN.

Hij was een brave man! Wel hem, van wien de waarheid Dien lof getuigen kan!

Hij droeg de grijze kroon Der zilverblanke opregtheid,-- Geen Koningskroon zoo schoon!

De nutte boerenstand, Werd aan zijn vlijt tot werkkring Beschikt van Hoogerhand!

Was landbouw al zijn lust,-- Nu scheen de schoot der aarde Na d' arbeid, zoete rust!

Geen hartelijker vrind, Schonk immer de verkeering; Hem minde grijze en kind!

Zijn leuze als echtgenoot, Als teederste aller vaders, Was: "trouw tot in den dood!"

Hij stelde op eenvoud prijs, Aartsvaderlijke zeden! Gij waart zijn levenswijs.

Ofschoon noch rijk, noch arm, Mogt hij de nooddruft steunen, Dan sloeg zijn harte warm.

Naar hem de wet beval, Zóó minde hij zijn naasten,-- Maar o, God bovenal!

Op Christus zoenverbond, Was al zijn hoop gevestigd, Tot in zijn' jongsten stond!

Hij was een brave man! Wel hem, van wien de waarheid Dien lof getuigen kan!

AAN EEN' FAT.

Gij, zoo erbarmelijke Fat! Die uw kleedij het hoogste schat, U zelv' vergoodt en wendt en keert, En als een paauw in 't rond _spanceert_! Die, rusteloos, u elken dag Versiert met telkens bonter vlag; Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht Aan d' oorsprong van de kleederdragt? Hoe zij der zonde kenmerk is, Het toonbeeld der verdorvenis?

En gij, o bontgetooide pop! Gij flikt en kwikt en strikt u op, En weet niet, dat u juist verneêrt, Hetgeen gij waant, dat u vereert ... Waardoor ontstond in 't paradijs Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs.

Geloof me, een waarlijk kloeke geest, Kiest zich een kleed naar vorm en leest; Naar jarental en luchtklimaat, Een eerbaar kleed, naar rang en staat! Een kleed, dat ieders achting wekt, En niet den spot ten lach verstrekt.

DE LACH.

'k Zing, door vreugd gedreven, De eêlste gift van 't leven; 'k Juich, dat ik het mag! 'k Zing het blijdschaps-teeken, (Wijkt, o tranen-beken!) 'k Zing den lieven lach!

Jongling! kent ge op aarde, Schat van grooter waarde, Dan den lach der min? Wat den boezem griefde, 't Lachje van de liefde, Balsemt ziel en zin!

De eerste lach van 't wichtje, Op het lief gezigtje, Door het oog bespied,-- Teedre lach van d' Engel ... God! wat heilgemengel! Ouders! gij geniet.

Bij het leverschudden, Als de lach met mudden Vreugde en blijdschap meet,-- 't Droevig stofgewemel, Wordt een blijde hemel, Waar is, aarde! uw leed?

Troost! als ge onschulds smarte, In het treurend harte, Medelijdend sust,-- Laat zich op haar wezen, 't Kalme lachje lezen, Dat in God berust.

Zaagt gij ooit de dieren Lagchend vreugde vieren, Hoe verheugd van geest? Juich! ook 't lachvermogen, Mag u, mensch! verhoogen, Boven 't reedloos beest!

Wie zijn strakke trekken, Nooit ten lach voelt wekken, Vlied den norschen draak! Schoon u 't purper kleedde, Wreede Flips de Tweede! Vlood de lach uw kaak (1).

Lach! o te aller stonden, Waart gij naauw verbonden Aan de blanke deugd; De edelste der gaven, Smaken slechts de braven, 't Lachje van geneugt.

Want, de lach der boosheid, Die der valsch- en loosheid, Waanzin, wanhoops-lach,-- Wie dat lach kan heeten, Is den lach vergeten, En ziet nacht voor dag.

Molmen bint en stutte, Van mijn leemen hutte, Dat de dood ze sloop', Moge, in 't laatst van 't leven, Slechts mij 't lachje omzweven, 't Lachje van de hoop.

* * * * *

(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede nooit lachte.

HET WEESJE.

Zuigling van uw wieg af wees? Welk een booze ster verrees, Die uw' prilsten levens-stond, Zoo veel bittren rampspoed zond? Was uw eerste levenskreet, Dan een voorgevoel van 't leed, Dat u, van uw wiegjen af, Zou vervolgen tot aan 't graf?

Jongske! hoor, er heerscht een magt Over 't menschelijk geslacht, Die met toorneloos geweld, Alles in haar boeijen knelt; Die geen medelijden voedt, In het altoos koud gemoed, Maar met onbewogen hart, Neêrziet op de diepste smart: Die de gâ, der gade ontrukt; d' Ouden staf, naar 't graf gebukt, Wreedelijk berooft van 't kroost, Al zijn steunsel nog en troost: Die, eer 't pasgeboren wicht, De oogjes opende voor 't licht, Reeds zijne ouders van hem nam ... 't Was uw lot, onschuldig lam! Kind! die schrikbre dwingeland, Die der wereld vreugd verbant, En slechts waarschuwt met den stoot, Is, (verbleekt gij?) is de dood!

Wichtje! welk een zielsgenot Kroonde uw ouders huwlijkslot! Al de droomen hunner jeugd, (Zoete droomen, vol geneugt'!) Duizendwerf elkaar gezegd, Ja, nog meer, vervulde de echt!

Zie, het zaligst levensuur, Zet hun volle borst in vuur, Nu het lagchende verschiet Nooit gesmaakten wellust biedt! O, een telg ... maar God! wat rouw Overvalt de blijde vrouw? ... Bange vrees en angst en schrik, Spreken uit uw moeders blik: "Dierbre gade!" gilt zij uit, Maar reeds mist hij zijn geluid, Plotsling zeeg haar zielsvriend neer, Kind! gij hebt geen' vader meer!

Is het al niet--zwaarder ramp, Ongeboorne! wacht ten kamp, 't Uur van barensnood breekt aan, Kon uw moeder 't wee weêrstaan? ... Angst en doodstrijd zijn gestreên, Arme Wees! gij staat alléén.

Hulpelooze onnoozelheid! Knaapje! dat zoo bitter schreit, En slechts tranen drinkt voor zog, Ach! waartoe bestaat ge toch? Waarom velde de eigen hand, Niet met de ouders, ook het pand, 't Had, van rampen onbewust, Sluimrende aan hun borst gerust; Dood! waarom gescheiden, 't geen Wat het leven smolt tot één?

Wie erbarmt zich uwer, kind? De aarde is vaak zoo schaars gezind, Tot meewarig helpen, van Wie zij hulp onttrekken kan. Geeft niet iedre wezenstrek, Een bewijs van uw gebrek? En het nijdig noodlot zendt, Honger, kommer, ziekte, ellend'! Hoe verlaten nooddruft kermt, Niemand, die zich 't wicht ontfermt! Niemand? Zwijg, Godlastrend woord, Eer de Hemel zich verstoort, Om uw schuldig albedil,-- God is liefde! mensch, zwijg stil. Zie, het Alziend Vaderoog, Ziet genadig van omhoog, Op het klagend wichtje, dat Zonder God geen' redder had. Hij, die 't muschje niet vergeet, Zag des Weesjes droevig leed, En het lachje van genugt', Jaagt de traantjes op de vlugt! Eer vergeet de moederborst, 't Lesschen van des zuiglings dorst, Eer Hij de onschuld hulploos laat, Die ter prooi aan 't onheil staat!

Moed dan, Weesje! God vertroost Steeds het ouderlooze kroost; Weert hun nooddruft, stilt hun pijn, En wil zelfs hun vader zijn! Ja, roept niet zijn eigen Zoon, Op den minnelijksten toon, In het teederst liefdeblijk, Kindren voor zijn Koningrijk?

Vrage dan verblinde waan Naar het doel van uw bestaan, Om het grievende gemis, Dat uw jeugd beschoren is;-- Kind! opregte Godvrucht staart Op een hooger wit dan de aard', Deernis voedende in uw' druk, Juicht zij toch in uw geluk!

Nu dan, teedre bloesemknop! Groei en luik voorspoedig op! 't Schrikkelijke noodweêr vlugt Reeds voor zoeler, milder lucht: Zie, de beste Hovenier Geeft uw jeugdig leven tier, Hij bewaakt u en aanschouwt, Hoe ge uw bladertjes ontvouwt. Stel zijn zorgen niet te loor,-- Breke straks het vruchtje door, Dat, met blosjes lief en zacht, Rijpende ieder tegenlacht! O dan wordt gij, jonge bloem! Eenmaal nog der wereld roem, En het juichende aardrijk looft, Wijd en zijd, uw heerlijk ooft!

HUWELIJKSVEREENIGING.

(_den 8 October 1842._)

Wat hooge vreugd vervult den Koning? Wat innig heil de Koningin? Wat plegtigheid doordringt de woning, Van Neêrlands eerste huisgezin? Hoe vorstlijk is 't paleis versierd ... Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert?

Het huwlijks-altaar staat te branden; Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt; De dienaar Gods heft hart en handen, Daar hemelsche aandrift hem bezielt: Hij smeekt voor 't neêrgeknielde paar, Den zegen van d' Alzegenaar!

En zie, alsof een hand van boven, Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt, Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven, Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt, De priester hecht in 's Heeren naam, Door 't snoer des echts twee harten zaâm!

Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'? Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk? Wie? Neêrland! laat uw' juichtoon hooren! Sophia, 's lands Prinsesse, schonk Aan Weimars Hertog, hart en hand; Geen schooner echt kwam ooit tot stand!

Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders! Geluk in 't voorregt van uw kroost! Het wigt der rijkszorg drukke uw schouders Maar o! deez' blijde dag schenkt troost! Heil u ook, pas verbonden Twee! 's Lands beê volgt u tot Weimar meê!

DRIFT.

Onbezonnen drift, versmoort Iedre vreugde-vonk, en stoort 's Levensheil op aarde; Hoe de glimp haar kwaad verbloemt, Liefderijke eensgezindheid doemt Die steeds tweedragt baarde.

Zie, naauw is haar toorn ontbrand, Of oploopendheid verbant IJlings pligt en rede; Vreugde kent geen kortswijl meer, Als in 't lagchende weleer, Want haar leuze is: vrede!

Maar smelt' laster ook heur' naam? 'k Hoor haar deugden door de Faam Toch zoo luidkeels prijzen: "Drift voedt," zegt ze, "geen verraad, "Goed van inborst, schuwt ze een daad, "Die haar ziel doet ijzen!"

IJzen? Wie der lippen wacht, In zijn razernij veracht, Doet beraad hem spreken? Welk geheim de heethoofd weet, 't Staat al loerende gereed Uit den mond te breken!

Drift is als een dolle hond, Die wreedaardig ieder wondt, In zijn blindlingsch woeden; Ach! zij deed met fellen beet, Zoo meêdoogenloos als wreed, Menig harte bloeden ...

Wie verstandig heeten wil, Wie goedhartig, haat de gril, Om, bij beuzelingen, Elk tot spotternij en schrik, Plotsling, ieder oogenblik, Uit zijn vel te springen!

DE LASTER.

Hoe de laster smaal', En door vuige taal, Deugd haar kroon bezwalke,-- 't Schendend lipvenijn, Schoon het de aard' verschalke, God verblindt geen schijn!

Zie, de nevel zwicht, Voor het zonnelicht, Dat de waarheid bloot leit; En de pest der aard', Staat, in al zijn snoodheid, Naakt geöpenbaard.

Wat zijn helsche togt, Gruwlijks zamenwrocht, Tot zijn naastens smarte,-- 't Plet zijn' eigen kop-- God doorzag zijn harte, En stond wrekend op!

EENVOUD (1).

Eenvoud, beminlijke schoone! Nog nooit naar verdienste geschat; Van iedre schoone de kroone, En toch op uw schoonheid niet prat; Die zinloozen pronk kunt versmaden, Hoe wansmaak er gapende op tuur,-- U hullende in eigen gewaden, In 't hemelsche kleed der Natuur!

De gordel der liefelijkheden, Die Ciprus haar tooverkracht gaf, Versiert uw bevallige leden, Zij stond, bereidvaardig, dien af: "U," sprak zij, "u moet hij omhullen, "Wie meerder dan gij is hem waard? "Die zoo veel geluk zult vervullen, Tot zegen der jubelende aard!"

En evenwel, weinige aanbidders Voor u in het blinkende staal; Bestegen de meeste der ridders, Voor vreemdere kleur niet het zaal? Waar 't letterveld ook wordt ontsloten, Voor strijders verhit op den krans, Zit ge, eedle! vaak droevig verstooten, Schaars breekt men voor Eenvoud een lans!

Zoo 't oog meer uw waarde doorschouwde, Het leven had vreugdvoller loop; Wie ooit op uw weldaden bouwde, Beschaamdet gij nooit in zijn hoop! Waar ge, Eenvoud! de blikken laat zweven, Of waar zich uw voetdruk bevindt, 't Krijgt alles een krachtiger leven, Een lieflijker aanschijn en tint.

Wen 't aardrijk uw' invloed ten toon spreidt, In lusthof, in bosschen en beemd, Een meer dan Arkadische schoonheid, Die 't kluistervaste oog er verneemt; Had bouwlust in steden en dorpen, Steeds 't oor naar uw uitspraak gerigt, Uw wet waar' zoo vaak niet verworpen, Bij 't rijzen van 't kostbaarst gesticht!

Wel hem, wiens gemoed gij verblijdde Door 't dierbaarst geschenk uwer gunst! Wie gij tot het priesterschap wijdde, In 't heerlijk gebied van de kunst! Wat lauwer op aarde verdorde, Zijn eerloof tart tijden en lot, Met regt prijkt een Cats in uwe orde, Maar Swaanenburgs naam werd ten spot!

Door Eenvoud is Neêrland verrezen Uit modderig slijk en moeras; Door Eenvoud, kan Neêrland weêr wezen Zoo groeijend en bloeijend als 't was; Den weg, door de Vadren betreden, Wijst Eenvoud het nakroost nog aan, Dáár slechts kan, bij deeglijke zeden, En welvaart, en kunstschoon ontstaan!

* * * * *

(1) Ik neem hier eenvoud als vrouwelijk, om reden dit meer met mijn doel overeenkomt.

AAN EEN' BLINDEN TOONKUNSTENAAR.

Al derft, ge o Muzenzoon! 't gezigt, Uw geestlijk oog aanschouwt een licht, Waar 't zonnegoud voor zwijmt in 't duister: Gij voert, door 't zuiverst toongeschal, U in dat rijk, waar hemelval Zich huwt aan eeuwgen ochtendluister!

DE MUIS.

In mijn' leuningstoel gedoken, Bij het scheemren der Natuur, Voor de gure winterspoken, Veilig bij mijn haardsteê-vuur, Door verbeelding, in 't verleden, In de toekomst en het heden, Tooverende rondgeleid, In het groot geheel verloren ... Wat geridsel laat zich hooren, In mijn peinzende eenzaamheid?

Uit een klein behangselgaatje, Kruipt, door honger aangespoord, Trillende als een popelblaadje, Een vreesachtig Muisje voort: In en uit heur holtje sluipend, Luistrend om zich henen gluipend, Wordt het telkens meerder vrij; Turende met grage blikken, Of er ook iets valt te bikken, Komt het na en nader bij!

Angst en vreeze vloden henen; Zie, de dartelende Muis, Is in de etenskast verdwenen, En voelt zich zoo goed als t' huis! O! wat nooit gesmaakte weelde, Nu haar jeukend maagje streelde, In dat rijk luilekkerland! 't Beestje kan zich wel begraven, In de keur van lekkre gaven,-- Alles is er naar zijn' tand!

"Maar, ei zie! dat traliehokje, "Wat hangt dáár voor lekkers in? "'t Schijnt mij een begeerlijk brokje, "'t Buikje is rond, maar 'k heb nog zin!" 't Diertje sprak en viel aan 't knabbelen ... Ach! 't wierp al zijn heil te grabbelen, Hoor, wat slag! de valklep sluit! ... Muisje! door te veel te willen, Moest gij al uw heil verspillen,-- Trek, o Mensch! er leering uit.

TEHUISKOMST.

Overdierbaar plekje grond! Vorden, 'k mag u weêr betreden! Stort u uit, mijn dankbre beden, Die mijn' boezemtogt verkondt! Stort u uit om Hem te prijzen, Die met de eêlste gunstbewijzen, Mij begiftigde op deez' stond!

'k Mag, (Goddank!) gezond en frisch, Weêr het lagchend oord genaken, Waar ik zoo veel heil mogt smaken, Waar mijn wellust was en is! Was en is en zal beklijven, Tot mij 't schoone schoon zal blijven, Tot ik kracht en leven miss'!

Maar, van waar dat blij gedruisch? Vriendschap komt op vlugge voeten Mij, van wijd en zijd, begroeten, En geleidt me in vreugd naar huis! Trouwe vriendschap, die mij de aarde Meê herschept ten bloemengaarde, Lieflijk klinkt uw stemgeruisch!

Komt nu, dierbren! komt nu snel Naar mijn landelijke woning; Dat ook dáár de vreugdbetooning, Als van ouds ons weêr verzell'! Hospes! stoot mijn kamers open, 'k Ben de stad voor 't land ontloopen, Zeg, is alles bij u wèl?

'k Ben weêr thuis, vivat! vivat! _Smiit oedale_ (1), toe, mijn vrinden! Zoekt een plaatsje en gij zult vinden, De etiquette's zijn in stad! Nader, Langhals, uit den kelder! Klinkt nu, Makkers! klinkt nu helder, Huldigt Bacchus heerlijk nat!

"_Welkom!_" noemt de feestdronk mij,-- o, Hij maakt me vreugdedronken, 't Wachtend glas weêr ingeschonken; Want ik heb een' toast er bij: _Vordens groei en bloei en leven; Dat het, tot de laatste neven, Rijk door God bevoorregt zij!_

Komt, nu 't eng vertrek ontvlugt; Laat ons buiten, vrienden! buiten! Wat de ziel gevoelt, ontsluiten, Buiten, in de vrije lucht! Hoort, en Vink en Filomeeltje Roeren, dankbaar, 't lieve keeltje, Zij die dank ook onze zucht!

God! wat is uw Schepping schoon! Onnaspeurbre hemelzegen, Spreidt uw goedheid allerwegen, Aan de juichende aard' ten toon! En de geur van bloem en kruiden, Komen, op de wiek van 't Zuiden, Stoeijende af en aan gevloôn!

Broeders! ja, ons heil is groot! Staan wij, zeg, in de eigen streken, Die mijn hart voor twintig weken, Zijn meêwarig afscheid bood? Toen ik alles zag versagen, Voor de gramme najaarsvlagen, En zag worstlen met den dood!

Als een Feniks, o Natuur! Zijt ge glansrijk weêr verrezen, En uw jong, aanvallig wezen, Zet mijn volle borst in vuur! Naauw aan 's Winters boei onttogen, Ben ik naar u toegevlogen, In het allerwenschlijkst uur!

'k Heb u, Lente! dag en nacht, Van bewondring opgetogen, Aangestaard met turende oogen, Waar de wil van 't lot mij bragt; Maar, mogt me ooit uw schoon verkwikken, De innigste uwer tooverblikken, Heeft me in Vorden toegelacht!

Vorden! Vorden! neem mijn lied ... Dan, wat hoor ik? welke akkoorden (2)? Zwijgt nu, zwijgt, mijn zwakke woorden, Dat ik luistere en geniet! o, Met regt, begaafde zangster! Zijt gij hier mijn plaatsvervangster! Dat u milde dichtaâr vliet!

Onvergeetbre levensstond! Nooit gesmaakte zegeningen! 'k Hoor mijn Vordens lof voldingen, Door den liefelijksten mond! God! verhoor nu nog deez' bede: Geef, dat eens mijne asch, in vrede Rusten moge, in Vordens grond!

* * * * *

(1) _Smiit oedale_, oud Vordens, voor: ga zitten.

(2) Doelende op een schoon dichtstuk: Vorden getiteld, van eene Dame mijner kennis.

WIE?

Ai, zie! de afgrijsbre komt, En aller mond verstomt, Hij spreekt, en op zijn woord Zijn lust en rust verstoord; De keel voelt zich beklemd, De boezem zich ontstemd, En nooit gekende smart, Wordt meester van het hart. Hij steelt het edelst goed Aan uw geschokt gemoed, En geeft, wat hij belooft, U niets, voor 't geen hij rooft.

Die ééns hem heeft gezien, Wenscht altoos hem te ontvliên, En voelt zich zóó bevreesd,-- Alsof een booze geest Met eindeloos gekwel Hem aangrijnsde uit de hel!

Wie, zangster! is 't gedrogt, Wiens vuigen boezemtogt, Den schrik verspreidt door 't bloed? Wiens naam reeds siddren doet? En somber trilt' heur snaar: "Het heet? Godslasteraar!"

DE MENSCH.

Wie is hij, dat Gij zijner zóó gedenkt? Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt? Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt? O God der Goden! Gewisselijk, een schepsel onbesmet, Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet, Wiens neigend oor, steeds onderworpen let Op Uw geboden! Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt! (o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt ...) Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt, Hem ten verderve! Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed, Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed; En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed, Genâ verwerve!