De Liereman

Part 2

Chapter 2 3,970 words Public domain Markdown

Hoe meer hij voortging met zijn preek, Hoe meer 'k zijn oefening ontweek; Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen, Dat staâg verkettren en verdoemen, Met al die duistre somberheid, Die nooit verstaat hetgeen ze zeit, Ik haat die leer met ziel en zinnen: "De Godheid bovenal te minnen, "Zijn naasten als zich zelv'--mijn vrind! Die taal verstaat een grijze en kind!

Maar wacht nog wat en spits uwe ooren, Want 'k moet u een geval doen hooren, Hetgeen mij gistren is ontmoet, En dat mij telkens lagchen doet: Weet, sinds de baas zijne oefeningen Mij vruchteloos zocht op te dringen, Heb ik het ieder' keer verbruid, Het mooije weêr is met ons uit! Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten, Dan ongemaklijk opgezeten! Mijn honger, kameraad! vergat, Dat ik nog niet gebeden had; Wat nooit mijne appetijt gebeurde, Hoe lekker ook de schotel geurde. Maar o, wat kwam ik slecht te pas! Of mij de baas de les ook las! Hij gaf me van de coteletten! "Godlooze! is dat uw ziel besmetten, "Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt, "Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond, "En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake, "Die kruimel tot een vuurvlam make, "Die u nog eer den duivel geeft, "Waar uw geheele ziel voor leeft? "Leer, Heiden! leer het van de dieren, "Wat dankbaarheid u moest bestieren, "Zelfs voor den kleinsten waterdronk, "Die u de milde gever schonk!"

"De dieren?" vroeg 'k benieuwd, "ja, ezel! "De dieren!" sprak zijn fijn gekwezel; "Ge zijt een regte domme klaas! "Zwijg, en let op, en hoor uw' baas: "Zeg, laten ooit de vrome kippen, "Een druppel vocht naar binnen glippen, "Of rijst niet hun devote kop, "In warmen dank ten hemel op?"

DE VLIEG.

'k Draag geen haat in 't minnend harte; Aller welzijn is mijn beê; 'k Leef met God en mensch in vreê, En stort tranen bij de smarte; Slechts één schepsel voedstert de aard', Dat mijn schrikbre gramschap baart!

Afschuw walgt den naam te noemen, Van het monster zoo ontieg! 't Is--de vuile, vuige vlieg. Haar te noemen, is haar doemen! Felle wraak besnaart mijn lier, Voor die plaag van mensch en dier!

'k Min u, zoele zomerluchten! Schaars het deel van ons klimaat! Vreugde lacht op elks gelaat, Bij uw zoete zielsgenugten, Doch, waarom verkleint ge uw gift, Door het voorwerp van mijn drift?

't Snood gedrogt, hoe tergt het de ooren, Als haar dommelend gebrom, Mommelend rondsnort, om en om. Waar de mensch, die 't aan kan hooren? Niemand dan die zwarte draak, Vindt in 't zeur geneurie smaak!

Uitgeleerd in booze treken, Rekt zij d' olifanten-snuit, Grijpende naar de onschuld uit: "Leelke vlieg! is dat daar steken," Weg is ze, als de hand zich heft Die den dreiger zelv' nog treft!

Noem de plek, waar ze ooit zich zette, 't Allermislijkst zamenstel, Dat haar vuilheid niet besmette? Tot een walglijk tijgervel, Kleurt ze uw lijnwaad.--Ja, het schreit Vaderlandsche zindlijkheid!

En haar vraatzucht, waar ge uw voedsel, Waar ge uw' dronk of bete plaatst, Nergens, waar haar snuit niet aast, Niets is veilig voor 't gebroedsel! Ja, is 't lijf eerst vet gemest, Dan bezoedlen zij de rest!

Gistren, ('k zal het nooit vergeten!) Vloog er een afgrijslijk paar, Dartlend stoeijend met elkaar, Naar mijn aanzigt--wat vermeten! Ras herschiep haar lust en keus, Tot een huwlijks-spond mijn' neus.

Weet de haat geen gif te zoeken, Dat den dood in de adren stort, En die pest verderflijk word', Door haar slimheid te verkloeken; Waarom is de wraak zoo traag, Tot de straf' dier helsche plaag?

Komt, ons allen zaân verbonden, Wie der vliegen vijand zijt! Menschen, vogels, katten, honden, Slaat en pikt en krabt en bijt! help ook gij ons meê, natuur! Hoor ons: "_voorwaarts!_" in dit uur.

Dat des winters stale krachten, Zich met onze kracht vereen'; Stouter strijd zij nooit gestreên! Moge 't zelfde lot haar wachten, 't Lot, dat Napjes legertal, Eens, in Rusland, bragt ten val!

HET MEDAILLON PORTRET.

Wij kregen _Kareltje Amoureus_, Die dagelijks ons komt vervelen, Met ons zijn bijzijn meê te deelen, Eens alleraardigst bij den neus! Weet dan, zijn zotte liefdeklagt, Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken, En, schoon haar schalkheid hem belacht, Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken!

Zoo, stappende als een stootershaan, Kwam 't Heertje gistren bij ons aan, Alweêr verliefd tot over de ooren! "Zijn lieve attentie wilde eens hooren, "Hoe 't in den huisselijken kring," Sprak hij, "met de gezondheid ging; "O! altoos sloeg zijn hart geruster, "Wanneer zijn oog ons dierbaar huis, (Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!) "Bevrijd mogt zien van druk en kruis!"

De Don Quichot van geest en leden, Kwam 't woonvertrek dan ingegleden, Juist toen een medaillon portret, (Iets zweemend naar mijn zuster Jet) Ons aller aandacht hield gekluisterd, Naâuw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert: "Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand, "Schiep u dit beeld ten minnepand!" En, van verrukking opgetogen, Hing heel zijn ziel aan 't medaillon!

"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon, "Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen "Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!" "Niet!" riep hij, en zijn taal verried, Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen: "Het is de schoonste van de vrouwen, "Die door eens schilders kunstpalet, "Nog ooit is op ivoor gezet! "Wat golvend goud omzweeft haar slapen! "Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt! "Wie, die het niet in liefde ontsteekt? "Tot kussen schijnt die mond geschapen! "Wat blos versiert de blanke koon-- "Neen, Venus was niet meerder schoon "In lijfsgestalte en wezenstrekken! "O! wie de min ten doel mogt strekken, "Van haar, die dit bekoorlijk beeld, "Haar toovrend schoon heeft meegedeeld! "Eén zoentje van dien mond mogt stelen."

"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen," Sprak me oude grootmamatje ras, Wier beeld (vóór vijftig jaar) het was! "Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje, "Kom, Ridder! kom, voldoe terstond, "Uw' zielswensch op mijn' rozemond!"

Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.--

DE VERDRONKEN ACTEUR.

De Acteur Jeroen, meestal besist, Had zeker 's nachts de straat gemist; Want 's morgens werd hij opgevischt, Voor elks verwonderde oogen, Doch 't graantje had zoo sterk gegist, Dat hij, hoe door de gracht verfrischt, Van toeten noch van blazen wist, Ten spijt van ieders pogen!

Maar stil, daar komt de snuggre Nol, Van wien er vier zijn op den hol, Daarbij zoo blind nog als een snol, Op 't driftigst aangestevend: "Roen dood ..." zegt hij, "wat! ben je dol? "Zie, zóó natuurlijk speelt de bol! "Nooit stierf hij immers in zijn rol, "Of steeds werd hij weêr levend?"

HET PORTRET VAN DEN DOOD.

Heeft, heusch, me uw boert geen' strik gezet, Is, Dood! dees beeldtnis uw portret? De Schilder wou u wis begekken! Hoe! dit uw houding? dit uw trekken? Gij groeide leelijk door uw haar, Wat kaalkop ... doch, dat 's smaak, 't is waar! Noch bakkebaard, of zijns gelijken, Geen enkel donsje zie ik prijken,

En waar uwe oogen moesten staan, Daar kijken holle gaten me aan! Uw neus is zeker uit logeren,-- O! mogt hij spoedig wederkeeren; Want toch de gevel siert het huis! Maar aan uw lijf is 't ook niet pluis: Die armen schijnen dorre takken, Die krachteloos ter neder zakken;

Daar aan de hand, slechts knok en been, De Zeis, hoe ligt, haast is ontgleên! Uw borst lijkt wel een traliehokje, (Van vleesch vindt men geen enkel brokje!) Waaraan het beestjen is ontvlugt; En, tot volmaking van de klucht, Kreegt gij voor beenen, lange fluiten; Want, waar ik tuur, ik zie geen kuiten!

Ze is regt frappant, ja, meer nog, ze is Verschrikklijk mooi, die beeldtenis! Het is u sprekend weêrgegeven! Geloof me, Dood! gij schijnt te leven! En dan dat heerlijk coloriet Des Schilders ... wit, al wat men ziet! Zijn fiksch penseel alle omslag mijdend, Behoefde één verw slechts ... 't is benijdend! Alleen, flatteert hij niet wat mild? ... Doch, gekheid op een stokje, wilt Gij over 't stuk en zonder fleemen, Nu, Dood! mijn oordeel eens vernemen, Dan zeg ik juist zoo als ik 't meen: Hoor, 't is een guit, of brekebeen, Dat allerliefste Apelles Zoontje! 'k Gaf hem een aardig lauwerkroontje, Had dus zijn dom of schalksch palet, Vol wansmaak me op 't paneel gezet!

Is dat het beeld van u, wiens krachten, Reeds zoo veel duizende geslachten, Met forschen arm en stalen vuist Tot stof en pulver hebt vergruisd? Is dat uw uitzigt, dat uw houding, Waar eeuw aan eeuwen geen verouding, Geen kreuk op hebben neêrgedrukt, De magt, waarvoor heel 't aardrijk bukt? En geeft dit misselijk geraamte, (O kladderij, der kunst tot schaamte!) Uw kloeke leest en aanschijn weêr? Wreek, wreek u, Dood! het geld uwe eer! Uw wraak moet hem den kop verpletten, Die dus uw beeld ten toon dorst zetten, Zoo wage, een magtloos schilderworm, Zich nooit weêr aan uw' achtbren vorm!

DE GEKKEN.

En Koen reed weêr huiswaarts met ledige wagen: Wat had hij een wonderlijk vrachtje gehad! Zijn dorp zond een aardig presentje naar stad! "En welk een presentje?" Zoo hoor ik u vragen; Wel, twee stapel gekken voor zeker gesticht-- Wat pak van Koens hart, nu de last is verrigt!

Want neen, naar dien rid was hij juist niet heel happig! Nu maakte de vreeze hem dan warm, dan koud! Wel gaf, voor het vreemde transport, hem de Schout Een Garde-Champêtre, maar zotten zijn grappig! Of speelde niet dikwijls den geklijksten gek, Den wijste der wijzen een' olijken trek!

Doch nu, hij herleeft weêr, de vrees vlood zijn wielen, Het dartelend span, hoe het deelt in zijn vreugd! Maar zie, wat lief paartje, vol schoonheid en jeugd, Treedt, plotsling, te voorschijn? Koen rijdt ze op de hielen; En 't minzaam verzoek van de vrijende Twee Luidt: "rijden wij, Vriend! voor een fooi met u meê?"

"Stap op maar! doch hoor eerst vooraf; 'k moet bedingen," Was 't antwoord, dat Koen aan de vragenden gaf, "Zoo 'k zie, dat je gek wordt, dan smijt ik je eraf!" "Dat's regt!" lacht het paar bij het wagen opspringen-- En 't vrolijke goedje heeft fluks zich gezet: "Die koddige Voerman!" zoo schatert hun pret.

Koen keek hen eens aan met wantrouwige blikken, Die gekken van straks lachten ook zoo ... Maar, hoor ... Wat zweepslag, (zijn zweep is in rust,) treft het oor? Wat klappend geluid doet zijn bruintjes verschrikken? "Het spookt hier!" roept Koen; "ach wij gaan nog op hol!" Zijn hoofd keert zich om en wat ziet hij de bol?

Geen mensch droeg de schuld, dat de paarden zoo vlogen, Als 't vrijende paar, door hun klappend gezoen ... "Ik zweer, dat ze gek zijn!" roept de angstige Koen, "Hoe wonderlijk kijken ze ook niet uit hun oogen! "Allons, van den wagen!" en aanstonds verheft De zweep zich naar 't paar en zij dreigt niet, maar treft!

Hoe rilde en hoe trilde het meisje als een rietje, En wie schetst de drift, die haar' minnaar vervult? Maar 't leed der geliefden was Amor zijn schuld! Doch hoor, onze Koen, hij zingt rijdend een liedje: "Wat zijn wij," zoo klinkt het zoo lustig en luid, "Wat zijn wij op aarde met gekken gekruid!"

STALEN PENNEN.

Wat! mijn hand zou ooit zich wennen, Aan die harde stalen pennen? Hoe de smaak ze hulde doet, 'k Haat dat schriftbedervend goed! Telkens als haar punten sprikkelen, Spatten zij wel duizend spikkelen Op het hagelblanke vel, Tot uw tergend zielsgekwel! Dan, door vrekheid weêr gedreven, Willen zij geen' inkt meer geven, En, hoe forsch de hand ook drukt, 't Is een kerel, wien 't gelukt, 't Krabblend tuig tot deugd te schikken! Wordt gij driftig, aanstonds prikken Zij met scherp geslepen stift, Gat bij gat, in blad en schrift!

Wisten onze voorgeslachten Anders dan van ganzenschachten? En, wat is ons vuil gevlek, Bij hun' zuivren pennetrek? Op wat rij van kunstenaren, Mogt het juichende oog niet staren, Kunstenaars, wier eedle zwier, (Of zij tooverde op 't papier!) Keur van letters deden vloeijen! Voor ons hanepooten knoeijen, Had, voorheen, een schoolknaap wat Duchtig met de plak gehad! Ja, de kunst van sierlijk schrijven, Zag men reeds zoo ver verdrijven, Dat men, draaglijk schrift, verheft Of het oog een wonder treft!

Fraaije kunst! schoon 't staal u bande, Keer, o keer weêr in den lande! Breng ons, nutte ganzenveer! Breng ons de eedle schrijfkunst weêr!

MIJN GROOTJE.

Rees mijn Grootjen uit het graf, (Ach, voor vijf en dertig jaren Brak de draad haars levens af ...) Met wat oogen zou ze staren, Zag zij al de nieuwigheid, Hier en daar in 't rond verspreid!

Ja, zij meende 't was een droom, Zag ze molens zonder wieken, Voortgestuwd door kracht van stoom, Met fabrijken en trafijken; En, in 't werken zóó gezwind, Dat het af schijnt eer 't begint!

Zag ze schepen zonder zeil, Bliksemsnel langs 't water glijden, Tal van wagens op hun rail, Vliegend, zonder paarden, rijden; "Ik geloof me zelven niet," Riep zij, "schoon mijn oog het ziet!"

Zag ze, met den knijpbril op, 't Luchtschip boven de aarde zweven, En, ten spijt van 't golvend sop, Als een peil door 't zwerk gedreven, (Wanneer vangt de proef weêr aan?) Hoe verbijsterd zou zij staan!

Zag ze de onnaspeurbre kracht, Waar het goochlend magnetisme, 't Menschdom meê aan 't duizlen bragt, Of het toovrend galvanisme,-- Zeker vroeg haar angstgekwel: "Is de Duivel ook in 't spel?"

Sloeg zij eens de werking gâ, Der atmosferieke drukking, Die uw hooge geestverrukking Uitvond, _Clegg_ en _Samuda_! Werking, waar de stoom voor zwicht ... Wie beschrijft haar aangezigt?

Oxigéne-Microscoop! Bragt gij al de monsterdieren Die, in wriemelenden loop, Door één' druppel waters zwieren, Voor heur sidderenden blik,-- Zij bestierf van louter schrik!

Las zij, hoe ons Handelsblad (1), Ook de huwlijks-koersen teekent; Der verliefden beeld bevat! Teederder om weêrmin smeekend, Naar de markt is, laag, of hoog,-- Schaamte sloot haar zedig oog!

Doch, hoe turend keek ze wel, Als zij honden kaart zag spelen? Vlooijen op het krijgsbevel, In soldaten zich hertelen? Mooglijk, (knipt ze nooit meer dood,) Dienen ze eens het land in nood!

'k Zwijg nu, als ze zag, hoe 't gas Kaars en olie wreed verbande; Nieuwheidszucht het oude, als was, Gansch herkneed heeft in den Lande; "Salomo," zoo riep zij wis, "Had het dan toch duchtig mis!"

Maar, deed Grootjes liefdrijk hart, Broeders! eens de vraag aan de aarde: "Hebt ge, o aard! nu minder smart, "Dan vóór gij die wondren baarde?" Wat zou 't antwoord wezen, dat Grootje dan te wachten had?

* * * * *

(1) Men herinnere zich de bevallige Portretjes bij de huwelijks-aanvragen.

GERUST IN DE ONSTUIME BAREN.

(_Spreuk van Willem den Eerste._)

Hoe de nood-orkanen woeden, Hoe, op 's levens holle vloeden, Speelbal van het wislend lot,-- Laat geen vrees uw hart vervaren; Rustig op de onstuime baren, En gelaten 't oog op God.

Cesar, prooi der woeste stroomen, Weet de vrees zijns volks te toomen, Door zijn kalm en rustig woord: "Zou," spreekt hij, "uw moed versagen? "Hebt gij niet, in spijt der vlagen, "Cesar en 't geluk aan boord?"

Maurits rust, aan Nieuwpoorts stranden, Deed zijn heir ten strijd ontbranden, Schoon aan d' afgrond van 't verderf; En Oranje's legervanen, Doen Albertus krijgsroem tanen, Maurits rust behoudt het erf.

Eerste Willem, Neêrlands Vader! Zelfs bij 't lood van den verrader, Bleef uw spreuk uw trouwe tolk: Treffe een Gerards u moorddadig,-- "Wees, o God! mijn ziel genadig," Bidt gij--"en dit arme volk!"

Hoe de nood-orkanen woeden, Hoe, op 's levens holle vloeden, Speelbal van het wislend lot,-- Laat geen vrees uw hart vervaren, Rustig op de onstuime baren, En gelaten 't oog op God.

EEN KLEIN SPRUITJE WORDT EINDELIJK EEN BOOM.

(_Spreuk van Maurits._)

De vrije Nederlanden Met regt alom vermaard, Wier vlag, aan alle stranden, Beroemd is over de aard',-- Ontwoekerd aan de plassen, Aan wier en aan moerassen, Door 't volk zoo vroed als vroom; Door ongehoorden nijver; Het pronkjuweel van d' ijver,-- Het spruitje wordt een boom.

Het hemeltergend Spanje Hoont Neêrlands goed en bloed, Maar Neêrland en Oranje, Ontvlamt in Heldenmoed! "Wat! droppel aan den emmer!" Brult Spanjes schepterklemmer, "Wat wil uw ijdle droom?" Doch, drupjes worden vloeden, Die toomeloos vaak woeden,-- Het spruitje wordt een boom!

De noeste Koopvaardije, Met welvaart op 't gelaat; De bloei der maatschappije, De zenuw van den staat! Wier altoos volle horen, Haar goud, bij goud trezoren, Ontlast met milden stroom; Ofschoon uit niet gesproten, Wie telt heur rijke vloten? Het spruitje wordt een boom!

Gij, landbouw en gij veeteelt, Gezegend tweelingpaar! Die zoo veel wellust meêdeelt, Waarheen het oog ook staar'; Uw welige akkers bloeijen, Uw malsche kudden loeijen, En geven enkel room! Hoe klein gij zijt begonnen, Wat schat hebt gij gewonnen ... Het spruitje wordt een boom!

Zie, Kunst en Wetenschappen, Veredelen den geest! Wie hoog staat op heur trappen, Is ook eens laag geweest! Maar langzaam opgeklommen, Tot hare heiligdommen, Met telkens minder schroom; Ziet, eindlijk vlijt, na 't klimmen, De kroon der eere glimmen,-- Het spruitje wordt een boom!

De vrije Nederlanden, Met regt alom vermaard, Wier vlag aan alle stranden, Beroemd is over de aard,-- Ontwoekerd aan de plassen, Aan wier en aan moerassen, Door 't volk zoo vroed als vroom; Door ongehoorden nijver, Het pronkjuweel van d' ijver,-- Het spruitje wordt een boom.

VOOR GODSDIENST EN VOOR VADERLAND.

(_Spreuk van Frederik Hendrik._)

Voor Godsdienst en voor Vaderland, Was Fredrik Hendriks leus. Zijn trouwe deed die leus gestand, Die ridderlijke keus; Het lemmer aan zijn zijde, Vloog hij verrukt ten strijde, En toonde door zijn' moed, Den oorsprong van zijn bloed!

Voor Godsdienst en voor Vaderland, Verwoei zijn blikkrend zwaard; De vijand vlood met schade en schand', Voor 's Pruisen heldenaard! Laat Flips het zelf getuigen, Wat steden moesten buigen, Voor Nassau's wrekend staal, In dappre zegepraal!

Voor Godsdienst en voor Vaderland! Was naauw zijn' mond ontgleên, Of de onverbreekbaarste eendragtsband Bond Vorst en Volk aaneen! Uw tooverwoord, Oranje! Betemde 't matig Spanje, En Neêrland vocht zich vrij, Van snoode dwinglandij!

DEUGD SCHEPT VREUGD.

(_Spreuk van Hendrik Laurenszoon Spiegel._)

Deugd Schept vreugd; Heerlijk woord! Grijze en jeugd! Zegt het voort,-- Wijs, die hoort!

Baat Het kwaad; Kwaad teelt smart, Vroeg, of laat, Voor het hart; Dwaas, die 't tart!

Houw En trouw, Aan de deugd! Op haar bouw', Grijze en jeugd,-- Deugd schept vreugd!

ELCK WAT WILS.

(_Spreuk van Roemer Visscher._)

Bart en Art en Art en Bart, Ruilden zamen hart voor hart! Maar hun vrijen zal niet baten, De Oudjes hebben 't in de gaten ... Elk wat wils, elk wat wils, Dan voorkomt men veel geschils!

Jan en Griet, uw huwlijks-schip Zeilt nog vast op bank en klip! 't Laat zich uit uw oog wel lezen, Ieder wil graag hoofdmast wezen-- Elk wat wils, elk wat wils, Dan voorkomt men veel geschils!

Vriendschap zweert: "voor de eeuwigheid "Zij ons zielesnoer geleid!" Maar, na weinige oogenblikken, Komt de twist dat snoer ontstrikken; Elk wat wils, elk wat wils, Dan voorkomt men veel geschils!

Heerschers van het aardsch gebied, Stelt uw vreugd in d' oorlog niet! Spaar, o Groote Potentaten! Spaar het bloed der Onderzaten! Elk wat wils, elk wat wils, Dan voorkomt men veel geschils!

O! die spreuk van d' ouden Bard, Zij de spreuk van aller hart! Doch de lust leer' zich bestrijden, Van die spreuk niet te overschrijden-- Elk wat wils, elk wat wils, Dan voorkomt men veel geschils!

Elk wat wils, maar, liefdrijk God! Niet in uw volmaakt gebod! Wilde dáár ook elk wat willen, 't Ware uw wijze leer bedillen... God! o hater des geschils, Zijn wij steeds met U éénswils!

GENOEGH IS MEER.

(_Spreuk van Anna Visscher._)

Het daaglijksch brood-- Wat gift, hoe groot, O Opperheer! Genoeg is meer!

Is hij slechts rijk, Wiens woekrend slijk, Al hooger klimt, Al heller glimt?

Hij arm, wie niet Dien goudberg ziet? Wiens eerlijk zweet Hem kleedt en reedt?

o Gij, beslis, Ervarenis! Uw wijze stem, heeft kracht en klem:

"Tevredenheid," Zegt zij, "bereidt "Het beste deel,-- In weinig veel!"

Het daaglijksch brood, Wat gift, hoe groot, O Opperheer! Genoeg is meer!

ELCK ZIJN WAEROM.

(_Spreuk van Maria Tesselschade Visscher._)

Elk zijn waarom, sprak Tesselschâ, En o! zij had het regt; Die spreuk is zonder wedergâ, De ervaring doet haar regt; Want hoe men cijfert, dit 's de som: Elk mensch op aard heeft zijn waarom!

Dat's wijs, dat's goed, den mensch tot eer En God zij dank en lof; Hij wierp ons niet op aarde neêr, Als wormen in het stof; Zijn vaderliefde rigt ons oog, Naar 't zielvereedlendst doel omhoog!

Maar, wee hem! die dat doel weêrstreeft, Zijn' boezem ingeplant; Het hart eene andre rigting geeft, Tot eigen schade en schand! Wie zijn waarom naar zelfzuchts-wensch, Misbruikt tot hoon van God en mensch!

Ja blijve, o Tesselschade! uw spreuk Ons aller wenschend wit; Die spreuk zoo rein van smet en kreuk, Waar de eêlste les in zit! Elk zijn waarom--o spreuk zoo waard, Rigt gij mijn' blik op meer dan de aard'!

ELCK SPIEGELE HEM ZELVEN.

(_Spreuk van Jacob Cats._)

Lieve Vader Cats! wat schat Niet uw schoone spreuk bevat! Onder welke luchtgewelven, Op wat land het oog ook staart, Elk spiegele zich zelven, Die spreuk geldt voor heel de aard'!

Pleeg, bij 's werelds goed en kwaad Onpartijdig met u raad; Durf in eigen boezem delven; Zie wiens beeldtenis gij draagt,-- Elk spiegele zich zelven, Eer hij zijn lot beklaagt.

Judas, die zijn' Heer verried, Spiegelde zich zelven niet; Hebzucht bande pligt en rede; Jezus jongrental werd elf ... Wacht u voor de eerste trede, Elk spiegele zich zelv'!

'T KAN VERKEEREN.

(_Spreuk van Bredero._)

Niets bestendig, Alles endig, Wat de wislende aard' bevat; 't Kan verkeeren,-- Dat te leeren, En, wie vreest Fortuna's rad?

Lieve schoone! Die de kroone Der ontloken jongheid draagt,-- Ach, de jaren, Die niets sparen, Hebben ras uw schoon gevaagd!

Aardsche Magten, Die uw krachten, Onverwinbre krachten waant,-- 'k Zie uw rijken Reeds bezwijken, En uw glorie-zonne taant!

o Hoe groeijend, o Hoe bloeijend, Was der Vadren Koopvaardij! Maar verzwonden Zijn die stonden, Zelfs geen schaduw bleef ons bij!

Doch in eere, Wat verkeere, Blijve Neêrlands houw en trouw; Neêrlands rondheid, Neêrlands promptheid, Zij de steun van 't staatsgebouw!

HORA RUIT (1).

(_Spreuk van Hugo de Groot._)

De tijd vervliegt,-- Vlugger dan een paard, In zijn vleugelvaart, Door geen kracht te toornen! De tijd bedriegt,-- Wie op hem betrouwt, heeft op zand gebouwd, Heeft geloofd aan droomen!

De tijd vervliegt,-- Sneller dan het licht Van een' bliksemschicht, In het niet verdwenen! De tijd bedriegt,-- Als een leugengeest, Die den mensch beleest, Lagchende in zijn weenen!

De tijd vervliegt,-- Wakkere de Groot! Maar, hoe ras hij vlood, Kon hij u bedriegen? De tijd bedriegt,-- Daarom nam uw keuz', Ook die spreuk ten leuz', Lettende op zijn vliegen!

* * * * *

(1) De tijd vervliegt.

PEUT-ETRE (1).

(_Spreuk van Hendrik van Brederode._)

Jan Draaijer hangt altoos de huik naar den wind, Van welk eenen kant het moog' waaijen; Dan Republikeinsch en dan Koningsgezind, Geen schoorsteengek, die zoo kan draaijen! Zou zelfzucht ook zijn belangloosheid gebiên? Misschien.

Ziet Teunis mooi Dientje, wat blos, die hem blaakt, De jongen is ganschlijk beteuterd; Hij, anders zoo goed als een Brugmans bespraakt, Zwijgt eensklaps alsof het hem leutert! Zou Teunis verliefd zijn op de aardige Dien? Misschien.

Frans Blaaskaak heeft immer de wijsheid in pacht, Hij leeft en beweegt in zijn glorie; Al wat uit de bron zijns verstands is gebragt, Bekraait slechts zijn haan met victorie! Laat trotschheid en waan uit zijn mouw zich ook zien? Misschien.

De stoom hoe gezwind, werd een stok-oude knol, Zoo wende reeds de aarde aan zijn jagen; 't Moet telkens al sneller, 't moet holderdebol, Die nieuwheid, hoe dol, kan behagen! Ligt, dat zich de mensch eens van vleugels bedien'? Misschien.

* * * * *

(1) Misschien.

REPOS-AILLEURS (1).

(_Spreuk van Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde._)

Als de baren u vervaren, Op de onstuime zee, Laat de hoop uw' geest bedaren, Op een stille reê; Schoon de noodstorm u onthutst, Elders rust.